
Gisteren nog vandaag
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Gisteren nog vandaag
Niet onverdeeld zou de geschiedenis haar oordeel vellen over de periode die zojuist achter de rug lag.
Over één ding waren alle historici het echter eens: namelijk dat de vierde koning, bevoegd op het heil van volk en land, niet terecht was geprezen en bereid was gevonden om zijn persoon op te offeren, door al te troosten den grooten van zijn Zoon.
Met zijn troonsbestijging had koning Leopold geen ander doel dan het samenbinden der verspreide krachten van het land.
Hij zag het als zijn taak om de verdeelde opinies uit de weg te ruimen en de monarchale en grondwettelijke instellingen te versterken en te verzoenen.
Na deze week werd een nieuw tijdperk in de Belgische geschiedenis ingeluid. Men was ervan overtuigd dat men in de toekomst met trots zou kunnen terugblikken op het land en zijn vorstenhuis tijdens de honderdtwintig jaren van zijn bestaan.
Zoals de natuur na een geweldig onweer overvloed en herademing brengt, zo was het ook in de Belgische staatskunde na een lang opgeladen bewering tot bezinning, tot rust, tot vrede gekomen.
Honderdduizend jaren waren verstreken sinds de brave Surlet de Chokier het eerste regentschap aanvaardde.
Binnenslands was de verjaardag van de bijna even lang geleden troonsbestijging van Leopold I, stichter van het vorstenhuis, gevierd.
Dat wilde niet zeggen dat alles voor alle onderdanen naar wens was verlopen onder het bewind van de vier koningen, die elkaar in grondwettelijke continuïteit hadden opgevolgd.
Doch als het in het groot al zo vaak tot rust en vrede kwam, was het dan niet te verwachten in de veel grotere huishouding van een hele natie?
Geen enkele menselijke daad – ook niet die van koningen – is volmaakt.
Vooral de Vlamingen in België hadden geleden en waren gekrenkt.
Zij konden zich moeilijk thuis voelen onder het regime dat hun taal en hun wezen veronachtzaamde, dat hun pelgrimsrecht en geen rechten schonk.
Het begrip „België” was daardoor in hun ogen lange tijd een vreemde school geworden, die in de loop der eeuwen telkens op een passende manier werd herleid.
Desondanks waren de Vlamingen trouw gebleven aan het Vorstenhuis en hadden zij groot vertrouwen gesteld in hun koning.
Het was hun hoop dat dit uit hun hart kwam, een koning die hun taal sprak en niet ongevoelig was voor hun verwachtingen en voor hun wensen.
Moge Boudewijn zulk een koning zijn!

Zijn politieke loopbaan begon al ruim voor de Belgische onafhankelijkheid.
Nadat het huidige België in 1815 bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd gevoegd, wierp Surlet de Chokier zich op als leider van de zuidelijke oppositie in de Tweede Kamer.
Hij maakte zich vooral hard voor parlementaire procedures en uitte felle kritiek op de grote macht van koning Willem I.
Door zijn scherpe en soms irritante houding tegenover de regering kreeg hij zelfs de bijnaam ‘de lastige baron’.
Hoewel de koning hem in 1816 tot baron benoemde, zorgde diezelfde Willem I er in 1828 persoonlijk voor dat hij niet werd herkozen.
Zijn reputatie als onvermoeibaar opposant werd verder versterkt door de verdediging van Jean-François Hennequin, de burgemeester van Maastricht die een koninklijk bevel had genegeerd.
Surlet de Chokier wist hem vrijgesproken te krijgen, wat hem bij de regering nog minder geliefd maakte door zijn agressieve pleitbezorging.
Ondanks deze aanvaringen zocht hij soms ook de verzoening op, wat hem burgemeestersposten in Gingelom opleverde.
Toch sloot hij zich uiteindelijk aan bij het unionisme, het verbond tussen katholieken en liberalen dat zich tegen het beleid van Willem I keerde.
Tijdens de Belgische Revolutie in 1830 pleitte hij aanvankelijk nog voor het behoud van de Oranjedynastie met een bestuurlijke scheiding, maar de gebeurtenissen haalden hem snel in.
Hij werd verkozen in het Nationaal Congres en werd daar de eerste voorzitter.
In die rol bleef hij op de achtergrond en stelde hij zich neutraal op, waarbij hij vaak simpelweg met de meerderheid meestemde om de eenheid te bewaren.
Toen de zoektocht naar een geschikte koning moeizaam verliep, werd hij op 24 februari 1831 aangesteld als regent.
Zijn vijf maanden als regent waren turbulent. België verkeerde in chaos door interne verdeeldheid tussen aanhangers van Nederland en Frankrijk, terwijl de economie verslechterde.
Surlet de Chokier regeerde uiterst voorzichtig en minimalistisch.
Hij was zelf een voorstander van aansluiting bij Frankrijk en zag weinig heil in de kandidatuur van Leopold van Saksen-Coburg.
Toch verliep de overgang soepeler dan hij vreesde. Toen Leopold op 21 juli 1831 de eed aflegde, trok de regent zich direct terug uit de nationale politiek.
Hij keerde terug naar zijn kasteel in Gingelom, waar hij tot zijn dood in 1839 burgemeester bleef.
Vandaag de dag leeft zijn naam voort in het straatbeeld en de cultuur.
In Brussel is het Surlet de Chokierplein naar hem vernoemd, gesierd door een monumentaal standbeeld ter ere van de Belgische onafhankelijkheid.
Ook in Gingelom is hij niet vergeten, met een eigen straat en een borstbeeld in het gemeentehuis.
Voor wie de geschiedenis letterlijk wil proeven, wordt er sinds 2000 zelfs een amberkleurig bier genaamd de Chokier gebrouwen om de herinnering aan deze markante figuur levend te houden.

Boudewijn beloofde hierbij voor de Verenigde Kamers om de Grondwet en de wetten van het Belgische volk te respecteren.
Tijdens deze plechtigheid riep iemand “Vive la République!”.
Deze kreet werd toegeschreven aan de communistische voorman Julien Lahaut.
Lahaut werd zeven dagen later in zijn eigen huis vermoord.
De Belgen accepteerden Boudewijn als staatshoofd, terwijl de verbitterde Leopold III achter de schermen nog veel invloed behield.








Op deze receptie was toen ook kanunnik Lucien De Bruyne aanwezig. (foto 1)

Lucien De Bruyne was een vooraanstaand Belgisch geestelijke en een internationaal gerespecteerd deskundige op het gebied van vroegchristelijke archeologie.
Zijn kerkelijke loopbaan begon in 1928, het jaar waarin hij tot priester werd gewijd.
Al snel trok hij naar Rome, het historische hart van het christendom, waar hij in 1931 aan het Pauselijk Instituut voor Christelijke Archeologie met de hoogste onderscheiding, summa cum laude, zijn doctoraat behaalde.
In de jaren die volgden, specialiseerde hij zich verder en schreef hij diverse academische bijdragen over vroegchristelijke kunst, oude Romeinse sarcofagen en de catacomben.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg zijn carrière binnen het Vaticaan verder gestalte.
In 1946 werd hij benoemd tot directeur van de Pauselijke Commissie voor Gewijde Archeologie, een uiterst prestigieuze functie waarbij hij de verantwoordelijkheid kreeg over het beheer, het behoud en de studie van de eeuwenoude catacomben in en rond Rome.

Daarnaast was hij als censor verbonden aan de Pauselijke Academie voor Oudheidkunde, wat getuigt van zijn grote wetenschappelijke autoriteit.
Naast zijn academische werk speelde hij een centrale rol voor de Belgische gemeenschap in Rome.
Hij werd benoemd tot rector van de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen, een plek die fungeerde als een spiritueel en cultureel ankerpunt voor landgenoten in de Eeuwige Stad.
Als erkenning voor zijn uitzonderlijke verdiensten voor de kerk en de wetenschap werd hij in 1965 door de paus verheven tot apostolisch protonotaris, een hoge eretitel waardoor hij als monseigneur mocht worden aangesproken.

Ondanks zijn indrukwekkende loopbaan in Italië behield hij een sterke band met zijn thuisland.
Zo was hij verbonden aan het bisdom Gent als lid van het prestigieuze Sint-Baafskapittel.
Na een leven dat volledig in het teken stond van de kerkgeschiedenis en de archeologische wetenschap, bracht hij zijn laatste jaren door in België.
Hij overleed op 12 mei 1978 in de Oost-Vlaamse gemeente Waarschoot.

Dit gebeurde tijdens hun officiële staatsbezoek aan Italië en Vaticaanstad, dat in zijn geheel plaatsvond van woensdag 7 juni tot en met zaterdag 10 juni 1961.
Dit paleis is de historische residentie van de beroemde familie Colonna. Volgens de overlevering stamt deze adellijke dynastie af van de graven van Tusculum, met Pieter de Columna (1099-1151) als eerste telg.
Hij was de zoon van graaf Gregorius III en eigenaar van het kasteel Columna in de Albaanse Heuvels.
Hun stamboom gaat via Italo-Romeinse adel, kooplieden, geestelijken en Lombarden terug tot in de vroege middeleeuwen.
De familie beweerde zelfs dat hun wortels bij de Julio-Claudiaanse dynastie lagen, de bloedlijn van Julius Caesar en keizers als Augustus, Caligula en Nero.
Net als hun voorvaderen uit Tusculum speelden de Colonna’s een sleutelrol binnen de rooms-katholieke kerk.
Ze traden door de eeuwen heen op als felle tegenstanders, maar ook als trouwe verdedigers van de paus.
De familie bracht de zalige Margaritha Colonna, paus Martinus V en maar liefst drieëntwintig kardinalen voort.
Giovanni Colonna di Carbognano beet in 1206 de spits af als allereerste kardinaal van de familie.
Hoewel hun pauselijke prinsentitel pas uit 1854 dateert, vervult de familie wel al sinds 1710 de rol van prins-assistent van de pauselijke troon.
Het was de eerder genoemde paus Martinus V die in de vijftiende eeuw de opdracht gaf voor de bouw van het Palazzo Colonna.
Het paleis ontsnapte in 1527 aan een verwoestende plundering, omdat marchesa Isabella d’Este er destijds verbleef; zij was toevallig de moeder van de commandant van de plunderende troepen.
In de zeventiende eeuw begon kardinaal Girolamo Colonna met een grondige restauratie van het gebouw.
Hij liet een prachtige galerij aanleggen voor de kunstcollectie die zijn vader Filippo bijeen had gebracht.
Later werd het palazzo nog verder uitgebreid door Lorenzo Onofrio en Fabrizio Colonna.
Tegenwoordig herbergt deze indrukwekkende galerij meesterwerken van onder meer Titiaan, Guercino en Reni.
Bezoekers kunnen er beroemde doeken bewonderen, zoals Venus en Cupido van Bronzino, Narcissus bij de vijver van Tintoretto en De boneneter van Annibale Carracci.
Daarnaast is er ruim baan voor kunstenaars uit onze streken, met werken van Paul Bril, Jan Brueghel, Joos de Momper, Jan Frans van Bloemen, Antoon van Dyck en Jean Boulogne.
Liefhebbers die deze historische familieresidentie en de bijbehorende kunstschatten zelf willen ontdekken, kunnen elke zaterdagochtend in het Palazzo Colonna terecht wanneer de deuren voor het publiek openstaan.
Aan dit boeiende stukje geschiedenis zijn nog enkele opmerkelijke details toe te voegen.
De naam Colonna is bijvoorbeeld niet zomaar gekozen. Het familiewapen toont een opvallende zuil, wat in het Italiaans vertaald wordt als colonna.
Dit is een klassiek voorbeeld van een sprekend wapen, waarbij de afbeelding direct verwijst naar de familienaam.
Door de eeuwen heen was deze familie bovendien verwikkeld in een van de meest beruchte vetes uit de Italiaanse geschiedenis.
Eeuwenlang streden de Colonna’s met de rivaliserende familie Orsini om de absolute macht in Rome.
Deze bittere strijd liep zo vaak uit de hand dat verschillende pausen moesten ingrijpen om de vrede in de stad te herstellen.
Een van de meest dramatische momenten vond plaats in 1303, toen Sciarra Colonna tijdens een hoogoplopend conflict paus Bonifatius VIII in het gezicht zou hebben geslagen, een gebeurtenis die bekendstaat als de aanslag van Anagni.
Ook het Palazzo Colonna zelf heeft nog een mooie verrassing in petto, vooral voor liefhebbers van de klassieke filmgeschiedenis.
De weelderige Galleria Colonna, met zijn schitterende fresco’s en indrukwekkende architectuur, diende in 1953 als majestueus decor voor een van de bekendste scènes uit de filmklassieker Roman Holiday.
De onvergetelijke slotscène, waarin Audrey Hepburn als prinses Ann een persconferentie geeft, werd precies in deze galerij opgenomen.
Dit gedenkwaardige filmmoment gaf het zeventiende-eeuwse gebouw voor altijd een bijzondere plaats in de internationale filmgeschiedenis. (Ter info: de ontvangst in het Romeinse stadspaleis vond plaats in de begindagen van deze reis; volgens sommige bronnen op woensdag 7 juni en volgens andere op donderdag 8 juni 1961).

Elisabeth Gabriele Valérie Marie werd op 25 juli 1876 geboren in het Beierse Possenhofen.
Ze was een dochter van Karel Theodoor in Beieren en Maria José van Bragança, en bovendien een nicht van de beroemde keizerin Sisi van Oostenrijk.
Haar leven nam een beslissende wending toen ze Albert van België ontmoette bij een tragische gelegenheid: de begrafenis van haar tante Sophie, die in 1897 was omgekomen bij de brand in de Bazar de la Charité.
Op 2 oktober 1900 trad Elisabeth in het huwelijk met prins Albert, de latere koning Albert I. Het echtpaar kreeg drie kinderen: Leopold (1901-1983), Karel (1903-1983) en Marie-José (1906-2001).
Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Elisabeth grote indruk met haar onvermoeibare inzet voor gewonde militairen, wat haar de blijvende bijnaam “koningin-verpleegster” opleverde.
Naast haar sociale inzet had de koningin een levenslange passie voor cultuur en muziek.
Haar naam zal voor altijd verbonden blijven aan de Elisabethwedstrijd. Elisabeth speelde zelf viool en stichtte in 1937 het Internationale Concours Eugène Ysaye, ter herinnering aan haar leraar.
Vanaf 1951 werd dit prestigieuze muziekconcours naar haarzelf vernoemd.
De koningin Elisabethwedstrijd wordt vandaag de dag nog steeds georganiseerd, met afwisselende edities voor piano, viool en zang.
Ook de koningin Elisabethzaal in Antwerpen draagt haar naam.
Op latere leeftijd, tijdens de Koude Oorlog, werden haar activiteiten nauwlettend gevolgd.
Ze ondernam opmerkelijke reizen naar Polen (1955), de Sovjet-Unie (1958), Joegoslavië en China (1961).
Hoewel ze deze reizen officieel maakte voor muziekfestivals, zorgde haar aanwezigheid op de officiële tribune op het Rode Plein op 1 mei 1958 voor de nodige opschudding.
In de Belgische pers werd volop gespeculeerd over mogelijke communistische sympathieën, wat haar bijnamen als ‘rode oma’ of ‘de rode koningin’ opleverde.
Later bleek dat deze bezoeken niet alleen in België, maar ook in de Verenigde Staten ongerustheid hadden gewekt.
In 1964 leken de plooien echter gladgestreken toen Elisabeth, samen met haar dochter Marie-José, naar de Verenigde Staten reisde waar ze een vorstelijk onthaal kregen.
Een jaar later, op 23 november 1965, overleed koningin Elisabeth op 89-jarige leeftijd in Laken aan een hartaanval.

Thérésia Cabarrus, dochter van een rijke Spaans-Franse financier, werd op haar veertiende uitgehuwelijkt aan de markies van Fontenay.
Ze omarmde echter de idealen van de Franse Revolutie en maakte in 1793, als negentienjarige, gebruik van de nieuwe echtscheidingswet om haar royalistische echtgenoot te verlaten.
Ze vestigde zich in Bordeaux, waar ze de geliefde werd van het invloedrijke jakobijnse conventielid Jean-Lambert Tallien.
Ze gebruikte haar charme om zijn vervolgingsijver tijdens de Terreur te temperen, waardoor ze het leven van veel verdachten redde.
Haar gematigde invloed was echter een doorn in het oog van Robespierre.
Toen Tallien voor “gematigdheid” werd teruggeroepen naar Parijs, volgde Thérésia hem.
Daar werd ze prompt gearresteerd.
Vanuit de gevangenis, waar ze de cel deelde met de toekomstige keizerin Joséphine de Beauharnais, stuurde ze Tallien een wanhopig briefje om haar van de guillotine te redden.
Deze noodkreet spoorde hem aan om het voortouw te nemen in de staatsgreep van 9 Thermidor, die Robespierre ten val bracht en de Terreur beëindigde.
Na haar vrijlating werd Thérésia gevierd als “Notre-Dame de Thermidor”.
Ze trouwde met Tallien en werd de spil van het mondaine leven tijdens het Directoire.
Samen met haar vriendin Joséphine zette ze de trend van de decadente, neo-Griekse modestijl met transparante stoffen.
Ze hield een invloedrijk salon en werd de maîtresse van de machtigste man van Frankrijk, Paul Barras, en later van de rijke bankier Gabriel-Julien Ouvrard, met wie ze meerdere kinderen kreeg.
Haar status als “Koningin van het Directoire” verdampte toen Napoleon Bonaparte aan de macht kwam.
Haar losse reputatie strookte niet met het nieuwe ideaal van respectabiliteit.
De breuk werd definitief toen de Markies de Sade een pornografisch werk publiceerde waarin Thérésia en Joséphine figureerden.
Napoleon was woedend en verbood zijn vrouw Joséphine elk contact met haar “liederlijke” vriendin.
In 1805 hertrouwde Cabarrus met de hoogadellijke cavalerieofficier François-Joseph de Riquet, graaf van Caraman, die kort daarna Prins van Chimay werd.
Hoewel Thérésia haar eerste huwelijk nietig liet verklaren om dit kerkelijk huwelijk mogelijk te maken, werd ze nooit geaccepteerd door haar schoonfamilie.
Thérésia trok zich definitief terug uit het Parijse leven en wijdde zich aan de opvoeding van haar elf kinderen.
Van 1815 tot haar dood in 1835 woonde ze met haar gezin in Brussel en op het kasteel van Chimay.
Haar reputatie bleef haar echter achtervolgen: ze was niet welkom aan het hof van koning Willem I der Nederlanden, en later evenmin bij de Belgische koning Leopold I.
In Chimay liet ze een theater bouwen en organiseerde ze een eigen, gecultiveerd hofleven.
Ze patroneerde musici van naam, zoals Maria Malibran, Luigi Cherubini en Charles de Bériot, en nam deel aan het schildersatelier van François-Joseph Navez.
Desondanks bracht ze haar laatste levensjaren door in bitterheid en verveling.
Thérésia Cabarrus werd begraven in de kerk van Chimay, waar een standbeeld op het marktplein nog aan haar herinnert.


Hoewel ze door haar huwelijk een Belgische prinses werd, was ze van Franse oorsprong.
Prinses Élisabeth werd geboren in Bordeaux, Frankrijk, op 20 maart 1926 als Martha Marie Élisabeth Antoine Manset.
Ze groeide op in de wijnhandel van haar familie, maar haar jeugd werd getekend door een tragedie: ze was slechts 13 jaar oud toen haar ouders in 1939 omkwamen bij een auto-ongeluk.
Op 18-jarige leeftijd verhuisde ze naar Parijs.
In 1947 trouwde Élisabeth Manset met Élie de Riquet, de 20e Prins van Caraman en Chimay (1924-1980).
Door dit huwelijk werd ze Prinses van Chimay en verhuisde ze naar het voorouderlijk kasteel van de familie in Henegouwen.
Vanaf haar huwelijk in 1947 tot aan haar dood op 2 augustus 2023 woonde de prinses op het Kasteel van Chimay.
Prinses Élisabeth wijdde haar leven aan het erfgoed van de familie De Riquet de Caraman en het behoud van de uitgebreide archieven van het kasteel.
Ze stond er ook om bekend het kasteel open te stellen voor cultuur en organiseerde van 1957 tot 1980 een gerenommeerd festival voor barokmuziek.
Daarnaast was ze een goede vriendin en hofdame van koningin Fabiola van België.
Als verdienstelijk schrijfster en biografe publiceerde ze twee belangrijke werken:
Het echtpaar kreeg drie kinderen:
Haar zoon Philippe (nu de 21e Prins van Chimay) volgt zijn vader op als hoofd van de adellijke familie.
Philippe huwde met een erfgename van InBev, het grootste bierconcern van de wereld.
Bij dat huwelijk was de Belgische prins Laurent aanwezig als getuige.

Op een strategische rots boven de vallei van de Eau Blanche in Henegouwen staat het Kasteel van Chimay.
Al meer dan duizend jaar is dit de residentie van prinselijke families.
Wie ‘Chimay’ hoort, denkt misschien aan het bekende bier, maar het kasteel en de familie die er woont, dragen een veel diepere geschiedenis met zich mee, die zich zelfs uitstrekt tot in het Nederlandse Weert.
De oorsprong van het kasteel gaat terug tot de 11e eeuw. Het is de thuisbasis geweest van vier grote adellijke families, waaronder Croÿ en Hénin-Liétard, en sinds 1804 de familie De Riquet de Caraman.
Het gebouw heeft veel te lijden gehad onder oorlogen, maar de meest recente ramp was een verwoestende brand in 1935, die een groot deel in de as legde.
Het kasteel werd zorgvuldig gereconstrueerd in een renaissance Hendrik IV-stijl, hoewel de middeleeuwse kerkers en de donjon de vroege geschiedenis blijven verraden.

Binnenin tonen de Grote Hal en de Wapenzaal harnassen, terwijl de Portrettenzaal de lange familielijn illustreert.
Het absolute pronkstuk is echter het intieme theater. Dit juweel, een verkleinde kopie van het rococotheater van het Kasteel van Fontainebleau, werd in 1863 gebouwd en is vandaag geklasseerd als Uitzonderlijk Erfgoed van Wallonië.
Het kasteel wordt omgeven door een 25 hectare groot Prinselijk Park, aangelegd als een formele Franse tuin.
De huidige eigenaars, prins Philippe en prinses Françoise de Chimay, hebben net als hun voorgangers hun hart verloren aan Chimay en blazen het kasteel nieuw leven in door er culturele activiteiten met internationale uitstraling te organiseren.

Het theater van het Kasteel van Chimay biedt een divers podium voor concerten (zowel klassieke muziek als jazz), theater, conferenties en speciale voorstellingen voor kinderen.





De wedstrijd, eindigde in een gelijkspel. De uitslag was 1-1.

Het leven van prinses Maria Gabriella van Savoye, dochter van de laatste koning van Italië, Umberto II, en koningin Marie José van België, is gevuld met opmerkelijke gebeurtenissen.
Al op jonge leeftijd kreeg ze te maken met tegenslagen. Zo overleefde ze samen met haar zus Maria Pia in Zwitserland een tyfusbesmetting in de periode van 1943 tot 1945, terwijl hun kinderjuffrouw aan de ziekte bezweek.
Na de afschaffing van de Italiaanse monarchie in 1946 verhuisde Maria Gabriella met haar moeder naar Zwitserland, terwijl haar vader in Portugal ging wonen.
Later in haar leven volgde ze een brede opleiding, van exacte wetenschappen aan het Italiaans Lyceum in Madrid tot een tolkenopleiding in Genève en kunstgeschiedenis in Parijs.
In de jaren vijftig was er een huwelijksaanzoek van de sjah van Iran, Mohammed Reza Pahlavi.
Dit stuitte echter op verzet; Paus Johannes XXIII zou zijn veto hebben uitgesproken, en de Vaticaanse krant L’Osservatore Romano beschreef een huwelijk met een katholieke prinses als een groot gevaar voor de kerk.
Uiteindelijk trouwde ze in 1969 met de succesvolle vastgoedontwikkelaar Robert Zellinger de Balkany.
Zijn eerste project, Élysée 2 nabij Parijs, was een groot complex met appartementen, een winkelcentrum, bioscoop en sportfaciliteiten.
De oplevering begon in 1964 en beroemdheden zoals Dalí en Cocteau hielpen het te promoten.
In 1969 bouwde hij het nog grotere Parly 2.
Dit project was een enorm succes en zijn bedrijf, SCC (Shopping Center Company), rolde het concept uit door heel Frankrijk en later in andere Europese landen en het Midden-Oosten.
Robert had twee dochters uit een eerder huwelijk en kreeg in 1972 een dochter, Marie Elisabeth, met Maria Gabriella.
Het echtpaar scheidde in 1976 en hun echtscheiding werd officieel in 1990. Robert, die verschillende kastelen en paleizen bezat, overleed op 19 september 2015.
De nu 85-jarige prinses Maria Gabriella van Savoye is oprichtster van de Stichting Umberto II en Marie José van Savoye.
Deze stichting richt zich op de wetenschappelijke studie van het Huis van Savoye en het behoud van hun historisch erfgoed.
Zelf schreef ze ook boeken over de geschiedenis van haar familie.
Na de dood van haar ouders kregen Maria Gabriella en haar drie zussen, net als hun enige broer Victor Emanuel, onenigheid over erfeniskwesties (foto september 1960).

Als kleinzoon van graaf Charles d’Ursel, die gouverneur van West-Vlaanderen was, groeide hij op binnen de invloedrijke en eeuwenoude adellijke familie d’Ursel.
Naast zijn adellijke titel verwierf graaf Philippe ook bekendheid als alpineskiër en vertegenwoordigde hij België op de Olympische Winterspelen van 1948 in St. Moritz.
Samen met zijn echtgenote, Marie Roche de la Rigodière, kreeg hij vier kinderen: de zonen Etienne, Nicolas en Christophe d’Ursel, en een dochter, Valentine Marie Anne, die helaas is overleden.
Graaf Philippe was zijn leven lang de bewoner van het Kasteeldomein Gruuthuse en overleed in 2017 op 96-jarige leeftijd in Oostkamp.
Het Kasteeldomein Gruuthuse in Oostkamp heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de familie d’Ursel.
De site dankt zijn naam aan de bekendste 15e-eeuwse eigenaar, Lodewijk van Gruuthuse.
Begin 17e eeuw kwam het domein in het bezit van de familie d’Ursel.
Het huidige kasteel in Vlaamse neorenaissancestijl werd in 1888 gebouwd in opdracht van graaf Charles d’Ursel.
In 1981 verwoestte een brand de bovenverdieping en daarna als plat dak werd hersteld.
Na het overlijden van graaf Philippe is de continuïteit op het domein verzekerd.
Vandaag de dag wordt het kasteel bewoond door zijn zoon, graaf Etienne d’Ursel, die er met zijn gezin de lange familietraditie voortzet.
De rijke geschiedenis van het domein is in 2019 uitgebreid gedocumenteerd in het boek ‘Het kasteel d’Ursel in Oostkamp: adellijke residentie aan de Rivierbeek’.
Dit werk beschrijft de volledige historiek, van de vroegste bewoning in het beekdal tot de actuele toestand van het beschermde domein.
Het kasteel en het omliggende landgoed zijn privébezit en niet publiek toegankelijk

Gisteren nog vandaag


Gisteren nog vandaag



