Vandaag is het 45 jaar geleden dat de beloftevolle Vlaamse dichter Jotie T’Hooft in het huwelijk trad met Ingrid Weverbergh, dochter van uitgever Julien Weverbergh.

Johan Geeraard Adriaan (Jotie) T’Hooft was een voorbeeldig enig kind tot hij op de middelbare school ernstige aanpassingsproblemen begint te vertonen: door zijn onhandelbaar gedrag, werd hij van verscheidene scholen gestuurd.

Hij zocht zijn toevlucht in de literatuur (vooral poëzie, maar ook ook Franz Kafka en Hermann Hesse) en in de muziek (David Bowie, Nico, Frank Zappa, Lou Reed).

Maar vooral in de drugs.

Op zijn veertiende was hij al verslaafd. De interesse van T’Hooft voor drugs zou naar eigen zeggen (in “Restant”) voortgekomen zijn uit “De blauwe lotus” van Kuifje…

Op 17-jarige leeftijd verliet hij het ouderlijk huis.

Hij ging in Gent op kamers wonen om de kunstacademie te volgen.

Van de geplande studies kwam niks terecht en kwam hij in het drugsmilieu terecht, waar hij zijn geldnood trachtte op te lossen door drugs te verkopen en allerlei baantjes aan te nemen.

Eind 1973 nam hij slaappillen in en probeerde zelfmoord te plegen door zich te kerven met scheermesjes.

Deze zelfmoordpoging mislukte en zijn ouders haalden hem terug naar huis.

De allereerste gedichten van Jotie stonden in het Gentse tijdschrift Restant.

Lukas De Vos was de eerste hoofdredacteur die T’Hooft een kans gaf in Restand.

Als dusdanig was hij van het grootste belang in de doorbraak van de piepjonge dichter.

In 1974 werd T’Hooft echter opnieuw voor drugbezit opgepakt door de politie en ter beschikking van de jeugdrechter.

Na deze periode ontmoette hij Ingrid Weverbergh, een dochter van Julien Weverbergh, uit diens eerste huwelijk.

Jotie en Ingrid traden op 29 augustus 1974 in het huwelijk.

Zijn schoonvader, directeur van uitgeverij Manteau, bezorgde hem niet alleen werk als lector bij uitgeverij Manteau, maar zorgde er ook voor dat zijn eerste bundel Schreeuwlandschap in 1975 gepubliceerd werd.

In Tliedboek van oktober 1975 schreef Frank De Crits hierover: “Ik ben ervan overtuigd dat hij het in ons poëtenwereldje nog ver zal schoppen.
Harde teksten over harde dingen; hij heeft alle kleuren van de regenboog gezien.”

Het druggebruik overheerste echter meer en meer zijn leven en maakte een ander mens van de zachtaardige T’Hooft.

Omdat hij haar mishandelde verliet Ingrid Weverbergh haar man.

De doodsdrift van T’Hooft won het uiteindelijk en in de nacht van 5 op 6 oktober 1977 diende hij zichzelf in een kleine kamer in Brugge een overdosis cocaïne toe en stapte zo uit het leven.

T’Hooft werd begraven op het kerkhof te Oudenaarde.

Na zijn dood werd nog een aantal ongepubliceerde werken van T’Hooft uitgegeven, meestal gedichten maar toch ook wat proza: Poezebeest (1978), Heer van de poorten (1978 – verhalen), Verzamelde gedichten (1981), Verzameld proza (1982), In bossen op eenzame plekken (1995), In mij is onstuitbaar de doodsbloem ontloken (1997) en Verzameld werk (2010).
Toen Julien Weverbergh het archief van T’Hooft in 2004 wilde verkopen stapte de weduwe T’Hooft-Weverbergh naar de rechter, die vervolgens op 18 januari 2005 de verkoop verbood.

Datzelfde jaar eindigde hij op nr. 251 in de Vlaamse versie van De Grootste Belg. (Diverse bronnen, Ronny De Schepper,Lucas Vanclooster en Wikipedia)

Vandaag is het 45 jaar geleden dat de beloftevolle Vlaamse dichter Jotie T’Hooft in het huwelijk trad met Ingrid Weverbergh, dochter van uitgever Julien Weverbergh.
Vandaag is het 45 jaar geleden dat de beloftevolle Vlaamse dichter Jotie T’Hooft in het huwelijk trad met Ingrid Weverbergh, dochter van uitgever Julien Weverbergh.

60 jaar geleden, koningin Elizabeth en haar negenjarige dochter Anna klaar voor een boottochtje over de Frogmore-vijvers

Frogmore House is een wit landhuis dat op ongeveer een halve mijl ten zuiden van Windsor Castle ligt en al sinds 1792 een koninklijke residentie is. Het ligt in het Windsor Castle Home Park, een paradijs vol statige bomen, bloeiende struiken en idyllische meertjes.

Frogmore House, genoemd naar het gekwaak van de talloze kikkers in de omliggende moerassen, is gebouwd in 1680 en diende vooral als ‘country retreat’ voor vele generaties royals.

Aan de westkant van de tuinen staat het mausoleum van prins Albert en koningin Victoria. Ten zuiden ervan een kleine begraafplaats waar andere leden van de koninklijke familie een laatste rustplaats vonden, sinds de grond in 1928 gewijd werd.

Vandaag 50 jaar geleden, tragedie rond Ted Kennedy

Na de moorden op zijn broers, president John F. Kennedy en presidentskandidaat Bobby, was Edward, of ‘Ted’, de gedoodverfde kroonprins van de Kennedy-dynastie.

Tot de 28-jarige Mary Jo Kopechne op een zwoele zomernacht in 1969 in zijn wagen om het leven kwam in een meer op Chappaquiddick, een eiland in Massachusetts.

Pas toen haar lichaam werd ontdekt, meldde Ted Kennedy bij de politie dat hij met Kopechne als passagier van een brug was gereden, maar waarom had hij tien uur gewacht met die aangifte? Chappaquiddick groeide uit tot een schandaal waarover nog steeds vraagtekens hangen, maar één zaak is zeker: na de schimmige dood van Mary Jo Kopechne mocht Kennedy zijn presidentiële ambities voorgoed opbergen.

Zette aartsrivaal president Nixon zijn populaire tegenstander met Chappaquiddick schaakmat en was Kennedy slachtoffer van een sinister complot?

Werden Ted en Mary Jo op een banale vrijpartij betrapt en reden ze in paniek het water in? Of zat de senator niet eens achter het stuur en werd hij pas ’s anderendaags op de hoogte gebracht?

Op 18 juli 1969 rouwt Ted, de 37-jarige senator voor de staat Massachusetts, nog om Bobby Kennedy, die een jaar eerder in koelen bloede is doodgeschoten tijdens zijn gooi naar het Witte Huis. Vijf jaar tevoren was hun oudere broer, de geliefde president JFK, al vermoord. Die avond treft de ‘vloek van de Kennedy’s’ ook Ted.

De senator kan eveneens genieten van het bekende Kennedy-charisma en van hem wordt aangenomen dat hij de democraat zal zijn die president Richard Nixon verslaat.

Ted heeft een hotel geboekt in Edgartown, een stadje dat door een nauwe engte in de Atlantische Oceaan gescheiden wordt van Chappaquiddick, het eilandje waar hij die avond in een afgelegen cottage gastheer speelt op een barbecue en feestje voor een select twaalfkoppig gezelschap.

De zes uitgenodigde jongedames zijn zogenaamde Boiler Room Girls, ‘vreselijk intelligente, politiek geslepen en bijdehante’ meisjes, die zich de zomer ervoor vol passie hebben ingezet voor Bobby’s presidentiële campagne.

Het voorbije jaar hebben ze vaker reünies gehouden om zijn moord te verwerken, herinneringen op te halen en zich op Teds ambities te richten. Een van die Boiler Room Girls, is Mary Jo Kopechne. Rond kwart over elf ’s avonds zijn Ted en Mary Jo naar eigen zeggen allebei moe en willen ze hun respectieve hotels in Edgartown opzoeken.

Omdat de ferrydienst tussen het stadje en Chappaquiddick om middernacht ophoudt, vraagt Mary Jo of Ted haar een lift naar de kade kan geven in diens zwarte Oldsmobile Mary Jo vertrekt niet enkel zonder haar vriendinnen goedenacht te wensen, ze laat ook haar handtas en de hotelsleutel in de cottage achter.

Na de verkeerde afslag te hebben genomen naar een zandweg, stuurt Ted zijn wagen Dike Bridge op, een onverlichte houten brug zonder reling, en het water in. Hij kan zich, zonder zich te herinneren hoe, uit het wrak bevrijden.

Als hij na meerdere sprongen in het meer onder de brug het passagiersportier niet kan openen, snelt hij de anderhalve kilometer naar de cottage terug om alarm te slaan bij zijn neef Joe Gargan en boezemvriend Paul Markham.

Zij proberen Mary Jo op hun beurt tevergeefs te redden. Markham verklaart later dat Ted onbedaarlijk huilt en “op het randje van waanzin” lijkt.

In shock duikt Ted het kanaal in en zwemt hij de 150 meter van Chappaquiddick naar Edgartown, waar de nachtportier hem rond halfdrie in het hotel spot.

Zo luidt althans zijn versie. Want om kwart voor één ’s nachts kruist een zwarte wagen langzaam die van hulpsheriff Christopher Look, die naast de chauffeur een jonge vrouw ontwaart. In zijn achteruitkijkspiegel merkt Look dat het stel de weg naar de aanlegsteiger verlaat en Dike Road inslaat, op weg naar de duinen waarin ze zich zouden vastrijden, en dan stopt hun wagen.

De agent stapt uit om hulp te bieden maar zodra hij de wagen benadert, stuift die aan hoge snelheid weg richting duinen. Look onthoudt de nummerplaat deels, en ’s anderendaags blijkt het om de Oldsmobile van Ted Kennedy te gaan.

Als hij en Mary Jo de cottage om kwart over elf verlieten voor een rit van amper anderhalve kilometer, dan zit er een gat van anderhalf uur in het relaas van de senator.

Een team cynische, door de wol geverfde advocaten en pr-medewerkers deed er vervolgens alles aan om de waarheid te verbergen, zodat Kennedy herkozen kon worden als senator. In 2018 kwam er een film over dit voorval en de doofpot-affaire. The Last Son (originele titel: Chappaquiddick).

De makers van de film proberen sympathie voor hem te wekken door hem gebukt te laten gaan onder zowel de ‘Kennedy-vloek’ als de hoge verwachtingen van zijn dominante vader, Joe Kennedy.

De Kennedy-vloek verwijst naar de tragiek die de familie achtervolgt: de dood van achtereenvolgens Joseph Kennedy Jr. in 1944, JFK in 1963 en Robert Kennedy in 1968. (diverse bronnen, Mario Danneels, André Waardenburg en Wikipedia, Foto 1 Ted en Mary Jo Kopechne)

Ted Kennedy in de Post van 23 december 1979
Suzy Chaffee de nieuwe vriendin van Ted Kennedy (Augustus 1979)
Suzy Chaffee de nieuwe vriendin van Ted Kennedy (Augustus 1979)
Suzy Chaffee de nieuwe vriendin van Ted Kennedy (Augustus 1979)

Vandaag 40 jaar geleden, Rod Stewart en Alana Hamilton trouwen met elkaar.

Alana Hamilton is de ex-vrouw van acteur George Hamilton.

Met Rod Stewart krijgt Alana twee kinderen, Kimberly en Sean. In 1984 gaan Rod en Alana Stewart uit elkaar.

Rod Stewart trouwde driemaal en had verscheidene andere relaties.

Vijf verschillende vrouwen kregen in totaal acht kinderen van hem.(diverse bronnen en Wikipedia)

30 jaar geleden, Rosalie Niemand

Toen ze vijf jaar was werd Liliane Stijnen in een gesticht voor achterlijke kinderen gestopt, want ze was ongewenst. Daar werd ze lastig en opstandig van. Toen ze twaalf was, werd ze naar een psychiatrische inrichting voor volwassen vrouwen verplaatst, hoewel ze geestelijk gezond was.


Onder het strenge nonnenregime werd haar hele leven een aaneenschakeling van vernederingen, psychische martelingen, angst en onnoemelijk veel verdriet. Vijftig jaar lang was ze niemand, mocht ze niemand zijn en zo werd ze het personage Rosalie Niemand in een roman van Elisabeth Marain.

Rosalie Niemand vertelde haar verhaal aan Elisabeth Marain die diep onder de indruk was. Zo stond ze daar voor me, al vier jaar vrij, niet omdat ze genezen was verklaard, maar omdat de subsidies voor gesloten instellingen verlaagd werden. Ze stond daar en ik keek naar haar en besefte hoe zij zich ondanks alles op een uitzonderlijke wijze had opgericht en voor het eerst echt begon te leven op een leeftijd dat de meesten onder ons het voor bekeken houden. Ik zag haar kracht en onverwoestbaarheid en besloot over haar te schrijven.

Het NTG gaf aan Jan de Vuyst opdracht om van het boek een monodrama te maken. Voor veel mensen kwam dit stuk over aan als een mokerslag.


Dit werd zeker bewerkstelligd door de allesverterende vertolking van Lieve Moorthamer (regie Hugo Van Den Berghe) in de rol van Rosalie (wereldklasse volgens de recensent van Het Laatste Nieuws), maar minstens evenveel door de aangeboorde thematiek.

Rosalie is immers gebaseerd op het levensverhaal van Liliane Stijnen, een vrouw die door haar moeder als kind is opgesloten in een krankzinnigengesticht, zonder dat daar een concrete aanleiding toe was, en er pas als 50-jarige vrouw weer is uitgekomen. Zonder er mentaal te zijn onderdoor gegaan, sterk en gebroken tegelijk. Opstandig en berustend. Vol haat tegenover haar moeder, maar vast besloten iets van wat rest van haar leven te maken. Toch was Rosalie Niemand ook een voorstelling vol hoop. Met de nodige humor zelfs.


Rosalie Niemand werd gemaakt tijdens de sluitingsperiode van de schouwburg op het Sint-Baafsplein en kreeg een lange reeks opvoeringen in de Aula van de Gentse Universiteit. De voorstelling werd hernomen en kreeg een heel erg lange reeks reisvoorstellinge

Liliane Stijnen
Liliane Stijnen
Lieve Moorthamer
Elisabeth Marain in de Humo van 9 november 1989

Vandaag 20 jaar geleden in Brussel, overleed Maurice De Wilde.

Maurice De Wilde werd geboren in de Moriaanstraat te Gent, als zoon van een spoorwegarbeider.

Toen hij zeven was verhuisde het gezin naar Mechelen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep hij atheneum en studeerde Germaanse talen.

Hij werd onderwijzer, maar droomde ervan journalist te worden bij de openbare radio-omroep, het N.I.R. De radiozender nodigde hem in 1948 uit voor een korte stage. Daarna werkte De Wilde een tijd voor het persagentschap Belga, keerde terug naar de radio en was vervolgens zes jaar actief als vertaler voor het Ministerie van Economische Zaken.

Nadat hij nog een licentiaatsdiploma sociale wetenschappen behaald had begon hij in 1953 bij de pas opgerichte Vlaamse openbare televisieomroep.

Toen reeds, in 1949, kreeg De Wilde het aan de stok met toenmalige administrateur-directeur-generaal Jan Boon.

De Wilde zou zich in “grove, beledigende” termen hebben uitgelaten over het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Volgens Boon had De Wilde gezegd dat “alle weerstanders smeerlappen zijn”, wat De Wilde verbeterde: “Sommige weerstanders zijn smeerlappen.” Alhoewel De Wilde altijd een grote afkeer en haat voor nazi’s en collaborateurs had, zag hij ook altijd wel de keerzijde van de medaille.

Ook later in zijn reeksen over de collaboratie stak hij minder van leer tegen de kleine collaborateurs dan tegen de grote namen.

De Wilde was meteen een van de eerste journalisten die voor het prille televisiejournaal werden aangenomen. Van 1953 tot 1956 was hij nieuwslezer, maar hierna begon hij een groot aantal reportages ter plaatse (door hem “enquêtes” genoemd) te verzorgen.

Van 1963 tot 1968 doceerde De Wilde perswetenschappen aan het toenmalige Hoger Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding (HRITCS) te Brussel, onder meer aan Philippe Van Meerbeeck, die in 1979 zijn documentalist zou worden.

Midden jaren 60 nam De Wilde een groot aantal “enquêtes” op over sociaal-economische problemen in België. Hij werd berucht vanwege zijn voor die tijd bijzonder scherpe en kritische interviews. Met zijn grondige dossierkennis en hardnekkige interviewstijl was hij een buitenbeentje in de Vlaamse televisie-journalistiek.

De Wilde zette zich in om “de waarheid” te weten te komen en bleef vaak doorvragen als hij niet meteen een antwoord kreeg. Het bezorgde hem veel moeilijkheden, zowel met de overheid als met de hiërarchie van de BRT. Hij kreeg het vaak aan de stok met directeur-generaal Paul Vandenbussche.

Zo werd zijn uitzending Mijnalarm (1966) rond de mijnwerkersstakingen en de sluiting van de mijn van Zwartberg in Limburg eerst verboden en ten slotte gecensureerd uitgezonden. De leiding van de BRTN struikelde over de vrijmoedige uitlating van een mijnwerker en vooral over het feit dat De Wilde de socialistische vicepremier Antoon Spinoy twee keer dezelfde vraag had gesteld omdat Spinoy hierop geen antwoord had gegeven.

Een nieuwe rel ontstond naar aanleiding van De Wildes reportage rond de havens: Geen mammoets voor Antwerpen (1967), soms ook Geen mammoets in de haven genoemd. Tijdens zijn verslag merkte hij op dat minister van Openbare Werken Jos De Saeger zijn ambtenaren verboden had aan de reportage mee te werken en daarnaast ook zelf weigerde voor de camera’s te verschijnen.

De BRTN liet De Wilde hierop zeven jaar lang de eindredactie verzorgen en haalde hem zo jarenlang van het scherm.

Dure elektriciteit leidde tot een proces met CVP-politicus Geeraard Van Den Daele over het eigendomsrecht van televisie-interviews, een geding dat uiteindelijk zou leiden tot een gezaghebbende uitspraak van het Hof van Cassatie in het voordeel van De Wilde en de BRT.

Op de BRT kon hij geen promotie maken en mocht enkel minder grote reportages verzorgen. Hoewel hij zich daardoor erg ongelukkig voelde, wees hij in 1968 een verkiesbare plaats op de VU-Kamerlijst af, omdat hij liever journalist bleef. Dat hij ooit de overstap naar de politiek overwogen heeft, had vooral te maken met het feit dat hij op dat moment tot journalistiek laagwaardig routinewerk op de redactie gedwongen werd.

n de woorden van de voormalige directeur Informatie Karel Hemmerechts: Maurice wilde een soort Balzac van de televisiejournalistiek worden.

Zijn onthullende enquêtes uit de jaren 60 waren de langste die de Vlaamse televisie tot dan toe gebracht had. De meeste daarvan pasten in een cyclus die de veelzeggende titel “Anatomie van België” droeg. De Wilde heeft die cyclus nooit kunnen afmaken.

Tijdens de jaren zeventig werd de gedreven onderzoeksjournalist op de nieuwsredactie geplaatst en leek hij professioneel afgebrand. Veel van zijn reportages waren gecensureerd of leidden tot processen of conflicten met de overheid of de BRT-top, terwijl hij tegelijkertijd prijzen won voor zijn journalistiek werk.

Men liet hem dan maar rapportages in het buitenland verzorgen. Tijdens de staatsgreep van Augusto Pinochet in Chili (1973) was De Wilde ter plaatse en kreeg toegang tot het sportstadion waar de eerste weken na de coup politieke tegenstanders werden vastgehouden. Hij wierp toen enkele politieke gevangenen sigaretten toe, veel meer kon hij niet voor hen betekenen. Wat hem vooral choqueerde was het feit dat de gevangenen in bedwang werden gehouden met Belgische FAL-geweren. Dit leidde ertoe dat hij een jaar later de reportage “De één zijn dood, de andere zijn brood” (1974) draaide rond de Belgische wapenindustrie.

In 1974 mocht hij van de BRT samen met onder meer de geschiedkundige Etienne Verhoeyen documentairereeksen voorbereiden rond de Belgische collaboratie in de Tweede Wereldoorlog.

In totaal werkte hij 20 jaar aan 60 afleveringen rond het thema. Het project zou zijn levenswerk worden, van 1982 tot 1991 werden de documentaires uitgezonden. De Wilde spitte eerst heel wat dossiers en archieven door om informatie te verzamelen.

In 1982 presenteerde De Wilde zijn eerste uitzending over Belgiës collaboratieverleden tijdens de Tweede Wereldoorlog: De Nieuwe Orde. Ook de reeksen die volgden, De Verdachten, De Collaboratie, Het Verzet, De Oostfronters en De Tijd der Vergelding deden heel wat stof opwaaien.

De Wilde interviewde voor deze reeksen 300 getuigen en voerde meestal lange voorbereidende gesprekken met hen. Maurice De Wilde kon zich soms erg boos maken als de geïnterviewde moeite had om uitspraken voor de camera te herhalen. Enkele van de meest spraakmakende figuren die geïnterviewd werden: Maurice Naessens, Jef van de Wiele en Léon Degrelle.

Zijn reeksen over de Tweede Wereldoorlog maakten veel indruk door de opmerkelijke documentatie en het taboe-doorbrekende karakter van de onderwerpen.
Er volgde heel wat protest en kritiek vanuit Vlaams-nationalistische en katholieke hoek: de pers (Gazet van Antwerpen, De Standaard, ’t Pallieterke,…), de politiek (ex-CVP-voorzitter Robert Houben) en op 28 april reageerde zelfs koning Leopold III zeer geïrriteerd op de dringende vraag van De Wilde om ‘te spreken’.[bron?]. De gewezen koning was niet opgezet met de wijze waarop De Wilde zijn rol in de collaboratie had blootgelegd en besloot verder het zwijgen te bewaren in deze gevoelige kwestie.

Ondanks de kritiek op De Wilde als “journalist die blijft vragen tot hij hoort wat hij wil horen” en het linkse etiket dat hem werd opgekleefd, was De Wilde in zijn reportages altijd even kritisch tegenover de socialistische partij als ten opzichte van anderen. Bovendien heeft men hem nooit op een fout in zijn dossiers kunnen betrappen. Hij verdedigde zijn interviewstijl weleens met de woorden: “Ik geloof nooit dat mensen spontaan de waarheid vertellen.”

De veelbesproken reportages waren hoe dan ook belangrijk in historisch opzicht en speelden een grote rol in de erkenning van mondelinge geschiedenis in Vlaanderen.

Hij ontving er nogal wat prijzen voor en zelfs een eredoctoraat van de Vrije Universiteit Brussel (VUB).

De heisa rond zijn werk eiste veel van De Wildes gezondheid.

In 1983 kreeg hij een hartaanval en in 1986 werd bij hem kanker vastgesteld.

In 1988 had hij zijn pensioengerechtigde leeftijd bereikt, maar bleef desondanks nog werken tot 1991.

Toen werd hij definitief met pensioen gestuurd.

Zijn laatste reeks rond de collaboratie, “De Repressie” (1991), deed opnieuw stof opwaaien.

De BRTN verbood zelfs de eerste aflevering omdat De Wilde zich volgens haar te zeer had vastgebeten op de wandaden van het Belgisch verzet.

Ook andere mensen verweten hem dat hij te fel van leer trok tegen sommige weerstanders en een nauwelijks verholen pleidooi voor amnestie voor collaborateurs hield.

Toen deze laatste afleveringen afgerond waren had De Wilde nog steeds niet het gevoel klaar te zijn met zijn onderzoek naar de collaboratie.

Hij betreurde het altijd dat hij nooit reportages had kunnen maken rond de bevrijding van Tongeren, Cyriel Verschaeve, Irma Laplasse, Leo Vindevogel en Modest van Assche.

Ook de economische collaboratie heeft hij nooit mogen onderzoeken.

Maurice De Wilde is wellicht één van de meest onderscheiden journalisten die België gekend heeft. Hij ontving meer dan tien prijzen voor zijn televisiewerk, ook van Franstalige zijde. Hij mocht – vrij uniek voor een journalist – een eredoctoraat in ontvangst nemen aan de Vrije Universiteit Brussel.

Die grote waardering was zonder twijfel de erkenning van inzet en talent, maar ook een gevolg van de grote ruchtbaarheid die zijn reportages kregen, soms zelfs nog voor ze uitgezonden werden.

In 1982 ontving hij de Geuzenprijs en werd hij gehuldigd omwille van zijn niet-aflatende inspanningen om de waarheid kenbaar te maken, spijts alle druk en tegenkantingen.

In 1992 was hij de eerste laureaat van de Gentse Prijs voor de Democratie.

Twee van zijn programma’s werden bekroond met de HA! van Humo: De Nieuwe Orde (in 1982) en De Tijd der Vergelding (in 1988).

De Wilde was de schoonvader van Bert De Graeve, oud-gedelegeerd bestuurder van de VRT en Ceo van het Bekaert (staal)-concern.

Zijn bijnaam was “de pitbull van de Vlaamse televisie”. Andere koosnaampjes die men hem in de loop der jaren gaf waren “de inquisiteur”, “de substituut van krijgsheer-auditeur ten velde” en “de hertog van Alva van de BRTN”.

Een van De Wildes medewerkers, Filip Van Meerbeeck, vertelde ooit volgende anekdote: “Als Maurice De Wilde iemand wilde interviewen, dan gaf hij niet gauw op. Legendarisch is de brief die een Antwerpse collaborateur destijds naar de BRT stuurde. ‘Hij wilde niet weggaan. Ik heb hem als ne vuilen hond van mijnen hof moeten stampen.’, schreef de man. Om u maar te zeggen hoe volhardend Maurice was.”

Een andere anekdote betrof De Wildes interview met voormalig VNV-kopstuk Bert Peleman. Om goede opnames te krijgen, besloot De Wilde om het gezicht van zijn gesprekspartner met een spot te belichten. Urenlang vuurde hij zijn vragen af op Peleman. Na afloop kreeg de BRT een schadeclaim van Peleman in de bus omdat het felle licht hem “dagenlang verblind en verbrand zou hebben.”

In 1998 overleed hij op 74-jarige leeftijd aan kanker. (diverse bronnen en Wikipedia)