Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Het duo bestond uit Jean-Baptiste Patrick en Annette Eltice, twee zangers met Caraïbische roots die werden samengebracht door de producenten Jean Kluger en Daniel Vangarde.
De groepsnaam was een knipoog naar de Canadese hoofdstad Ottawa, een bestemming die de producenten tijdens een promotour had geïnspireerd.
De formatie brak in 1980 al door met de hit “D.I.S.C.O”, die zowel in het Frans als in het Engels de BRT Top 30 veroverde en zelfs de derde plaats in de hitparade bereikte.
In 1981 volgde hun grootste succes met Hands up, goed voor een vierde positie.
Opvallend is dat de Franse variant “Haut les mains (donne moi ton cœur)” al een halfjaar eerder in de lijst verscheen, maar destijds bleef steken op de dertigste plek.
De tekst van deze bekende single werd geschreven door de Vlaamse tekstschrijfster Nelly Byl.
Het nummer kreeg extra bekendheid als het vrolijke uithangbord voor de luxe reisorganisatie Club Med.
Hoewel de groep vooral herinnerd wordt om deze grote successen, scoorde ze ook nog een bescheiden hit met “Qui va garder mon crocodile cet été?”, dat tot de drieëntwintigste plaats in de hitlijsten klom.
Frankrijk mag van mij het Songfestival winnen met de indrukwekkende Monroe.
Al zal die kans wel heel klein zijn als ik de bookmakers mag geloven. Want volgens hen zal de strijd gaan tussen Australië, Bulgarije en Finland.
Wat ons land betreft, zouden we stranden op de drieëntwintigste plaats.
Monroe Vata Rigby, kortweg Monroe, is een Frans-Amerikaanse zangeres die op zeventienjarige leeftijd de muziekwereld verovert.
Ze werd geboren op 19 november 2008 in Salt Lake City, Utah, in een gezin van mormoonse gelovigen.
Als enig meisje tussen vier broers groeide ze op in een multiculturele omgeving met een Amerikaanse vader en een Franse moeder van Congolese afkomst.
Haar muzikale reis begon al op jonge leeftijd in een mormoons kerkkoor, waar ze haar stem ontdekte terwijl ze tegelijkertijd piano leerde spelen.
Deze vroege ervaringen vormden de basis voor haar verdere ontwikkeling tussen de Verenigde Staten en Frankrijk, waarbij ze uiteindelijk een opleiding volgde als klassiek sopraan.
Haar grote doorbraak volgde in januari 2025, toen ze het Franse televisieprogramma Prodiges won met een indrukwekkende vertolking van de Koningin van de Nacht uit Die Zauberflöte.
In november van datzelfde jaar bracht ze haar debuutalbum uit, simpelweg Monroe getiteld, waarop zowel klassieke operastukken als covers zoals ‘Over the Rainbow’ en ‘L’hymne à l’amour’ te horen zijn.
Ook werkte ze samen met de beroemde Josh Groban voor een bijzondere uitvoering van dit laatste nummer.
Haar inzending voor het Eurovisiesongfestival 2026 in Wenen, getiteld Regarde, markeert een nieuwe stap in haar carrière.
Het nummer werd op 6 maart 2026 uitgebracht onder de labels Parlophone en Warner Music France.
Het nummer is een verfijnd voorbeeld van operatic-pop, waarbij de werelden van moderne pop en klassieke opera samenkomen.
De totstandkoming van Regarde is het werk van een specifiek team aan schrijvers en producenten. Fredie Marche was verantwoordelijk voor de tekst, compositie, productie en de achtergrondzang.
Hij werkte hierbij nauw samen met Fred Savio, een bekende naam in de Franse popscene die eerder successen boekte met artiesten als Amir.
Daarnaast droegen Maxime Morise en Christopher Cohen bij aan de compositie en productie. Samen vormen zij het duo Violin Phonix en wat de prominente aanwezigheid van de strijkersarrangementen en vioolpartijen in het nummer verklaart.
Voor haar optreden en presentatie haalt Monroe inspiratie uit de Franse Romantiek, wat zich vertaalt in een kledingstijl die moderne elementen combineert met klassieke elementen zoals petticoats.
De officiële videoclip van Regarde werd geregisseerd door Joseph Di Marco, die de cinematografische sfeer van het nummer visueel kracht bijzet.
Het zou me trouwens niet verbazen als André Rieu dit nummer in de toekomst herbewerkt.
Hij deed dat eerder al met het nummer ‘Voila’ van Barbara Pravi, die in 2021 meedeed aan het festival, uiteraard weer met een glansrol voor de Nederlandse zangeres Emma Kok.
Hoewel hij vereerd was dat hij België mocht vertegenwoordigen op het Eurovisiesongfestival op 3 april 1976 in Den Haag met het nummer ‘Judy et Cie’, stak hij zijn teleurstelling over de gang van zaken in eigen land niet onder stoelen of banken.
Rapsat merkte op dat de beleving van het festival in Wallonië aanzienlijk minder intens was dan in Vlaanderen, wat onder meer bleek uit de sobere manier waarop de RTBF de selectie organiseerde.
De kandidaten werden op verschillende tijdstippen gefilmd zonder publiek, waardoor de kijkers en de jury de artiesten nooit live aan het werk hadden gezien.
De zanger omschreef het proces als een nogal afstandelijke ervaring waarbij hij zelf als een gewone toeschouwer voor de televisie zat te wachten op het oordeel.
Ondanks deze kritiek zag Rapsat het festival als een unieke kans op internationale promotie, zeker omdat zijn eerdere albums ondanks goede recensies commercieel weinig succesvol waren.
Hij benaderde de wedstrijd dan ook met een zakelijke nuchterheid en hoopte vooral dat het een springplank zou zijn voor zijn verdere carrière.
Hij vergeleek zijn situatie met die van de Nederlandse inzending Sandra Reemer, die volgens hem direct na haar selectie volop de ruimte kreeg in diverse televisieprogramma’s en binnen een week een hit scoorde.
Volgens Rapsat moesten Belgische artiesten veel harder vechten voor een plek op het kleine scherm en ontbrak het in België vaak aan de nodige professionele omkadering en steun om internationaal echt door te kunnen breken.
Uiteindelijk behaalde Pierre Rapsat op het festival de achtste plaats op een totaal van 18 deelnemers.
In Wallonië bereikte het nummer de zevende plaats in de hitparade, terwijl hij in Vlaanderen met zijn nummer de zestiende plaats in de BRT Top 30 behaalde.
In Nederland bereikte de single de eenendertigste plaats in de Top 40.
De muzikale wortels van Rapsat lagen in Verviers, de stad waarheen hij met zijn familie verhuisde toen hij tien jaar oud was en waar hij de rest van zijn leven zou blijven wonen.
Na in verschillende bands gespeeld te hebben, startte hij in 1973 zijn solocarrière.
Enkele jaren na zijn Eurovisie-avontuur vertegenwoordigde hij België in 1979 opnieuw op een internationaal podium, ditmaal op het Intervisiesongfestival in Sopot, waar hij als tiende eindigde van dertien deelnemers.
In 1982 scoorde hij een radiohit met het nummer ‘Passagers de la nuit’.
Zijn grote artistieke triomf volgde in 2001 met het album Dazibao, dat zowel in België als Frankrijk zeer lovend werd onthaald.
Het bleek een van zijn laatste grote wapenfeiten, want in 2002 overleed hij op 53-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.
Zijn impact op de Belgische cultuur bleef groot; in 2005 eindigde hij op de 51ste plaats in de Waalse verkiezing van De Grootste Belg.
Hoewel het nummer uitgroeide tot een Franse klassieker, is het oorspronkelijk een cover van Nel Cuore Nei Sensi van de Italiaanse formatie Albatros.
Het lied werd gecomponeerd door Toto Cutugno en Vito Pallavicini, waarna Pierre Delanoë tekende voor de Franse vertaling.
In de tekst bezingt Lenorman zijn zoon Mathieu, die in het lied Nicolas wordt genoemd, en reflecteert hij op een mogelijke scheiding van zijn vrouw Caroline.
Hij benadrukt dat zij altijd welkom blijft en overhandigt haar symbolisch de sleutels van haar geluk.
Hoewel het echtpaar op het moment van de opname nog gelukkig samen was, bleek het nummer een onbedoelde voorspelling van de toekomst; in 1989 ging het stel definitief uit elkaar.
De single werd een groot succes in de Lage Landen en bereikte zowel in de Vlaamse hitlijsten als in de Nederlandse Top 40 de tweede plaats.
In de beginjaren tachtig bevond de Franse cultfiguur Serge Gainsbourg zich in een nieuwe fase van zijn leven, zowel artistiek als persoonlijk.
Na de breuk met Jane Birkin vond hij een nieuwe muze en partner in Bambou, een jonge vrouw die een rustgevende maar ook fascinerende invloed op hem had.
Hun relatie werd gekenmerkt door een contrast tussen de publieke provocatie waar Gainsbourg om bekendstond en de intimiteit die zij deelden tijdens hun gezamenlijke reizen en werkprojecten.
Tijdens een verblijf in Gabon voor de opnames van de film Équateur kwam de dynamiek tussen het paar duidelijk naar voren.
Terwijl Gainsbourg zich concentreerde op zijn rol als regisseur, paste Bambou zich moeiteloos aan de lokale omgeving aan.
Haar verschijning en spontaniteit maakten indruk op de mensen om haar heen, waarbij ze zelfs traditionele vlechtjes in haar haar liet maken.
Voor Gainsbourg was zij niet alleen een partner, maar ook een dankbaar onderwerp voor zijn fotografie en filmkunst, waarbij hij haar schoonheid in diverse producties vastlegde.
Gainsbourg reflecteerde in deze periode ook op zijn eigen karakter, waarbij hij erkende dat er een zekere donkerte en onvoorspelbaarheid in hem school.
Hij zag zijn kunst, of het nu muziek, schilderkunst of film was, als een noodzakelijke uitlaatklep voor zijn innerlijke onrust.
Tegelijkertijd begon hij afstand te nemen van het hectische nachtleven van de Parijse clubs en gaf hij de voorkeur aan de ingetogen luxe van gerenommeerde hotelbars, waar hij in de namiddag kon genieten van een zorgvuldig bereide cocktail.
Zijn veelzijdigheid als kunstenaar bleef de kern van zijn bestaan.
Hij beschouwde zichzelf als een man die door vele disciplines was gevormd, van de piano en gitaar tot de architectuur en de literatuur.
Een bijzonder bezit dat hij koesterde en dat een centrale plek op zijn piano in Parijs innam, was een filmzoeker die hij jaren eerder van Brigitte Bardot had gekregen.
Dit optische instrument, waarmee een regisseur shots kan bepalen zonder de zware camera te verplaatsen, stond symbool voor zijn passie voor het visuele.
Het was een kostbaar kleinood dat zijn voortdurende drang om de wereld door een artistieke lens te bekijken bevestigde, een passie die hem tot aan het einde van zijn carrière zou blijven drijven.
De basis voor dit contact lag in het jaar 1980, toen de Franse zangeres besloot het nummer Pearlydumm van de Volendamse formatie op te nemen.
De Franse vertaling kreeg de titel Jusqu’à Pearlydam en verscheen dat jaar op haar album Un Peu… Beaucoup… Passionnément.
Naast deze Franse interpretatie bracht ze in 1980 via het label Ariola ook een Duitse versie van het lied uit in Duitsland.
Deze verschillende talen onderstreepten de brede Europese belangstelling voor het repertoire van de Nederlandse groep, die op dat moment al tot de absolute top in de Benelux behoorde.
De internationale aantrekkingskracht van hun muziek bleek ook uit het feit dat het originele Mon Amour zelfs in landen als Australië, Brazilië en Nieuw-Zeeland op single is uitgebracht.
De waardering voor dit specifieke werk bleef bovendien jarenlang bestaan, wat bleek toen Demis Roussos in 1995 een vertolking van Mon Amour opnam samen met Anny Schilder.
Tijdens de ontmoeting bij een televisieshow in het voorjaar van 1981 kregen de oorspronkelijke vertolkers en componisten uit Volendam de kans om de zangeres te spreken over deze diverse vroege uitvoeringen van hun hit.
Voor velen was Arletty de stem van de Franse cinema zelf, een vrouw die door een simpele voornaam en enkele beroemde filmzinnen een onuitwisbare indruk achterliet in de filmgeschiedenis.
Ze stond bekend om haar rollen als Garance in Les Enfants du Paradis en Madame Raymonde in Hôtel du Nord, personages die zij verrijkte met een mengeling van waardigheid, trots en een vleugje brutaliteit.
Ondanks dat ze door visuele problemen gedwongen werd de wereld van film en theater te verlaten, behield ze in haar appartement aan de Rue Rémusat de sprankelende energie van een jonge vrouw.
Ze lachte om haar eigen tegenstrijdigheden, zoals haar vermeende luiheid, terwijl ze in werkelijkheid decennialang onafgebroken op de planken en voor de camera stond.
In een interview in maart 1981 vertelde ze over haar herinneringen aan haar eerste draaidag voor La douceur d’aimer, wat naar haar eigen zeggen een complete mislukking was, ondanks de aanwezigheid van de door haar bewonderde acteur Victor Boucher.
Ze sprak destijds ook over haar honkvastheid; ze speelde twintig jaar lang uitsluitend in Parijs en weigerde lange tijd om op tournee te gaan.
Pas na het overlijden van de schrijfster Colette stemde ze in met een tournee voor het stuk Gigi, uit respect en genegenheid voor de overleden auteur.
Arletty sprak met veel bewondering over deze excentrieke schrijfster en over de schilderes Marie Laurencin, twee vrouwen die een blijvende indruk op haar hadden gemaakt.
Ook Mistinguett kon op haar respect rekenen vanwege haar enorme werklust.
Arletty herinnerde zich geamuseerd hoe Mistinguett door het publiek werd aanbeden, maar ook hoe nuchter en spontaan de ster zelf reageerde op die aandacht tijdens hun wandelingen door Parijs.
Hoewel ze aanvankelijk dacht dat haar tijd in het theater slechts een kortstondig avontuur zou zijn, raakte ze na L’école des cocottes echt aan het vak verknocht.
Ze observeerde alles en iedereen om het vak zo snel mogelijk onder de knie te krijgen.
Ze gaf aan dat ze niet echt plannen maakte voor de toekomst, omdat ze liever ruimte liet voor verrassingen. Haar jeugd in Puteaux omschreef ze als een droomtijd, ondanks de bescheiden omstandigheden.
Haar vader gaf haar belangrijke lessen mee over integriteit en de waarde van het gesproken woord.
In die periode speelde ze veel samen met grootheden als Raimu en Michel Simon.
Ze herinnerde zich hoe Raimu haar waarschuwde nooit recensies te lezen en hoe Michel Simon haar op het podium kon verrassen door onverwacht in een kast te gaan staan.
Ze ontmoette Marcel Carné voor het eerst op de set van Pension Mimosas, waar hij assistent was van Jacques Feyder, een regisseur die volgens haar de kunst verstond om acteurs echt te laten spelen.
Het was tijdens deze periode dat ze waardevol advies kreeg van Françoise Rosay over haar uiterlijk, een gebaar van vrouwelijke solidariteit dat ze enorm waardeerde.
Later werkten Carné en Arletty samen aan het legendarische Hôtel du Nord.
Ze herinnerde zich de onmiddellijke vriendschap met Louis Jouvet en de briljante dialogen van Henri Jeanson.
Over de beroemde scène met de uitspraak over atmosfeer merkte ze op dat dit een pure vondst van de dichter Jeanson was; hoewel het publiek de zin omarmde, besloot ze zelf om deze later nooit meer uit te spreken om het niet grotesk te maken.
In Le jour se lève werkte ze samen met Jean Gabin en Jules Berry.
Ze bewonderde het unieke spel van Berry, die ze omschreef als een van de meest bijzondere acteurs die ze ooit had gezien.
Over Gabin vertelde ze hoe hij gefascineerd kon kijken naar het spel van zijn collega’s.
Ondanks de verhalen over moeizame samenwerkingen tussen schrijvers als Jeanson en Prévert, herinnerde Arletty zich vooral hun wederzijdse bewondering en de kwaliteit van hun scenario’s.
Ze werkte het liefst op instinct en had weinig op met regisseurs die tientallen takes nodig hadden; voor haar was de eerste opname vaak de juiste.
Haar naasten hadden haar grote succes nooit volledig kunnen meemaken.
Haar vader overleed kort nadat ze haar eerste stappen op het toneel zette en haar moeder zag haar nooit optreden.
Arletty volgde haar eigen pad in alle vrijheid.
Haar doorbraak kwam niet zozeer door haar stem, maar door haar silhouet, dat de aandacht trok van invloedrijke figuren zoals Paul Guillaume.
Dankzij een snelle opeenvolging van rollen in verschillende revues en haar ervaring als mannequin bij Poiret, leerde ze al vroeg wat echte elegantie en chic inhielden.
Ze bewaarde ook bijzondere herinneringen aan Yvonne Printemps, die na het zien van haar eigen filmbeelden besloot dat Arletty haar moest opvolgen.
Deze afkeer van meelopers en haar liefde voor vrijheid en authenticiteit vormden de rode draad in het leven van deze vrouw die zowel koningin als arbeider was in de wereld van de kunst.
In 1963 werd Arletty gedeeltelijk blind als gevolg van een ongeluk. Acteren was daardoor niet meer mogelijk.
Ze stierf in 1992 in Parijs op 94-jarige leeftijd.
Serge Gainsbourg was een markante figuur in de Franse cultuur, een man die provocatie tot kunstvorm verhief en wiens leven onlosmakelijk verbonden was met muziek en passie.
Na de harde oorlogsjaren en zijn legerdienst nam hij de artiestennaam Serge Gainsbourg aan, met de ambitie om het te maken als kunstschilder.
Hij hoopte in de voetsporen te treden van zijn idool Francis Bacon en leermeester Fernand Léger, maar toen een succesvolle schilderscarrière uitbleef, stortte hij zich volledig op de muziek.
In de jaren zestig groeide hij uit tot een van de meest productieve songleveranciers voor de jonge, vrouwelijke sterren van het Franse chanson.
Hij schreef voor grootheden als Juliette Gréco, Françoise Hardy en Petula Clark.
Zijn bekendste wapenfeit uit die periode is Poupée de cire, poupée de son, waarmee France Gall in 1965 het Eurovisiesongfestival won in Napels.
Nadat zijn tweede huwelijk op de klippen liep, trad Gainsbourg zelf steeds meer op de voorgrond.
Samen met Brigitte Bardot nam hij nummers als ‘Bonny and Clyde’ en ‘Harley Davidson’ op voor het album ‘Initials B.B.’.
De internationale doorbraak kwam met de schandaalhit Je t’aime, moi non plus.
Hoewel de versie met Bardot op haar verzoek werd geschrapt, nam hij het nummer op met zijn nieuwe verovering Jane Birkin.
De single werd in verschillende landen gecensureerd, wat het succes en de status van ook het nummer ’69 année érotique’ alleen maar vergrootte.
De jaren zeventig markeerden zijn innovatiefste en meest creatieve periode. Conceptalbums zoals ‘Histoire de Melody Nelson’ en de lp’s ‘Vu de l’extérieur’, ‘Rock around the bunker’ en ‘L’homme à tête de chou’ waren vernieuwend voor het Franse chanson, hoewel ze op dat moment geen verkoopsuccessen waren.
Zijn provocaties, variërend van verwijzingen naar het nazisme tot het openlijk bezingen van de liefde in al zijn vormen, leverden hem een cultstatus en het etiket van enfant terrible op.
Gainsbourg beperkte zich niet tot één genre en verweefde jazz, pop, rock en new wave in zijn werk.
Eind jaren zeventig reisde hij naar Kingston in Jamaica om een reggaeversie van de Marseillaise op te nemen.
Het nummer op het album Aux armes et caetera veroorzaakte alweer veel controverse; het oneerbiedige gebruik van het volkslied werd hem door rechts Frankrijk niet in dank afgenomen.
In de jaren tachtig bracht hij nog drie studioalbums uit: ‘Mauvaises nouvelles des étoiles’, ‘Love on the beat’ en ‘You’re under arrest’, waarop hij experimenteerde met elektronische muziek.
Ondanks zijn artistieke drang ging het halverwege dit decennium bergafwaarts met zijn gezondheid door een leven vol alcohol en sigaretten.
Na zijn breuk met Jane Birkin verscheen hij steeds vaker dronken in talkshows, waar hij onder meer een biljet van vijfhonderd Franse frank in brand stak uit protest tegen de belastingdruk en Whitney Houston schoffeerde met boude uitspraken voor de camera.
Gainsbourg was de vader van vier kinderen, van wie Charlotte Gainsbourg uit zijn relatie met Jane Birkin de bekendste is.
Zij maakte al vroeg carrière als actrice, met onder meer een controversiële rol in de door haar vader geregisseerde film ‘Charlotte for ever’ uit 1986.
Later trad ze in zijn muzikale voetsporen met de albums ‘5:55’, ‘IRM’ en ‘Rest’, waaraan artiesten als Beck, Air en Jarvis Cocker meewerkten.
Begin jaren negentig werd kanker vastgesteld bij Serge Gainsbourg.
Hij overleed uiteindelijk op 2 maart 1991 aan de gevolgen van zijn vijfde hartfalen.
Hij werd begraven in het familiegraf van de Ginsburgs op de begraafplaats van Montparnasse, waar ook Simone de Beauvoir en Charles Baudelaire rusten.
Julien Clerc, geboren als Paul Alain August Leclerc, groeide op in een wereld van uitersten.
Aan de ene kant was er de gedisciplineerde opvoeding in een groot landhuis in Bourg-la-Reine bij zijn vader, een professor bij UNESCO, waar discipline en traditie de boventoon voerden.
Aan de andere kant was er het bruisende Parijs van zijn moeder, waar de jonge Paul zich pas echt vrij voelde.
De wortels van zijn moeder in Guadeloupe gaven hem de bron voor zijn temperament en de creativiteit die later zijn muziek zou kenmerken.
Tijdens zijn middelbareschooltijd vond hij een zielsverwant in Maurice Momo Vallet, met wie hij de liefde voor sport, literatuur en muziek deelde, variërend van Charles Aznavour tot The Beatles.
Wanneer Paul in 1966 in Parijs rechten gaat studeren aan de Sorbonne, ontmoet hij in een café tekstschrijver Etienne Roda-Gil.
Het drietal droomt van succes, maar daarvoor moet er eerst een artiestennaam komen.
Na suggesties als Paul Le Rock en Joe Leclerc valt de keuze definitief op Julien Clerc.
Na een aanvankelijke afwijzing bij CBS Records zorgt een toevallige ontmoeting op een feest van UNESCO voor de ommekeer.
Julien mag auditie doen bij Pathé-Marconi en krijgt zijn eerste contract.
In 1968 verschijnt zijn eerste single La Cavalerie en niet veel later staat hij in het voorprogramma van Adamo.
De echte grote doorbraak volgt in 1970 wanneer hij de hoofdrol speelt in de Franse versie van de musical Hair.
Het publiek is verkocht en Julien Clerc groeit uit tot een waar tieneridool dat wekenlang in een steevast uitverkocht Olympia in Parijs staat.
In de jaren zeventig verovert Julien ook Nederland en Vlaanderen. Na successen als Ce Nest Rien en Si On Chantait bereikt hij in 1976 de absolute top met This Melody, dat op nummer een belandt in de hitlijsten.
Hij trouwt met actrice Miou Miou, met we wie hij twee dochters krijgt, en knipt zijn iconische wilde krullen af.
Hoewel hij later breekt met zowel zijn vrouw als zijn vaste schrijvers Momo en Roda-Gil, blijft het succes aanhouden.
Hij werkt samen met iconen als Serge Gainsbourg en Françoise Hardy, terwijl albums in Frankrijk met platina worden bekroond.
In 1987 scoort hij bij ons opnieuw een grote hit met het vrolijke Helene, een weerspiegeling van het geluk in zijn nieuwe huwelijk met Virginie Couperie.
Juliens leven blijft in beweging, zowel muzikaal als persoonlijk.
Na een reis door Afrika wordt hij in 2003 benoemd tot speciaal ambassadeur van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.
Hij vindt uiteindelijk nieuw geluk bij de schrijfster Helene Gremillon en wordt op 61-jarige leeftijd opnieuw vader van zoon Leonard.
Rond die tijd neemt hij met Rob de Nijs, die in dezelfde levensfase ook weer vader wordt, een nieuwe versie op van zijn oude hit This Melody.
Naast zijn eigen werk blijft hij zich inzetten voor Les Enfoirés en de daklozenorganisatie Restos du Coeur.
Met zijn nieuwste album Une Vie uit 2025 bewijst hij dat zijn passie onverminderd groot is.
Om zijn vijftigjarige carrière te vieren, start hij in 2026 een grote tournee die hem langs de grootste zalen van Frankrijk en België voert, een ode aan een leven dat volledig in het teken staat van de muziek.
Gisteren nog vandaag
Julien Clerc is roddelpraatjes beu (Joepie 16 april 1975)
Gisteren nog vandaag
Kluizenaar Julien Clerc in de Joepie van 23 oktober 1978
Gisteren nog vandaag
Julien Clerc, klagen is dom en puur tijdverlies (Joepie 6 maart 1983)
De Franse zangeres en actrice Line Renaud, geboren als Jacqueline Ente op 2 juli 1928 in het Noord-Franse Nieppe, is een levend monument van de Franse cultuur.
Ze begon haar carrière als muzikante in het orkest van haar vader, maar haar leven veranderde voorgoed toen ze in 1945 auditie deed in Parijs en de componist Loulou Gasté ontmoette.
Hij werd niet alleen haar mentor die haar artiestennaam bedacht, maar ook de liefde van haar leven, met wie ze getrouwd bleef tot aan zijn dood.
Het is inmiddels zo’n 75 jaar geleden dat Line Renaud definitief doorbrak bij het grote publiek.
In de jaren rond 1950 was ze niet meer weg te denken uit de scène en scoorde ze een enorme hit met Ma cabane au Canada.
Dit markeerde het begin van een glorieuze tijd waarin ze de onbetwiste koningin van de revue werd in het legendarische Casino de Paris.
Dit theater aan de Rue de Clichy was destijds de absolute tempel van de musichall en stond wereldwijd symbool voor de Parijse elegantie.
Haar grootste triomf daar was de revue Plaisirs.
Deze productie ging in 1959 in première, maar was zo’n gigantisch succes dat de show jarenlang onafgebroken op het affiche bleef staan.
Wie bijvoorbeeld in december 1960 het theater bezocht, zag nog steeds dezelfde grandioze show waarmee Line avond aan avond volle zalen trok.
Ze werd op het podium bijgestaan door een indrukwekkende cast van internationale topartiesten, zoals haar vaste Argentijnse danspartner Fernando Rego, de begenadigde solodanseres Danielle Darmance en karakterdanser René Sartoris.
Ook de muzikale omlijsting was van hoog niveau, met bijdragen van artiesten als Freddy Conde, Régine Rumen, het virtuoze Trio Marnhy en de vocale groep Les 4 de Paris.
Het visuele spektakel werd compleet gemaakt door het huisballet Les Girls du Charley Ballet, een dansgroep die vanwege hun glamour en stijl ook wel bekendstond als The Dancers of Las Vegas.
Die Amerikaanse bijnaam voor de danseressen was een voorbode voor het vervolg van haar eigen carrière, want in 1954 vertrok Line naar de Verenigde Staten.
Daar werd ze als eerste Française een ster in de casino’s van Las Vegas en raakte ze bevriend met wereldsterren als Frank Sinatra en Elvis Presley.
Naast haar zangcarrière bouwde ze een indrukwekkende staat van dienst op als actrice, waarbij ze in 2008 opnieuw ongekend populair werd door haar rol als de hartelijke moeder in de filmhit Bienvenue chez les Ch’tis.
Line Renaud, die zich sinds de jaren 80 ook onvermoeibaar inzet voor de strijd tegen aids, blijft voor de Fransen het ultieme symbool van optimisme, wilskracht en de gouden jaren van het Parijse nachtleven.
Salvatore Adamo’s levensverhaal begint op 1 november 1943 in Comiso, een Siciliaans dorp.
Zijn vader, de economische malaise in Italië beu, zocht zijn heil in België en begon in februari 1947 als mijnwerker in Marcinelle.
Een paar maanden later volgden zijn vrouw en de jonge Salvatore hem naar hun nieuwe thuis.
Het gezin vestigde zich in een bescheiden woning in de mijnwerkerscité van Ghlin, bij Bergen.
Muziek speelde er al snel een centrale rol. “Mijn moeder en vader zongen graag en veel,” vertelde Adamo later in Humo. “Zo werd ik doordrongen van het Italiaanse lied.
Maar tegelijk hoorde ik hier ook Brel, Bécaud, Aznavour.” Die unieke mengelmoes vormde zijn sound: een Siciliaans klinkende stem en melodie, gecombineerd met ‘Waals-Franse’ geïnspireerde teksten.
Zijn ouders, die later naar het naburige Jemappes verhuisden, stuurden hem naar school in de hoop dat hij aan een toekomst als mijnwerker zou ontsnappen.
Salvatore bleek een goede student, die vooral uitblonk in muziek en voordracht. Hij zong in het kerkkoor en leerde zichzelf gitaar spelen.
In 1960 waagde hij zijn kans bij een muziekwedstrijd van Radio Luxemburg. Hij stootte door naar de finale in Parijs en won, op 17-jarige leeftijd, met zijn eigen nummer “Si j’osais”.
Het leverde hem 10.000 Belgische frank en de eerste aandacht van platenmaatschappijen op.
Toch liet de echte doorbraak nog even op zich wachten; zijn eerste singles sloegen niet aan.
In het voorjaar van 1963 was het echter wel raak. “Sans toi, ma mie” werd een voltreffer, waarvan in recordtijd 100.000 exemplaren werden verkocht.
De hits volgden elkaar daarna in sneltempo op. Met “Tombe la neige” en “Vous permettez, monsieur?” brak hij in 1964 internationaal door, met name in Nederland en Frankrijk.
Nummers als “La nuit” en “Les filles du bord de mer” klommen moeiteloos naar de top van de hitlijsten.
Een halve eeuw geleden scoorde hij ook “C’est ma vie”, een nummer dat André Hazes zeven jaar later zou coveren als het bekende “’t Laatste rondje”.
Om zijn succes te verzilveren, bracht Adamo zijn nummers uit in diverse talen, waaronder Engels, Duits, Spaans en Nederlands. Vooral “Tombe la neige”, dat in Japan werd uitgebracht als “Yuki ga furu”, bleek een schot in de roos.
Het bezorgde hem een trouwe fanschare in het Verre Oosten, waar hij sindsdien regelmatig toert.
Niet al zijn hits waren zonder controverse. “Inch’Allah” (1967), bedoeld als vredeslied, werd ongelukkig gelanceerd net voor de Zesdaagse Oorlog.
Hoewel hij de tekst aanpaste, werd het in sommige Arabische landen als pro-Israëlisch gezien, wat hem een jarenlang inreisverbod opleverde.
Desondanks werd het wereldwijd een van zijn bekendste nummers. Met “Dolce Paola” (1965) bracht hij dan weer een ode aan de prinses met wie hij zijn Italiaanse roots deelde, al heeft hij de hardnekkige geruchten over een romance altijd ontkend.
Op jonge leeftijd verloor hij zijn vader Antonio, die in 1966 op 47-jarige leeftijd overleed.
Eind jaren 60 trouwde Adamo met zijn jeugdvriendin Nicole Durant, die bewust een leven buiten de schijnwerpers koos.
Ze kregen samen zoon Anthony (1969) en Benjamin (1980), die later als muzikant in zijn vaders voetsporen trad.
Begin jaren 2000 onthulde Adamo dat zijn dochter Amélie (1979) voortkwam uit een tienjarige buitenechtelijke relatie met de Duitse actrice Annette Dahl.
Na zijn absolute topjaren eind jaren 60 nam zijn dominantie in de hitlijsten af. Adamo koos bewust voor een minder commerciële koers, maar bleef wereldwijd intensief optreden.
Dat eiste zijn tol: in 1984 kreeg hij een hartinfarct, en twintig jaar later, in 2004, een hersenbloeding. Na een jaar rust herstelde hij gelukkig volledig.
Zijn bekendheid zet hij sinds 1993 ook in als ambassadeur voor UNICEF.
De erkenning voor zijn carrière is groot: in 2001 werd hij geridderd door koning Albert II, en in 2005 eindigde hij hoog in de verkiezing van “De Grootste Belg”.
Recentelijk, op 29 januari 2025, ontving hij nog de ‘Lifetime Achievement Award’ op de MIA’s.
Zijn naam leeft zelfs voort in een Nederlandse tulp en een Franse straatnaam.
Met meer dan 100 miljoen verkochte albums is zijn nalatenschap immens.
De unieke combinatie van romantiek, melancholie en die kenmerkende hese stem blijft mensen aanspreken.
Zijn collega Jacques Brel vatte het ooit treffend samen: “de tedere tuinman van de liefde”.
En ook op zijn 82e is het liedje van deze Siciliaanse Belg nog lang niet uitgezongen.
Twee jaar na zijn coversalbum “In French Please” bereidt hij een aan een nieuw album.
De eerste single daarvan, ‘Ma belle jeunesse’, kregen we op 19 september 2025 al te horen.
Na een optreden in Brugge afgelopen zomer, staan er de komende maanden nog drie concerten in België gepland, alvorens hij begin 2026 weer naar Frankrijk trekt.
De herkenbare melodie was gebaseerd op Moonlight Serenade van Glenn Miller (1939), met een Franse tekst van zijn echtgenoot Patrick Loiseau en productie van Jean Jacques Souplet.
Het werd een enorme hit: in Vlaanderen en Nederland bereikte het de eerste plaats (op 6 december 1975) in de Brt Top 30 en in de Nederlandse Top 40 (10 november 1975)
Achter de artiestennaam Dave gaat Wouter Otto Levenbach schuil, geboren in Amsterdam in mei 1944.
Hij begon zijn carrière op twintigjarige leeftijd als de frontman van het combo Dave Rich & the Millionaires, waarmee hij in 1964 de single Girl of my dreams uitbracht.
De voornaam van “Dave Rich” hield hij aan als zijn artiestennaam.
In zijn begintijd zong Dave nog in het Nederlands.
In 1967 verhuisde hij echter naar Frankrijk.
In een aflevering van het tv-programma Volle Zalen (13 maart 2025) vertelde hij hierover aan Cornald Maas.
Hij gaf aan dat hij als jonge man met een vriend naar Frankrijk vertrok, zonder enig toekomstplan. Hij wist niet waar hij zou belanden, maar voelde dat hij iets moest veranderen; alleen zou hij die stap waarschijnlijk niet gezet hebben.
Hoewel hij in Frankrijk woonde, had hij in 1969 nog een eerste, bescheiden Nederlandstalige hit in Vlaanderen en Nederland met Natalie. Met het nummer Natalie nam hij trouwens deel aan het Songfestival van Knokke in 1969.
In datzelfde jaar deed hij met het Nederlandstalige Niets gaat zo snel mee aan het Nationaal Songfestival.
Uiteindelijk schakelde hij definitief over naar het Frans.
Zijn eerste grote hit in Frankrijk scoorde hij in 1974 met Trop Beau, een Franse vertaling van Sugar Baby Love van The Rubettes.
Na zijn hoogtijdagen in de jaren 70 keerde Dave in de 21e eeuw terug in de schijnwerpers.
Zijn autobiografie Soit Dit En Passant (2003) zorgde ervoor dat hij veelvuldig op de Franse radio en tv verscheen.
Dit leidde tot nieuwe successen: in 2004 gaf hij drie concerten in het Olympia in Parijs en zijn album Doux Tam Tam (2004) werd goed verkocht.
In 2006 bracht hij het album Levenbach uit, vernoemd naar zijn achternaam, met zeer persoonlijke teksten.
Dave bleef een bekende persoonlijkheid in zowel Frankrijk als Vlaanderen en Nederland.
Hij was te zien in de Franse film Une chanson pour ma mère (2013) en speelde een prominente rol in beide afleveringen van het Nederlandse tv-programma Chansons! met Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps.
De afgelopen jaren kende hij persoonlijke tegenslagen. In 2021 ontsnapten hij en zijn partner Patrick aan een koolmonoxidevergiftiging.
Een jaar later raakte Dave ernstig gewond na een ongelukkige val van de trap in hun Parijse huis.
Hiervan is hij redelijk hersteld, al heeft hij nog last van de gevolgen; zo zijn zijn smaak- en reukzin nog steeds niet teruggekeerd.
Desondanks blijft hij actief.
Eind maart 2025 gaf hij voor het eerst een optreden in Carré in Amsterdam.
Joepie 21 augustus 1974
Gisteren nog vandaag
Dave, rusten op bevel (Joepie van 2 september 1979)
Voordat zanger Julien Clerc zijn jawoord gaf aan Virginie Coupérie-Eiffel, deelde hij zijn leven met de Franse actrice Miou-Miou.
Samen kregen ze op 19 april 1978 een dochter, Jeanne Herry, die later zelf een succesvolle carrière als filmmaker en actrice zou uitbouwen.
Een nieuwe fase in zijn leven begon toen hij Virginie Coupérie-Eiffel ontmoette. De vonk sloeg over toen de zanger een paard kwam kopen bij Virginie, die op dat moment een professionele jumpingruiter was en een afstammelinge van de beroemde Gustave Eiffel.
Het koppel trouwde op 14 september 1985 op haar landgoed in de Gironde.
Hun gezin breidde zich uit met de komst van dochter Vanille, drie jaar na hun huwelijk, en zoon Barnabé, die in 1995 werd geboren.
Hun leven samen inspireerde Clerc tot een van zijn grootste hits, “Fais-moi une place” (1990), een nummer waarvoor hij zelf de muziek componeerde.
Hoewel de tekst door Françoise Hardy werd geschreven, wordt het nummer beschouwd als zijn muzikale verklaring aan Virginie, een vraag om een plek in haar wereld van rust en paarden.
Na een huwelijk van 22 jaar ging het paar in 2007 uit elkaar.
Na de scheiding gingen beiden hun eigen weg. Virginie Coupérie-Eiffel bouwde een carrière uit als verslaggeefster voor paardensportevenementen bij France Télévisions.
Voor haar verdiensten werd ze in 2013 benoemd tot Ridder in de Nationale Orde van Verdienste.
Julien Clerc vond opnieuw de liefde bij romanschrijfster Hélène Grémillon, met wie hij in 2012 trouwde. Zij hadden voor hun huwelijk al een zoon gekregen, Léonard.