Vandaag precies 35 jaar geleden namen we afscheid van Roy Black: een blik op zijn bewogen leven en tijdloze muziek

Gerhard Höllerich zag op 25 januari 1943 het levenslicht met één grote droom: popartiest worden.

Amper achttien was hij toen hij zijn eerste muzikale stappen zette bij The Honky Tonks. Zijn diepzwarte haren en zijn grote bewondering voor Roy Orbison leverden hem al snel zijn bekende artiestennaam op: Roy Black.

Twee jaar later stampte hij zijn eigen band Roy Black and his Cannons uit de grond, wat leidde tot een ontmoeting met producer Hans Bertram.

De start in 1964 verliep niet meteen van een leien dakje, want zijn eerste singles ‘Sweet Baby mein’ en ‘Darling my Love’ kregen nauwelijks aandacht.

Maar met zijn derde poging, ‘Du bist nicht allein’, schoot hij pal in de roos.

Het was het begin van een waanzinnige succesperiode: tot 1969 belandden al zijn singles in de top 10, en maar liefst zes ervan stootten door naar nummer één.

Tussendoor dook hij ook regelmatig op in populaire bioscoopfilms.

In 1971 scoorde hij een enorme internationale voltreffer met het aanstekelijke duet ‘Schön ist es auf der Welt zu sein’, aan de zijde van de toen tienjarige Noorse Anita Hegerland (die van 1987 tot en met 1991 getrouwd was met Mike Oldfield; samen kregen ze twee kinderen).

Daarna keerde het tij. De hits bleven uit en Roy belandde in een diep dal, waarbij vooral zijn privéproblemen en een aanslepende strijd tegen alcohol en pillen de pers haalden.

Toch gaf hij niet op. In 1985 maakte hij een knappe comeback met het nummer ‘Mona’, en vanaf 1989 sloot het publiek hem opnieuw massaal in de armen dankzij zijn rol in de kijkcijferhit Ein Schloß am Wörthersee.

Het herwonnen geluk bleek helaas van korte duur. Op 9 oktober 1991 sloeg het noodlot toe: Roy overleed plots aan een hartinfarct, nauwelijks een maand na de geboorte van zijn dochtertje Nathalie.

Zijn bewogen levensverhaal inspireerde nadien verschillende boeken en leidde tot de film ‘Du bist nicht allein, Die Roy Black Story’, waarin niemand minder dan Christoph Waltz in de huid van de zanger kroop.

Voor mij persoonlijk blijft ‘Du bist nicht allein’ een van de absolute hoogtepunten uit de Duitse popgeschiedenis. Kunnen jullie mij daarin volgen?

Het album Dead Ringer van Meat Loaf en Jim Steinman, dat 45 jaar geleden verscheen

Doordat Meat Loaf zijn stem kwijt was door een combinatie van drugs, oververmoeidheid en een intensieve tournee, duurde het tot september 1981 voordat zijn tweede studioalbum Dead Ringer verscheen.

Net als bij het debuutalbum Bat out of Hell uit 1977 zijn alle nummers van het album geschreven door Jim Steinman.

Het album werd geproduceerd door Meat Loaf en Stephan Galfas, samen met Jimmy Iovine en Jim Steinman, met uitzondering van drie nummers.

Ondanks de bewuste poging om het album te voorzien van hetzelfde succesvolle recept als het debuut, viel het resultaat artistiek gezien tegen, en dat lag vooral aan de stem van Meat Loaf.

Als je eerst naar Bat out of Hell luistert en daarna naar Dead Ringer, dan lijkt het wel of je naar een compleet andere zanger zit te luisteren.

Van dit album kwamen vier singles uit: ‘Dead Ringer For Love’ (waaraan zangeres Cher haar muzikale medewerking verleende, hoewel zij vreemd genoeg niet op de hoes van de single vermeld stond), ‘I’m Gonna Love Her For Both Of Us’, ‘Read ‘Em And Weep’ en ‘Peel Out’.

Voor de videoclip van ‘Dead Ringer For Love’, waarin Meat Loaf samen met Cher te zien is, werd de regie verzorgd door Allan F. Nicholls.

Bij de release werd het album gemengd tot teleurstellend ontvangen door critici, die vonden dat het de ongekende genialiteit en de kenmerkende productie van Todd Rundgren miste die het debuutalbum zo sterk maakten.

Commercieel deed het album het in Groot-Brittannië uitstekend, waar het de eerste plaats in de hitlijsten bereikte, maar in de rest van Europa en Noord-Amerika waren zowel de singles als het album grotendeels een commerciële flop.

Jim Steinman bekende jaren later dat hij ook niet tevreden was over het album, en dit kwam opnieuw vooral door de vocale beperkingen en de stemproblemen van Meat Loaf destijds.

Het zou dan ook jaren duren voor een nieuwe samenwerking tussen beide heren, tot we in 1993 eindelijk een waardig vervolg kregen op Bat out of Hell, dat dan ook toepasselijk de titel Bat out of Hell 2 meekreeg.

Vandaag 45 jaar geleden overleed liedjesleverancier Jud Strunk: het verhaal achter Conny Vandenbos en ‘Ome Arie’

Conny Vandenbos, geboren in Den Haag als Jacoba Adriana Hollestelle, groeide uit tot een van de meest geliefde en herkenbare stemmen van de Nederlandse lichte muziek en het chanson.

Ze kwam uit een muzikaal gezin en begon al op jonge leeftijd met zingen.

Haar artiestennaam Vandenbos ontleende ze aan haar eerste echtgenoot, Wim van den Bos; hoewel dat huwelijk na enkele jaren strandde, bleef ze die naam haar hele loopbaan trouw, aaneengeschreven als één geheel.

Haar landelijke doorbraak volgde in het begin van de jaren zestig, onder meer door haar deelname aan het Knokke-festival in 1964 en haar optreden namens Nederland op het Eurovisiesongfestival in 1965 met het ingetogen ’t Is genoeg’.

In de jaren zeventig beleefde ze het absolute hoogtepunt van haar populariteit. Met haar warme stemgeluid, feilloze dictie en het talent om een verhaal echt voelbaar te maken, scoorde ze grote klassiekers zoals ‘Ik ben gelukkig zonder jou’, ‘Een roosje, m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’.

Ze wist als geen ander het evenwicht te bewaren tussen luisterliedjes met diepgang en toegankelijke, verhalende popmuziek.

Naast haar zangcarrière was ze bovendien een gewaardeerde radiopresentatrice voor onder meer de KRO en Radio Noordzee Internationaal, waar ze met veel liefde het Nederlandstalige luisterlied en collega-artiesten onder de aandacht bracht.

Midden in die succesvolle jaren zeventig, in 1976, verscheen de single ‘Ome Arie’.

Het lied is een liefdevol en nostalgisch portret van een voormalige kermisatleet, Mister Martokari, ooit de sterkste man ter wereld. Zonder enige kapsones of bombarie woont hij nu in de buurt, waar zijn stoep een toevluchtsoord is voor alle kinderen uit de wijk.

Voor hen vertoont de ouder wordende acrobaat nog altijd zijn spierkracht door staven ijzer met blote handen te buigen, terwijl er limonade en een trommel snoep klaarstaan.

Wanneer een kind in de penarie zit, verdwijnen de zorgen bij hem als sneeuw voor de zon, waardoor de geuzennaam Ome Arie veel meer warmte en respect draagt dan een formeel meneer.

Het nummer roept op een vertederende manier de sfeer op van vroeger, toen zo’n goedhartige buurman het verschil maakte.

Met het kinderkoor van de Plesman-school uit Badhoevedorp op de achtergrond en een zwierig arrangement wist Conny Vandenbos deze vertederende kinderheld perfect tot leven te wekken.

‘Ome Arie’ is een bewerking van een Amerikaans origineel, getiteld ‘Jacob Brown’, geschreven en opgenomen door singer-songwriter Jud Strunk voor diens album Daisy a Day uit 1973.

Strunk was in de Verenigde Staten niet alleen actief als muzikant, maar genoot tevens bekendheid als humorist en verhalenverteller in het populaire televisieprogramma Rowan & Martin’s Laugh-In, waar zijn scherpe en rake karakteriseringen van markante dorpsfiguren een vaste plek kregen.

Het was niet de eerste keer dat Conny Vandenbos succes oogstte met zijn repertoire; ook haar hits ‘Een roosje m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’ vonden hun oorsprong in het werk van Strunk.

Het tragische lot van de Amerikaanse singer-songwriter werpt een melancholische schaduw over dit repertoire.

Op 5 oktober 1981 kwam Jud Strunk op 45-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Als fervent skiliefhebber en gediplomeerd piloot steeg hij die bewuste dag met zijn vintage, open-cockpit gevechtsvliegtuigje, een Fairchild PT-19, op vanaf een vliegveld in Carrabassett Valley in de staat Maine.

Vermoedelijk kreeg hij direct na de start een zware hartaanval, waarna het toestel neerstortte in de omliggende bossen; noch Strunk noch zijn passagier overleefde de crash.

De Nederlandse tekst voor ‘Ome Arie’ werd geschreven door Herman Pieter de Boer, terwijl Pieter Natte tekende voor het arrangement en Eric Boom de productie verzorgde.

Op de B-kant van het singletje prijkte het nummer ‘Moeder en Dochter’.

Het nummer opende in 1976 haar succesvolle studioalbum ‘Zo wil ik leven’, dat doordrong tot de top tien van de Nederlandse LP Top 50.

Aan het album werkten tal van gerenommeerde vakmensen mee.

Zo zijn als backing vocals Gerard Stellaard en Titia Dekker te horen, waarbij Stellaard bovendien tekende voor de arrangementen van de nummers ‘Ik Blijf Je Vrouw’ en ‘Toch Dichtbij’.

Ook arrangeur Dick Bakker verleende zijn muzikale medewerking aan het album.

In datzelfde jaar ontving Conny Vandenbos een Gouden Harp voor haar gehele oeuvre en verdiensten voor de Nederlandse muziek, gevolgd door een Edison voor het album ‘Zo wil ik leven’.

Ook als single deed het lied het bijzonder goed in het najaar van 1976. ‘Ome Arie’ kwam op 18 september 1976 binnen in de Nederlandse Top 40, verbleef er zeven weken en bereikte de elfde plaats, terwijl het in de Nationale Hitparade klom naar positie 16.

In Vlaanderen wist de single eveneens de hitlijsten te halen en bereikte het nummer de achtentwintigste plaats in de BRT Top 30.

Op 7 april 2002 overleed Conny Vandenbos op 65-jarige leeftijd in Amsterdam aan de gevolgen van longkanker, kort nadat de ziekte bij haar was vastgesteld.

Haar muzikale nalatenschap bleef echter springlevend, net als de herinnering aan de muzikale familie waaruit ze stamde.

Haar broer Peter Hollestelle bouwde immers eveneens een mooie carrière op in de muziekwereld.

Hij zong in diverse beat- en popformaties, werkte veelvuldig als sessiezanger en vormde eind jaren zeventig samen met Jody Pijper het duo Cashmere.

Met hun single ‘Love’s What You Want’, een bewerking van Leo Sayers’ nummer ‘Easy to Love’, scoorden zij in 1979 een grote hit.

Zo lieten broer en zus ieder op hun eigen manier een blijvende herinnering achter in het collectieve muziekgeheugen.

Jean Marais: het bewogen leven van een Franse legende en zijn ‘On oublie tout, on oublie rien’

De Franse acteur Jean Marais, geboren als Jean Alfred Villain-Marais en door intimi liefkozend Jeannot genoemd, kende een bewogen weg naar de top.

Zijn kinderjaren waren verre van eenvoudig.

Toen hij werd geboren, weigerde zijn moeder hem te zien, omdat haar dochtertje pas enkele dagen daarvoor was overleden.

Toen zijn vader terugkeerde uit het leger was Jean vijf jaar oud, maar niet veel later bracht zijn moeder de drie kinderen onder bij hun grootmoeder, waar ze zonder vader opgroeiden.

Al van jongs af aan droomde Jean van het acteurschap, ondanks het gebrek aan steun van zijn familie en twee afwijzingen door de toneelschool.

Nadat hij van school werd gestuurd omdat hij verkleed als meisje zijn vrienden vermaakte en met een leraar flirtte, ging hij aan de slag als assistent van een fotograaf.

Zo kon hij acteerlessen bekostigen bij de grote regisseur Charles Dullin.

Om rond te komen nam hij vermoeiende figurantenrolletjes aan voor tien frank per dag, maar hij was zielsgelukkig om eindelijk in de theaterwereld te staan.

In het begin viel hij vooral op door zijn aantrekkelijke uiterlijk en innemende persoonlijkheid, maar al snel ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig en gerespecteerd acteur.

Zijn levenslange passie voor schilderen leverde hem zijn eerste filmkans op: regisseur Marcel L’Herbier kocht in 1933 een van Jeans doeken en gaf hem meteen een paar kleine filmrollen.

Het echte keerpunt kwam toen hij op zijn vierentwintigste de dichter en cineast Jean Cocteau ontmoette.

Cocteau lanceerde Marais’ carrière met rollen in onder meer ‘Oedipe-Roi’ en ‘Les Chevaliers de La Table Ronde’.

De ontmoeting voelde voor Marais als een wedergeboorte. Cocteau werd een vaderfiguur, mentor en levenspartner, en de twee bleven onafscheidelijk tot Cocteaus dood, vijfentwintig jaar later.

Samen boekten ze enorme successen, zoals met de film ‘L’Éternel retour’ en klassiekers als ‘La belle et la bête’ uit 1946, waarin Marais op meesterlijke wijze zowel het beest als de prins vertolkte, en ‘Orphée’ uit 1949.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij optreden in het bezette Parijs, maar na de bevrijding in 1944 meldde hij zich bij de Tweede Franse Pantserdivisie.

Als vrachtwagenchauffeur bracht hij brandstof en munitie naar het front, een moedige inzet die hem het Croix de guerre opleverde.

Na de oorlog groeide Marais uit tot een internationaal tieneridool en een icoon van de Franse cinema en het theater.

Hij schitterde in romantische drama’s, komedies en vooral spannende mantel-en-degenfilms.

In de jaren zestig boekte hij opnieuw enorm veel succes in de populaire Fantômas-reeks, waarin hij zowel de geheimzinnige schurk met het blauwe masker speelde als journalist Fandor, tegenover komiek Louis de Funès.

Ook op muzikaal vlak liet de veelzijdige artiest van zich horen.

Zo bracht hij in 1988 op het label Franceval het nummer On oublie tout, on oublie rien uit.

De tekst werd geschreven door Gilbert Sinoué en François Valéry, die tevens de muziek componeerde.

Het nummer is een weemoedige bespiegeling over nostalgie, de vergankelijkheid van de tijd en de manier waarop herinneringen en muziek verbonden blijven met iemands levensverhaal.

De tekst beschrijft hoe men door de jaren heen bepaalde details uit het verleden lijkt te vergeten, maar dat de diepere emoties, de gezichten van vrienden, de liefdes en de mooie momenten onuitwisbaar in het geheugen bewaard blijven.

Marais bracht het nummer destijds onder de aandacht via optredens in Franse televisieprogramma’s, waaronder het populaire La Classe.

Voor zijn indrukwekkende oeuvre ontving hij in 1993 een ere-César en in 1996 het Franse Legioen van Eer.

Datzelfde jaar speelde hij zijn laatste filmrol in ‘Io ballo da sola’ van Bernardo Bertolucci.

De veelzijdige kunstenaar Jean Marais overleed op 8 november 1998 in Cannes aan een hartaanval en liet een rijke erfenis aan film, theater, schilderkunst en beeldhouwwerken na.

Koude eenzaamheid in een hotelkamer: het verhaal achter ‘Stranger in Moscow’ van Michael Jackson

Michael Jackson pende ‘Stranger in Moscow’ helemaal zelf neer in september 1993, op een hotelkamer in Moskou tijdens zijn Dangerous World Tour.

Het nummer ademt een diepe eenzaamheid, isolatie, paranoia en een gevoel van totale vervreemding van de buitenwereld. Jackson zat toen net midden in een zware persoonlijke crisis door de allereerste publieke beschuldigingen van kindermisbruik.

Door de niet-aflatende heksenjacht van de media voelde hij zich buiten zijn kamer voortdurend belaagd en als het ware opgesloten.

Het nummer belandde op het album HIStory: Past, Present and Future, Book I uit 1995.

Je vindt het terug als zesde nummer op het tweede schijfje, het deel met nagelnieuw studiowerk.

In het najaar van 1996 werd het nummer uiteindelijk ook gelanceerd als de vijfde en meteen laatste single van dat dubbelalbum.

In Vlaanderen bereikte de single de zesentwintigste plaats in de BRT Top 30. In Nederland deed het nummer het een stuk beter en schopte het tot de negende plek in de Top 40.

Muzikaal geldt de track als een van zijn meest bejubelde en weemoedige ballads.

Zachte synthesizers vloeien er naadloos samen met een ritmische beatbox die Jackson zelf inzong. Helemaal op het einde hoor je een flard van een Russische stem: een sample van een KGB-ondervrager, ingesproken door Ed Wiesnieski.

Naar het einde toe hoor je ook de bekende passage waarin hij zich luidop afvraagt hoe het voelt wanneer je verkleumd bent en niemand nog naar je omkijkt.

Een fijn weetje brengt ons bij de videogame Sonic the Hedgehog 3 uit 1994.

Jackson werkte destijds achter de schermen mee aan de soundtrack.

Hoewel zijn naam nooit officieel op de aftiteling verscheen, vertonen zowel de muziek van de aftiteling als die van het level IceCap Zone treffende harmonische gelijkenissen met het akkoordenschema van ‘Stranger in Moscow’.

De videoclip, ingeblikt door regisseur Nick Brandt, sluit perfect aan bij die beklemmende sfeer.

Hoewel het decor een kille, grauwe Russische stad suggereert, vonden de opnames gewoon plaats in Los Angeles.

De clip werd integraal in zwart-wit gedraaid en trekt voluit de kaart van extreme slow motion.

Terwijl Jackson in een lange, donkere jas door de straten zwerft, passeren verschillende eenzame zielen in alledaagse taferelen de revue, zoals een man die naar duiven tuurt of een tiener die in zijn eentje staat te basketballen.

Naar het einde toe barst er een kletterende regenbui los.

Zowel de neervallende druppels als de reacties van de voorbijgangers worden sterk vertraagd weergegeven, wat de melancholie en het gevoel van afzondering nog tastbaarder maakt.

Van kantoorbaan tot tijdloze soulicoon: het muzikale verhaal van Jaki Graham

Jaki Graham werd op 15 september 1956 geboren in Birmingham en groeide uit tot een van de meest herkenbare en succesvolle Britse soul- en r&b-zangeressen van de jaren tachtig.

Ze is sinds 1976 getrouwd met haar jeugdliefde Tony Ormsby, en samen kregen ze een dochter en een zoon.

Hoewel ze op school elk jaar meedeed aan de zangwedstrijd, groeide ze niet op met muziek en had ze er nooit bij stilgestaan dat ze er ooit haar beroep van zou kunnen maken.

Ze had dan ook geen formele zangopleiding gehad en dat vond ze toen jammer.

Toch begon haar muzikale reis al als tiener bij gospelkoren en lokale bands, waaronder de funkformatie Ferrari, waar haar krachtige en warme stemgeluid al snel opviel.

Toen ze de schoolbanken verliet, sloot ze zich aan bij een bandje.

Niet veel later tekende ze een contract bij een platenlabel, al was dat in eerste instantie niet voor solowerk, maar vooral om backing vocals in te zingen voor anderen.

Al dat studiowerk vormde dan ook een waardevolle leerschool.

Ze was op de meest uiteenlopende platen te horen, en ook al bleef ze op de hoes meestal anoniem, achter de schermen bouwde ze gestaag aan haar reputatie.

Via deze weg kwam ze ook in contact met de mannen van UB40. Die jongens kwamen namelijk eveneens uit Birmingham en waren gewoon goede vrienden van haar geworden.

Ze leerde van hen veel over het vak en het maken van muziek.

In het begin, voordat haar dochter Natalie in 1981 werd geboren, kon ze maar niet besluiten om haar vaste kantoorbaan op te geven.

Haar schema was dan ook slopend: overdag werkte ze op kantoor, om vijf uur ’s middags werd ze opgehaald voor een optreden, om vier uur ’s nachts kwam ze thuis en om zeven uur stond ze weer op om naar haar werk te gaan.

Uiteindelijk gaf ze in 1983 haar baan als secretaresse definitief op voor een muzikale carrière, want toen haar dochter er eenmaal was, ging dat loodzware ritme dan ook niet meer samen.

Zingen, een kantoorbaan en een kind bleek te veel van het goede en ze moest dan ook een keuze maken.

Later, in 1993, werd het gezin nog uitgebreid met de geboorte van haar zoon Ryan.

Onder leiding van producer Derek Bramble vond ze in 1983 haar eigen kenmerkende mix van energieke pop, dansbare disco en eigentijdse Britfunk.

Grote successen leverde dat niet meteen op, want haar eerste twee singles, ‘Heaven Knows’ en ‘Once More with Feeling’, flopten.

Leerzaam was het wel, en het zorgde voor een stevig fundament.

Haar echte doorbraak voor het grote publiek kwam pas in mei 1985.

Graham vestigde haar naam eerst met een reeks sterke duetten met de Amerikaanse soulzanger David Grant, waaronder de singles ‘Could It Be I’m Falling in Love’ en ‘Mated’, die beide hoog eindigden in de Britse en Europese hitlijsten.

Ook solo bewees ze haar talent met nummers als ‘Round and Around’ en ‘Set Me Free’, waarmee ze een vaste waarde werd op de radio en in discotheken.

Ondanks al die successen voelde ze zich toen helemaal niet als een ster.

Ze voelde zichzelf helemaal niet beroemd en zag zichzelf vooral als een gewoon meisje dat af en toe leuke jongens ontmoette om mee op te treden.

Ze kon er dan ook maar moeilijk aan wennen dat mensen haar ineens als iemand belangrijks zagen.

Ze genoot met volle teugen van de enthousiaste reacties van haar publiek, al schreef ze dat succes toen vooral toe aan puur geluk.

Ze had nooit bewust naar de schijnwerpers gezocht en bleef gewoon haar nuchtere zelf.

Want in de allereerste plaats bleef ze altijd moeder. Haar dochter Natalie, over wie ze destijds al veel sprak in interviews, ging zo vaak mogelijk mee naar optredens.

Zodra Jaki de deur uitging voor een optreden, vroeg Natalie steevast of ze mee mocht.

Had het meisje vrij van school, dan nam ze haar met veel plezier mee.

Tijdens een van die tripjes had Natalie zich van top tot teen mogen opmaken, waardoor de jonge meid er bij nader inzien meer als een popster uitzag dan haar nuchtere moeder.

Die hechte band is er altijd gebleven; inmiddels werken moeder en dochter nauw samen en treedt Natalie op als haar manager.

In het najaar van 1986 verscheen haar tweede studioalbum, ‘Breaking Away’, dat in het Verenigd Koninkrijk meteen aansloeg en werd bekroond met een zilveren plaat.

De titelsong, opnieuw geproduceerd door Bramble, groeide meteen uit tot een van haar grootste handelsmerken.

Het nummer combineerde een strakke jaren-tachtig-productie met pakkende synthesizers en een opzwepende baslijn, maar het waren vooral Grahams warme soulstem en moeiteloze uithalen die de dansplaat diepgang en oprechtheid gaven.

Met een veertiende plaats in de Britse hitlijst in augustus 1986 vestigde Graham bovendien een bijzonder record in het Guinness Book of Records, als eerste zwarte zangeres uit het Verenigd Koninkrijk die zes opeenvolgende top-twintig hits wist te scoren.

De tekst over het doorbreken van routines en het loskomen uit beperkingen sprak dan ook een breed publiek aan.

Op het Europese vasteland kende de single een wisselend onthaal.

Waar ‘Breaking Away’ in Vlaanderen de hitparade misliep, was het nummer in Nederland goed voor een bescheiden tweeëntwintigste plaats in de Top 40, met een zevenenveertigste positie voor het album in de Album Top 100.

In Aziatische landen werd het nummer daarentegen onverwacht een gigantische megahit.

Ze droomde toen van een lange, duurzame loopbaan en spiegelde zich aan grootheden als Diana Ross en Gladys Knight.

Voor hun stijl, souplesse en vakmanschap had ze diepe bewondering: na al die jaren klonken ze nog altijd vlekkeloos.

Tegelijkertijd realiseerde ze zich dat zo’n stemconditie niet vanzelf kwam en dat een blijvende carrière vroeg om een ijzeren discipline en dagelijkse oefening.

Haar muzikale loopbaan kreeg in de jaren negentig een krachtige impuls toen haar vertolking van Chaka Khans ‘Ain’t Nobody’ naar de top van de Amerikaanse dance-hitlijst schoot.

De single leverde haar in 1994 gouden platen op in de Verenigde Staten, Australië en Japan.

Haar gelijktijdig verschenen album ‘Real Life’ ontketende met name in Japan een ware rage, waar in minder dan een maand tijd ruim 800.000 exemplaren over de toonbank vlogen.

In de jaren daarna bleef ze onvermoeibaar optreden en experimenteren met genres als jazz en hedendaagse soul, terwijl ze op festivals trouw bleef aan haar klassiekers uit de jaren tachtig.

Daarnaast maakte ze indruk in de reizende Motown-musical Dancing in the Streets, deelde ze haar muziekliefde als radiopresentatrice bij de BBC en toerde ze jarenlang als vaste gastzangeres met Michael McDonald, de legendarische stem van The Doobie Brothers, die haar publiekelijk prees als een van de beste vocalisten ter wereld.

In haar eigen regio werd haar invloed eveneens groots gevierd met een eredoctoraat en een bronzen ster op de Walk of Stars in Birmingham.

Met haar aanstekelijke enthousiasme en krachtige stemgeluid heeft Jaki Graham een blijvende en gerespecteerde stempel gedrukt op de Britse soul- en popgeschiedenis.

De inmiddels 70-jarige zangeres is nog altijd actief in de muziekindustrie.

Samen met Clark Datchler, de 62-jarige voorman van Johnny Hates Jazz bekend van klassiekers als ‘Shattered Dreams’, ‘Turn Back the Clock’ en ‘I Don’t Want to Be a Hero’, bracht ze op 21 augustus 2026 de single ‘Soul Believer’ uit.

Bij de groep, waar ook vast bandlid en producer Mike Nocito nog deel van uitmaakt, viel onlangs een grote leegte: toetsenist en medeoprichter Calvin Hayes overleed in juli 2026 op 63-jarige leeftijd.

Voor Datchler heeft Nederland bovendien een heel vertrouwd tintje.

In 1990 trouwde hij met presentatrice Simone Walraven, met wie de vonk ooit oversloeg op de set van Countdown.

Walraven, die deze maand zestig kaarsjes uitblies, koestert nog altijd dierbare herinneringen aan die beginjaren.

Ook na de echtscheiding in 2009 bleef het contact hecht en vriendschappelijk.

Momenteel leidt ze luisteraars door de avondspits op NPO Radio 5: met De Avondstart brengt ze bij Omroep MAX van maandag tot en met donderdag tussen 18:00 en 20:00 uur een rijke collectie pop, soul, funk en country.

Wegens dit aanhoudende succes kondigde de omroep aan dat Simone vanaf januari 2027 een prominente middagshow krijgt, te beluisteren tussen 15:00 en 18:00 uur.

Betty Grable: het Hollywood-icoon dat het hart van Neil Sedaka veroverde

Het nummer Betty Grable van Neil Sedaka verscheen in 1974 op zijn Britse studioalbum Laughter in the Rain.

Sedaka schreef het nummer samen met zijn vertrouwde muzikale partner, tekstschrijver Howard Greenfield, met wie hij al sinds hun tienerjaren talloze klassiekers had afgeleverd.

In een interview legde Sedaka destijds uit waarom hij het nummer heeft geschreven.

Hij zag haar op een avond voorbijkomen in een oude film op televisie en besloot daarom dit eerbetoon te schrijven voor de vrouw op wie hij al zo lang verliefd was.

Het nummer is een nostalgische ode aan zijn jeugd en zijn bewondering voor haar, wat duidelijk blijkt uit de songtekst.

Sedaka zingt over hoe hij als klein kind elke zaterdagmiddag naar de bioscoop ging. Terwijl de andere kinderen voor Mickey Mouse en Donald Duck kwamen, zat hij aan het scherm gekluisterd voor zijn grote filmidool.

Hij zingt dat zijn hele muur vol hing met foto’s van haar, waaronder veel pin-upfoto’s, wat een directe verwijzing is naar haar status als de bekendste Amerikaanse pin-upgirl tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het nummer vangt precies dat gevoel van nostalgie: de overgang van jongensdromen naar volwassenheid, waarin de glans van zo’n filmster een gekoesterde herinnering blijft.

Elizabeth Ruth Grable werd geboren op 18 december 1916 in St. Louis, Missouri, en groeide uit tot een van de allergrootste kaskrakers van de Amerikaanse filmindustrie.

Gedreven door haar moeder volgde ze van jongs af aan zang-, dans- en acteerlessen.

Al op dertienjarige leeftijd wist ze met een vervalste leeftijd haar eerste rolletjes als koormeisje in Hollywood te bemachtigen.

Gedurende de jaren dertig werkte ze zich gestaag op via bijrollen in diverse studiofilms en speelde ze op Broadway in de succesvolle musical ‘Du Barry Was a Lady’.

Haar definitieve doorbraak volgde rond 1940 bij filmmaatschappij 20th Century Fox, waar ze werd binnengehaald als opvolgster van Alice Faye.

Met haar frisse verschijning, blonde lokken en aanstekelijke energie in kleurrijke technicolor-musicals zoals ‘Down Argentine Way’, ‘Moon Over Miami’ en ‘Springtime in the Rockies’ veroverde ze het grote publiek.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bereikte haar populariteit een ongekend hoogtepunt.

De befaamde foto die fotograaf Frank Powolny in 1943 van haar maakte, staand in badpak en over haar schouder lachend, werd de meest verspreide pin-up van de hele oorlogsperiode.

Miljoenen Amerikaanse soldaten hingen de foto op in kazernes, scheepsruimen en cockpitruimtes.

Haar benen werden zo beroemd dat filmstudio Fox ze liet verzekeren bij Lloyd’s van Londen voor het toen duizelingwekkende bedrag van één miljoen dollar.

In de jaren veertig en vroege jaren vijftig behoorde Grable steevast tot de best verdienende filmsterren van Hollywood.

Ze schitterde in kaskrakers zoals ‘Mother Wore Tights’ en speelde in 1953 naast Marilyn Monroe en Lauren Bacall in de succesvolle komedie ‘How to Marry a Millionaire’.

Toen de hoogtijdagen van de traditionele filmmusicals medio jaren vijftig voorbij waren, verlegde ze haar werkterrein met veel succes naar theaterpodia, nachtclubs en Broadwayproducties zoals ‘Hello, Dolly!’.

Betty Grable overleed op 2 juli 1973 op 56-jarige leeftijd aan longkanker in Santa Monica, Californië.

Slechts een jaar na haar overlijden brachten Neil Sedaka en Howard Greenfield met hun lied een muzikaal saluut aan deze iconische ster die een hele generatie wist te betoveren.

Van fabrieksarbeider tot wereldster: het bewogen levensverhaal van George Baker

Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.

Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.

Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.

Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.

In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.

De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.

Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.

Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.

Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.

Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.

De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.

In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.

Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.

Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.

Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.

Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.

Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.

Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.

Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.

Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.

De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.

Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.

In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.

De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.

Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.

Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.

Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.

De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.

De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.

Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.

In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.

Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.

Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.

Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.

Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.

Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.

Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.

Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.

Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.

Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.

Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.

Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.

Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.

Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.

Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.

Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.

Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.

Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.

Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.

Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.

Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.

Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.

Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.

In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.

In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.

Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.

Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.

Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.

Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.

Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.

Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.

Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.

Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.

Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.

Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.

Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.

50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)

In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)

George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)

40 jaar geleden, Images en het nachtelijke succes van Les démons de minuit

Images werd halverwege de jaren tachtig opgericht in Toulouse en bestond uit zanger, bassist Jean-Louis Pujade en synthesizerspeler Frédéric Locci.

Mario Ramsamy, oorspronkelijk afkomstig van het eiland Mauritius, bracht een herkenbare zangstijl mee die perfect aansloot bij de opkomende synthpop van dat decennium.

Met hun aanstekelijke mix van melodieuze pop en elektronische dansritmes wist het trio al snel de aandacht te trekken van een breed publiek.

Hun grote doorbraak kwam in 1986 met de release van ‘Les démons de minuit’.

De melodie en het arrangement werden gecomponeerd door Christophe Després en Jean-Louis Pujade, terwijl de tekst werd geschreven door Richard Seff, die ook verantwoordelijk was voor de productie.

Het nummer groeide uit tot een ongekende zomerhit in Frankrijk en domineerde wekenlang de hoogste regionen van de officiële hitlijsten.

De combinatie van een meeslepende baslijn, weelderige synthesizers en het dramatische thema van nachtelijke verleidingen en slapeloze verlangens sloeg enorm aan.

Inhoudelijk draait het lied om de eenzaamheid en verleidingen die toeslaan wanneer de klok middernacht slaat en de nacht de gedachten overneemt.

Ook de bijbehorende videoclip zorgde bij het verschijnen in 1986 voor de nodige ophef.

De video werd opgenomen in Toulouse, in de historische kerk Saint-Pierre des Chartreux.

Het visuele verhaal borduurt direct voort op het thema van nachtelijke verleidingen en volgt een priester die worstelt met zijn geloften terwijl hij ten prooi valt aan vleselijke verleidingen en innerlijke demonen.

Deze provocerende beelden leidden in 1987 zelfs tot een officiële veroordeling door de Franse katholieke kerk wegens het gebrek aan respect voor het geloof.

Hoewel een specifieke regisseur in officiële credits zelden met naam wordt genoemd, stond de artistieke leiding onder supervisie van Richard Seff, en het lichte schandaalsfeertje rond de clip droeg alleen maar bij aan de nieuwsgierigheid en de enorme populariteit van het nummer.

Een opvallend detail rond het ontstaan van het nummer is de rol van Christophe Després.

Hij was een van de oorspronkelijke drijvende krachten achter de compositie, maar verliet het project al snel na de opname om samen met zangeres Sabine Paturel en later met Pacifique aan nieuwe muzikale avonturen te werken.

Desondanks werd Les démons de minuit een blijvend monument in de Franse popgeschiedenis.

Het nummer stond meer dan dertig weken genoteerd in de Franse Top 50, waarvan maar liefst dertien weken onafgebroken op de eerste plaats.

Ook buiten Frankrijk kende het nummer succes, al waren de verschillen in de Lage Landen opmerkelijk.

In september bereikte het nummer in de Nationale Belgische Top 50 de eerste plaats, wat vooral te danken was aan de enorme populariteit in Wallonië.

In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en bereikte de single de vierentwintigste plaats in de BRT Top 30.

In Nederland sloeg de Franstalige synthpophit nauwelijks aan en wist het nummer zelfs de Tipparade niet te bereiken.

Na dit gigantische succes bracht de band Images nog verschillende andere populaire singles uit, waaronder ‘Corps à corps’ en ‘Ma maîtresse’, waarmee ze bewezen dat ze geen eendagsvlieg waren.

Aan het einde van de jaren negentig sloeg de groep de handen ineen met Émile Wandelmer, de voormalige frontman van Gold, een andere populaire band uit Toulouse.

Onder de naam Émile et Images beleefden ze een opmerkelijke comeback en brachten ze nostalgische verzamelalbums uit die opnieuw voor volle zalen en platina verkoopcijfers zorgden.

Tot op de dag van vandaag geldt (Les démons de minuit( als een absolute klassieker op Franstalige dansvloeren en retrofeesten.

Vandaag, op 23 september, mag Julio Iglesias maar liefst 83 kaarsjes uitblazen.

Met meer dan driehonderd miljoen verkochte platen wereldwijd, verdeeld over zo’n tachtig albums, geldt hij zonder twijfel als een van de succesvolste artiesten aller tijden.

Hij staat zelfs in het Guinness Book of World Records als de bestverkopende Latijns-Amerikaanse artiest in de geschiedenis, en wist hits te scoren in meer dan veertien verschillende talen, waaronder het Frans, Italiaans, Engels en zelfs Japans.

Toch hadden zijn verjaardagen er heel anders kunnen uitzien, want feestvieren was vroeger niet altijd vanzelfsprekend.

Als jonge twintiger leek Julio namelijk voorbestemd voor een glorieuze sportcarrière.

Hij stond als talentvolle doelman onder de lat bij de jeugdopleiding van Real Madrid en droomde van een professionele voetbalcarrière, terwijl hij tegelijkertijd rechten studeerde.

Op de vooravond van zijn twintigste verjaardag sloeg het noodlot echter keihard toe.

Door een zwaar auto-ongeluk belandde hij in het ziekenhuis. Zijn onderlichaam raakte verlamd en artsen vreesden dat hij nooit meer op eigen benen zou staan.

Tijdens zijn langdurige revalidatie gaf hij niet op en trainde hij onvermoeibaar door. Om de beweeglijkheid in zijn vingers en handen te verbeteren, gaf een verpleger hem een gitaar cadeau.

Het bleek een wonderlijke speling van het lot: aan het ziekenhuisbed ontdekte Julio zijn passie voor poëzie en muziek, en leerde hij zichzelf akkoorden spelen.

De voetbalschoenen verdwenen definitief in de kast en de muziek nam zijn leven over. In 1968 won hij het prestigieuze Benidorm International Song Festival met ‘La Vida Sigue Igual’, een zelfgeschreven nummer over zijn eigen strijd en herstel.

Slechts twee jaar later, in 1970, vertegenwoordigde hij Spanje op het Eurovisiesongfestival in Amsterdam met het lied ‘Gwendolyne’, waar hij een verdienstelijke vierde plek behaalde.

Zijn echte Europese doorbraak volgde in 1972 met het weemoedige ‘Un Canto A Galicia’, een ode aan de streek waar zijn vader vandaan kwam.

De jaren die volgden markeerden het begin van een internationale zegetocht van ruim 45 jaar.

In 1975 verscheen het prachtige ‘Abrazame’, geschreven door Rafael Ferro en Julio zelf.

Het nummer verscheen destijds op de B-kant van de single ‘Quiero’, en beide nummers vonden hun thuis op het album El Amor.

Voor veel fans behoort de kwetsbare en warme melodie van ‘Abrazame’ nog altijd tot de mooiste parels uit zijn omvangrijke repertoire.

Later veroverde hij ook Amerika stormenderhand met duetpartners als Willie Nelson met ‘To All the Girls I’ve Loved Before’ en Diana Ross.

Bovendien gaf hij het muzikale talent door aan de volgende generatie, met zoons Julio Jr. en superster Enrique Iglesias.

Zijn laatste studioalbum, México & Amigos, verscheen in 2017.

Bij de lancering liet de zanger weten dat dit definitief zijn afscheid van de studio betekende.

Tegenwoordig geniet de jarige zanger in relatieve rust van zijn welverdiende pensioen op zijn riante landgoederen in Punta Cana in de Dominicaanse Republiek en in Florida, al blijft zijn legendarische stem over de hele wereld voortklinken.

Van pechvogel naar wereldsucces: het verhaal van Liverpool Express en manager Hal Carter

In september 1976 kwam het succes precies op tijd voor Liverpool Express.

De voorafgaande maanden waren bijzonder moeizaam verlopen voor de band.

Eerst begaf hun bestelbus het, vervolgens liet de zanginstallatie het afweten en daarna ging een geleende auto stuk.

Tot overmaat van ramp sneuvelde er een set gloednieuwe luidsprekers van duizend pond per stuk, destijds omgerekend ruim 1670 euro, maar door de inflatie naar de maatstaven van vandaag vergelijkbaar met een slordige zevenduizend tot achtduizend euro. Uiteindelijk gaf ook de gitaar van een van de groepsleden de geest.

Het was uitsluitend te danken aan de steun van hun manager Hal Carter en de financiële rugdekking van de platenmaatschappij dat de formatie na die rampzalige periode overeind bleef.

De groep stond namelijk op het punt de handdoek in de ring te gooien, zeker nadat ook hun debuutsingle ‘Smile My Smiler’s Smile’ al was geflopt.

Voor bassist Billy Kinsley, een goedgehumeurde blonde muzikant, was het niet de eerste keer dat hij door zwaar weer ging.

Eerder maakte hij al naam met The Merseybeats en The Merseys. Als tiener bezocht Billy geregeld The Cavern Club om The Beatles te zien optreden, waardoor hij al snel door het rockvirus werd gegrepen.

In 1963 had hij naar eigen zeggen alles in huis om er vol voor te gaan: een zelfgebouwde basgitaar, een leren outfit, een flinke afkeer van Cliff Richard en een voorliefde voor nummers zoals ‘Red River Rock’.

Samen met Tony Crane, John Banks en Aaron Williams richtte hij The Merseybeats op, die eind 1963 debuteerden met ‘It’s Love That Really Counts’ van Burt Bacharach en Hal David.

Doordat managers en zaakwaarnemers hen financieel uitbuitten, bleven uiteindelijk enkel Kinsley en Crane over om als The Merseys verder te gaan, waarmee ze scoorden met ‘Sorrow’.

Later sloot Billy zich aan bij de band rond Jackie Lomax en verrichtte hij de nodige studiowerkzaamheden voor Apple Records, het platenlabel van The Beatles, totdat zakelijk leider Allen Klein daar flink bezuinigde en er voor Kinsley amper nog werk overbleef.

Ondertussen traden Tony Coates, Roger Craig en drummer Derek Cashin op onder de naam Paper Chase.

Dit trio ontmoette Billy Kinsley tijdens een wekelijkse vriendschappelijke voetbalwedstrijd waar lokale muzikanten samenkwamen.

Die partijtjes dienden niet alleen om fit te blijven, maar boden de beroepsmuzikanten ook de gelegenheid om nieuwtjes uit te wisselen over opgeheven groepen, lopende projecten en verse platencontracten. Zodra de vier heren hun eerdere verplichtingen hadden afgerond, besloten ze een nieuwe band te vormen.

Hun manager bedacht, bij gebrek aan een beter alternatief, de groepsnaam Liverpool Express.

In de zomer van 1975 volgde hun eerste tournee en verscheen hun debuutsingle, die commercieel gezien weinig deed.

Ondanks die tegenvaller dook het viertal opnieuw de studio in om aan te tonen hoe veelzijdig ze waren als songwriters.

‘You Are My Love’ werd geschreven door Billy Kinsley en Roger Craig, die beiden lid waren van de groep.

Kinsley schreef de basis van het nummer thuis toen hij enkele dagen alleen zat en zich somber voelde.

Tijdens een volgende repetitie werkte Roger Craig het nummer samen met hem uit.

Aanvankelijk dachten ze dat het het slotakkoord van de groep zou zijn en schonken ze er verder weinig aandacht aan.

Billy overwoog dan ook geenszins om het als single uit te brengen.

De uiteindelijke release verliep echter via een bijzondere omweg.

Derek Taylor, topman bij platenmaatschappij Warner Bros., nam een bandje met opnames mee naar huis en liet het aan zijn zes kinderen horen. Twee van hen wezen ‘You Are My Love’ aan als de ideale single.

Van enige vergelijking met The Beatles of Badfinger kon bij die jonge kinderen uiteraard geen sprake zijn, aangezien ze nauwelijks hun eigen naam konden schrijven.

De keuze van de kinderen bleek een schot in de roos, want de ballade groeide in Groot-Brittannië uit tot een volwaardige hit, terwijl ook de rest van Europa in september 1976 klaargestoomd werd voor de doorbraak van de band en er ondertussen volop werd gewerkt aan een debuutalbum.

In Nederland bereikte het nummer uiteindelijk de twaalfde plaats in de Nederlandse Top 40, al bleef een notering in Vlaanderen vreemd genoeg uit, waar het nummer de BRT Top 30 niet eens wist te bereiken.

Overigens kreeg de compositie later nog een bijzonder groot compliment uit wel heel deskundige hoek: niemand minder dan Paul McCartney riep ‘You Are My Love’ ooit uit tot een van de beste songs die ooit zijn geschreven.

In hun thuisland scoorde de formatie daarna nog bescheiden hits met nummers als ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Hold Tight’.

In 1977 volgde hun laatste officiële Britse hitsingle met het nummer ‘Dreamin”, dat destijds piekte op de veertigste plaats in de Britse hitlijsten.

Opvallend is dat de groep in Zuid-Amerika, en met name in Brazilië, een gigantisch veel grotere hitstatus genoot dan in Europa.

De drie singles ‘You Are My Love’, ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Dreamin” stormden daar allemaal door naar de absolute nummer één-positie.

Ze waren destijds zelfs de allereerste band die daar een grootschalige stadiontournee deed voor honderdduizenden uitzinnige fans.

Dat de band destijds kon rekenen op Hal Carter, was een geluk bij een ongeluk.

De Hal Carter Organisation was een Brits bureau voor artiesten- en muziekmanagement, opgericht in 1968 door Hal Carter, een Britse producer, manager en songwriter.

Zijn loopbaan begon op een bijzondere plek: in de piste van het Bertram Mills Circus.

Dit was een van de beroemdste en meest prestigieuze Britse circussen van de twintigste eeuw. Het circus bestond van 1920 tot 1967 en stond bekend als The Quality Show vanwege de ongekend hoge kwaliteit van de acts.

Niet veel later maakte hij de overstap naar de muziekwereld toen impresario Larry Parnes hem vroeg als roadmanager voor Marty Wilde.

In de jaren die volgden leerde Carter de fijne kneepjes van het vak door op pad te gaan met rockiconen als Eddie Cochran, Johnny Burnette, Brenda Lee, Gene Vincent en Billy Fury.

Begin jaren zestig verzorgde hij de podiumshows en tournees voor topbands als The Kinks, The Troggs en The Who, waarna hij de sprong waagde en zijn eigen bureau startte.

Toen hij zich ook op het produceren van platen richtte, volgde het succes al snel.

Na een reeks sterke producties voor Billy Fury scoorde hij met Liverpool Express, een handvol tijdloze hits in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Zuid-Amerika.

Ook met de formatie Coast to Coast wist hij vervolgens twee keer de Britse hitlijsten te bestormen.

In 1994 stond Carter aan de wieg van de eerste Solid Gold Rock’n’Roll Show.

De concertreeks werd een enorm succes voor uitverkochte zalen en keerde in de jaren erna nog diverse keren terug op de planken. Tegen het einde van de jaren negentig drukte hij zijn stempel op grote Britse tournees zoals de Solid Silver Sixties en The Illegal Eagles.

Bovendien bracht hij in 2000 de immens populaire eerbetoonband Rumours of Fleetwood Mac op gang voor hun concerten in het Verenigd Koninkrijk.

Zijn agentschap bouwde een indrukwekkend artiestenbestand op, met namen als Slade, The New Seekers, John Leyton, Eden Kane en White Plains met zanger Tony Burrows, naast succesvolle producties zoals The Carpenters Story en Blondie Goes to Hollywood.

Carter stond bekend om zijn grote toewijding aan zijn artiesten en het publiek.

Naast zijn commerciële werk zette hij zich regelmatig in voor grootschalige liefdadigheidsevenementen, waaronder een benefietshow in Londen voor Marie Curie-verpleegkundigen en optredens voor de Variety Club in Cardiff.

Ook buiten het Verenigd Koninkrijk liet hij van zich horen, onder meer met zijn vaste betrokkenheid bij de Golden Years Show in het Antwerpse Sportpaleis en het Britse Chelmsford Festival.

De allerlaatste editie van de populaire nostalgieshow The Golden Years in het Sportpaleis (inmiddels bekend als de AFAS Dome) in Antwerpen vond plaats op zaterdag 14 december 2013.

Het was de vijfentwintigste en tevens finale editie van dit langlopende muziekfeest voor golden oldies, met optredens van onder meer Dave Edmunds, Albert Hammond, Slade, Alvin Stardust, The Sweet en The Rubettes.

Hal Carter, geboren als Harold Carter Burrows op 13 juli 1935, overleed op zijn negenenzestigste verjaardag op 13 juli 2004.

Vandaag is het precies een jaar geleden dat actrice Claudia Cardinale overleed.

Haar volledige naam was Claudia Joséphine Rose Cardinale, geboren in Tunesië uit ouders van Italiaanse afkomst.

Haar entree in de filmwereld verliep bijzonder toevallig: in 1955 won ze een Tunesische schoonheidswedstrijd waaraan ze niet eens officieel deelnam, nadat de organisatie haar stomweg uit het publiek had geplukt.

Eigenlijk droomde ze er als jong meisje van om lerares te worden, maar het lot besliste anders.

De hoofdprijs van de verkiezing was een reis naar het filmfestival van Venetië.

Daar begon ze een relatie van een jaar met een tien jaar oudere Fransman en raakte ze ongewenst zwanger.

Hoewel de vader aandrong op een abortus, besloot Cardinale haar zoon Patrick te houden.

Om in haar levensonderhoud en opvoeding te voorzien, koos ze alsnog voor het acteursvak, een carrièrepad dat ze tot dat moment steeds had afgewezen.

Filmproducent Franco Cristaldi, met wie ze later zou trouwen, ontfermde zich over haar en zorgde ervoor dat ze in alle discretie in Londen kon bevallen.

Om haar reputatie te beschermen, werd Patrick in de eerste jaren aan de buitenwereld voorgesteld als haar jongere broertje, iets wat pas veel later bekendgemaakt werd.

In haar jonge jaren sprak Cardinale vooral Frans, Arabisch en Siciliaans, waardoor ze pas rond haar twintigste vloeiend Italiaans leerde spreken.

Vanwege haar opvallende Franse accent en haar kenmerkende, hese stemgeluid werd ze in haar eerste Italiaanse producties nagesynchroniseerd door andere actrices.

Pas in de film 8½ werd geëist dat zij volledig met haar eigen, kenmerkende stem te horen zou zijn.

Haar filmdebuut maakte ze in 1958 met de Franse productie ‘Goha’, in hetzelfde jaar opgevolgd door ‘I soliti ignoti’, een van de vroegste mijlpalen binnen de commedia all’italiana.

Gedurende de jaren zestig bouwde Cardinale een indrukwekkende staat van dienst op in talloze klassiekers. Z

Ze speelde mee in ‘Rocco e i suoi fratelli’ uit 1960 en het historische epos ‘Il gattopardo’ uit 1963 en de wereldberoemde spaghettiwestern ‘Once Upon a Time in the West’ uit 1968.

Nadat haar relatie met Cristaldi in 1975 op de klippen liep, deelde Cardinale tot 2001 haar leven met regisseur Pasquale Squitieri.

Ze leerden elkaar kennen op de set van de film’ I guappi’ uit 1974, en daarna verscheen Cardinale regelmatig in zijn producties.

Hoewel Cardinale aanvankelijk vaak als sekssymbool werd gezien, groeide ze uit tot een veelzijdige actrice met een rijk oeuvre van ruim honderdtwintig titels.

Haar prestaties werden veelvuldig bekroond, onder meer met verschillende David di Donatello-onderscheidingen en meerdere Zilveren Linten voor beste actrice.

Later in haar loopbaan ontving ze ook grote oeuvreprijzen, waaronder de Gouden Leeuw in Venetië in 1993 en de Gouden Erebeer in Berlijn in 2002.

In 2000 verbond ze haar internationale uitstraling aan een goed doel toen ze werd aangesteld als UNESCO Goodwill Ambassadeur voor de rechten van vrouwen.

Hoewel Claudia Cardinale haar leven en carrière vrijwel volledig wijdde aan het witte doek, dook ze heel af en toe toch de opnamestudio in.

Haar eerste stappen op vinyl zette ze aan het begin van de jaren zeventig via haar filmwerk.

Zo verscheen in 1971 de single ‘Popsy-Pop Song’, afkomstig uit de film Popsy Pop uit 1970.

Een jaar later volgde ‘Prairie Woman’, geschreven door Francis Lai voor de westernkomedie Les pétroleuses.

Haar meest opmerkelijke muzikale uitstap bewaarde ze echter voor het einde van dat decennium.

Midden in de hoogtijdagen van de discorage bracht ze in 1977 bij het label Disques Ibach het nummer ‘Love Affair’ uit.

De productie lag in handen van Léo Carrier en Gilbert Di Nino, die in de jaren zeventig en tachtig achter talloze disco-, synthpop- en dance-projecten zaten.

De track sloot met zijn stuwende vierkwartsmaat, weelderige strijkers en zwoele ritmes naadloos aan bij de populaire Eurodisco van die tijd. Cardinale probeerde niet geforceerd te zingen als een geschoolde vocalist, maar maakte juist slim gebruik van haar beroemde hese spreekstem.

Een gigantische wereldhit werd het niet, maar ‘Love Affair’ groeide door de jaren heen wel uit tot een gewild curiosum onder vinylverzamelaars en liefhebbers van vergeten discoparels.

Het blijft een charmant sluitstuk in de imposante loopbaan van een filmster die voor heel even de dansvloer opzocht.

Maywood: van halfnaakt optreden tot wereldhits en een onverzoenlijke zustertwist

In november 1969 kreeg de Friese scheepskapitein Jan de Vries in Apeldoorn bezoek van de landelijke krant Het Vrije Volk.

De aanleiding was opmerkelijk: hij liet zijn zestienjarige dochter Doetie, ook bekend als Doetje, halfnaakt optreden en volledig naakt mocht wat hem betreft ook.

Boven het artikel stond toen de titel: ‘Doetje mixt muziek en seks tot show’.

Verslaggever Theo Koopman tekende met verbazing het verhaal op van een vader die er alles aan deed om zijn dochter als de zangeres Edith Queen te lanceren.

De Vries vond dat je in de showbusiness niet kinderachtig moest zijn, al eiste hij wel dat zaaleigenaren en televisieproducenten financieel over de brug kwamen voor een naaktoptreden.

Hij toonde de journalist daarbij foto’s die hij zelf van het halfnaakte meisje had gemaakt.

De uiteindelijke doorbraak van Doetje kwam er echter niet door haar vader, maar dankzij haar jongere zus Alie, ook wel Aaltje genoemd.

Vanaf 1971 vormden de zussen diverse formaties.

Ze begonnen als The Swanson Sisters, traden vervolgens op als De Karina’s en The Lady Pop’s, en maakten deel uit van de countryband Colt 45.

Hoewel grote successen tien jaar lang uitbleven en ze in de marges van de muziekwereld bleven hangen, gaven ze de moed nooit op.

Het tij keerde definitief met hun terugkeer naar het Friese Uitwellingerga en een grondige gedaanteverwisseling.

Alie nam de artiestennaam Alice May aan, Doetje werd Caren Wood, en samen doopten ze zich om tot Maywood.

Een leuk weetje over die groepsnaam is dat Alice en Caren de naam simpelweg prikten uit een Zweedse telefoongids, puur omdat het lekker internationaal en makkelijk in het gehoor klonk.

Die internationale uitstraling wierp al snel vruchten af.

Maywood scoorde een reeks grote hits, bracht platen uit in meer dan vijftig landen en toerde door landen als Japan, Zuid-Korea, Indonesië en zelfs de voormalige Sovjet-Unie.

Begin jaren tachtig sloeg het duo genadeloos toe met wereldhits als ‘Late at Night’ en ‘Rio’, een ode aan de gelijknamige Braziliaanse stad.

Beide composities kwamen volledig uit de pen van Alice May.

Voor de kenmerkende, aanstekelijke productie tekende Pim Koopman, voormalig drummer van Kayak.

In september 1981 ging het Maywood voor de wind.

De charmante zusjes Alice en Caren, die naar Friesland waren verhuisd, brachten die maand een nieuw album uit waarvan ze hoopten dat het de deuren naar internationaal succes definitief zou openen.

De vooruitzichten waren uitstekend, want zowel in Europa als in de Verenigde Staten was er grote interesse voor het duo.

Tijdens een kort werkbezoek aan Zweden in de voorgaande maand hadden ze bovendien al een gouden plaat in ontvangst mogen nemen, wat zorgde voor een vliegende start van het nieuwe seizoen.

Wie in die periode naar het automatische antwoordapparaat van Maywood luisterde, hoorde de stem van hun zaakwaarnemer Aad Oud, die bellers verzocht contact op te nemen voor informatie over deze succesvolle formatie.

Hij had dan ook alle reden om trots te zijn. Binnen een jaar tijd hadden Alice en Caren zich met sterke, zelfgeschreven nummers naar de absolute top van Nederland gewerkt.

Het leek een bliksemsnelle doorbraak, maar daaraan waren vijftien jaar van hard werken, bloed, zweet en tranen voorafgegaan.

Op de vraag hoe lang ze het nog hadden volgehouden om tegen gesloten deuren aan te lopen, gaf Alice aan dat ze vermoedelijk nog wel een tijdje waren doorgegaan.

Na zoveel jaren keek men immers niet meer op een jaartje meer of minder, en beide zussen waren altijd vastberaden geweest om door te zetten tot het zou lukken.

Hun vader speelde eveneens een belangrijke rol in de uitbouw van hun loopbaan.

Hij stimuleerde hen volop, al waren Caren en Alice uit zichzelf al enorm ambitieus en hadden ze nooit iets anders gewild.

Vader hielp waar mogelijk door hen voornamelijk naar optredens te rijden en waar nodig advies te geven. Intussen werd het project Maywood echter zeer professioneel en zakelijk aangestuurd.

Alice hield ervan om precies te weten wat er speelde, ook al werkten er zeer bekwame mensen aan hun carrière.

Voor de korte termijn lag de focus op optredens in eigen land, vooral in discotheken, waarbij de telefoon roodgloeiend stond zodra ze een hit in de Top 40 hadden.

Voor de langere termijn richtten ze hun blik nadrukkelijk op het buitenland.

Er liepen onderhandelingen met partijen in Amerika om hun platen daar uit te brengen, een proces dat veel tijd en inzicht vergde.

Waar iemand als Herman Brood zijn eigen pad had gekozen, verwachtte Maywood in een ander circuit terecht te komen.

Een eerder aanbod om al naar Amerika te gaan hadden ze afgeslagen, omdat Alice het zinloos vond om daar op te treden zolang er nog geen plaat op de markt was gebracht.

De verwachtingen rond de nieuwe lp waren destijds hooggespannen.

Alice besefte dat het publiek rekende op vakmanschap en dat het album kritischer zou worden beoordeeld dan het debuut.

Daardoor hadden ze ook zelf onder hogere druk gewerkt en de lat aanzienlijk hoger gelegd; een nummer dat een jaar eerder nog als goed werd beschouwd, zou de selectie nu niet meer hebben gehaald.

Die strenge blik had alles te maken met de wens om internationaal door te breken en over de grenzen heen te denken.

Het album werd opgenomen met een sterk muzikantencollectief, waaronder gerenommeerde namen als Ton Scherpenzeel en Rein van den Broek.

Het resultaat was een strakke, commerciële sound. Terwijl producer Pim Koopman ervan overtuigd was dat de plaat meerdere hits bevatte, hield Alice zelf liever nog even een slag om de arm.

Ondanks de grote toewijding waren de zussen niet van plan om het behaalde succes zomaar op te geven om huismoeder te worden; daarvoor hadden ze niet vijftien jaar lang gezwoegd.

Tegelijkertijd zorgden ze voor voldoende ontspanning, want het was niet de bedoeling om overwerkt te raken in deze drukke tijden.

Alice waakte ervoor dat de muziek een gezonde passie bleef.

De recente ervaringen in Zweden hadden hen bovendien al laten proeven van internationale faam.

Alice omschreef het als een adembenemende belevenis die al hun verwachtingen overtrof.

Dat mensen in de meest exclusieve discotheken hun nummers woord voor woord meezongen, maakte diepe indruk.

Na jarenlang in stilte te hebben gedroomd van de stap van Sneek naar het wereldtoneel, was Alice vastbesloten om met volle teugen te genieten van alles wat zou lukken

Daarna volgde onder meer Mano, een typisch verhaallied over een Mexicaans aandoende gitarist met sombrero en een onbeantwoorde liefde die na een emotioneel afscheid niets meer van zich laat horen.

Helaas liep het tussen de zussen zelf op relationeel vlak eveneens mis. Aan het einde van de jaren tachtig begon het succes te tanen.

Hun deelname aan het Eurovisiesongfestival in 1990 met het nummer ‘Ik wil alles met je delen’ eindigde op een teleurstellende vijftiende plaats.

Tijdens het optreden werkte het geluid tegen: een microfoon stond niet open, waardoor de kenmerkende bastrompet nauwelijks te horen was, terwijl Toto Cutugno dat jaar met de overwinning ging lopen.

Het songfestival luidde het einde van Maywood in.

De zussen raakten verwikkeld in een bittere strijd en wisselden achttien jaar lang geen woord meer met elkaar.

Die ruzie draaide deels om geld, maar was vooral een optelsom van zakelijke, artistieke en persoonlijke spanningen.

Doordat Alice alle liedjes schreef en componeerde, ontving zij aanzienlijk meer auteursrechten en inkomsten dan Caren, die vooral als het gezicht en de leadzangeres op de voorgrond trad.

Deze scheve verdeling leidde tot grote frustraties, zeker toen de gouden jaren voorbij waren en de inkomsten terugliepen.

Alice hield de touwtjes strak in handen, terwijl Caren zich tekortgedaan en ondergewaardeerd voelde.

Het dieptepunt volgde in 1999, toen Alice een rechtszaak aanspande tegen haar zus over het exclusieve gebruiksrecht van de naam Maywood, een zaak die Alice won.

In 2013 leek het wonder alsnog te gebeuren: op uitnodiging van Gerard Joling stonden ze tijdens een reünie in de Ziggo Dome weer samen op het podium.

Ze vielen elkaar geëmotioneerd in de armen en spraken af om opnieuw te gaan optreden, maar achter de schermen liep het al snel weer stuk op contracten, vergoedingen en controle, waardoor de vete weer in alle hevigheid oplaaide.

In augustus 2020 dook op de Facebookpagina Fans van Maywood plotseling een artikel uit de jaren zeventig op met een naaktfoto van een minderjarige Caren.

Alice reageerde in weekblad Story geschokt en verklaarde dat het een onschuldige fanpagina betrof met lieve berichten, maar dat deze foto van haar zus, die destijds vermoedelijk pas veertien of vijftien jaar oud was, daar absoluut niet thuishoorde.

Ze zocht direct contact met de plaatser om het beeldmateriaal te laten verwijderen.

Beide zussen zaten destijds op één lijn over de kwestie en Alice sprak haar opluchting uit voor Caren dat de opname verdwenen was.

Hoewel fans even hoopten op een toenadering, bleef een verzoening uit.

Ondanks het feit dat ze amper drie kilometer bij elkaar vandaan wonen, is er tot op de dag van vandaag geen enkel contact meer tussen de twee.

Mijn favoriet van Maywood en de vele internationale gezichten van Give Me Back My Love

Give Me Back My Love uit het najaar van 1980 is zonder twijfel mijn persoonlijke favoriet van het Nederlandse zussenduo Maywood.

Het nummer werd zoals gewoonlijk geschreven door Alice May (Alie de Vries), die vrijwel het hele repertoire van het duo op haar naam zette, met een herkenbare productie en arrangement van Pim Koopman.

Inhoudelijk draait het nummer om puur liefdesverdriet en het gevoel van leegte na een relatiebreuk.

De zangeres voelt zich na het vertrek van haar geliefde emotioneel leeg en vraagt vertwijfeld om haar liefde, energie en levensvreugde terug.

Het nummer bleef ook bij andere artiesten niet onopgemerkt en leidde tot heel wat uiteenlopende covers.

Al snel na het origineel volgden internationale bewerkingen: zo bracht de Duitse zangeres Marianne Rosenberg in 1981 haar Duitstalige versie Hab’ ich dich verloren uit, en waagde Miami Sound Machine zich in 1982 aan een Spaanse vertaling onder de titel Devuélveme el amor.

Jaren later, in 1995, nam ook Demis Roussos het nummer op, terwijl Songfestivalwinnares Linda Martin er in 2018 een hedendaagse versie van maakte en het geheel voorzag van een stevige beat.

Daarnaast was Maywood immens geliefd in Zuid-Afrika, waar eveneens verschillende opvallende covers verschenen.

Kurt Darren en Patricia Lewis namen een eigen Engelstalige versie op, terwijl de groep Back 2 Basics het nummer vertaalde naar het Afrikaans als ‘Gee Jy Net Jou Hart’.

Tot slot brachten Viva Ora en Andy Jonas een mooie, ingetogen versie van het nummer, waarin de kracht van de tijdloze melodie van Alice May prachtig overeind blijft.

Het leven na Maywood: solopogingen, nieuwe liedjes en vervlogen roem

Beide zussen hebben na de breuk van Maywood geprobeerd om muzikaal actief te blijven, al verliep dat voor ieder op een heel eigen manier en behaalde geen van beiden meer het gigantische succes van weleer.

Caren Wood deed in de jaren negentig een poging om als soloartieste een doorstart te maken.

Ze bracht enkele singles uit, waaronder liedjes als ‘Once More’ en ‘My Love’, maar die wisten de hitparades nauwelijks te bereiken.

Naast haar solosingles ging ze destijds ook een muzikale samenwerking aan met het orkest van Frank Valdor en trad ze op in kleine zalen en bij evenementen.

Uiteindelijk trok ze zich grotendeels terug uit de schijnwerpers en het hectische artiestenleven om een meer teruggetrokken bestaan te leiden.

Alice May bleef hardnekkig vasthouden aan haar muzikale carrière en trad na het winnen van de rechtszaak in 1999 zelfs op als Maywood met een andere zangeres aan haar zijde, al sloeg die formule niet echt aan bij het grote publiek.

Als soloartieste bracht ook zij losse nummers uit.

Wat het schrijven voor anderen betreft, heeft Alice zeker geprobeerd haar talent als songwriter en componist te gelde te maken.

Ze schreef en produceerde in de jaren tachtig en negentig materiaal voor diverse Nederlandse en buitenlandse acts, met name in het schlager- en popgenre.

Een bekend voorbeeld uit de hoogtijdagen was haar werk voor de Friese zangeres Lori Spee, en later componeerde ze onder meer voor artiesten uit het Duitstalige circuit en jong talent dat ze zelf probeerde te begeleiden.

Desondanks blijft het fenomeen Maywood haar grootste prestatie, aangezien geen enkele compositie voor derden de wereldwijde impact van ‘Late at Night’ of ‘Rio’ evenaart.

Gwen Guthrie en haar tijdloze dansvloeranthem Ain’t Nothin’ Goin’ On But the Rent

Gwen Guthrie werd op 14 juli 1950 geboren in Okemah, Oklahoma, en groeide op in Newark, New Jersey.

Ze begon haar muzikale pad in gospelkoren en studeerde klassieke piano. Voordat ze als soloartiest doorbrak, bouwde ze een enorme reputatie op als veelgevraagd achtergrondzangeres en getalenteerd songwriter.

Zo zong ze mee op opnames van grootheden als Aretha Franklin, Roberta Flack, Stevie Wonder en Madonna.

Daarnaast schreef ze mee aan nummers voor onder meer Ben E. King en Sister Sledge, en werkte ze in de legendarische Compass Point Studios in Nassau nauw samen met het befaamde ritmetandem Sly & Robbie en dj-pionier Larry Levan.

In het New Yorkse clubcircuit en de undergroundscene van de befaamde club Paradise Garage groeide ze uit tot een absolute publiekslieveling.

Haar grootste commerciële succes behaalde Guthrie in de nazomer van 1986 met de dansvloerkraker ‘Ain’t Nothin’ Goin’ On But the Rent’, afkomstig van haar vierde studioalbum Good to Go Lover.

Ze schreef en produceerde het nummer helemaal zelf. Het nummer groeide uit tot een wereldwijde hit en bereikte onder meer de hoogste positie in de Amerikaanse Billboard R&B- en Dance Club-hitlijsten, evenals top 5-noteringen in onder andere het Verenigd Koninkrijk.

In Nederland was het nummer goed voor een negenentwintigste plaats in de Top 40. Bij ons in Vlaanderen bereikte het nummer de zesentwintigste plaats in de BRT Top 30.

Inhoudelijk draait het nummer om vrouwelijke financiële zelfstandigheid en duidelijke grenzen in de liefde. Guthrie stelt onomwonden dat liefde en romantische praatjes mooi zijn, maar dat een partner wel financieel op eigen benen moet kunnen staan en moet bijdragen aan de vaste lasten.

Destijds vonden sommige critici de tekst wat materialistisch, maar door velen werd het juist omarmd als een vroeg feministisch empowerment-anthem waarin de vrouw de touwtjes in handen neemt.

Rondom de single zijn diverse opvallende weetjes te vinden:

De slagzin ‘No romance without finance’ werd een wereldwijd gevleugelde uitspraak in de popcultuur en werd later onder meer geparafraseerd door Eddie Murphy in zijn befaamde comedyshow Raw.

Guthrie verwerkte muzikale knipoogjes naar andere nummers in haar compositie.

De frase ‘Ain’t nothing goin’ on now, but the rent’ leent ze van James Browns klassieker ‘Get on the Good Foot’ uit 1972, en ze citeert de openingszin van Billy Prestons ‘Nothing from Nothing’ uit 1974.

Ook de melodie in het stuk ‘You got to have a J-O-B if you want to be with me’ was in 1977 al te horen op ‘Dr. Love’ van First Choice.

De vocale uithaal ‘What can you do for me?’ uit het nummer werd in 1991 gesampled door de Britse dance-act ‘Utah Saints’ voor hun gelijknamige top 10-hit.

Daarnaast werd de hit van Gwen Guthrie geciteerd in onder meer “Bills, Bills, Bills” van Destiny’s Child en “No Diggity” van Blackstreet, en bracht Foxy Brown een cover uit met de titel “JOB”.

Tragisch genoeg overleed ze veel te vroeg op 48-jarige leeftijd, op 3 februari 1999, aan de gevolgen van baarmoederhalskanker.

Het is inmiddels vijfenveertig jaar geleden dat Patricia Paay haar nummer ‘Who Let The Heartache In’ uitbracht.

Ik beken meteen maar eerlijk dat ik altijd al een zwak voor haar heb gehad.

Wel vind ik het vreemd dat er bij dit artikel een foto is geplaatst van haar album ‘The Lady Is A Champ’, dat al uit 1977 stamt.

Het nummer schreef Patricia samen met John van Katwijk. Ook de andere single ‘Saturday Nights’ uit het album ‘Playmate’ schreven ze samen.

Deze veelzijdige Nederlandse zanger, componist, arrangeur, producer en artiestenmanager werd op 8 augustus 1951 geboren in Rotterdam en begon zijn muzikale loopbaan als leadzanger van de band Christie Lane.

Toen het grote succes daarmee uitbleef, verlegde hij zijn koers: hij ging aan de slag als artiestenmanager en begon zelf nummers te schrijven.

Naast zijn werk met Patricia Paay werkte Van Katwijk veelvuldig samen met grote namen zoals René Froger en Anita Meyer, en in recentere jaren ook met Glennis Grace.

Op 16 januari 2025 kwam hij te overlijden.