De winter van 1963, toen men het leger moesten inschakelen om kolen te vervoeren naar het Luikse industriebekken.

Over de drie wintermaanden december, 1962 en januari en februari, 1963 was er een gemiddelde temperatuur van -3,1 graden (+2,6 graden is normaal).

Op veel plaatsen vroor het bijna drie maanden achtereen elke dag.

Tijdens de jaarwisseling waren er zware sneeuwstormen en in het hele land raken dorpen geïsoleerd en veel noord-zuid verbindingen worden bedolven onder dikke lagen stuifsneeuw tot duinen van 2 tot 3 meter hoogte.

Januari 1963 was met gemiddeld -5,3 graden uitzonderlijk koud.

Met -3,4 graden was ook februari zeer koud.

Daarna volgden dagen waarop het ’s ochtends 10 tot 20 graden vroor.

De pers schreef toen het volgende over de hulp van het leger:

Misschien is het voor het eerst in de geschiedenis van ons land dat iedereen zonder uitzondering een goed woord heeft gehad voor het leger.

Omdat het een van de zeldzame keren geweest is dat het leger zijn ervaring en kunde ter beschikking van de burgerbevolking stelde.

Radiojeeps van het 62e Artillerie werden ingezet om konvooien met steenkool veilig naar hun bestemming te gidsen.

Bij de eigenlijke verdeling van de steenkool werden tot nu toe geen militaire vrachtwagens gebruikt, omdat de autoriteiten de toestand „nog niet ernstig genoeg” vonden.

We hopen van harte dat die toestand nooit zó erg wordt. We vonden het nu al welletjes! (Diverse bronnen en Panorama 19 februari 1963)

50 jaar geleden, te gast bij de sekte van het insect.

De kern van de Insektensekte werd gevormd door tandarts/kunstenaar Max Reneman, musicus Hub Mathijsen en kunstenaar Theo Kley, met Cor Jaring als ‘huisfotograaf’.

Zij vonden elkaar in dat ‘magisch centrum’ Amsterdam, waar zij allerlei ludieke, gekke en vaak ook onuitvoerbare projecten bedachten.

In 1968 vormden Kley, Reneman en Mathijsen al het ‘Exoties Kietsj Konservaatoriejum’: een theatraal muzikaal gezelschap dat voortdurend van samenstelling wisselde (iedereen die zelf zijn instrument maakte en bespeelde was welkom).

De groep maakte zich zorgen over de manier waarop met het milieu werd omgegaan.

De milieubeweging kreeg in de jaren 1960 een belangrijke impuls met het verschijnen een boek als Silent Spring van Rachel Carson, waarin de auteur de alarmklok luidde over het gebruik van pesticiden, die ze omschreef als ‘de regen van dood’.

Als reactie op vervuiling en verspilling recycleden de leden onder meer fietsen die ze op de schroothoop vonden.

In februari 1969 werd op de Waddenzee illegaal stookolie geloosd, waarbij veel vogels onder de olie kwamen te zitten.

Als reactie op deze ramp richtten Kley, Mathijsen en Reneman de Insektensekte op, een van de eerste milieubewegingen van Nederland.

Vanaf dat moment sloeg de Insektensekte alarm bij natuurrampen door een vlag met daarop een gouden vlinder halfstok uit het raam te hangen.

De groep had een flink aantal ‘gouden’ vlinders gevonden op de Albert Cuypmarkt.

Vanaf dat moment fungeerde die vlinder als symbool van de Insektensekte.

Ook John Lennon & Yoko Ono kregen een exemplaar tijdens hun beroemde bed-in in het Hilton Hotel in 1969, waar het Exotisch Kietsj Konservaatoriejum hun toezong.

Lennon en Ono werden daarbij tot erelid van de Insektensekte benoemd.

Het Eksooties Kietsj Konservaatoriejum speelde niet alleen in het Hilton voor John & Yoko maar bijvoorbeeld ook bij de opening van de IJtunnel in 1968 en tijdens de tentoonstelling van Daniel Spoerri in het Stedelijk Museum in 1971.

Hub Mathijsen speelde daarbij op de zogenaamde violofoon (een viool zonder de houten klankkast, waarbij het geluid wordt versterkt door een hoorn).

De Insektensekte voerde ook regelmatig performances op die te maken hadden met milieuvervuiling.

Zo werd onder muzikale leiding van Hub Mathijsen in 1969 de ‘Vlinderopera’ opgevoerd, waarin onder andere het lied ‘Moeder waar zijn de vlinders gebleven’ wordt gezongen.

Naast het Exoties Kietsj Konservaatoriejum en de Insektensekte waren Kley, Reneman en Mathijsen in 1970 de oprichters van het ‘Deskundologisch Laboratorium’, samen met onder andere Robert Jasper Grootveld, waarin hun activiteiten samen kwamen.

Het laboratorium maakte studie van het doodgewone: ‘Als je je onderzoek uitsluitend op de problemen richt, zie je de dingen die als een paal boven water staan over het hoofd. Deskundologen spreken in heldere taal over simpele zaken.

Deskundologie is dat wat iedereen met zijn klompen aan kan voelen, en dat niemand boven de pet gaat.’

Het Deskundologisch Laboratorium kende diverse afdelingen, waaronder ‘Milieuverveling’, ‘Sonologie’ en ‘Immuun Blauw’ bijvoorbeeld.

De deskundologie was een ambulante wetenschap, en op hun tochten kleurden de deskundologen zichzelf en de omgeving vaak met het ‘Immuun blauw’, een vrolijke variant op het zakje blauw, destijds de witmaker van wasgoed.

De groep had geen vastomlijnd programma, eigenlijk werd er niets van tevoren afgesproken. Of, zoals Theo Kley mij vertelde, ‘iedereen deed maar wat’.

Ze troffen elkaar in de stad en bedachten dan ter plekke een plan. Of ze gingen er samen op uit met een auto vol attributen en schmink.

Hun doel was wel degelijk serieus, maar de middelen moesten speels zijn, en vooral niet burgerlijk.’Het ging ons om de verwondering’, aldus Kley. (Suzanna Héman, De Post 2 mei 1971 en diverse bronnen)