







Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek












In juli 1981 maakte de voormalige tienerster Keith Marshall, ooit de leadgitarist van de groep Hello, een onverwachte comeback met zijn succesvolle hit ‘Only Crying’.
Rond het midden van de jaren zeventig had het in Engeland nog gekrioeld van de teenybopper-groepen, met ‘Mud’, ‘The Sweet’ en ‘The Bay City Rollers’ als de absolute blikvangers.
Zij hadden echter allemaal moeten ondervinden dat de roem in die specifieke tak van de popindustrie vaak van korte duur was.
Kleinere groepjes zoals Kenny, Slik en Hello waren in 1981 al bijna volledig in de vergetelheid geraakt.
Toch had dat verrassende popjaar twee nieuwe namen uit die oude formaties naar voren geschoven.
Midge Ure vond, na een kort verblijf bij the Rich Kids en Thin Lizzy, zijn weg naar Ultravox en loodste die groep naar een wereldhit met Vienna.
En toen dook plots Keith Marshall weer op.
De glorieperiode van Hello had indertijd slechts een jaar geduurd. Toch had dat viertal, dat verder bestond uit Jeff Allen, Vic Faulkner en Bob Bradbury, in die korte tijd enkele prima pophits afgeleverd.
Een leuk detail uit die begintijd is dat Keith zijn bandleden al kende van school en dat ze rond 1971 werden ontdekt door niemand minder dan Rod Argent van de band The Zombies.
Hun single Tell Him behaalde eind 1974 de zilveren status in Engeland.
Het jaar daarop werd New York Groove, een nummer dat was geschreven door Russ Ballard en geproduceerd door de manager van Gary Glitter, Mike Leander, zelfs uitgeroepen tot plaat van het jaar in Duitsland.
Dit sterke nummer werd enkele jaren later in de Verenigde Staten bovendien nog succesvol gecoverd door Ace Frehley van de hardrockband Kiss.
Na nog wat singles en de film Side by Side wilde Hello het serieuzer gaan aanpakken.
Engelse rockjournalisten voorspelden een enorme toekomst voor de enige groep uit dat genre die volgens hen echt wat in zijn mars had, maar het grote publiek haakte onverwachts af.
Nadat hun platenfirma Bell failliet ging, viel definitief het doek voor Hello.
Zo verdween ook de blonde gitarist Keith Marshall, destijds de absolute lieveling van de meisjes, uit de belangstelling.
Een opmerkelijk weetje is dat Keith destijds definitief besefte dat het voorbij was met Hello toen hij in 1979 een stapel platen zat te signeren voor hun fanclub in Duitsland.
Het drong toen tot hem door dat de band louter nog teerde op oud succes bij een kleine, overgebleven groep fans op het vasteland, en dat een nieuwe internationale doorbraak uitgesloten was.
In alle stilte werkte hij daarna verder aan zijn solocarrière.
Tijdens zijn periode bij Hello had hij al enkele eigen nummers geschreven, en daar besloot hij zich aanvankelijk op te concentreren.
Omdat Europa, en in het bijzonder Duitsland, altijd een uitstekend wingewest was geweest voor zijn oude band, richtte hij zijn pijlen op het vasteland.
Noch Keith, noch de Europese fans waren de voorbije successen vergeten.
Zijn allereerste eigen solosingle in Duitsland in 1979, het zelfgeschreven ‘Remember Me’, werd meteen een hit en werd nadien zelfs door Duitse vedetten in hun eigen taal opgenomen.
Omdat platenlabels in Groot-Brittannië niet meteen happig waren om hem een contract aan te bieden, weigerde hij een snelle klim af te dwingen en bleef hij resoluut op de Duitse markt mikken.
Daar toerde hij succesvol met groepen als Racey en Clout, waarna hij pas echt zijn zinnen weer op Engeland zette.
De manager van Keith had inmiddels zijn eigen platenlabel Arrival Records opgericht, en daar bracht hij in het voorjaar van 1981 ‘Only Crying’ uit.
Het was meteen weer raak.
Het wat beklemmende maar uiterst melodieuze nummer bereikte vlot de top tien in Engeland en leidde tot een succesvolle rondreis die hem in onze streken zelfs een nummer één-notering opleverde.
Op 18 juli 1981 bereikte het nummer ‘Only Crying’ effectief de eerste plaats in de BRT-Top 30.
In Nederland was de single eveneens een succes en goed voor een derde plaats in de Top 40.
Dat Keith Marshall helemaal terug was, bewees hij in de zomer van 1981 ook met de release van zijn eerste solo-elpee, waarvoor hij onder andere de muzikale steun had gekregen van Jim Rodford, de bassist van The Kinks.
Daarnaast nam hij ook de rol van producer op zich, onder meer voor de meisjesgroep The Teezers, van wie in diezelfde periode hun debuutalbum, en later zou blijken, hun enige album, The Best Part Of Breaking Up, werd verwacht.
In juli 1981 was Keith precies vijfentwintig jaar oud.
Hij was op 5 juni 1956 in het Londense Hackney ter wereld gekomen als de zoon van Violet en Albert Marshall.
Al op elfjarige leeftijd had hij zich tot de showbusiness aangetrokken gevoeld.
Hij leerde zichzelf gitaar, mondharmonica en een beetje piano spelen, waarna hij zijn kans waagde in het bekende BBC-programma Opportunity Knocks, wat vergelijkbaar was met Ontdek de Ster.
Naast muziek hield Keith destijds enorm van eten, drinken, slapen en zonnebaden, maar hij had een hartgrondige hekel aan reizen per boot of wagen.
Indisch eten droeg zijn absolute voorkeur weg en als er dan toch gedronken moest worden, koos hij het liefst voor een glas Southern Comfort.
Muzikaal gezien bleef hij opkijken naar Russ Ballard en koesterde hij een grote bewondering voor Diana, Presley en Jimi Hendrix.
Keith zocht zijn favoriete filmsterren vooral in vervlogen jaren, met name Errol Flynn en Marilyn Monroe, en dit lijstje werd destijds ongetwijfeld nog aangevuld.
In de zomer van 1981 was het overduidelijk dat Keith Marshall er weer stond, en men hoopte dat er deze keer geen snel afscheid zou volgen.
De nu 70-jarige zanger is nog steeds actief in de muziekwereld, zij het op verschillende manieren.
Tegenwoordig is hij onder andere werkzaam als barista-trainer, muziekverzamelaar en af en toe actief als dj in Dublin.
Daarnaast treedt hij nog op, verzorgt hij muziek in de regio en werkt hij aan eigen muziek.

In 1981 werd de stem van Kim Carnes in Amerika omschreven als een geluid dat tegelijkertijd zoet en schor was, vergelijkbaar met gekarameliseerde suiker.
Ze kon destijds inderdaad zeemzoet overkomen, om dan plots rauw uit te pakken.
Dat was destijds goed te horen op Bette Davis Eyes, haar eerste hit in onze hitlijsten.
Kim Carnes weigerde eerst om het nummer op te nemen, maar gelukkig voor haar en voor ons veranderde ze van mening na het horen van de nieuwe arrangementen die geschreven waren door Bill Cuomo.
Het nummer was destijds geschreven door Jackie DeShannon en Donna Weiss en was oorspronkelijk terug te vinden op het album New Arrangements van Jackie DeShannon uit 1975.
De single kwam op 28 maart 1981 de Billboard Hot 100 binnen en stond vanaf 16 mei 1981 negen weken op de eerste plaats.
In Vlaanderen bereikte de single de vijfde plaats in de hitlijst, terwijl de single in Nederland niet verder kwam dan de zeventiende plaats in de Top 40.
Hiermee bereikte de kleine blonde dame destijds eindelijk wat haar jaren daarvoor al was voorspeld.
Collega-muzikanten en journalisten waren het er toen immers al roerend over eens dat ze in de wieg was gelegd voor de status van superster, en met die felbegeerde eerste plaats in de Amerikaanse hitlijsten had ze dat doel op dat moment ook helemaal waargemaakt.
De eerste grote stap werd ruim een jaar daarvoor gezet met de hit ‘Don’t fall in love with a dreamer’, een duet van Kim met Kenny Rogers.
Dat liedje had ze destijds samen met haar echtgenoot Dave Ellingson geschreven.
Kim kende Kenny Rogers trouwens al lang, aangezien ze ooit samen lid waren van de groep The New Christy Minstrels.
Kenny Rogers was daar toen niet de zanger, maar speelde er gedurende een kleine twee jaar contrabas.
Deze groep had een sterk wisselende bezetting.
Andere bekende oud-leden zijn Barry McGuire, die na zijn vertrek in 1965 een wereldwijde hit scoorde met Eve of Destruction, Jerry Yester, die later bij The Lovin’ Spoonful speelde, Gene Clark, die later deel uitmaakte van The Byrds, en Larry Ramos, die later zanger en lid werd van The Association.
Haar eerste solo-hit in Amerika was geen eigen compositie, maar ‘More Love’ van Smokey Robinson.
Uit dezelfde eerdere elpee Romance Dance kwam destijds ook een eigen versie van ‘Cry like a baby’ van de Box Tops.
Grote namen zoals Barbra Streisand, Anne Murray en Rita Coolidge hadden haar nummers toen al vertolkt.
Barbra Streisand heeft zelfs drie verschillende nummers gezongen die door Kim Carnes zijn geschreven: ‘Love Comes from Unexpected Places’, dat Streisand opnam voor haar succesvolle album ‘Superman’ uit 1977,
‘Stay Away’, dat door Streisand werd gecoverd op haar album ‘Songbird’ uit 1978, en later het nummer ‘Make No Mistake, He’s Mine’, wat een bijzonder geval is, omdat dit nummer in 1984 werd uitgebracht als een duet tussen Barbra Streisand en Kim Carnes en terug te vinden is op Streisands album ‘Emotion’.
Anne Murray coverde ‘You’re a Part of Me’, een nummer dat oorspronkelijk door Kim Carnes werd geschreven en uitgebracht op haar titelloze album uit 1975.
Ook Rita Coolidge coverde datzelfde nummer ‘You’re a Part of Me’.
Daarnaast coverden ook grotere namen zoals Don Williams, Engelbert Humperdinck, Kenny Rogers en Tim McGraw nummers van haar hand.
Zelfs Frank Sinatra had al met haar werk te maken gehad; zij en haar echtgenoot herbewerkten en schreven destijds de tekst voor zijn nummer ‘You Turned My World Around’, een compositie van Bert Kaempfert en Herbert Rehbein die Sinatra in 1974 uitbracht als single en die ook te horen is op zijn album Some Nice Things I’ve Missed.
Kim Carnes heeft in haar carrière naar schatting tussen de 10 en 15 miljoen platen verkocht, waarbij albums en singles zijn meegeteld.
Ze heeft 2 Grammy Awards gewonnen uit haar in totaal 8 persoonlijke nominaties.
Tegenwoordig leidt ze samen met haar man een rustig leven in Nashville. Achter de schermen is ze nog altijd actief als songwriter, en ze brengt af en toe nog nieuw werk of een remix uit.
Zo verscheen haar laatste single “If I Was an Angel” in 2023, en bracht ze dit jaar een nieuwe versie van haar klassieker Bette Davis Eyes uit op Spotify.
Over drie dagen, op 20 juli, viert ze haar verjaardag en mag ze 81 kaarsjes uitblazen

Bon Giorno is een Nederlands merk van ondergoed dat al meer dan vijftig jaar een bekende naam is op de markt.
Oorspronkelijk was het merk eigendom van Willink Tricotage, maar aan het eind van de jaren zestig kwam het in handen van Hollandia Tricot uit Veenendaal.
Onder deze eigenaar groeide de bekendheid enorm, mede dankzij actieve en opvallende reclamecampagnes.
In de beginjaren stonden verschillende bekende Nederlanders, waaronder Patricia Paay, Champagne, Jerney Kaagman en Herman Brood, model voor het merk.

Gisteren nog vandaag
Dit zorgde ervoor dat de naam stevig verankerd raakte bij het grote publiek.
Na een faillissement van Hollandia Tricot ontstond er een doorstart via een personnel buyout onder de naam Holland Trend.
In 1988 werd het bedrijf overgenomen door Timpa en bereikte het merk zelfs de top drie van de Nederlandse ondergoedmarkt.
Toen dit succes na enige tijd begon terug te lopen, kwam de naam in handen van het in Hongkong gevestigde American Phil Textiles, dat via een Europese dochteronderneming de productie, kwaliteit en styling weer in eigen beheer wilde sturen.

Gisteren nog vandaag
Uiteindelijk werd het ondergebracht bij Semper Paratus in Tholen.
Vandaag de dag staat Bon Giorno nog steeds bekend om comfortabel ondergoed dat als een tweede huid zit.
Naast de traditionele katoenen slips en boxers, zoals de bantam en de tanga, biedt het merk inmiddels ook moderne collecties van bamboe aan.
Omdat de naamsbekendheid in Nederland al decennia groot is, zijn opvallende reclamecampagnes tegenwoordig minder noodzakelijk en bedient het merk vooral een trouwe klantenkring via grote ketens en diverse gespecialiseerde webshops.

Gisteren nog vandaag
Na het sensationele debuutalbum met de klassieker ‘Sultans of Swing’ was het misschien niet zo vreemd dat de tweede plaat enigszins teleurstelde.
Met Making Movies had Knopfler, de centrale figuur in de band – zich echter ongelooflijk herpakt.
Het geluid bleef herkenbaar als Dire Straits, maar was nu verrijkt met verrassende loopjes, invallen en variaties die men van een muzikant als hij mocht verwachten.
Tijdens de opnames van het derde album Making Movies in New York liepen de spanningen tussen de broers echter hoog op.
Ze konden artistiek en persoonlijk niet meer door één deur.
Na heftige discussies verliet David de band.
Mark nam vervolgens alle gitaarpartijen van David opnieuw op en David werd niet eens vermeld op de hoes van het album.
Sinds het pijnlijke vertrek van David uit Dire Straits in 1980 spreken de twee broers elkaar niet meer.
David heeft in interviews aangegeven dat de situatie een zware schaduw over hun levens en families heeft geworpen.
Hij omschreef het destijds als een situatie waarin ze in de studio met hun ogen naar de vloer gericht liepen en er geen sprake meer van communicatie was.
De diepte van de breuk werd nogmaals pijnlijk duidelijk toen Dire Straits in 2018 werd opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.
Mark Knopfler weigerde simpelweg te komen opdagen, mede om te voorkomen dat hij met zijn broer geconfronteerd zou worden.
David liet daarop via social media weten dat Mark de reünie en de fans had koudgesteld.
Tot vandaag is het conflict nooit bijgelegd; beide broers hebben hun eigen weg gekozen in de muziek en leven volledig langs elkaar heen.
Terwijl David zijn eigen weg zocht, ploegde Mark met zijn band door een loodzware tour.
Hij had, zoals hij zelf zei, “the road kills me” – en toch wilde hij niets anders.
Elke avond speelde hij alsof zijn leven ervan afhing, puur uit respect voor het publiek.
De fans betaalden immers flink voor een ticket, en een rockband die haar publiek serieus neemt, levert elke avond het beste wat ze in huis heeft.
Op de vraag of ‘Sultans of Swing’ niet begon te vervelen, antwoordde hij dat hij niet elke avond stond te popelen om het te spelen, maar dat het publiek het nummer nu eenmaal wilde horen.
Bovendien zag hij het als een uitdaging om zo’n klassieker elke avond opnieuw fris en levendig te laten klinken.
Tijdens een optreden moet een muzikant talloze, soms sterk uiteenlopende emoties uit zijn instrument en zijn lijf toveren.
Mark vertelde dat het nummer hem nog altijd raakte, omdat hij de intentie erachter kende: hij had het geschreven, erop gezweet, erom gehuild en gevloekt.
Die emoties kwamen terug zodra hij de nummers speelde.
Nummers als ‘Expresso Love’ en ‘Solid Rock’ waren pure krachtexplosies en snelheid.
Hij had geleerd dat je aan zulke songs niet te lang moet sleutelen, anders verlies je het momentum.
De langzamere nummers, zoals ‘Tunnel of Love’, kwamen voort uit een dieper deel van zijn wezen.
Daar had hij weken aan gewerkt, stap voor stap, op zoek naar perfectie – al gebruikte hij dat woord met enige aarzeling.
Zo’n energieverslindende tournee leek funest voor de creativiteit, maar volgens Mark viel dat reuze mee.
Ondanks te weinig slaap, constante geestelijke en lichamelijke ontwrichting en elk gevoel voor tijd en plaats kwijt, was hij voortdurend met muziek bezig: de show moest blijven vlammen, en daarnaast broedde hij al op ideeën voor het volgende album.
Die zou pas echt vorm krijgen zodra hij zijn normale ritme weer terug had.
Destijds was hij een voorstander van snel werken: een album in een week of zes opnemen, gevolgd door een week voor de eindmix. Perfect of niet, het was rock-’n-roll en dat moest vaart hebben.
Op de vraag of ‘Making Movies’ zo goed was geworden omdat de pers ‘Communiqué’ zo zwak vond, antwoordde Mark dat dat onbewust misschien een rol had gespeeld.
Hij had echter nooit gedacht dat ‘Communiqué’ het einde van Dire Straits zou betekenen.
Hooguit een kleine impasse, al was hij daar niet eens zeker van.
Men vergeleek alles altijd met zijn allerbeste nummer, wat hij onterecht vond.
Na het eerste album werd hij de hemel in geprezen, na de tweede onder het tapijt geveegd.
Hij geloofde niet dat het kwaliteitsverschil zo groot was.
Het voordeel was wel dat de derde plaat alleen maar kon meevallen – en volgens pers en publiek was dat in juli 1981 overduidelijk het geval.

Van het legendarische Making Movies (1980) gingen naar schatting 5 tot 7 miljoen exemplaren over de toonbank.
In hun thuisland behaalde de plaat dubbelplatina, goed voor meer dan 600.000 verkochte albums.
In de Verenigde Staten werd het album bekroond met de platinastatus (minstens 1 miljoen exemplaren), terwijl het in Italië in 1981 zelfs het bestverkochte album van het jaar was met meer dan 1 miljoen verkochte stuks.
Het succes van Dire Straits is dan ook indrukwekkend: wereldwijd verkocht de band tussen de 100 en 120 miljoen platen.
Hun absolute meesterwerk Brothers in Arms (1985) is met ruim 30 miljoen exemplaren een van de bestverkochte albums aller tijden.
Mark Knopfler zelf, die in 1949 werd geboren in Glasgow en op zijn zevende naar Newcastle verhuisde, heeft als soloartiest naar schatting 10 tot 15 miljoen albums verkocht, waarbij Sailing to Philadelphia (2000) met meer dan 2,5 miljoen stuks zijn commercieel meest succesvolle plaat is.
De inmiddels 76-jarige muzikant is nog altijd actief, al is hij definitief gestopt met live toeren.
Zijn meest recente soloalbum is One Deep River (2024).
Hij woont al tientallen jaren in Londen, nabij zijn eigen British Grove Studios in Chiswick, en bezit daarnaast een landelijk huis in de regio New Forest waar hij zich regelmatig terugtrekt.
Na zijn vertrek uit Dire Straits in 1980 heeft David Knopfler een constante en productieve solocarrière opgebouwd, waarin hij meer dan 15 soloalbums heeft uitgebracht.
Naast het maken van muziek is hij ook actief als dichter en auteur.
Hij treedt daarnaast sporadisch op en werkt nauw samen met zijn vaste producer en muzikant Harry Bogdanovs.
Deze maand, op 4 juli 2026, bracht hij de single Tell Me Something uit, een samenwerking met de Britse singer-songwriter Colin Goodger.

Dire Straits, als van ouds (Veronica, 15 juli 1981)












Zou het ooit nog eens worden zoals vroeger, met een tierende Lou van Rees en een woedende Willem O. Duys?
Kregen we na jaren weer een echt rel-festival terug met keiharde, door en door gemene Belgen- en Hollander-grappen?
Of werd het Knokke-festival ook dit jaar weer een zouteloos liedjesgedoe waarin iedereen lief was voor iedereen?
Ach, had de oude heer Gustaaf Nellens nog maar geleefd.
Ivo Niehe was de kapitein van de ploeg en samen met Lori Spee, Suzanne Michaels en Wim Hogenkamp probeerde hij het Nederlandse team naar een goede prestatie te leiden.
Ivo Niehe was toen kapitein van de ploeg.
Lori Spee blonk dit jaar uit met haar zang.
Als kind zong Lori al opvallend hoog en goedbedoelde kennissen brachten haar en Ruud Jacobs (broer van Pim Jacobs, zwager van Rita Reys en ex-vriend van Liselore Gerritsen) bij elkaar.
Lori bleek over een schitterende stem te beschikken en mocht een heuse langspeelplaat volzingen met als titel “Behind those eyes”.
Lori schreef al haar teksten zelf en dat was in het hitgevoelige wereldje geen voordeel, want onzichtbare krachten wonnen meestal.
Maar misschien werden we eindelijk wakker en hoorden we dat Lori heel mooie liedjes schreef.
Suzanne Michaels leek het sprookje van ieder schoolmeisje te beleven: zo van de klas naar de platenstudio.
Haar eerste single werd eind 1979 een succes: “It should be Christmas every day”. In één keer werd dat plaatje opgenomen, omdat Suzanne het lied in één keer hemels zuiver zong.
In de platenindustrie hadden ze nog nooit eerder zoiets meegemaakt.
In 1981 zong ze onder meer “It’s you” en “Love me tender”.
Het werden geen dikke hits, maar ze had net haar diploma gehaald aan het begin van haar zesde jaar atheneum.
Eerst een diploma, vond haar moeder, en zo gebeurde het.
Maar wie weet lag straks heel België plat aan haar voeten.
Wim Hogenkamp, helaas ook al overleden in 1989, was het derde lid van de Holland-equipe, en hij werd door een klein aantal liefhebbers op handen gedragen.
Wim schreef ooit het liedje “De mallemolen” voor Heddy Lester, die er tijdens het Eurovisie Songfestival slechts weinig punten mee behaalde.
Aangespoord door dit “succes” stortte Wim Hogenkamp zich als uitvoerend artiest op zijn eigen werk.
Er werd een langspeelplaat gemaakt met de titel “Heel gewoon”, waarvoor hij een Edison ontving.
Toen droeg hij eenmaal de Louis Davids-ring om de ringvinger; de zanger zat helemaal gebeiteld.
Niets kon hem een tweede langspeelplaat meer in de weg staan en die kwam er dan ook, met als titel “Punt uit”.
Zoiets deed je vermoeden dat het de laatste plaat van Wim was.
Maar nee, volgens de biografie van de platenmaatschappij was de nabije toekomst voor Wim van groot belang: hij was met zoveel dingen tegelijk bezig dat het hem vaak moeilijk viel zijn gedachten op één activiteit te concentreren.
Plannen voor de toekomst waren er in ieder geval genoeg.
Nederland wist de Knokke Cup in 1981 niet te winnen.
De hoofdprijs ging dat jaar naar het Vlaamse team met Sofie (Sofie Verbruggen).
Ze vertegenwoordigde dat jaar ons land samen met haar collega-artiesten Johan Verminnen en actrice en zangeres Liliane Dorekens.
Liliane Dorekens, geboren op 29 oktober 1950 te Antwerpen, studeerde in 1972 af aan de Studio Herman Teirlinck als onderdeel van de allereerste lichting van de opleiding kleinkunst.
Ze deed dit samen met onder andere Connie Neefs en Luc Appermont.
Haar bekendste rollen zijn Melanie in de populaire komische serie Slisse & Cesar en Micheline Hoefkens (de vriendin van Rita) in de soap Familie.
Ze had daarnaast gastrollen in onder andere Thuis.
Ze speelde mee in grote producties zoals de musicals Je Anne (Koninklijk Ballet van Vlaanderen) en Fiddler on the Roof.
Recent vierde ze nog haar 55-jarige vriendschap met Connie Neefs in de muzikale theatervoorstelling Vrienden voor het leven.

De oorspronkelijke, grote zangwedstrijd De Knokke Cup (voorheen bekend als het Songfestival van Knokke of de Europabeker voor Zangvoordracht) liep jaarlijks van 1959 tot en met 1973.
In de jaren 80 werd er in het Casino van Knokke nog vijf keer een kleinschaligere versie onder de naam ‘Knokke Cup’ georganiseerd.
De allerlaatste editie van deze reeks vond plaats in 1986.
Als chef d’équipe (kapitein van de ploeg) deed Lou van Rees vanaf 1959 voor Nederland maar liefst 15 keer mee aan het befaamde Knokkefestival.
Regelmatig mondde dit uit in een relletje, maar volgens Van Rees was dat altijd weer goed voor de publiciteit.
Nederland won onder zijn leiding in 1964 met Willeke Alberti, Shirley, Trea Dobbs, Ilonka Biluska en Rita Hovink en in 1965 met Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Conny van Bergen, Suzie en Jan Arntz.
Willem O. Duys schreef in diverse muziekbladen en werd wegens zijn grote vakkennis uitgenodigd om een optreden van Johnnie Ray voor de AVRO aan te kondigen.
Zo maakte hij op 1 juli 1959 zijn debuut als televisiepresentator en volgden er meer opdrachten.
In die tijd liet hij zich Willem ‘O’ Duys noemen.
Het was trouwens Willem Duys die Nederland in 1975 liet kennismaken met een nieuw fenomeen, namelijk Lee Towers.
Gustave (Gustaaf) Nellens (1907–1971) was een visionaire Belgische kunstverzamelaar en de legendarische directeur van het Casino Knokke.
Onder zijn leiding groeide de kustgemeente uit tot een internationale ontmoetingsplaats voor de absolute wereldtop uit de kunst- en muziekwereld.
Hij haalde iconen zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Jacques Brel en Nat King Cole naar het podium.
In 1952 bestelde hij de destijds grootste kristallen kroonluchter ter wereld (7 ton zwaar) voor de grote feestzaal.
Hij onderhield nauwe vriendschappen met meesters zoals Pablo Picasso, Salvador Dalí en Max Ernst, die er allemaal exposeerden.
Zijn meest permanente nalatenschap in het casino is de opdracht aan de surrealistische schilder René Magritte.
In 1953 realiseerde Magritte er de monumentale, 71 meter lange 360°-muurschildering Het betoverde rijk (Le Domaine Enchanté) in de zaal die vandaag de dag de Magrittezaal heet.
Na zijn onverwachte overlijden in 1971 werd het artistieke roer overgenomen door zijn zonen Jacques en Roger Nellens.
Zij zetten de familietraditie voort door onder andere popart-icoon Keith Haring naar Knokke te halen.
Ter nagedachtenis aan Gustave werd in 1974 het iconische stenen beeld Eva van Eugène Dodeigne in Knokke ingehuldigd.
De familie Nellens droeg de concessie van het casino in de jaren 90 van de vorige eeuw over aan de Franse casinogroep Partouche.
Hiermee kwam een einde aan de rechtstreekse creatieve en familiale leiding.
De Belgische gokgroep Napoleon Games nam de exploitatie in 2013 over. Het casino draagt vandaag de dag ook de naam Napoleon Casino Knokke.
Het gebouw zelf is eigendom van de gemeente Knokke-Heist.
De gemeente heeft recent grote plannen goedgekeurd voor een volledige vernieuwing en uitbreiding van de site.
Aan de renovatie van het casino hangt een stevig prijskaartje van 95 miljoen euro.
De bedoeling is dat de werken klaar zijn tegen 2032.




Op 5 juli 1981 voltrok zich een onvoorstelbaar drama in het leven van de beroemde actrice Romy Schneider, toen haar veertienjarige zoon David om het leven kwam bij een tragisch ongeluk.
In de periode voorafgaand aan dit fatale incident probeerde Romy haar leven wanhopig weer op de rit te krijgen.
Haar grootste drijfveer om af te kicken van haar afhankelijkheid van alcohol en pillen was haar diepe verlangen om de beschadigde relatie met David te herstellen.
De band met haar zoon was namelijk flink bekoeld geraakt na haar recente scheiding van haar tweede echtgenoot, Daniel Biasini, een man met wie David juist heel goed overweg kon.
De tiener was destijds zo overstuur door de breuk dat hij zijn moeder niet meer wilde zien. Romy toonde echter enorme wilskracht en doorstond haar ontwenning met succes.
Helaas kreeg ze daarna fysiek zware tegenslagen te verwerken: ze brak haar voet en moest een ingrijpende nieroperatie ondergaan waarbij een tumor werd verwijderd.

Toch was het de dood van haar geliefde zoon die de ultieme en onoverkomelijke genadeslag bleek.
Het fatale ongeluk vond plaats in het Franse Saint-Germain-en-Laye, bij de woning van de ouders van haar ex-man Daniel Biasini, waar David op dat moment verbleef.
Omdat het grote toegangshek gesloten was, besloot de jongen over de twee meter hoge muur met het smeedijzeren hekwerk te klimmen, iets wat hij overigens wel vaker deed.
Deze keer verloor hij echter zijn evenwicht en viel hij op de scherpe, metalen punten van het hek.
Een van de punten doorboorde zijn dijslagader.
Hoewel de zwaargewonde David nog de kracht vond om naar binnen te strompelen en om hulp te roepen, mocht het helaas niet baten.
Hij overleed later die dag in een ziekenhuis in de regio Parijs aan de gevolgen van massaal bloedverlies.
Vanuit dat bewuste ziekenhuis pleegde een totaal verwoeste Romy een hartverscheurend telefoontje naar haar eigen moeder, Magda Schneider.
Al huilend sprak ze de ontroostbare woorden: “Mammie, mijn kind… Mijn kind is dood.”
Het verdriet werd in de dagen daarna nog verder vergroot door meedogenloze paparazzi.
Fotografen verkleedden zich zelfs als verpleegkundigen om de afdeling van het ziekenhuis binnen te dringen en heimelijk foto’s van de overleden jongen te maken.

Romy heeft deze grove schending van hun privacy nooit kunnen verkroppen en sprak zich hier later in een televisie-interview ongekend fel tegen uit.
De actrice was mentaal volledig gebroken en zou de tragedie nooit meer te boven komen.
Nog geen jaar na het verlies van David, op 29 mei 1982, kwam de 43-jarige Romy Schneider in Parijs te overlijden.
Aanvankelijk deden er direct hardnekkige geruchten de ronde dat een bewuste overdosis slaappillen haar fataal zou zijn geworden.
Dit werd echter ontkracht: de officiële doodsoorzaak werd vastgesteld op een hartaanval.
Uit respect voor de zwaarbebroefde actrice en om haar eindelijk rust te gunnen, besloot de Franse magistraat destijds om geen autopsie te laten verrichten.
Vrienden, bekenden en fans wisten echter wel beter en spraken er vaak over dat Romy in werkelijkheid is gestorven aan een gebroken hart.



Voor de opname van het nummer krijgt hij steun van gitarist Terry Taylor en drummer Bruce Rowland.
Bill Wyman zingt en speelt verder alle andere instrumenten.
Op de B-kant staat het nummer ‘Rio De Janeiro’.
Voor deze opname kreeg hij steun van drummer Slim Jim Phantom van The Stray Cats.
Het nummer komt in Vlaanderen niet verder dan de vierentwintigste plaats in de BRT Top 30.
In Nederland doet de single het beter en bereikt daar de dertiende plaats in de Top 40.

Nauwelijks drie jaar oud zong Theodore, beter bekend als Teddy Pendergrass, al in een kerkkoortje.
Dit verklaart de belangrijke en blijvende invloed van gospel in zijn latere muziek. Op zijn dertiende leerde hij drummen in een club waar zijn moeder overdag werkte.
Toen een beloofde zangcarrière door een producer een loze belofte bleek te zijn, legde hij zich volledig toe op zijn drumstel.
Samen met het beginnende groepje Little Royal zette hij zijn eerste stappen op het podium. In 1969 werd hij officieel de nieuwe drummer van The Cadillacs, een groep die in Philadelphia al vrij bekend was.
Een jaar later, in 1970, sloot hij zich als drummer aan bij Harold Melvin & the Blue Notes.
Dankzij zijn warme, rijke stem en uitstekende vocale kwaliteiten schoof hij echter al snel door naar de positie van leadzanger.
Hij trok de aandacht van het componistenduo Gamble en Huff, wat leidde tot een succesvolle samenwerking met een reeks hits als resultaat, waaronder het fraaie ‘If You Don’t Know Me by Now’ .
Vanaf dat moment brak de meest succesvolle periode van de band aan.
Pendergrass voelde zich echter niet helemaal thuis bij The Blue Notes, aangezien hij op het podium al had bewezen meer affiniteit te hebben met stevigere nummers.
Bovendien ontstond er wrijving over de financiën, waarbij het leeuwendeel van de inkomsten naar Harold Melvin zou zijn gegaan.
Deze combinatie van factoren leidde in 1976 tot de onvermijdelijke breuk, waarna hij de groep verliet.
Teddy besloot het solo te proberen en nam met Gamble en Huff het album Teddy Pendergrass op, wat hem meteen goud opleverde.
In 1977 stelde hij zijn toenmalige vriendin aan als manager.
Hun professionele relatie liep echter op de klippen en enige tijd na hun breuk werd zij vermoord.
Hoewel Pendergrass tijdens haar uitvaart zong, werd hij verdacht van betrokkenheid, mede aangewakkerd door geruchten over banden met de Zwarte Maffia.
Tijdens de begrafenis zou dominee Jesse Jackson hem bovendien veelbetekenend hebben aangekeken toen hij dit onderwerp tijdens zijn homilie aansneed.
Ondanks deze turbulente periode reeg Teddy de muzikale successen aaneen.
Zijn tweede langspeler Life is a song worth singing was goed voor dubbel platina, net als de latere albums Teddy en TP.
Theodore mocht zich stilaan een superster noemen en kocht zich passend een riant buitenhuis en een Rolls-Royce.
Naast het grote platensucces bouwde hij in de Verenigde Staten een enorme livereputatie op.
Hij was de absolute lieveling van de vrouwen en speelde daar graag en veelzijdig op in.
Met zijn slogan rijk, jong en beschikbaar deed hij avond aan avond de luxetenten in Las Vegas vollopen met wild enthousiaste dames van alle leeftijden die hun idool van dichtbij wilden zien.
Zelf gaf hij aan dat zijn reputatie daarmee wel gemaakt was, al voelde hij zich soms beschaamd over de taferelen die zich in het publiek afspeelden en vond hij het ongepast wanneer gehuwde vrouwen zich zomaar kwamen aanbieden.
In 1981 scoorde hij in de Verenigde Staten nog een hit met het nummer ‘Girl You Know’, een duet dat hij zong met Stephanie Mills.
Eerder werkten ze al samen voor het duet Feel The Fire in 1978.
Het leven van de zanger nam op 18 maart 1982 een dramatische wending door een zwaar auto-ongeluk in Philadelphia.
De officiële lezing stelde dat het ongeval gebeurde na een basketbalwedstrijd, maar later bleek dat hij uit een nachtclub kwam in het gezelschap van de 31-jarige transgendervrouw Tenika Watson.
Ook rond deze gebeurtenis doken verhalen op over de Zwarte Maffia.
Zo zouden de remmen van zijn wagen niet hebben gefunctioneerd, een defect dat naar verluidt ook bij zijn eerdere auto’s was opgetreden.
Als gevolg van de crash liep Pendergrass een dwarslaesie op, waardoor hij vanaf zijn middel verlamd raakte.
Zijn passagier, Tenika Watson, kon na een medische behandeling het ziekenhuis weer verlaten.
Pendergrass weigerde steevast uitleg te geven over haar aanwezigheid in de auto.
Na zijn overlijden beweerde Watson in een interview echter dat de twee al sinds de jaren zeventig een relatie hadden.
Na een intensief revalidatietraject van zes maanden zette de zanger zich in voor lotgenoten door de Teddy Pendergrass Alliance op te richten, een stichting voor mensen met een ruggenmergletsel.
Zijn muzikale comeback volgde in 1984 met het album Love Language, waarop het succesvolle duet ‘Hold Me’ stond met het destijds opkomende talent Whitney Houston.
In 1985 maakte Pendergrass zijn grootse terugkeer op het podium tijdens Live Aid, waar hij het nummer ‘Reach Out and Touch’ zong en de gelegenheid nam om het publiek te bedanken voor alle steun.
Teddy Pendergrass beëindigde zijn podiumcarrière in 2007.
Hij overleed drie jaar later, in 2010, op 59-jarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker.
Hij liet een zoon en twee dochters na, die alle drie van verschillende moeders zijn.



