Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Jo Elizabeth Stafford werd in 1917 geboren in Coalinga, Californië, en groeide uit tot een van de meest succesvolle Amerikaanse zangeressen van de twintigste eeuw.
Oorspronkelijk droomde ze van een carrière als operazangeres en volgde ze een klassieke zangopleiding en pianostudie.
De Grote Depressie gooide in 1929 echter roet in het eten, waardoor ze tijdens deze crisissituatie in de jaren dertig de overstap maakte naar de lichte muziek.
Ze begon haar loopbaan samen met haar zussen Christine en Pauline in de zanggroep The Stafford Sisters.
Met deze formatie werkten ze onder meer mee aan de filmmuziek voor ‘A Damsel in Distress’ en ‘Alexander’s Ragtime Band’ uit 1938.
Nadat haar zussen trouwden, viel de band uiteen en sloot Jo zich aan bij de vocalgroep The Pied Pipers.
Met deze formatie zong ze bij het beroemde orkest van Tommy Dorsey, waar ze regelmatig duetten bracht met een jonge Frank Sinatra en de achtergrondzang voor hem verzorgde.
In 1944 besloot ze op eigen benen te staan, verliet ze de band en tekende ze een contract bij Capitol Records.
Haar doorbraak als soliste viel samen met de Tweede Wereldoorlog.
Vanwege haar vele optredens voor de legerradio was ze enorm geliefd bij de Amerikaanse troepen overzee, wat haar liefdevol de bijnaam G.I. Jo opleverde.
Haar warme, loepzuivere stem en haar feilloze timing leverden haar in de jaren veertig en vijftig een lange reeks hits op, waaronder ‘Embraceable You’, ‘It Could Happen to You’, ‘The Night We Called It a Day’, ‘Long Ago and Far Away’ en ‘No Other Love’.
Haar allergrootste succes behaalde ze in 1952 met de klassieker ‘You Belong to Me’, een nummer dat wereldwijd de hitlijsten aanvoerde.
Daarmee schreef ze geschiedenis als de allereerste vrouwelijke soloartiest die de nummer 1-positie bereikte in de Britse hitparade.
In Vlaanderen en Nederland staat ze echter vooral in het geheugen gegrift met het nummer ‘Thank You for Calling’.
Ook op humoristisch vlak boekte ze succes: in 1961 won Stafford een Grammy voor het beste komische album voor de cd Jonathan and Darlene Edwards in Paris.
Hierop zong ze samen met haar echtgenoot Paul Weston opzettelijk en met veel plezier vals.
Een opvallend weetje is dat het echtpaar jarenlang de identiteit van het duo geheimhield voor het publiek, wat de parodie nog mysterieuzer en populairder maakte.
Bovendien stonden collega-muzikanten en dirigenten versteld van haar stembeheersing: omdat ze een perfect gehoor had en een absolute meester in intonatie was, vond ze het extreem lastig om opzettelijk nét een fractie naast de toon te zingen voor haar typetje Darlene.
Een ander bijzonder feit is haar betekenis voor de technologie in de muziekindustrie.
Stafford was een van de allereerste artiesten die experimenteerde met meersporenopnamen (overdubbing), waarbij ze op haar eigen solo-opnamen haar eigen achtergrondkoor inzong.
Ook zong ze in verschillende talen om haar internationale fans te bedienen en schuwde ze genres zoals country en gospel niet, wat haar een van de meest veelzijdige vocalisten van haar generatie maakte.
Halverwege de jaren zeventig besloot Stafford een punt te zetten achter haar carrière om meer tijd door te brengen met haar gezin.
Ze liet een indrukwekkend muzikaal oeuvre achter dat nog altijd wordt geprezen om de technische perfectie en de emotionele warmte.
Jo Stafford overleed op 16 juli 2008 op negentigjarige leeftijd aan de gevolgen van hartfalen in haar woonplaats Century City, Los Angeles.
Harry Haag James was een van de invloedrijkste en meest virtuoze trompettisten uit het swing- en bigbandtijdperk.
Dit jaar is het precies 110 jaar geleden dat hij werd geboren. Opgegroeid in het circus als zoon van een kapelmeester en een trapeze-artieste, stond hij als kind al op het podium.
Bij reizende gezelschappen zoals het Mighty Haag Circus en het Christy Brothers Circus begon zijn carrière op een heel bijzondere manier: als vierjarige werkte hij er als slangenmens onder de artiestennaam ‘the Human Eel’ (de Menselijke Aal), en als zevenjarige viel hij al in als drummer van de circusband.
Toen hij door een medische ingreep moest stoppen met acrobatiek, leerde hij onder de uiterst strenge leiding van zijn vader trompet spelen.
Dat bleek zijn ware roeping.
Op twaalfjarige leeftijd leidde hij in het circus al de tweede band van de show.
Dit zware circusleven gaf hem niet alleen een ijzersterke longinhoud en een feilloze techniek op de trompet, maar vormde ook de basis voor zijn unieke podiumuitstraling.
James speelde niet zomaar muziek; hij wist hoe hij een zaal moest inpalmen.
Met zijn rijke, uitgesproken vibrato, explosieve hoge noten en een doordringende, warme toon trok hij direct alle aandacht naar zich toe.
Hij combineerde een weergaloze virtuositeit met flair, dramatische dynamiek en een glamoureuze podiumaanwezigheid die het publiek betoverde.
Zijn stijl was niet ingetogen of schroomvallig, maar groots, meeslepend en gemaakt voor het vermaak van massa’s.
Zijn echte doorbraak kwam in 1936, toen hij toetrad tot het beroemde orkest van Benny Goodman.
Met zijn krachtige geluid en podiumuitstraling werd hij al snel een van de absolute blikvangers van het swingtijdperk.
In datzelfde jaar trouwde hij met de jazzzangeres Louise Tobin. Het huwelijk eindigde in 1943
In 1939 besloot James voor zichzelf te beginnen en richtte hij zijn eigen bigband op.
Dat bleek een gouden greep, want in datzelfde jaar ontdekte hij een nog onbekende 23-jarige zanger genaamd Frank Sinatra.
Samen namen ze nummers op als ‘All or Nothing at All’, wat een paar jaar later uitgroeide tot een gigantische hit.
Hoewel hij de swing toen niet volledig achter zich liet, werd zijn stijl geleidelijk commerciëler.
Virtuoze hoogstandjes als ‘Ciribiribin’ en ‘The Flight Of The Bumble Bee’ hielden hem nog een hele poos populair, en zijn technische vaardigheid dwong steevast respect af.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde Harry James zijn absolute commerciële hoogtepunt.
Met romantische en meeslepende krakers als ‘You Made Me Love You’ en ‘Sleepy Lagoon’ groeide zijn orkest uit tot de populairste band van Amerika.
Zijn status als superster werd nog verder versterkt door zijn privéleven en glamour.
In 1943 trouwde hij met Hollywood-icoon en pin-up Betty Grable, waarmee ze een van de beroemdste celebritykoppels van hun tijd vormden.
Ze hadden elkaar ontmoet tijdens de opnames van de muzikale film ‘Springtime in the Rockies’ (1942).
Het paar was een absolute publieksfavoriet en een geliefd onderwerp in de roddelbladen.
Onder de Amerikaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond zelfs de bekende slogan: “I want a girl just like the girl that married Harry James”.
Samen kregen ze twee dochters, Victoria en Jessica.
Het huwelijk bleef uiteindelijk 22 jaar duren, maar was verre van een sprookje achter de schermen.
Het stel deelde grote passies buiten de muziek en film om; zo waren ze allebei verknocht aan paardenraces.
Ze bezaten hun eigen ranch in Calabasas en een stal met succesvolle volbloedracepaarden die diverse grote races wonnen.
Achter de schermen kampten ze echter allebei met overmatig alcoholgebruik, gokverslavingen en wederzijdse ontrouw.
In 1965 kwam er definitief een einde aan hun huwelijk met een echtscheiding, al bleven ze tot Betty’s overlijden in 1973 op vriendschappelijke voet met elkaar omgaan.
Twee jaar na zijn scheiding van Betty Grable stapte James op 27 december 1967 in Reno opnieuw in het huwelijksbootje.
Zijn derde vrouw was de 27-jarige Joan Boyd, een voormalige showgirl uit het bruisende nachtleven van Las Vegas, waar James in die tijd een graag geziene performer was.
Het leeftijdsverschil van maar liefst 24 jaar (James was destijds 51) en de opvallende verschijning van zijn minirok dragende bruid trokken veel aandacht in de pers.
Samen kregen ze één kind (een zoon, Michael), wat het totale aantal kinderen van James op vijf bracht.
Dit derde huwelijk bleek echter van zeer korte duur en hield geen stand: na ruim twee jaar vroeg Joan in maart 1970 de echtscheiding aan op grond van onoverkoombare verschillen.
Na de breuk met Joan Boyd bleef James ongehuwd tot aan zijn overlijden.
James was regelmatig te zien in muzikale Hollywoodfilms en vulde moeiteloos de grootste zalen.
Toch brokkelde zijn enorme populariteit na de oorlog langzaam af.
In de jaren vóór augustus 1961 was hij wat naar de achtergrond geraakt en dreigde hij te worden gezien als een van de vele ‘vergeten mannen van de jazz’.
Als kostwinner maakte hij zich daar waarschijnlijk geen zorgen om, want financieel zat hij er warmpjes bij.
Maar als gedreven musicus kon hij de tijd niet vergeten waarin hij zalen vol publiek in vervoering bracht met zijn feilloos swingende blaaswerk, met name in de tweede helft van de jaren dertig.
James besefte dit terdege en wilde zich er niet bij neerleggen.
Hij greep in en stapte over naar de nieuwe platenfirma MGM.
Met zijn album ‘Harry James And His New Swingin’ Band’, uitgebracht in 1959 en bij ons verkrijgbaar in 1960, liet hij zien dat hij zijn muzikale koers grondig verlegde.
Het album werd destijds door velen zelfs beschouwd als een van de beste bigband-albums van die periode.
Zijn ‘New Swingin’ Band’ zat ontegenzeggelijk sterk in elkaar. Alle elf nummers lieten de kwaliteit van het album horen: ‘Shiny Stockings’, ‘How Deep Is The Ocean’, ‘Slats’, ‘Blues Like’, ‘Cotton Tail’, ‘To Close For Comfort’, ‘Kingsize Blues’, ‘M-Squad Theme’, ‘Deep Purple’, ‘Walkin” en ‘Get Off The Stand’.
Het was pure swing, nauw verwant aan de stijl van Count Basie.
Het nummer ‘Get Off The Stand’ verdiende speciale aandacht. Ernie Wilkins, de vaste arrangeur van de band, schreef dit stuk op uitdrukkelijk verzoek van James.
Het begon met het voltallige orkest, waarna diverse solisten en secties achtereenvolgens werden gelanceerd om vervolgens stil te vallen, waarna uiteindelijk alleen de ritmesectie overbleef om het nummer af te sluiten.
Met deze indrukwekkende eerste MGM-langspeler liet Harry James zien dat zijn nieuwe band ruimschoots in staat was om hem definitief te bevrijden van het etiket ‘vergeten man van de jazz’.
Ook de opvolger ‘Harry James… Het album ‘Today!’ uit 1961 was meer dan goed.
Critici en pers merkten op dat Harry James met dit album de strijksectie en vocalisten achterwege liet om een rauwere, modernere bigband-sound neer te zetten.
De arrangementen (onder andere van Ernie Wilkins en Neal Hefti) leunden zwaar op de stuwende, bluesy swingstijl van Count Basie.
Recensenten benadrukken dat hij in deze periode zijn eerdere commerciële ‘schmaltz’ inruilde voor geloofwaardige en vlijmscherpe jazzsolo’s.
Zijn trompetspel was daarin krachtig en loepzuiver, wat onder meer te horen was op klassiekers als ‘Undecided’, ‘Satin Doll’, ‘King Porter Stomp’ en ‘Take the ‘A’ Train’.
Door over te schakelen op deze meer op jazz en strakke swing gerichte stijl bewees hij opnieuw zijn artistieke kracht en bleef hij tot kort voor zijn overlijden in 1983 vol passie optreden.
Toen bij James in 1983 kanker werd geconstateerd (maligne lymfoom), bleef hij doorspelen; zijn laatste concert gaf hij op 26 juni 1983, kort voor zijn overlijden.
In hetzelfde jaar werd hij opgenomen in de Georgia Music Hall of Fame.
Het orkest met de naam van Harry James is nog steeds actief en wordt geleid door de trompettist Fred Radke.
De inmiddels tachtigjarige trompettist staat al sinds 1989 onafgebroken aan het roer van deze legendarische bigband.
Hij nam destijds de leiding over na het overlijden van zijn mentor en oorspronkelijke bandleider Harry James in 1983.
Tijdens de optredens brengt het orkest nog altijd de originele arrangementen en de kenmerkende swing-sound uit het gouden bigband-tijdperk.
Radke neemt daarbij zelf de iconische trompetsolo’s van Harry James voor zijn rekening.
Ze treden nog regelmatig live op in theaters en concertzalen, voornamelijk binnen de Verenigde Staten.
In november 2026 keert Fred Radke bovendien terug als artist in residence bij het Hillsdale College in Michigan, een jaarlijkse traditie waarbij hij masterclasses geeft en concerten dirigeert.
Betty Holt werd geboren op 23 januari 1931 in Jacksonville, Florida. Ze groeide op in een gezin dat al snel door de filmwereld werd aangetrokken.
Nadat entertainer Will Rogers de danskwaliteiten van haar oudere broer David had geprezen, besloot het gezin Holt de stap naar Californië te wagen.
Ze reisden in een oude auto met aanhanger vanuit Florida naar Hollywood, vastberaden om door te breken in de filmindustrie.
Al op vierjarige leeftijd werd Betty ontdekt door filmstudio Paramount Pictures, waar ze een langdurig contract kreeg aangeboden.
In de tweede helft van de jaren dertig verscheen ze in diverse studioproducties.
Zo maakte ze haar opwachting in films als ‘Without Regret’ uit 1935, ‘It Could Happen to You!’ uit 1937 en de korte film ‘Starlit Days at the Lido’.
Hoewel haar tijd in de schijnwerpers voornamelijk tot haar kinderjaren beperkt bleef, vormt haar werk een charmant onderdeel van de Hollywoodgeschiedenis uit het studio-tijdperk.
Betty Holt overleed op 10 mei 2008 op 77-jarige leeftijd in de Verenigde Staten.
Haar oudere broer David Jack Holt werd geboren op 14 augustus 1927 in Jacksonville, Florida.
Hij was het eerste gezinslid dat het maakte in Hollywood. Paramount Pictures schoof de jonge David begin jaren dertig naar voren en promootte hem als de mannelijke tegenhanger van Shirley Temple.
Hij speelde in talloze bekende klassiekers, waaronder ‘The Adventures of Tom Sawyer’ uit 1938, ‘Beau Geste’ uit 1939, ‘The Pride of the Yankees’ uit 1942 en ‘Courage of Lassie’ uit 1946.
Naarmate hij ouder werd, en minder aan de bak kwam in Hollywood, liet hij het acteren rond zijn vijfentwintigste achter zich.
David bouwde later een succesvolle carrière op als jazzpianist, componist en werd algemeen directeur en mede-eigenaar van een muziekuitgeverij, Clorvel Music in Studio City, Californië.
Als songwriter werkte Holt onder meer samen met Johnny Mercer, Robert Wells, Sammy Cahn, Paul Francis Webster en Dok Stanford.
Tot zijn bekendste nummers behoren ‘What Every Girl Should Know’, ‘Anyone Can Fall in Love’ en het samen met Sammy Cahn geschreven ‘The Christmas Blues’.
Dat laatste nummer werd opgenomen door Dean Martin en gebruikt op de soundtrack van de film L.A. Confidential uit 1997.
Holt componeerde ook de muziek voor verschillende jazzalbums met Pete Jolly.
Hij overleed op 15 november 2003 op 76-jarige leeftijd.
Het jongere broertje Ricky Holt werd geboren op 6 mei 1938.
In de voetsporen van zijn broer en zus trad ook hij op jeugdige leeftijd toe tot de filmindustrie van de late jaren dertig en vroege jaren veertig.
Een van de meest opmerkelijke momenten uit zijn kindertijd was zijn figuratie in de epische filmklassieker ‘Gone with the Wind’ uit 1939.
Hij verscheen daarnaast in diverse kleinere filmrollen als kinderfigurant.
Ricky Holt overleed op 16 augustus 2015 op 77-jarige leeftijd.
De laatste grote van een heroïsch tijdperk was heengegaan. Mister Jazz was niet meer.
Het laatste wat Lucille Armstrong nog voor haar overleden echtgenoot had kunnen doen, was met veel liefde en toewijding de kraakwitte zakdoek, die hij steeds had gebruikt om zijn zweet af te wissen, tussen zijn koude handen steken.
Duizenden mensen waren opgekomen om een groet te brengen aan Mister Jazz.
De uitvaart in de Corona-kerk van New Yorks Queenswijk werd bijgewoond door onder andere Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman, Peggy Lee en gouverneur Rockefeller van de staat New York.
Er had nog één korte Europese tournee op zijn najaarsprogramma gestaan met een vijftal concerten, waarvan één te Brussel.
Want nadat hij enkele weken daarvoor uit de kliniek was gekomen, was het zijn enige droom geweest ooit nog eens in Europa te spelen.
Gisteren nog vandaag
Dat was het Europa waar hij steeds zo uitbundig was ontvangen en waar men hem op de handen had gedragen.
Hij was daar in 1932 na een eerste concertreis vandaan gekomen met de vreugdekreet dat men daar niet eens zag wie hij was.
Hij overleed eenenzeventig jaar en twee dagen na zijn geboorte in New Orleans. Amerika had zijn beste ambassadeur verloren, en de veertigers van de hele wereld ervoeren dit afsterven als een persoonlijk verlies.
Weer had een van de idolen uit hun jeugd het bijltje erbij neergelegd.
Maar de muziek van Satchmo was onsterfelijk. Hij was niet alleen de King of Jazz geweest, hij was de jazz zelf.
Hij vertegenwoordigde, de laatste tijd bijna helemaal alleen, het beste in de jazz: opgewekte levensvreugde
Louis Armstrong, de legendarische jazztrompettist uit New Orleans, hield zijn hele leven vast aan de overtuiging dat hij op 4 juli 1900 ter wereld kwam.
Hoewel hij publiekelijk vaak beweerde zijn exacte geboortedag niet te kennen, koos hij symbolisch voor de Amerikaanse onafhankelijkheidsdag om het leven te vieren.
Op officiële documenten varieerde het jaartal soms naar 1901, maar de werkelijke datum bleef decennialang een mysterie.
Pas in 1988 ontdekte muziekhistoricus Tad Jones de waarheid in de dooparchieven van de Rooms-katholieke kerk; Armstrong bleek op 4 augustus 1901 te zijn geboren.
Deze datum wordt inmiddels door kenners wereldwijd als de enige juiste geaccepteerd.
Zijn begin was allesbehalve koninklijk. Geboren in extreme armoede in New Orleans, groeide Louis op in een rauwe wereld van hoerenkasten, straatorkesten en rivierboten.
Op zijn twaalfde belandde hij in een opvoedingsgesticht voor gekleurde jongeren, nadat hij tijdens Oud en Nieuw met een pistool in de lucht had geschoten.
Het was daar dat hij zijn eerste cornet kreeg, een moment dat de koers van de muziekgeschiedenis zou veranderen.
Wat volgde was een van de meest legendarische carrières ooit.
Hij ontwikkelde zijn talent bij grootheden als King Oliver, Fletcher Henderson en Earl Hines, om later zijn eigen iconische groepen, de Hot Five en Hot Seven, te vormen.
Hij scoorde wereldhits die generaties overstijgen, zoals What a Wonderful World, Hello, Dolly! en Mack the Knife.
Zelfs toen moderne stromingen zoals jazzrock en free jazz opkwamen, bleef Armstrong trouw aan zijn eigen stijl: melodieus, swingend en vol gevoel.
Achter de eeuwige glimlach en de bijnaam Satchmo zat een man die veel had getrotseerd, van racisme en uitbuiting tot ernstige ziekte.
Toch koos hij nooit voor bitterheid. Hij hanteerde een eenvoudige filosofie: er zijn twee soorten muziek, goede en slechte, en hij speelde simpelweg de goede.
Hij stond ook bekend om zijn opvallende persoonlijke gewoontes; zo droeg hij altijd een zakje met een sterrenbeeldmedaillon bij zich en was hij een vurig pleitbezorger van specifieke dieetvoorschriften en laxeermiddelen, die hij enthousiast uitdeelde aan vrienden.
Zijn onverwoestbare werkethiek bleef hem bij tot het einde. In maart 1971 gaf hij, tegen het dringende advies van zijn artsen in, nog een reeks optredens in de Waldorf-Astoria Empire Room.
Dit eiste een zware tol, want direct daarna werd hij opgenomen met een hartaanval.
Hoewel hij in mei het ziekenhuis mocht verlaten en direct weer naar zijn trompet greep, was zijn hart verzwakt.
Hij overleed uiteindelijk in zijn slaap op 6 juli 1971, slechts een maand voor zijn zeventigste verjaardag.
De uitvaart in de Corona-kerk in Queens weerspiegelde zijn enorme status en werd bijgewoond door grootheden als Ella Fitzgerald, Dizzy Gillespie, Benny Goodman en Peggy Lee, evenals gouverneur Rockefeller.
De woorden van zijn tijdgenoten vormen zijn definitieve eerbetoon.
Bing Crosby noemde hem onvervangbaar, Miles Davis stelde dat elke blazer in zijn schaduw stond, en Duke Ellington vatte het treffend samen: hij werd arm geboren, stierf rijk en heeft in de tussentijd niemand benadeeld.
Louis Armstrong vond zijn laatste rustplaats op de Flushing Cemetery in Queens, New York.
De zanger had destijds met Georgia On My Mind een enorme hit te pakken, een nummer dat decennia eerder door Hoagy Carmichael was geschreven en al successen had gekend in de uitvoeringen van Louis Armstrong en Nat Gonella.
Hoewel veel Europese liefhebbers destijds nog niet de kans hadden gehad om hem live te zien, spraken Amerikaanse critici vol lof over zijn veelzijdige talenten.
De toen bekende jazzcriticus, Francis Newton vergeleek in het tijdschrift New Statesman het luisteren naar zijn platen met het kijken naar een tijger in een dierentuin; je zag de vorm, maar de ware kracht werd pas duidelijk tijdens een optreden.
Zijn concerten werden omschreven als bijna religieuze bijeenkomsten.
De sfeer raakte geladen met elektriciteit zodra hij achter zijn piano plaatsnam en zijn liedjes met een intense, bezielde stem de zaal in stuurde, terwijl het publiek ritmisch meewiegde.
Voor dergelijke optredens ontving hij destijds duizend dollar per voorstelling, een bedrag dat omgerekend naar de huidige waarde in 2026 neerkomt op ongeveer 11.000 dollar.
In 1961 was dit een uitzonderlijk hoog inkomen voor één avond, aangezien een gemiddeld gezin toen nog geen zesduizend dollar per jaar verdiende.
De single Georgia On My Mind was de voorbode van het album The Genius Hits The Road, waarvoor Sid Feller opnieuw als producer optrad.
Feller was een trompettist, orkestleider en arrangeur wiens dertigjarige samenwerking met Ray Charles weelderig gearrangeerde hits voortbracht zoals ‘I Can’t Stop Loving You’.
Als hoofdarrangeur voor Capitol Records en later ABC Records werkte Feller ook samen met grootheden als Peggy Lee, Mel Torme, Paul Anka, Steve Lawrence en Eydie Gormé
De arrangementen voor dit specifieke album werden echter verzorgd door Ralph Burns, een klassiek geschoolde musicus die aan het New England Conservatory of Music had gestudeerd.
Burns was bijna vijftien jaar lang een drijvende kracht achter het orkest van Woody Herman, de Amerikaanse jazzklarinettist en bigbandleider die zijn loopbaan al tijdens zijn middelbare schooltijd in Milwaukee was begonnen.
Na omzwervingen bij orkesten van onder meer Tom Gerun, Harry Sosnik en Isham Jones, richtte Herman in 1936 zijn eigen legendarische formatie op, waar hij tot het einde van zijn leven trouw aan bleef.
Ralph Burns zou later in zijn carrière, in 1972, een Academy Award winnen voor Cabaret en muziek arrangeren voor films als Lenny, New York, New York en All That Jazz.
Op het album The Genius Hits The Road reisden we door Amerika en kwamen we onder meer terecht in Alabamy Bound, Georgia On My Mind, Basin Street Blues, Mississippi Mud, Moonlight In Vermont, New York’s My Home, California, Here I Come, Moon over Miami, Deep In The Heart Of Texas, Carry Me Back To Old Virginny, Blue Hawaii en Chattanooga Choo-Choo.
Alleen in Virginny ontmoette hij op deze reis zijn Raelettes.
Deze groep, in 1958 voortgekomen uit The Cookies, bestond rond die tijd uit Gwen Berry, Margie Hendricks, Pat Lyles en Darlene McCrea.
Vooral de krachtige stem van Margie Hendricks gaf nummers als Hit the Road Jack hun onvergetelijke karakter.
Hoewel er binnen de muziekindustrie destijds veel werd gefluisterd over de persoonlijke verhoudingen tussen Charles en zijn zangeressen, was hun muzikale invloed onomstreden.
De Raelettes traden niet alleen op als ondersteuning; ze brachten later ook eigen werk en albums uit, zoals Yesterday… Today… Tomorrow uit 1972, en bleven in wisselende bezettingen tot aan zijn overlijden in 2004 met hem verbonden.
Ondanks dat het album uit 1961 een verzameling popnummers was, bewees Charles hiermee dat hij zelfs van eenvoudige liedjes zoals Deep In The Heart Of Texas iets muzikaals interessants kon maken.
Dit album is dan ook een aanrader voor mensen die graag luisteren naar bigbandmuziek en lichte jazz en is vandaag de dag nog steeds eenvoudig te beluisteren via diensten als Spotify en YouTube.
De in Chicago geboren Melvin Howard Tormé Tormé was de zoon van Russisch-Joodse immigranten die oorspronkelijk de achternaam Torma droegen.
Al op vierjarige leeftijd begon hij zijn carrière en als achtjarig jongetje debuteerde hij reeds in diverse radioseries.
Zijn muzikale ontwikkeling ging razendsnel.
Op zijn dertiende schreef hij zijn eerste nummer en drie jaar later werd zijn compositie Lament to Love al uitgebracht.
Als tiener was hij van alle markten thuis: hij zong, arrangeerde en was een begenadigde drummer.
Dat drumtalent bleef niet onopgemerkt, want hij speelde zelfs in de band van Chico Marx, een van de beroemde Marx Brothers.
Terwijl hij zijn carrière in de showbusiness uitbouwde, voltooide hij ook zijn schoolopleiding en studeerde in 1944 af aan de Hyde Park High School in Chicago.
Op dat moment had hij zijn filmdebuut al gemaakt in Higher and Higher (1943). Later volgden er nog musicals zoals Pardon My Rhythm, Let’s Go Steady en Words and Music.
In datzelfde jaar 1944 richtte hij de zanggroep The Mel-Tones op, waarmee hij de enorme hit What Is This Thing Called Love scoorde.
Zijn tienerfans gaven hem in die periode vanwege zijn specifieke stemgeluid de liefkozende bijnaam The Velvet Fog (De Fluwelen Mist).
Tormé schreef ook geschiedenis als componist.
Samen met Robert Wells pende hij de klassieker The Christmas Song neer, het nummer dat in de uitvoering van Nat King Cole uitgroeide tot een wereldwijde kersthit.
Televisiekijkers kennen hem wellicht ook van zijn werk achter en voor de schermen.
Begin jaren zestig verzorgde hij de muziek voor The Judy Garland Show, en later speelde hij gastrollen in bekende series als Night Court, Seinfeld en The Virginian.
De erkenning voor zijn talent bleef komen: in 1982 en 1983 won hij twee jaar op rij de Grammy voor beste jazzzanger.
Mel Tormé overleed op 5 juni 1999 in een ziekenhuis in Los Angeles aan de gevolgen van een hartaanval. Hij werd 73 jaar.
Het nummer ‘Cry Me A River’ werd in 1953 geschreven door Arthur Hamilton.
Hij schreef het oorspronkelijk voor een film van regisseur Jack Webb, de toenmalige echtgenoot van zangeres Julie London, die Hamilton nog kende van de middelbare school.
Het was de bedoeling dat Ella Fitzgerald het bluesy nummer zou zingen in de film Pete Kelly’s Blues, maar uiteindelijk werd het liedje uit de film geknipt.
Na haar scheiding van Webb leerde Julie London de jazzpianist Bobby Troup kennen, de componist achter de klassieker ‘Route 66’.
Hij werd haar tweede echtgenoot en overtuigde haar om een LP met jazzstandards op te nemen voor Liberty Records. ‘Cry Me A River’ was het enige nieuwe nummer op dit album, getiteld Julie Is Her Name.
Het werd als single uitgebracht en groeide uit tot de eerste grote hit voor het platenlabel, met een negende plaats in de Billboard-hitparade.
Julie London zong het nummer ook in de film The Girl Can’t Help It en bracht in 1960 een nieuwe versie uit.
Bobby Troup overleed in 1999 op 81-jarige leeftijd. Een jaar later, in oktober 2000, overleed Julie London op 74-jarige leeftijd.
De legendarische Amerikaanse jazztrompettist Miles Davis overlijdt op 28 september 1991 op 65-jarige leeftijd aan een beroerte én een longontsteking nadat bij hem eerder aids was vastgesteld.
Miles, in Illinois opgeroeid in een welgesteld gezin, trok op zijn 18de naar New York.
Hij speelde dan al samen met Charlie Parker. I.p.v. te studeren aan de befaamde Julliard School Of Music zocht hij steeds zijn helden Parker, Thelonious Monk en Dizzy Gillespie, met hij goed bevriend raakte, op.
De keerzijde was dat hij in de jazzclubs aan heroïne verslaafd raakte, iets wat hem zou blijven achtervolgen.
Davis speelde naast grootheden als Louis Armstrong, Duke Ellington en John Coltrane een cruciale rol in de geschiedenis van de jazz en was van belang in de ontwikkeling van cooljazz, bop en jazzrockfusion.
De “harmon mute” – een soort demper die hij gebruikte om een bepaald timbre te creëren – en zijn klank en speelstijl zou de rest van zijn carrière met hem geassocieerd worden.
De discografie van Miles Davis omvat 67 studio-, 57 live- en 58 compilatiealbums.
‘Kind Of Blue’ uit 1959 wordt algemeen beschouwd als zijn magnum opus, de beste jazzplaat uit de 20ste eeuw en het bestverkochte jazz-album tout court.
In Rolling Stone’s lijst van 500 beste albums bekleedt ‘Kind Of Blue’ de n°12.
Alleen al in de VS ging de lp vier miljoen keer over de toonbank.
De muzikanten, waaronder John Coltrane, werden zonder voorafgaande repetities en zonder enig idee van wat ze moesten spelen, naar de studio gehaald.
Eens daar kregen ze wat schetsen van melodieën en toonladders waarop werd geïmproviseerd.
Volgens een urban legend werd de lp in één keer opgenomen, maar dit klopt niet.
Eén van de tracks, ‘Blue In Green’, werd door o.a. Al Jarreau in 1992 in een gezongen versie opgenomen.
En in 1994 coverde onze eigen Toots Thielemans het nummer.
In 2006 kreeg Miles Davis een plaats in de Rock And Roll Hall Of Fame.
Charles improviseerde dit nummer toen hij in december 1958 bij een van zijn optredens de gehele setlist gespeeld had, maar nog zin had om verder te spelen.
Het nummer is dus geschreven door Ray Charles zelf en de productie was in handen van Jerry Wexler.
Het was voor Ray Charles zijn eerste top 10-hit in zijn thuisland Amerika.
Het werd in 2002 opgenomen in het National Recording Registry.
In een door het muziekblad Rolling Stone samengestelde lijst van de vijfhonderd beste liedjes stond What’d I Say op de tiende plek.
William Clarence Eckstein werd op 8 juli 1914 geboren in Pittsburgh, Pennsylvania, als zoon van een chauffeur en een naaister.
Het gezin verhuisde naar Washington, waar hij klusjes deed voor Ethel Waters in het Howard Theater.
Met het zakgeld dat hij zo verdiende, kon hij deelnemen aan een talentenjacht, die hij in 1932 won.
Hij verliet de school, sloot zich aan bij de Tommy Miles Band en leerde trompet spelen om zijn zang te ondersteunen.
Al vroeg in zijn carrière veranderde hij zijn achternaam in Eckstine, nadat een clubeigenaar de oorspronkelijke spelling ‘te joods’ vond.
Zijn talent bleef niet onopgemerkt, bandleider Earl Hines hoorde hem in de De Lizza Club en nam hem op in zijn band.
Met hen nam hij ‘Skylark’ op, een versie die beter verkocht dan die van Glenn Miller.
Samen met Hines componeerde hij ook de ‘Stormy Monday Blues’.
Dankzij zijn groeiende succes kon Eckstine zijn eigen club openen op 52nd Street in New York, maar die moest hij uiteindelijk sluiten vanwegete hoge onkosten.
Daarna ging hij op tournee met zijn eigen, historische band.
Samen met zijn muzikaal arrangeur John Birks ‘Dizzy’ Gillespie hielp hij de weg vrijmaken voor de bebop en de moderne jazz.
Deze band was een broedplaats voor talent en Eckstine was zo mede verantwoordelijk voor de doorbraak van vele grootheden, zoals Miles Davis, Charlie Parker, Dexter Gordon, Art Blakey en Sarah Vaughan.
In oktober 1945 scoorde hij met ‘A Cottage for Sale’ zijn eerste van in totaal 28 hits in de Amerikaanse Billboard hitparade.
In 1947 kreeg hij een platencontract bij het nieuw opgerichte MGM Records.
Nog datzelfde jaar had hij een hit met ‘Everything I Have is Yours’.
Tot zijn grote successen behoren verder opnamen als ‘Caravan’, ‘I Apologize’, ‘No One But You’ en ‘Gigi’.
Daarnaast componeerde hij zelf de bluesklassieker ‘Jelly, Jelly’.
Bekend om zijn rijke, bijna opera-achtige bas-baritonstem, zette Eckstine ook modetrends met zijn stijlvolle pakken, een imago dat hem gedurende zijn hele solocarrière van pas zou komen.
Zijn invloed reikte ook tot in Europa. Zo scoorde P.J. Proby in 1965 een hit met een cover van ‘I Apologize’ en zijn duet ‘Passing Strangers’ met Sarah Vaughan haalde tweemaal de Engelse hitlijst, in 1957 en 1969.
Zijn laatste album, ‘Billy Eckstine Sings with Benny Carter’, werd in 1986 genomineerd voor een Grammy Award.
Voor zijn bijdragen aan de muziek werd Eckstine ook onderscheiden met een ster op de Hollywood Walk of Fame.
Billy Eckstine overleed op 8 maart 1993 op 78-jarige leeftijd.
Een memorabel moment in haar carrière deelde ze met haar vader, Frank Sinatra.
Op 13 april 1967 bereikten Frank en Nancy Sinatra de eerste plaats in de Engelse hitlijsten met hun duet “Somethin’ Stupid”.
Dit is tot op heden de enige keer in de popgeschiedenis dat een vader en dochter samen een nummer 1-hit scoorden.
In Nederland behaalde “Somethin’ Stupid” de tweede plaats, evenals de Nederlandse cover van Willy en Willeke Alberti, getiteld “Dat Afgezaagde Zinnetje”.
Ook in Vlaanderen bereikte ze de tweede plaats in de Hitparade.
In 2001 werd het nummer opnieuw succesvol gecoverd door Robbie Williams en Nicole Kidman, die er de 9e plaats mee behaalden.
Naast dit duet, brak Nancy Sinatra echt internationaal door in 1966 met haar iconische nummer “These Boots Are Made for Walkin'”.
Het nummer en de videoclip, waarin ze laarzen draagt en danst, werden een cultureel fenomeen.
Ook buiten de muziek had ze succes; ze speelde in een aantal films, waaronder de bekendste “Speedway” (1968) met Elvis Presley.
Ze zong bovendien het thema voor de James Bond-film “You Only Live Twice” uit 1967, wat een van de herkenbaarste Bond-liedjes is geworden.
Na haar hoogtijdagen in de jaren 60 is Nancy Sinatra altijd muziek blijven maken.
In de Joepie van 16 april 1975, waren Engelbert Humperdinck en Tom Jones nog vrienden.
Er zijn verschillende geruchten en verklaringen over de oorzaak van hun vete.
Zo gaan er al lang geruchten dat Engelbert Humperdinck avances zou hebben gemaakt naar Charlotte Laws, die destijds, in 1979, een relatie had met Tom Jones.
Laws zelf heeft in interviews bevestigd dat Humperdinck inderdaad ongepaste acties heeft ondernomen in haar bijzijn.
Hoewel ze stelt dat de vete al voor dit incident bestond, kan het de relatie zeker geen goed hebben gedaan.
Tom Jones heeft in het verleden zeer onvriendelijke dingen over Engelbert Humperdinck gezegd in interviews, hem onder andere een “klootzak” noemend. Engelbert Humperdinck reageert over het algemeen milder in het openbaar, maar de vijandigheid lijkt wederzijds.
Engelbert Humperdinck heeft zelf in interviews gesuggereerd dat de werkelijke reden van hun breuk iets anders was dan wat in de media wordt gespeculeerd, maar hij wilde er niet in detail over uitweiden.
Ondanks dat Engelbert Humperdinck in het verleden heeft aangegeven de strijdbijl te willen begraven en zelfs zijn medeleven betuigde toen zijn vouw Linda Woodward van Tom Jones in 2016 overleed, is er zeker geen sprake van een hereniging.
Tom Jones heeft herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat hij geen interesse heeft in een vriendschap met Humperdinck.