Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De geruchten dat ze een travestiet zou zijn, probeerde ze in diezelfde periode te ontkrachten door te poseren voor Playboy, maar de speculaties stopten hiermee niet.
Zelfs vijftien jaar geleden, in 2011, laaide de controverse weer op toen een Italiaanse krant een geboorteakte publiceerde van een zekere Alain Tap, geboren in 1939.
Dit was veel vroeger dan de late jaren veertig die altijd als Lears geboorteperiode werden aangenomen, al hing er rond haar ware leeftijd sowieso altijd al een zweem van geheimzinnigheid.
De krant toonde bovendien een foto van een jonge Tap die sprekend op haar leek.
Lear zelf bleef er nuchter onder en vertelde tijdens een bezoek aan Brugge in 2009 dat ze net als iedereen in de showbizz altijd moet acteren.
Al die mysteries deden haar muzikale succes destijds in elk geval geen kwaad.
Samen met producer Anthony Monn groeide ze uit tot de blanke queen of disco.
Ze brak in 1978 wereldwijd door met het nummer ‘Follow me’, waarna de successen elkaar snel opvolgden.
Haar single ‘Queen of China-Town’ was oorspronkelijk al in 1977 uitgebracht, maar werd door haar immense populariteit in 1978 opnieuw uitgebracht.
Ook andere nummers zoals ‘Enigma (Give a bit of mmmh to me)’, ‘Gold’, ‘The Sphinx ‘en ‘Fashion Pack’ groeiden uit tot grote hits.
De groep werd aan het begin van de jaren zeventig opgericht in de wijk Toxteth in Liverpool.
Aanvankelijk traden de leden op onder namen zoals Sophisticated Soul Brothers.
De uiteindelijke bandnaam ontstond volgens de overlevering toen hun manager Tony Hall op Piccadilly Circus in Londen een levensgroot reclamebord van Coca-Cola zag staan met de bekende slagzin.
De vaste kern van de groep werd gevormd door de broers Chris en Eddie Amoo, aangevuld met Dave Smith en Ray Lake.
Na enkele jaren van bescheiden successen en optredens in de bekende tv-talentenshow Opportunity Knocks, kwam in 1976 de grote doorbraak.
Ze waren niet langer de jongens die David Essex vocaal bijstonden op zijn singles en tijdens zijn optredens, en ook het werk als jingle-inzingers lag definitief achter hen.
Iedereen kende hen plotseling dankzij de enorme zomerhit ‘You To Me Are Everything’.
Die doorbraak kwam er dankzij de single die in het voorjaar van 1976 via Pye Records werd uitgebracht.
Het nummer werd geschreven en geproduceerd door het koppel Ken Gold en Michael Denne.
De twee songschrijvers bedachten de meeslepende melodie en het pakkende refrein in minder dan een uur tijd, speciaal afgestemd op de warme tenorstem van leadzanger Chris Amoo.
De song steeg door naar de absolute top van de Britse hitparade, nadat er op het hoogtepunt maar liefst 30.000 exemplaren per dag van over de toonbank gingen.
In juli 1976, midden in de broeierige Britse zomer, klom de single naar de absolute eerste plaats van de Britse hitparade.
Het nummer bleef drie weken lang bovenaan de UK Singles Chart staan en zorgde voor een historisch moment: The Real Thing werd daarmee de eerste volledig zwarte Britse band die toen een nummer 1-hit scoorde in het Verenigd Koninkrijk.
Ook buiten Groot-Brittannië werd de song een grote hit.
In Vlaanderen was het nummer goed voor de achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl de single het in Nederland nog iets beter deed en daar de vierde plaats bereikte in de Top 40.
Ondanks dat plotselinge succes hielden de bandleden er een opmerkelijk doordachte en verrassende visie op na.
Ze waren namelijk niet van plan om vijf jaar op een doorbraak te wachten om vervolgens na één knaller weer in de vergetelheid te verzinken.
Eddie Amoo kon het nauwelijks geloven toen manager Tony Hall hem opbelde met het nieuws dat de single als een raket omhoogschoot.
Eddie trok halsoverkop zijn kleren aan, stapte in de wagen en kocht alle muziekkranten die hij kon vinden om de hitlijsten met eigen ogen te zien.
Pas toen hij de notering op nummer 22 in Top of the Pops zag staan, drong het werkelijk tot hem door.
Toch voelde de groep dat succes heel nuchter aan.
Ze wilden dit momentum vooral gebruiken om materiaal uit te brengen dat veel dichter lag bij wie ze echt waren.
Ze vonden ‘You To Me Are Everything’ simpelweg niet representatief voor hun eigen muzikale identiteit.
Zonder enige artistieke pretentie zagen de jongens die hit puur als een opstapje naar een wijdere en diepere creatieve ruimte.
Na een reeks van zo’n zes spectaculaire flops uit het verleden stonden ze nu eenmaal anders in het leven toen ze het nummer opnamen.
Ken Gold ging eerder ook met hen aan de slag voor hun geplande conceptalbum over het leven in Liverpool 8.
Dat project lag de mannen nauw aan het hart.
Ze wilden het verhaal vertellen van een kind dat opgroeide in een reusachtig appartementsgebouw van negentig verdiepingen.
Op Ray na kwamen alle bandleden uit die dichtbevolkte en arme wijk bij de dokken, waar misdaad aan de orde van de dag was, maar waar ook mensen met een ijzeren karakter zoals bokser John Conteh opgroeiden.
Waar iedereen bij Liverpool meteen aan The Beatles dacht, wilde The Real Thing laten zien hoe het er daar werkelijk aan toe ging.
De groep had daarnaast enorm veel te danken aan de mensen om hen heen.
Via een tv-spotje voor producer Jeff Wayne leerden ze zanger David Essex kennen.
Essex was ontzettend eerlijk tegen hen, hielp hen bij het componeren en leerde hen hoe ze persoonlijke liedjes moesten schrijven die echt geworteld waren in hun eigen achtergrond.
Ook het optreden in hun voorprogramma voor duizenden uitzinnige tieners in de Londense Earl’s Court was een onvergetelijke ervaring geweest.
Een andere sleutelfiguur was hun manager Tony Hall, een absolute autoriteit op het gebied van zwarte muziek in Engeland, die hen voortdurend op het juiste spoor hield.
In hun beginjaren traden ze namelijk vooral op in de clubs van Noord-Engeland, waar ze aan het verwachtingspatroon van vier ‘leuke zwarte kerels’ voldeden: ze zongen Amerikaanse nummers, maakten strakke danspasjes en praatten op aandringen van hun vorige manager zelfs met een Amerikaans accent.
In de zomer van 1976 lieten ze die ingestudeerde rol voorgoed achter zich om eindelijk hun eigen verhaal te vertellen.
Na het succes van You To Me Are Everything scoorde de band nog diverse andere hits, waaronder ‘Can’t Get By Without You’ en het doordringende disco-epos ‘Can You Feel The Force?’
Tien jaar later, in 1986, beleefde hun bekendste klassieker een tweede jeugd. Een remix onder de titel The Decade Remix bracht de plaat opnieuw hoog in de hitlijsten, met een top 5-notering in het Verenigd Koninkrijk.
You To Me Are Everything is door de decennia heen uitgegroeid tot een tijdloze pop- en soulklassieker die nog steeds frequent op de radio te horen is en door tal van andere artiesten, zoals Frankie Valli, werd gecoverd.
In de jaren 80 stak het fenomeen van de remixes de kop op in de charts
Heel wat grote hits uit de 60s en 70s keerden dat decennium terug in de hitlijsten, o.a. ‘December 1963 (Oh What A Night)’, ‘Heaven Must Be Missing An Angel’, ‘Downtown’, ‘Black Betty’ en ‘Eve Of The War’.
De allereerste single die in een nieuwe versie opnieuw een hit werd, was ‘You To Me Are Everything’ van de Engelse soulgroep The Real Thing.
In de lente van 1986 werd dit voor de tweede keer een grote Europese hit. In de UK stond het nummer zelfs 2 keer in de top 5.
Het origineel voerde in juli 1976 gedurende 3 weken de Britse top 40 aan. In Nederland stond The Real Thing ermee op n°4 en op n°8 in Ultratop. ‘You To Me Are Everything’ werd nooit een groot succes in de VS.
Dit was te wijten aan het feit dat er verschillende coverversies van werden opgenomen.
Hiervan stonden er drie tegelijkertijd in de Billboard Hot 100, die elkaar stuk voor stuk verhinderden om erboven uit te steken.
Het al in 1970 opgerichte The Real Thing was in de jaren ’70 de meest succesvolle zwarte act.
Ze kwamen in het vizier van EMI door een sterke live-act bestaande uit progressieve versies van Amerikaanse hits. Ondanks positieve kritieken werden de eerste singles geen succes.
De kentering komt er wanneer ze de steun krijgen van idool David Essex en een contract krijgen bij Pye Records.
Na talrijke personeelswissels is de 8ste single ‘You To Me Are Everything’ eindelijk een schot in de roos. ‘Can’t Get By Without You’ en ‘You’ll Never Know What You’re Missing’ (in 2002 nog gesampled door Thomas Bangalter van Daft Punk) zijn daarna nog grote Britse hits, maar daarna sputtert de hitmachine een aantal jaren.
In 1979 slaan ze terug met het space disco-nummer ‘Can You Feel The Force?’.
In 1982 werken ze opnieuw samen met David Essex als diens backingband.
Vier jaar later worden de oude hits dus heropgevist. The Real Thing draait nog steeds mee in het oldiescircuit.
Ze zijn intussen wel herleid tot een duo bestaande uit de oorspronkelijke leden Chris Amoo en Dave Smith.
De andere helft is reeds gestorven.
Chris’ broer Eddie overleed op 23 februari 2018 op 74-jarige leeftijd.
Ray Lake is in 2000 al op 54-jarige leeftijd overleden na een leven van drank- en drugverslavingen.
Ken Gold, de voornaamste songwriter en producer van de band, schreef ook hits bij elkaar voor Billy Ocean, Tight Fit, The Jodelles en Delegation.
Het verhaal van The Real Thing werd in 2019 opgetekend in de docu Everything – The Real Thing Story (met dank aan Denis Michiels)
In de Nederlandse Top 40 bleef de plaat steken op nummer 32, terwijl deze in de Vlaamse Ultratop 50 de 25e positie behaalde.
In de UK was het echter in maart 1978 een top 3-hit, na ‘I Feel Love’ haar grootste Britse singlesucces, en in Ierland bereikte de single zelfs een tweede plaats.
Hoewel de single in de Verenigde Staten nooit los is uitgebracht, bereikte deze daar wel de eerste plaats in de Billboard Dance Chart, omdat destijds het volledige album als één hitnotering telde.
Afhankelijk van het land waar de 7-inch single werd geperst, stond op de B-kant het nummer ‘Autumn Changes’ of ‘Black Lady’.
Ook bij deze opname zaten Giorgio Moroder en Pete Bellotte achter de knoppen.
Het vaste succesteam componeerde en produceerde de muziek, terwijl Donna Summer zelf de tekst schreef.
Het nummer is de tweede track op haar succesvolle conceptalbum ‘I Remember Yesterday’, waarop Love’s Unkind specifiek teruggreep naar de vrolijke girlgroup-sound en de sfeer van de jaren vijftig, maar dan verpakt in een strak discojasje.
De lp verscheen in de lente van 1977, amper 7 maanden na haar vorige album.
Voor het album ‘I Remember Yesterday’ valt er achter de schermen heel wat te ontdekken over de innovatieve werkwijze van Donna Summer en haar producers.
Het bijbehorende album is een van de meest invloedrijke platen uit het videotijdperk van de disco geworden.
Op een discobeat mijmert ze vooral over haar verleden, waarbij het overkoepelende muzikale concept letterlijk door de tijd reist. Donna Summer combineerde hierop moderne discobeats met muzikale stijlen uit eerdere decennia.
Het retroconcept van het album leverde opvallende momenten op.
Om de sfeer van de vroege decennia perfect te vangen, beperkte het team zich niet tot de instrumenten alleen.
Donna Summer paste haar zangtechniek per nummer aan en imiteerde bewust de zangstijlen en microfoontechnieken uit die specifieke tijdperken.
De nummers op de A-kant en het begin van de B-kant weerspiegelen verschillende decennia uit de muziekgeschiedenis en hebben telkens betrekking op een bepaalde periode.
De titelsong ‘I Remember Yesterday’ eert de jarenveertig-bigband-stijl, waarvoor ze zong met de theatrale dictie van een bigband-zangeres.
Vervolgens kijkt ‘Love’s Unkind’ naar de jaren vijftig.
Voor dit nummer liet ze haar stem veel lichter en jeugdiger klinken om de typische sound te evenaren.
De tekst is een herinnering aan de onschuldige perikelen van een schoolcrush, haar eerste verliefdheid op een klasgenootje en een liefdesdriehoek in de klas.
Het daaropvolgende nummer ‘Back in Love Again’ vertegenwoordigt daarna de jaren zestig met een herkenbare Motown-stijl.
Aan het einde van het album maakt Donna Summer de sprong naar de toekomst met de grensverleggende afsluiter ‘I Feel Love’, die destijds volledig met synthesizers werd gemaakt en de blauwdruk werd voor de moderne dancemuziek.
Dit futuristische slotnummer veranderde de popmuziek voorgoed, maar de opname ervan was een technisch hoogstandje.
Giorgio Moroder wilde een nummer maken dat volledig elektronisch was om de toekomst te symboliseren.
In 1977 was dat een enorme uitdaging, omdat synthesizers destijds snel ontstemden door de warmte in de studio.
De apparatuur moest elk uur opnieuw worden afgesteld om de typerende, strakke baslijn zuiver te houden.
De enige niet-elektronische bijdrage aan de hele track is de kickdrum, die live werd ingespeeld door drummer Keith Forsey, omdat een drumcomputer destijds nog niet krachtig genoeg klonk.
Toen David Bowie het nummer voor het eerst hoorde in een studio in Berlijn, rende hij naar Brian Eno en riep dat dit het geluid van de toekomst was dat de clubmuziek de komende twintig jaar zou gaan beheersen.
Wereldwijd werd het album een commercieel groot succes.
Het bereikte de top 10 in diverse Europese landen, waaronder Nederland, Oostenrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, terwijl de plaat in Italië en Spanje zelfs de eerste plaats wist te veroveren.
Er zijn miljoenen exemplaren van het album over de toonbank gegaan.
Alleen al in de Verenigde Staten was de verkoop goed voor meer dan een miljoen exemplaren, en ook in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk werden honderdduizenden platen verkocht.
De geruchten dat ze een travestiet zou zijn, probeerde ze in diezelfde periode te ontkrachten door te poseren voor Playboy, maar de speculaties stopten hiermee niet.
Zelfs vijftien jaar geleden, in 2011, laaide de controverse weer op toen een Italiaanse krant een geboorteakte publiceerde van een zekere Alain Tap, geboren in 1939.
Dit was veel vroeger dan de late jaren veertig die altijd als Lears geboorteperiode werden aangenomen, al hing er rond haar ware leeftijd sowieso altijd al een zweem van geheimzinnigheid.
De krant toonde bovendien een foto van een jonge Tap die sprekend op haar leek.
Lear zelf bleef er nuchter onder en vertelde tijdens een bezoek aan Brugge in 2009 dat ze net als iedereen in de showbizz altijd moet acteren.
Al die mysteries deden haar muzikale succes destijds in elk geval geen kwaad.
Samen met producer Anthony Monn groeide ze uit tot de blanke queen of disco.
Ze brak in 1978 wereldwijd door met het nummer ‘Follow me’, waarna de successen elkaar snel opvolgden.
Haar single ‘Queen of China-Town’ was oorspronkelijk al in 1977 uitgebracht, maar werd door haar immense populariteit in 1978 opnieuw uitgebracht.
Ook andere nummers zoals ‘Enigma (Give a bit of mmmh to me)’, ‘Gold’, ‘The Sphinx’ en ‘Fashion Pack’ groeiden uit tot grote hits.
Frankie Valli and The Four Seasons, het befaamde zangkwartet uit Newark in New Jersey, behoorden begin jaren zestig tot de absolute top van de Amerikaanse muziekindustrie.
Frontman Frankie Valli werd in Newark geboren als Francis Stephen Castelluccio. Hij wist al op zevenjarige leeftijd dat hij zanger wilde worden, nadat zijn moeder hem had meegenomen naar een optreden van Frank Sinatra in New York.
Valli begon zijn professionele muziekcarrière in 1951, toen hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, die bestond uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci.
Een jaar later splitste deze groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito.
Samen werden ze lid van de huisband die steevast optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey, waar Valli zong en basgitaar speelde.
In 1953 nam hij zijn eerste single op, getiteld My Mother’s Eyes, onder de artiestennaam Frankie Valley, een naam die hij baseerde op de zangeres Jean Valley.
Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden ze een nieuwe groep, The Variatones, samen met Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.
In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres.
De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York, die hen een week later auditie liet doen bij RCA Records.
Vanaf dat moment ging de groep door het leven als The Four Lovers.
Ze namen meerdere singles op en scoorden een kleine hit met het liedje ‘You’re the Apple of My Eye’.
Later voegden ook enkele muzikanten uit zijn begintijd zich weer bij de groep, waaronder Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf inmiddels Nick Massi noemde.
Ze bleven optreden tot 1959, het jaar waarin Bob Gaudio lid werd van de groep.
Vanaf het begin van de jaren zestig gingen ze door het leven als The Four Seasons, een naam die ze simpelweg leenden van een cocktailbar bij een bowlingbaan in Union, New Jersey.
Met zijn onmiskenbare en krachtige falsetstem leidde Valli de groep naar grote successen.
In 1962 bereikte hij de eerste plaats in de hitlijsten met het liedje Sherry. Een andere belangrijke mijlpaal in die beginjaren was hun nachtclubdebuut op 29 maart 1963 in de beroemde Copacabana in New York.
Dit gebeurde op een moment dat ze vanaf 2 maart al drie weken de Amerikaanse Billboard Hot 100 aanvoerden met het nummer ‘Walk Like A Man’.
Wat veel mensen overigens niet weten, is dat de latere grote hit ‘Silence is Golden’ van The Tremeloes voor het eerst in 1964 werd uitgebracht door Frankie Valli and The Four Seasons.
Na 1967 begon de populariteit van de band echter flink terug te lopen. Het publiek raakte meer geïnteresseerd in soul en hardere rock dan in de harmonieuze pop van de groep, waardoor de singles na 1967 steevast flopten.
Terwijl het succes van de band stagneerde, ging Valli gedurende de jaren zestig steeds vaker solo.
Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer ‘The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore)’, wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers.
Later scoorde Valli een hit met ‘Can’t Take My Eyes Off You’.
Het nummer bleef in de Verenigde Staten steken op plaats 2 in de hitparade, maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.
Naast zijn solowerk nam de groep van tijd tot tijd nummers op onder de naam Frankie Valli en The Four.
In deze zelfde periode kreeg de zanger te maken met ernstige gezondheidsproblemen.
Valli leed aan otosclerose, een botaandoening in zijn oren waardoor hij langzaam doof werd en jarenlang op het podium puur vanuit zijn geheugen moest zingen.
Een specialist in Los Angeles wist zijn gehoor pas eind jaren zeventig met operaties te herstellen.
Sinatra, als goede vriend, hielp de zanger door hem speciale vocale oefeningen aan te leren nadat Valli in de late jaren zestig een andere operatie aan zijn stembanden had ondergaan.
In de jaren zeventig kwam Valli wat minder vaak aan bod, maar het duurde tot 1975 voordat de band een indrukwekkende comeback wist te maken met ‘December, 1963 (Oh, What a Night)’.
Een opvallend detail over deze plaat is dat Frankie Valli er nauwelijks in te horen is als hoofdzanger, een beslissing die de platenmaatschappij had doorgedrukt.
Drummer Gerry Polci zong de coupletten, bassist Don Ciccone zong een ander deel, en Valli nam enkel de brug en de achtergrondvocalen voor zijn rekening.
Toch groeide het uit tot een enorm succes met een derde plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.
Vrijwel tegelijkertijd kende de solocarrière van Valli een sterke heropleving dankzij succesvolle singles als ‘Swearin’ to God’ en ‘My Eyes Adored You’, waarmee hij opnieuw een grote hit scoorde.
Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren zeventig is echter de titelsong voor de uiterst populaire bioscoopfilm Grease uit 1978.
Barry Gibb van The Bee Gees was de componist van dit titelnummer en het was bovendien het enige liedje dat hij voor de soundtrack van de film schreef.
Gibb had Frankie Valli persoonlijk gevraagd om het op te nemen.
Dit kwam de destijds 41-jarige zanger van The Four Seasons buitengewoon goed uit, want hij had dringend geld nodig.
Het nummer werd een gigantisch succes: op 26 augustus 1978 kwam ‘Grease’ binnen op de 23ste plaats in de Nederlandse Top 40, om vervolgens vanaf 30 september twee weken lang de eerste plaats te bezetten.
Op de B-kant van de single stond een instrumentale versie van de saxofonist Gary Brown.
Dit succes bleek destijds zijn laatste grote wapenfeit te zijn met betrekking tot nieuwe muziek; nadien wist hij decennialang geen successen meer te behalen met de platenverkoop, noch solo, noch met de band, uitgezonderd een succesvolle remix van ‘December 1963’ in 1988.
Pas veel later, in 2020, verscheen er online een tweede versie van het nummer Grease, in samenwerking met allerlei gastmuzikanten.
Valli zong het nummer daar op 86-jarige leeftijd opnieuw in, maar liefst 42 jaar na de eerste versie uit 1978.
De grote stempel die de groep op de muziekgeschiedenis heeft gedrukt, werd overigens al in 1990 bekroond met een opname in de Rock and Roll Hall of Fame
Hun bijzondere en roerige ontstaansgeschiedenis vormde in 2005 de basis voor de musical Jersey Boys.
Deze voorstelling ontving zeer positieve kritieken, won meerdere Tony Awards en werd in 2014 verfilmd door regisseur Clint Eastwood.
Van de originele bezetting is inmiddels een groot deel overleden of met pensioen.
Bassist en zangarrangeur Nick Massi overleed op 24 december 2000 op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.
Twintig jaar later stierf gitarist en baritonzanger Tommy DeVito in september 2020 op 92-jarige leeftijd aan de gevolgen van COVID-19.
Toetsenist Bob Gaudio, de inmiddels 84-jarige hoofdschrijver van klassiekers als Sherry en December, 1963, treedt al lang niet meer op, maar werkt nog steeds achter de schermen aan projecten zoals de musical.
In tegenstelling tot zijn voormalige bandgenoten bleef frontman Frankie Valli nog opmerkelijk lang optreden met nieuwe muzikanten onder de naam The Four Seasons.
Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden met een groep die niet bestond uit de originele bandleden.
Valli antwoordde nuchter dat hij het nog steeds erg leuk vond om te doen en dat hij verder geen hobby’s had, zoals golf.
Zo stond hij eind 2017 en begin 2018, op bijna 84-jarige leeftijd, nog altijd met volle overgave op het podium, en ook in 2019 was de 85-jarige Valli nog volop met optredens bezig.
Uiteindelijk heeft hij pas medio 2026 definitief besloten om de resterende concerten van zijn afscheidstournee te annuleren om zich volledig op zijn gezondheid te kunnen richten.
Deze discoklassieker bleek een schot in de roos en bestormde de hitlijsten in zowel België als Nederland.
Zo behaalde de groep een indrukwekkende tweede plaats in de Belgische Radio 2 Top 30, terwijl het nummer in Nederland doorstootte naar de vierde positie in de Nationale Hitparade en de achtste plek in de Top 40.
Het trio achter dit succes bestond uit Sofie Verbruggen, simpelweg bekend als Sofie, en de muzikanten Fred Bekky en Bob Bobbot.
De twee mannen, die eigenlijk Fred Beeckmans en Bob Baelemans heetten, waren bekende gezichten in de muziekwereld.
Na het uiteenvallen van hun eerdere band The Pebbles besloten zij samen met Sofie een nieuwe weg in te slaan met de oprichting van Trinity.
Hoewel Fred Bekky inmiddels helaas is overleden, leeft de muzikale erfenis van de groep nog altijd voort.
Gisteren nog vandaag
De Belgische formatie Trinity scoorde in 1977 een opvallende hit met het nummer Drop, Drop, Drop.
De compositie was het resultaat van de samenwerking tussen Fred Bekky, de artiestennaam van Fred Beeckmans, en Bob Bobbot, ook wel bekend als Bob Baelemans.
Met dit lied waagde de groep hun kans tijdens de Belgische preselecties voor het Eurovisiesongfestival van dat jaar. Hoewel hun inzending een sterke indruk maakte, slaagden ze er net niet in om de overwinning binnen te slepen.
Ze moesten de eer laten aan Dream Express, de groep waar overigens voormalig Pebbles-lid Luc Smets deel van uitmaakte.
Ondanks dat Trinity België niet mocht vertegenwoordigen op het Europese podium, kende het nummer in eigen land een succesvol verloop in de hitlijsten.
De single wist op te klimmen naar een verdienstelijke twaalfde plaats in de toenmalige BRT Top 30.
In Nederland verliep het succes wat moeizamer; daar bleef de plaat steken in de Tipparade en bereikte deze de officiële verkooplijsten niet. Toch blijft Drop, Drop, Drop een memorabel onderdeel van de Belgische popgeschiedenis uit de late jaren zeventig.
Luisa Fernandez werd in het Noord-Spaanse Vigo geboren, maar verhuisde met haar familie begin jaren 70 naar het Duitse Hamburg.
Daar volgde ze een opleiding tot kapster. In 1977 neemt Luisa, dan 16 jaar, deel aan een talentenjacht in een discotheek in Alveslohe.
Ze wordt daardoor ontdekt en krijgt meteen een platencontract.
In 1978 ligt de debuutsingle ‘Lay Love On You’ in de winkel, een nummer dat wel heel veel gelijkenissen vertoont met de hits van de Australische popzanger John Paul Young, die op dat moment erg populair is.
‘Lay Love On You’ werd een grote zomerhit met hoge noteringen in Vlaanderen (n°7), Nederland (n°4), Duitsland, Oostenrijk en Nieuw-Zeeland.
Enkele weken later deed ze dat nog eens over met ‘Give Love A Second Chance’.
Met het wegdeemsteren van disco verdween ook Luisa van de radar.
In 1986 duikt ze weer op aan de zijde van Peter Kent, in 1981 zelf goed voor een zomerhit met ‘It’s A Real Good Feeling’, met wie ze ook trouwde.
Samen scoren ze in 1987 een Oostenrijkse n°1-hit met ‘Solo Por Ti’.
De samenwerking en haar relatie met Kent wordt in 1997 beëindigt.
Na 1997 brengt Fernandez opnieuw solonummers uit, zonder veel succes evenwel
Gilla, geboren als Gisela Wuchinger (Linz, Oostenrijk, 27 februari 1950), haar muzikale carrière begon in de band van haar vader, Niki Wuchinger.
Na haar studies in Salzburg zong ze in de bands Traffic en later in Seventy-five-music.
Haar doorbraak kwam toen ze in contact kwam met de Duitse producer Frank Farian.
Ze bracht diverse singles uit, waarbij haar rauwe stemgeluid opviel, perfect passend bij de sexy en zwoele nummers die Farian voor haar produceerde, zoals de Duitse versie van ‘Voulez-vous coucher avec moi’ (‘Lady Marmalade’, 1975).
Haar grootste succes in Duitsland en haar thuisland was de single ‘Tu es!’ (1976).
In Vlaanderen scoorde ze vier hits en in Nederland eentje meer.
Want bij onze buren scoorde ze een hit in 1976 met het nummer ‘Why Don’t You Do It’, toen goed voor een negentiende plaats in de Top 40.
Haar eerste bescheiden succes in Vlaanderen was in 1977 met de single ”Help’, dat in 1977 twee weken in de Top 30 stond.
In Nederland goed voor een twintigste plaats in de Top 40.
Voor haar volgende nummer, ‘Gentlemen Callers Not Allowed’ (1977), werkte ze samen met Bobby Farrell, bekend van Boney M.
Het nummer bereikte de elfde plaats in de BRT Top 30 en bleef acht weken in de hitparade.
Een jaar later coverde ze ‘Bend Me, Shape Me’ van The Outsiders, geschreven door Scott English en Larry Weiss.
Gilla’s discoversie kwam op 13 mei 1978 de BRT Top 30 binnen en bereikte op 24 juni de achtste plaats.
Het nummer stond tien weken in de hitparade.
In Nederland bereikte het de twaalfde plaats in de Top 40.
Met haar opvolger, ‘We Gotta Get Out of This Place’ (1979), een cover van The Animals uit 1965, geschreven door Barry Mann en Cynthia Weil, bleef ze slechts twee weken in de BRT Top 30.
Het nummer is afkomstig van haar album ‘I Like Some Cool Rock ‘n’ Roll’.
Net als haar twee eerdere lp’s, ‘Help Help’ en ‘Bend Me, Shape Me’, zijn deze albums voor verzamelaars waardevol en worden ze duur verkocht.
Na de geboorte van haar dochter Nadja werd het een tijdje stil rond Gilla.
Ze is getrouwd met producer Helmut Rulofs, die bij Frank Farian in dienst was.
Onder het pseudoniem G. Winger schreef ze het nummer ‘I See a Boat on the River’ (een top 10-hit voor Boney M.).
Later was ze ook op de achtergrond betrokken bij de groep Milli Vanilli.
Tegenwoordig woont ze in Braunfels, Hessen, en treedt ze alleen nog bij gelegenheden op.