45 jaar geleden, ex-Mud Rob Davis speelt nu bij Darts

Eind september 1981 was Rob Davis allang geen tieneridool meer. Jaren eerder vormde hij samen met zanger Les Gray het vertrouwde uithangbord van Mud, een band die zowel bij ons in Vlaanderen als in Nederland over de koppen liep.

Dagelijks kreeg Rob zakken vol liefdesbrieven en rustig over straat lopen zat er destijds echt niet meer in.

Die gigantische roem bleef echter niet duren. De hits droogden op, het aantal optredens slonk en ook binnen de groep begon het te wringen.

De vanzelfsprekende chemie tussen Les Gray en drummer Dave Mount verdween.

Les trok het schrijven van singles en covers steeds meer naar zich toe, vaak met B-kantjes die maar weinig voorstelden.

Daardoor groeiden Rob en Les stilaan uit elkaar, tot ze eigenlijk gewoon zaten te wachten op het definitieve einde van de groep.

Na hun laatste hit begonnen Rob Davis en bassist Ray Stiles zich stilaan los te wrikken.

Ze zagen het niet meer zitten en hun muzikale voorkeur verschoof naar oudere soulgroepen en opkomende Amerikaanse westcoastbands zoals The Doobie Brothers en Eagles.

Achteraf bekeken werd Mud toen al een heel andere richting uitgeduwd, zonder dat ze het zelf goed en wel beseften.

Toch bleven ze nog enige tijd samen optreden. Er liepen namelijk nog buitenlandse aanbiedingen binnen, al voelde dat vaak als overleven op korte termijn en gebeurde het lang niet altijd met volle goesting.

In 1978 viel dan toch het doek. Het allerlaatste optreden vond plaats in een afgelegen dorpje.

Muzikaal ging het nog wel, maar de sfeer zat helemaal onder het vriespunt en het plezier was definitief weg. Iedereen voelde dat het verhaal geschreven was.

Dave Mount was kort voor dat einde al opgestapt, waarna Rob een tijdje de kost verdiende met studiowerk en het geven van gitaarles.

Ondertussen stampte Les Gray met verse muzikanten een vernieuwde versie van Mud uit de grond.

De vriendschap bleef wel overeind: Rob hielp Les af en toe nog in de studio, al zag hij hem minder vaak, en hij hield ook geregeld contact met Dave, die op dat moment zonder werk zat.

In 1980 belandde Rob bij de Britse doo-wop- en rock-‘n-rollformatie Darts.

Eerst viel hij even in voor de vertrekkende gitarist George Currie, om wat later een vast bandlid te worden.

Hij zou er zo’n twee jaar blijven, tot in 1982.

Zijn uitstraling was intussen een pak nuchterder dan tijdens de wilde Mud-jaren. Grote hits scoorde Darts in die periode amper, maar aan optredens was er geen gebrek: van intieme clubs en kleine zalen tot verre buitenlandse reizen naar Thailand, Korea en Japan.

Bij Mud was het succes vroeger vooral beperkt gebleven tot Engeland, Duitsland en de Benelux.

Rob vond het achteraf gezien best jammer dat ze met Mud nooit die kleinere, directe concerten hadden gespeeld, maar bij Darts kon dat gelukkig wel.

Een echt idool wilde hij sowieso nooit zijn. De muziek primeerde altijd. Die uitzinnige adoratie van vroeger hoefde voor hem niet eens en had hij ook nooit gevraagd.

Op zijn tijd bij Mud keek hij intussen met een heel nuchtere blik terug.

Bij Darts zat hij weer helemaal op zijn plek: omringd door jongere muzikanten, een goedgevulde agenda en elk optreden dat aanvoelde als een echt feestje.

Eind september 1981 liet hij dan ook weten dat hij voorlopig bij Darts bleef. Hij amuseerde zich rot, net zoals de rest van de bende.

De groep had werk en dat was voor hem het allerbelangrijkste.

Hij prees zich gelukkig dat hij opnieuw deel uitmaakte van een band die hem op handen droeg en respecteerde.

Na zijn periode bij Darts gooide Rob Davis het over een heel andere boeg en legde hij zich volledig toe op het schrijven van pop- en dancehits en het studiowerk achter de knoppen.

Dat bleek een schot in de roos: samen met Cathy Dennis pende hij later gigantische wereldhits neer voor Kylie Minogue, waaronder Can’t Get You Out of My Head en Come Into My World.

Ook de andere Mud-leden kenden elk hun eigen verhaal.

Les Gray blies Mud in de jaren tachtig nieuw leven in met een verjongde bezetting.

Zeker in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was hij een graag geziene gast op nostalgiefestivals en dook hij geregeld op in televisieprogramma’s.

Hij overleed op 21 februari 2004 in een Portugees ziekenhuis aan de gevolgen van keelkanker en een daaropvolgende hartaanval.

Bassist Ray Stiles sloot zich vanaf de jaren tachtig aan bij The Hollies en bleef in de groep tot 20 augustus 2026. Toen de twee kernleden, gitarist Tony Hicks (80) en drummer Bobby Elliott (84), besloten om met pensioen te gaan

Samen met twee nieuwe bandleden treedt hij met de andere muzikanten nog altijd geregeld op onder de naam Mud.

Vier jaar geleden stonden ze trouwens nog gewoon bij ons op het podium in Oudenaarde.

Met drummer Dave Mount liep het helaas heel wat minder goed af. Hij trok zich volledig terug uit de muziekwereld en overleed op 2 december 2006 in het ziekenhuis, na een zelfmoordpoging.

Liever op eigen tempo: Everything but the Girl veertig jaar geleden met ‘Baby, The Stars Shine Bright’

Veertig jaar geleden kozen Everything but the Girl met hun derde album ‘Baby, The Stars Shine Bright’ en de knappe single ‘Come on Home’ voor een rustiger koers.

Tijdens de persvoorstelling van het album praatten ze nuchter over de aandacht die ze kregen.

Ze lachten dan ook hartelijk om het idee dat ze ooit op één zouden belanden en gaven meteen toe dat ze het op de hitparade nooit van Madonna zouden winnen.

Muzikaal sloegen ze met hun nieuwe album een heel andere weg in dan de sobere, jazzy indie van hun debuut ‘Eden’ of het maatschappijkritische ‘Love Not Money’.

Ze gingen voluit voor weidse, filmische ballades met een stevige fifties- en sixties-orkestratie: een weelderige strijkerssectie en een knipoog naar Dusty Springfield.

Dat strookte totaal niet met de synthetische sound die de hitlijsten in 1986 domineerde.

Het album bleef destijds dan ook een beetje onder de radar hangen, en recensenten liepen er niet bepaald wild van.

Pas jaren later kwam de kentering: de gewaagde productie en de ironische teksten, zoals in ‘Sugar Finney’, kregen alsnog de lof die ze verdienden. Vandaag geldt ook ‘Cross My Heart’ terecht als een echte klassieker van het duo.

Kort daarvoor waren ze in 1986 voor het eerst naar Amerika getrokken.

Veel potten hadden ze daar niet gebroken, maar ze voelden dat ze stilaan hun eigen stek in de muziekwereld vonden.

Ze wilden vooral op hun eigen tempo groeien; overweldigend succes hoefde er voor hen niet van vandaag op morgen te zijn.

Ben maakte tijdens de persvoorstelling een subtiele verwijzing naar Sade.

Hij zag hoe zij ten onder ging aan de loodzware druk die een plotse doorbraak op een privéleven legt. Het duo voelde geen greintje afgunst, alleen medelijden.

Rond 1985-1986 was de gekte rond Sade Adu en haar band amper nog bij te benen.

Na het triomfantelijke debuut ‘Diamond Life’ in 1984 schoot ook de opvolger ‘Promise’ eind 1985 recht naar de internationale toppen.

Die wereldroem eiste een zware tol: platenbazen zaten haar op de nek, tabloids en paparazzi gunden haar geen seconde rust, met kwalijke roddels over een relatiebreuk en psychische inzinkingen tot gevolg.

De slopende tournees, de niet-aflatende promotie en het totale gebrek aan privacy putten haar emotioneel en fysiek uit.

Sade trok aan de noodrem en verdween uit de schijnwerpers. Fans moesten tot 1988 wachten op ‘Stronger Than Pride’.

Die dolgedraaide showbizz lieten Ben en Tracey met plezier aan zich voorbijgaan.

Zij nestelden zich liever met hun tweetjes in een kalm hoekje van Londen.

Wilde feestjes en recepties waren aan hen niet besteed; een discotheek of nachtclub hadden ze naar eigen zeggen zelfs nog nooit van dichtbij gezien.

Zelfs in dat rustige leventje liep het niet altijd van een leien dakje.

Omdat ze vierentwintig uur per dag op elkaars lip zaten, maakten ze aan de lopende band ruzie en kibbelden ze over elk klein detail.

Om de vrede te bewaren stelden ze hun werkwijze bij.

Vroeger schreven ze nummers nog zij aan zij; voortaan deed ieder zijn eigen ding: Tracey de teksten, Ben de muziek.

Dat zorgde meteen voor veel minder wrevel.

De echte romantiek vonden ze terug in de studio.

Daar was de vonk ooit overgeslagen, toen ze allebei met een koptelefoon op stonden te zingen en elkaar recht in de ogen keken.

Die herinnering riepen ze bij elke opnamesessie weer op, en dat hoor je tot op vandaag in de zachte, zwoele sfeer van hun songs.

Ben Watt en Tracey Thorn waren niet alleen een muzikaal duo, maar ook een koppel.

Ze leerden elkaar in 1981 kennen aan de Universiteit van Hull. Al snel volgde een relatie die tot op de dag van vandaag standhoudt: ze kregen drie kinderen en stapten in 2009 in het huwelijk.

Ook muzikaal bleef hun verhaal in beweging.

In 2023 verscheen het goed ontvangen comebackalbum Fuse, hun eerste plaat in bijna vierentwintig jaar.

Na een pauze van vijfentwintig jaar keerden ze in 2025 bovendien terug op het podium.

Ze kozen opnieuw voor intimiteit: als kleinschalig akoestisch-elektronisch duo, aangekondigd onder hun eigen namen Ben Watt en Tracey Thorn, en bewust zonder festivalweides of arena’s.

In augustus 2026 volgde nog een nieuwe remix van ‘Run A Red Light’, een teken dat hun artistieke koers springlevend is.

Hun bandnaam Everything But The Girl komt van een slogan van meubelzaak Turner’s in Hull: for your bedroom needs, we sell everything but the girl.

Toen ze elkaar ontmoetten, waren zowel Thorn als Watt al solo onder contract bij Cherry Red: Thorn als lid van Marine Girls, een favoriet van Kurt Cobain, en Watt met zijn debuut North Marine Drive.

Hun eerste gezamenlijke plaat was een samba-achtige cover van Cole Porter’s ‘Night and Day’.

In 1992 werd een Amerikaanse tournee van Everything But The Girl afgelast toen Watt bijna stierf aan een zeldzame auto-immuunziekte; hij schreef daar later het boek Patient over.

Tracey zong ondertussen op Massive Attack’s ‘Protection’.

De grote doorbraak kwam met Todd Terry’s remix van ‘Missing’, die in 1995–1996 wereldwijd een hit werd en nummer 2 haalde in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

In Nederland bereikte de Todd Terry Club Mix in september 1995 de derde plaats in de Top 40; de single stond zeventien weken genoteerd.

Nadat het nummer in oktober 1995 uit de lijst verdween, kwam het door het Europese succes opnieuw in de belangstelling.

In maart 1996 keerde het terug in de Top 40, met een 24e plaats als piek.

In Vlaanderen speelde zich hetzelfde af: in 1995 haalde de single de twaalfde plaats in de Ultratop 50, in 1996 de tiende.

Alles bij elkaar bracht het duo elf studioalbums uit.

In het Verenigd Koninkrijk behaalden ze acht gouden en twee platina-albums; het album Amplified Heart wordt vaak als hun bestverkochte album genoemd, en alleen al in het VK en de VS zijn er honderdduizenden tot meer dan een miljoen exemplaren verkocht.

De single ‘Missing’ werd in het VK driedubbel platina.

Van Hitchcock tot Dallas: het bewogen leven van Barbara Bel Geddes

Barbara Bel Geddes, dochter van de invloedrijke industrieel ontwerper Norman Bel Geddes, was al een gevierde naam in de theaterwereld lang voordat ze bij miljoenen kijkers bekend werd als Miss Ellie in Dallas.

Als tiener debuteerde ze op Broadway in de komedie Out of the Frying Pan en vanaf dat moment zat ze vrijwel nooit meer zonder werk.

Ze schitterde in producties van grootheden als Elia Kazan, Graham Greene, Tennessee Williams en John Steinbeck, waarbij ze naar eigen zeggen het vak leerde door zich op te trekken aan haar ervaren tegenspelers.

Het absolute artistieke hoogtepunt op de planken was haar vertolking van Maggie the Cat in de originele Broadway-productie van ‘Cat on a Hot Tin Roof’.

Ook de stap naar Hollywood leek een droomstart te worden.

In 1946 tekende ze een bijzonder filmcontract bij RKO: op haar eigen voorwaarde mocht ze hooguit een film per jaar maken om tijd over te houden voor het theater.

Haar talent leverde haar voor haar rol in ‘I Remember Mama’ uit 1948 meteen een Oscarnominatie op voor Beste actrice in een bijrol.

Toch werd ze datzelfde jaar door de nieuwe en excentrieke RKO-eigenaar Howard Hughes plotseling aan de kant gezet, simpelweg omdat hij haar niet verleidelijk genoeg vond voor het grote doek.

De jaren vijftig brachten een moeilijke periode met zich mee.

Naast gezondheidsproblemen zorgde een onderzoek naar vermeende on-Amerikaanse activiteiten ervoor dat ze tijdelijk op een zwarte lijst belandde en het witte doek moest mijden.

Ze vocht zich echter met succes terug.

Ze speelde onder regie van Elia Kazan in ‘Panic in the Streets’, was te zien naast Danny Kaye in ‘The Five Pennies’ en maakte blijvende indruk als de nuchtere vriendin Midge naast James Stewart in Alfred Hitchcocks meesterwerk ‘Vertigo’.

Hitchcock was zo onder de indruk van haar subtiele mimiek dat hij haar persoonlijk vroeg voor zijn televisieserie Alfred Hitchcock Presents, waarin ze in vier afleveringen meespeelde.

Haar rol in ‘Lamb to the Slaughter’ werd legendarisch: daarin bracht ze haar echtgenoot om het leven met een bevroren lamsbout, om het moordwapen vervolgens te braden en voor te zetten aan de rechercheurs die het bewijsmateriaal zochten.

Toen Bel Geddes in 1978 werd gevraagd voor de rol van Eleanor “Miss Ellie” Southworth Ewing Farlow in de soapserie Dallas, waarschuwden sommige collega’s haar dat een soap een stap terug was.

Zelf dacht ze toen daar nuchter over. Ze had op dat moment geen artistieke verplichtingen en greep de kans met beide handen aan om een heel nieuw publiek te bereiken.

Niemand kon voorzien dat de serie zou uitgroeien tot een wereldwijd kijkcijferfenomeen.

Zonder haar had Larry Hagman de iconische rol van J.R. overigens nooit gespeeld; zijn moeder, musicalvedette Mary Martin, was een van haar dierbaarste vriendinnen met wie ze vroeger samen op het podium had gestaan.

Haar fijnzinnige spel als de standvastige spil van de familie leverde haar een felbegeerde Emmy Award op.

Achter de schermen liep het echter niet altijd van een leien dakje.

In het voorjaar van 1984 onderging ze een zware viervoudige bypassoperatie na een hartaanval, waardoor ze de eerste elf afleveringen van het nieuwe seizoen moest overslaan.

Toen ze het seizoen erop botste met de producenten over haar werkdruk en gage, werd haar rol overgenomen door filmster Donna Reed, die een contract voor drie jaar tekende.

Gisteren nog vandaag

De trouwe kijkers accepteerden de vervanging allerminst en bombardeerden de studio met brieven.

Toen de kijkcijfers kelderden en aartsrivaal Dynasty de koppositie overnam, haalden de producenten Bel Geddes in 1985 tegen forse betaling terug.

Donna Reed stapte woedend naar de rechter, kreeg een schikking van een miljoen dollar, maar overleed tragisch genoeg enkele maanden later aan alvleesklierkanker.

In haar persoonlijke leven koos Barbara Bel Geddes bewust voor warmte en eenvoud, ver weg van de glitter en roddels van Beverly Hills.

Ze was twee keer getrouwd: eerst met theatermanager Carl Schreuer, met wie ze dochter Alice kreeg, en daarna met regisseur Windsor Lewis.

Met hem kreeg ze dochter Betsy.

Haar huwelijk met Windsor was zeer hecht; toen hij ernstig ziek werd, zette ze haar acteercarrière jarenlang stil om hem thuis tot aan zijn overlijden in 1972 liefdevol te verzorgen.

Ze was bovendien een begenadigd kunstenares.

Naast haar filmwerk schreef en illustreerde ze twee charmante kinderboeken, ‘I Like to Be Me’ en ‘So Do I’, en ontwierp ze decennialang haar eigen reeks succesvolle wenskaarten.

Na haar definitieve vertrek bij Dallas in 1990 trok ze zich terug in haar rustige houten huis in Northeast Harbor aan de kust van Maine, waar ze schilderde en tuinierde.

Op 8 augustus 2005 overleed ze daar op 82-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.

Gisteren nog vandaag

Van fabrieksarbeider tot wereldster: het bewogen levensverhaal van George Baker

Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.

Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.

Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.

Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.

In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.

De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.

Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.

Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.

Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.

Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.

De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.

In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.

Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.

Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.

Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.

Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.

Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.

Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.

Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.

Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.

De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.

Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.

In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.

De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.

Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.

Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.

Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.

De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.

De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.

Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.

In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.

Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.

Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.

Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.

Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.

Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.

Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.

Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.

Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.

Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.

Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.

Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.

Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.

Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.

Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.

Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.

Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.

Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.

Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.

Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.

Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.

Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.

Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.

In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.

In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.

Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.

Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.

Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.

Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.

Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.

Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.

Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.

Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.

Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.

Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.

Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.

50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)

In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)

George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)

Van pechvogel naar wereldsucces: het verhaal van Liverpool Express en manager Hal Carter

In september 1976 kwam het succes precies op tijd voor Liverpool Express.

De voorafgaande maanden waren bijzonder moeizaam verlopen voor de band.

Eerst begaf hun bestelbus het, vervolgens liet de zanginstallatie het afweten en daarna ging een geleende auto stuk.

Tot overmaat van ramp sneuvelde er een set gloednieuwe luidsprekers van duizend pond per stuk, destijds omgerekend ruim 1670 euro, maar door de inflatie naar de maatstaven van vandaag vergelijkbaar met een slordige zevenduizend tot achtduizend euro. Uiteindelijk gaf ook de gitaar van een van de groepsleden de geest.

Het was uitsluitend te danken aan de steun van hun manager Hal Carter en de financiële rugdekking van de platenmaatschappij dat de formatie na die rampzalige periode overeind bleef.

De groep stond namelijk op het punt de handdoek in de ring te gooien, zeker nadat ook hun debuutsingle ‘Smile My Smiler’s Smile’ al was geflopt.

Voor bassist Billy Kinsley, een goedgehumeurde blonde muzikant, was het niet de eerste keer dat hij door zwaar weer ging.

Eerder maakte hij al naam met The Merseybeats en The Merseys. Als tiener bezocht Billy geregeld The Cavern Club om The Beatles te zien optreden, waardoor hij al snel door het rockvirus werd gegrepen.

In 1963 had hij naar eigen zeggen alles in huis om er vol voor te gaan: een zelfgebouwde basgitaar, een leren outfit, een flinke afkeer van Cliff Richard en een voorliefde voor nummers zoals ‘Red River Rock’.

Samen met Tony Crane, John Banks en Aaron Williams richtte hij The Merseybeats op, die eind 1963 debuteerden met ‘It’s Love That Really Counts’ van Burt Bacharach en Hal David.

Doordat managers en zaakwaarnemers hen financieel uitbuitten, bleven uiteindelijk enkel Kinsley en Crane over om als The Merseys verder te gaan, waarmee ze scoorden met ‘Sorrow’.

Later sloot Billy zich aan bij de band rond Jackie Lomax en verrichtte hij de nodige studiowerkzaamheden voor Apple Records, het platenlabel van The Beatles, totdat zakelijk leider Allen Klein daar flink bezuinigde en er voor Kinsley amper nog werk overbleef.

Ondertussen traden Tony Coates, Roger Craig en drummer Derek Cashin op onder de naam Paper Chase.

Dit trio ontmoette Billy Kinsley tijdens een wekelijkse vriendschappelijke voetbalwedstrijd waar lokale muzikanten samenkwamen.

Die partijtjes dienden niet alleen om fit te blijven, maar boden de beroepsmuzikanten ook de gelegenheid om nieuwtjes uit te wisselen over opgeheven groepen, lopende projecten en verse platencontracten. Zodra de vier heren hun eerdere verplichtingen hadden afgerond, besloten ze een nieuwe band te vormen.

Hun manager bedacht, bij gebrek aan een beter alternatief, de groepsnaam Liverpool Express.

In de zomer van 1975 volgde hun eerste tournee en verscheen hun debuutsingle, die commercieel gezien weinig deed.

Ondanks die tegenvaller dook het viertal opnieuw de studio in om aan te tonen hoe veelzijdig ze waren als songwriters.

‘You Are My Love’ werd geschreven door Billy Kinsley en Roger Craig, die beiden lid waren van de groep.

Kinsley schreef de basis van het nummer thuis toen hij enkele dagen alleen zat en zich somber voelde.

Tijdens een volgende repetitie werkte Roger Craig het nummer samen met hem uit.

Aanvankelijk dachten ze dat het het slotakkoord van de groep zou zijn en schonken ze er verder weinig aandacht aan.

Billy overwoog dan ook geenszins om het als single uit te brengen.

De uiteindelijke release verliep echter via een bijzondere omweg.

Derek Taylor, topman bij platenmaatschappij Warner Bros., nam een bandje met opnames mee naar huis en liet het aan zijn zes kinderen horen. Twee van hen wezen ‘You Are My Love’ aan als de ideale single.

Van enige vergelijking met The Beatles of Badfinger kon bij die jonge kinderen uiteraard geen sprake zijn, aangezien ze nauwelijks hun eigen naam konden schrijven.

De keuze van de kinderen bleek een schot in de roos, want de ballade groeide in Groot-Brittannië uit tot een volwaardige hit, terwijl ook de rest van Europa in september 1976 klaargestoomd werd voor de doorbraak van de band en er ondertussen volop werd gewerkt aan een debuutalbum.

In Nederland bereikte het nummer uiteindelijk de twaalfde plaats in de Nederlandse Top 40, al bleef een notering in Vlaanderen vreemd genoeg uit, waar het nummer de BRT Top 30 niet eens wist te bereiken.

Overigens kreeg de compositie later nog een bijzonder groot compliment uit wel heel deskundige hoek: niemand minder dan Paul McCartney riep ‘You Are My Love’ ooit uit tot een van de beste songs die ooit zijn geschreven.

In hun thuisland scoorde de formatie daarna nog bescheiden hits met nummers als ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Hold Tight’.

In 1977 volgde hun laatste officiële Britse hitsingle met het nummer ‘Dreamin”, dat destijds piekte op de veertigste plaats in de Britse hitlijsten.

Opvallend is dat de groep in Zuid-Amerika, en met name in Brazilië, een gigantisch veel grotere hitstatus genoot dan in Europa.

De drie singles ‘You Are My Love’, ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Dreamin” stormden daar allemaal door naar de absolute nummer één-positie.

Ze waren destijds zelfs de allereerste band die daar een grootschalige stadiontournee deed voor honderdduizenden uitzinnige fans.

Dat de band destijds kon rekenen op Hal Carter, was een geluk bij een ongeluk.

De Hal Carter Organisation was een Brits bureau voor artiesten- en muziekmanagement, opgericht in 1968 door Hal Carter, een Britse producer, manager en songwriter.

Zijn loopbaan begon op een bijzondere plek: in de piste van het Bertram Mills Circus.

Dit was een van de beroemdste en meest prestigieuze Britse circussen van de twintigste eeuw. Het circus bestond van 1920 tot 1967 en stond bekend als The Quality Show vanwege de ongekend hoge kwaliteit van de acts.

Niet veel later maakte hij de overstap naar de muziekwereld toen impresario Larry Parnes hem vroeg als roadmanager voor Marty Wilde.

In de jaren die volgden leerde Carter de fijne kneepjes van het vak door op pad te gaan met rockiconen als Eddie Cochran, Johnny Burnette, Brenda Lee, Gene Vincent en Billy Fury.

Begin jaren zestig verzorgde hij de podiumshows en tournees voor topbands als The Kinks, The Troggs en The Who, waarna hij de sprong waagde en zijn eigen bureau startte.

Toen hij zich ook op het produceren van platen richtte, volgde het succes al snel.

Na een reeks sterke producties voor Billy Fury scoorde hij met Liverpool Express, een handvol tijdloze hits in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Zuid-Amerika.

Ook met de formatie Coast to Coast wist hij vervolgens twee keer de Britse hitlijsten te bestormen.

In 1994 stond Carter aan de wieg van de eerste Solid Gold Rock’n’Roll Show.

De concertreeks werd een enorm succes voor uitverkochte zalen en keerde in de jaren erna nog diverse keren terug op de planken. Tegen het einde van de jaren negentig drukte hij zijn stempel op grote Britse tournees zoals de Solid Silver Sixties en The Illegal Eagles.

Bovendien bracht hij in 2000 de immens populaire eerbetoonband Rumours of Fleetwood Mac op gang voor hun concerten in het Verenigd Koninkrijk.

Zijn agentschap bouwde een indrukwekkend artiestenbestand op, met namen als Slade, The New Seekers, John Leyton, Eden Kane en White Plains met zanger Tony Burrows, naast succesvolle producties zoals The Carpenters Story en Blondie Goes to Hollywood.

Carter stond bekend om zijn grote toewijding aan zijn artiesten en het publiek.

Naast zijn commerciële werk zette hij zich regelmatig in voor grootschalige liefdadigheidsevenementen, waaronder een benefietshow in Londen voor Marie Curie-verpleegkundigen en optredens voor de Variety Club in Cardiff.

Ook buiten het Verenigd Koninkrijk liet hij van zich horen, onder meer met zijn vaste betrokkenheid bij de Golden Years Show in het Antwerpse Sportpaleis en het Britse Chelmsford Festival.

De allerlaatste editie van de populaire nostalgieshow The Golden Years in het Sportpaleis (inmiddels bekend als de AFAS Dome) in Antwerpen vond plaats op zaterdag 14 december 2013.

Het was de vijfentwintigste en tevens finale editie van dit langlopende muziekfeest voor golden oldies, met optredens van onder meer Dave Edmunds, Albert Hammond, Slade, Alvin Stardust, The Sweet en The Rubettes.

Hal Carter, geboren als Harold Carter Burrows op 13 juli 1935, overleed op zijn negenenzestigste verjaardag op 13 juli 2004.

Het is inmiddels vijfenveertig jaar geleden dat Patricia Paay haar nummer ‘Who Let The Heartache In’ uitbracht.

Ik beken meteen maar eerlijk dat ik altijd al een zwak voor haar heb gehad.

Wel vind ik het vreemd dat er bij dit artikel een foto is geplaatst van haar album ‘The Lady Is A Champ’, dat al uit 1977 stamt.

Het nummer schreef Patricia samen met John van Katwijk. Ook de andere single ‘Saturday Nights’ uit het album ‘Playmate’ schreven ze samen.

Deze veelzijdige Nederlandse zanger, componist, arrangeur, producer en artiestenmanager werd op 8 augustus 1951 geboren in Rotterdam en begon zijn muzikale loopbaan als leadzanger van de band Christie Lane.

Toen het grote succes daarmee uitbleef, verlegde hij zijn koers: hij ging aan de slag als artiestenmanager en begon zelf nummers te schrijven.

Naast zijn werk met Patricia Paay werkte Van Katwijk veelvuldig samen met grote namen zoals René Froger en Anita Meyer, en in recentere jaren ook met Glennis Grace.

Op 16 januari 2025 kwam hij te overlijden.

Siouxsie Sioux: van eigenzinnig punkicoon tot tijdloze muzieklegende

In 1981 belichtte Siouxsie haar grimmige kijk op de wereld met de stelling dat vrolijke toestanden geen inhoud hadden.

De zangeres met het zwarte, verwarde piekhaar was samen met The Banshees verantwoordelijk voor het destijds pas verschenen album ‘Ju-Ju’.

Voor het grote publiek leek ze bepaald niet op het vriendelijke buurmeisje.

Haar nummers gingen doorgaans over de donkere, sombere kanten van het bestaan en een lach op haar gezicht was een zeldzaamheid.

Sommigen bestempelden haar zelfs als de ‘Ijskoningin van de rock’. In werkelijkheid klopte dat afstandelijke beeld niet met wie ze was.

In een openhartig gesprek doorprikte ze dat kille imago en liet ze zien dat ze dol was op dieren, prima kon opschieten met haar moeder en tijd vrijmaakte voor goede doelen.

Aan labels had Siouxsie destijds een broertje dood.

Ze gaf toe geen flauw idee te hebben wie haar de bijnaam Ijskoningin had gegeven.

Zulke typeringen raakten volgens haar kant noch wal; ze vermoedde dat iemand vond dat die naam beter bij haar paste dan bijvoorbeeld Sneeuwwitje.

Vanaf het begin was het haar bedoeling geweest om het publiek te prikkelen met haar kleding en muziek.

Rond 1976 behoorde ze tot de pioniers van de punkbeweging.

Haar wilde zwarte kapsel werd door duizenden jongeren nagebootst, onder wie Nina Hagen.

Tegen 1981 stond ze aan het roer van een Britse topband.

Hoewel de toekomst er rooskleurig uitzag, bleef ze worstelen met onzekerheden en gaf ze ruiterlijk toe dat ze bang was voor het moment waarop ze ouder zou worden.

Die persoonlijke kant had ze lange tijd voor de buitenwereld verborgen gehouden.

Omdat haar reputatie minder belangrijk voor haar was geworden, sprak ze opener over haar privéleven.

Zo trok ze zich het lot van dieren enorm aan.

Op haar eerdere album had ze in het nummer ‘Skin’ fel uitgehaald naar de jacht op zeehondenjongen.

Toen ze nog thuis woonde, ving ze samen met haar moeder voortdurend zwerfkatten en gewonde vogels op om ze te verzorgen.

Ze koesterde sowieso veel respect voor haar moeder, ook al voldeed ze niet aan het ideaalbeeld van de keurige dochter.

Haar moeder had ooit gehoopt dat ze secretaresse zou worden, maar dat plan had ze al snel laten varen, al bleef de band tussen hen hecht.

Toentertijd woonde Siouxsie op zichzelf in een appartement.

Ze liet niet veel los over vriendschappen, maar vertelde wel dat ze regelmatig werd meegevraagd voor een avondje uit.

Het succes dat ze in die periode oogstte, veranderde weinig aan haar levensstijl of werkwijze.

Ze was vastbesloten om duistere muziek te blijven maken.

Zodra songs te braaf of oppervlakkig werden, verloren ze volgens haar elke betekenis.

Vrolijkheid om de vrolijkheid zei haar weinig, omdat zulke situaties naar haar mening zelden echte diepgang hadden.

Haar allerlaatste uitgebrachte originele nummer was ‘Love Crime’ uit 2015, dat speciaal werd opgenomen voor de finale van de tv-serie Hannibal.

Haar enige solostudioalbum, Mantaray, stamt uit 2007.

Haar meest bekende relatie was met Peter Clarke, beter bekend als Budgie, de drummer van Siouxsie and the Banshees.

Het stel trouwde in mei 1991 en vormde samen ook het muzikale duo The Creatures.

Na een relatie van 25 jaar, waarvan 15 jaar getrouwd, gingen ze in 2007 uit elkaar.

Siouxsie kreeg geen kinderen; tijdens haar huwelijk grapte ze in interviews wel eens dat haar katten haar baby’s waren.

In 1992 verhuisde ze met Budgie naar het zuidwesten van Frankrijk.

Daar woonde ze ruim 23 jaar in een afgelegen stenen landhuis in de regio Gers, nabij Toulouse.

Ze leidde er een rustig bestaan, ver weg van alle roem, en vulde haar dagen vooral met tuinieren, lezen en de zorg voor haar dieren.

In 2015 keerde ze terug naar Londen, waar ze sindsdien weer woont.

Siouxsie is altijd heel openhartig geweest over haar geaardheid.

In een interview met The Independent gaf ze aan dat ze zichzelf nooit expliciet als heteroseksueel of lesbisch heeft bestempeld.

Ze voelt zich aangetrokken tot mensen, en wanneer ze op mannen valt, hebben die volgens haar vaak wat meer feminiene eigenschappen.

Haar bekendheid zet ze af en toe in voor het goede doel.

Zo is ze een uitgesproken medestander van PETA, waarmee ze fel strijdt tegen dierproeven in de medische sector en de voedingsindustrie.

De inmiddels 69-jarige zangeres geniet van haar pensioen en houdt zich alleen nog bezig met het beheer van haar muzikale erfenis.

Er verschijnen regelmatig nog hoogwaardige vinyl-heruitgaven en geremasterde verzamelalbums van Siouxsie and the Banshees.

Ook de muziekwereld blijft haar vieren; zo bracht het gerenommeerde muziektijdschrift MOJO Magazine in juli 2026 een luxe special uit die volledig aan haar en haar band is gewijd.

Geboren als Susan Janet Ballion op 27 mei 1957 in Londen, vond ze al vroeg houvast in muziek, ondanks een lastige jeugd met een alcoholverslaafde vader.

Haar grote doorbraak volgde in 1976 met de oprichting van Siouxsie and the Banshees.

Als leadzangeres en tekstschrijver groeide ze razendsnel uit tot het boegbeeld van een hele generatie.

De band begon midden in de punkexplosie, maar ontwikkelde al gauw een volstrekt eigen, vernieuwend post-punkgeluid vol ritmische experimenten en donkere sferen.

Daarmee drukten ze een onuitwisbare stempel op de muziekgeschiedenis.

Samen met Banshees-drummer Budgie, met wie ze in 1991 trouwde, begon ze het percussieve zijproject The Creatures.

Na het uiteenvallen van de Banshees in 1996 ging ze solo verder.

Privé liep het huwelijk met Budgie in 2006 spaak en het koppel bleef kinderloos.

Haar enige soloalbum, Mantaray, kreeg lovende recensies van zowel critici als fans, al bleven de grote verkoopcijfers helaas uit.

Toch liet ze zich nooit definitief uit het veld slaan: na een radiostilte van maar liefst tien jaar maakte deze unieke koningin van de post-punk in 2023 eindelijk haar langverwachte rentree op het podium.

Jeanette lief snoetje met veel talent

Wie in september 1976 aan Spanje dacht, dacht onmiddellijk aan Julio Iglesias.

Hij was en bleef destijds vooralsnog de enige Spaanse zanger met internationale bekendheid.

Maar het zag er toen naar uit dat hij die status binnenkort zou moeten delen met Jeanette, een 24-jarige zangeres uit Barcelona.

Met ‘Pourquoi tu vis’ was zij destijds aardig op weg om haar eerste hit buiten de landsgrenzen te scoren.

Het was een Franstalige versie van haar Spaanse hit ‘Porque te vas’, vertaald door Claude Lemesle, een man die onder meer voor Joe Dassin en Michel Fugain werkte.

In Spanje zelf was Jeanette toen al lang geen onbekende meer.

Haar carrière begon echter al veel eerder, en laten we beginnen bij het begin. Jeanette, geboren op 10 oktober 1951 in Engeland, verhuisde kort daarna met haar ouders naar de Verenigde Staten en vestigde zich op haar twaalfde definitief in Barcelona.

Ze is de dochter van een Belgisch-Congolese vader en een Spaanse moeder.

Op haar zestiende was ze al lid van de folkgroep Pic-Nic, waarmee ze in een mum van tijd beroemd werd.

In 1967 scoorde de groep een nummer één-hit in Spanje met de single ‘Cállate Niña’, een nummer dat ze zelf schreef samen met Rafael Turia.

Na de singles ‘Amanecer’ en ‘No digas nada’, die redelijk succesvol waren in Spanje, besloot de groep ermee te stoppen en maakte Jeanette een wereldreis.

In 1968 leerde ze op 17-jarige leeftijd Laszlo Kristof kennen in Barcelona.

Ze ontmoetten elkaar in een bar van Zoltán Czibor, de legendarische Hongaarse voetballer van FC Barcelona.

Omdat deze bar toevallig vlak naast het huis van Jeanette lag, kwam ze daar regelmatig.

Het was liefde op het eerste gezicht: amper zes maanden later waren ze al verloofd en in februari 1970 stapten ze in het huwelijksbootje.

Jeanette trouwde zo op 18-jarige leeftijd met de Hongaarse muzikant en voetballer.

Het jonge koppel vertrok naar Wenen om een rustig gezinsleven te leiden, en al vlug kwam dochter Blythe ter wereld.

Na een goed jaar in Wenen smeekte haar platenlabel haar in 1971 om terug te keren naar Spanje.

Dat luidde de start in van haar solocarrière: haar debuutsingle ‘Soy rebelde’ werd meteen een monsterhit.

De Spaanse componist en zanger José Luis Perales schreef in 1974 voor haar het nummer ‘Porque Te Vas’.

De single deed het goed in haar thuisland, maar bleef aanvankelijk onbekend in de rest van de wereld. Perales scoorde een jaar later overigens zelf een wereldhit met ‘Y Tú, Te Vas’.

De grote internationale doorbraak voor Jeanette volgde in 1976 dankzij regisseur Carlos Saura, die haar melodietje koos voor de soundtrack van zijn film ‘Cría cuervos’.

De prent sleepte prijzen in de wacht op het Filmfestival van Cannes, waardoor de soundtrack volop aandacht kreeg en ‘Porque Te Vas’ alsnog uitgroeide tot een internationale triomf.

Vreemd genoeg was het nummer in Vlaanderen en Nederland minder succesvol, terwijl het in Wallonië de zesde plaats in de hitparade bereikte.

Jeanette en Laszlo bleven na al die bewogen jaren meer dan een halve eeuw onafscheidelijk samen, tot aan zijn overlijden in augustus 2022.

De nu 74-jarige zangeres weigert te horen van stoppen of met pensioen gaan. Ze viert haar indrukwekkende carrière met een grote ’50 Aniversario’-jubileumtournee.

Ze reist hiermee langs grote theaters en concertzalen in Spanje en Latijns-Amerika.

De tournee werd oorspronkelijk aangekondigd en gestart rond 2021–2022 ter gelegenheid van precies 50 jaar ‘Soy rebelde’.

Vanwege de aanhoudende belangstelling en uitbreidingen naar Latijns-Amerika heeft haar management de naam behouden.

Op haar officiële website en posters wordt het project nu breder gepresenteerd als ’50 años de carrera musical’ of ‘Gira 50 Aniversario’.

Haar laatste echte studioalbum ‘Loca por la música’ dateert al van 1989. Jeanette heeft in interviews aangegeven dat ze de focus volledig legt op het live overbrengen van haar rijke muzikale erfenis.

In plaats van nieuwe muziek verschijnen er wel geregeld geremasterde verzamelalbums of zingt ze incidenteel live duetten met andere artiesten.

Haar concerten draaien dan ook puur om nostalgie en het vieren van de hits die haar wereldberoemd maakten.

Precies veertig jaar geleden, op 12 september 1986, ging een wel heel bijzondere productie in première in Epcot: de 3D-sciencefictionfilm Captain EO.

Wat deze attractie in Walt Disney World zo uniek maakte, was het ongekende droomteam achter de schermen.

Niemand minder dan Michael Jackson speelde de hoofdrol, terwijl Francis Ford Coppola de regie op zich nam en George Lucas tekende voor de productie.

Met baanbrekende effecten, opzwepende muziek en Jackson op de toppen van zijn kunnen werd het meteen een cultfavoriet onder pretpark- en muziekliefhebbers.

Rondom de productie en de vertoningen ontstonden tal van opmerkelijke weetjes.

Met een speelduur van amper zeventien minuten en een geschat budget tussen de 17 en 23 miljoen dollar gold Captain EO destijds als de duurste film per minuut ooit gemaakt.

Het project bracht twee speciaal geschreven Jackson-nummers voort: Another Part of Me, dat later op zijn succesalbum Bad belandde, en We Are Here to Change the World.

De naam EO werd bedacht door George Lucas en verwijst naar Eos, de Griekse godin van de dageraad.

Bovendien was het een van de allereerste echte 4D-ervaringen, waarbij synchroon met de beelden echte lasers, rook en hydraulische effecten in de zaal werden geactiveerd.

De belangstelling voor de sciencefictionmusical was gigantisch. Vanaf het openingsweekend stroomden tienduizenden fans toe; in Disneyland bleef het park tijdens de openingsdagen zelfs zestig uur onafgebroken open om de enorme menigten aan te kunnen.

Uit bevragingen bleek dat meer dan negentig procent van de bezoekers speciaal voor de film naar het park kwam.

Gedurende de oorspronkelijke vertoningen tussen 1986 en eind jaren negentig passeerden vele tientallen miljoenen bezoekers de speciaal ontworpen zalen in Florida, Californië, Tokio en Parijs.

Wij in Europa moesten overigens nog enkele jaren geduld hebben, want de première in Disneyland Parijs vond pas plaats op 12 april 1992, tegelijk met de feestelijke opening van het resort.

Na het overlijden van Michael Jackson in 2009 keerde de film in 2010 nog eens tijdelijk terug naar de verschillende Disney-parken wereldwijd als een bijzonder eerbetoon.

Five Star, het Britse antwoord op de Jacksons

Deze Britse popsensatie bestond uit vijf talentvolle broers en zussen en werd opgericht door hun vader, Buster Pearson, die zelf ooit nog muzikant was bij Wilson Pickett.

Buster trad niet alleen op als hun manager, maar bracht hun muziek ook uit via zijn eigen onafhankelijke platenlabel, Tent Records.

Al snel werd de groep gezien als het Britse antwoord op The Jacksons, en de successen lieten niet lang op zich wachten.

In 1986 beleefden ze hun grote doorbraak met een indrukwekkende reeks top 10-singles, waaronder ‘System Addict’, ‘Can’t Wait Another Minute’, ‘Find the Time’ en het door Denise geschreven ‘Rain or Shine’.

De zegetocht zette vlot door in 1987 met de release van het album Between the Lines, dat hits bevatte zoals ‘Stay Out’, ‘My Life’ en ‘The Slightest Touch’.

Als kers op de taart mochten ze datzelfde jaar een prestigieuze BRIT Award in ontvangst nemen voor beste Britse groep.

Met de roem kwam ook de onvermijdelijke aandacht van de roddelpers, die smulde van het privéleven van de familie Pearson.

Vooral de verrassende verloving van zangeres Lorraine met niemand minder dan filmster Eddie Murphy in 1988 haalde breed de voorpagina’s.

Tot een huwelijk tussen de twee zou het uiteindelijk echter nooit komen.