
Paris Match van 24 juni 1961

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek



Jacqueline Lee Bouvier zag het levenslicht op 11 juni 1928 in het Easthampton Hospital, New York.
Ze was de oudste dochter van de flamboyante John Vernou Bouvier III, bijgenaamd “Black Jack”, en de elegante Janet Norton Lee.
Beide families stonden bekend om het opsmukken van hun stamboom; de Bouviers beweerden af te stammen van Franse adel en de Lee’s van de prominente Virginia Lee’s.
In werkelijkheid was Jacqueline voornamelijk van Ierse, Schotse en Engelse afkomst, met haar laatste Franse voorouder, Michel Bouvier, haar overgrootvader, die naar Philadelphia was verhuisd.
Ze had één jongere zus, Caroline Lee, die we kennen als Lee Radziwill.
Haar vader, “Black Jack,” was een notoire playboy wiens affaires uiteindelijk leidden tot de scheiding van haar ouders in 1942, toen Jackie nog jong was.
Deze ervaring en haar moeders hertrouwen beïnvloedden haar diep.
Jacqueline bracht elke zomer tot haar twaalfde door op het domein Lasata van haar grootouders in East Hampton, waar ze haar passie voor paardrijden ontwikkelde op haar geliefde paard Danseuse.
Ook na de scheiding bleef ze paardrijden op de Hammersmith Farm van de familie Auchincloss.
Jacqueline was een intellectueel en creatief kind, ze hield van lezen, schilderen en gedichten schrijven.
Haar relatie met haar vader was hecht, terwijl die met haar moeder vaak afstandelijk bleef.
Na een leven vol publieke aandacht en privéleed, overleed Jacqueline Onassis op donderdag 19 mei 1994, op 64-jarige leeftijd, in haar slaap.
Haar begrafenis vond plaats in de Saint Ignatius Loyola kerk in New York, waar ze in 1929 was gedoopt.
Ze werd begraven naast haar man, president John F. Kennedy, en hun twee jong overleden kinderen, Arabella en Patrick, op Arlington National Cemetery in Virginia.
De dienst werd bijgewoond door onder meer Bill en Hillary Clinton, Lady Bird Johnson, en familieleden.
De impact van Jacqueline Kennedy Onassis leeft voort in Amerika.
Zo is er de Jacqueline Kennedy Onassis High School, ingewijd in 1995, en het grootste meer in Central Park werd in 2006 omgedoopt tot het Jacqueline Kennedy Onassis Reservoir.
Haar verhaal blijft inspireren, getuige de biografische film ‘Jackie’ uit 2016, die zich richtte op de periode rond de moord op haar man.

Foto 2 haar overgrootmoeder

Gisteren nog vandaag
foto 3 familie van haar in Frankrijk



Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag











In 1961 begeleidde Chessens echtgenoot Bob Finkbine een groep middelbare scholieren op een Europese tournee, waar hij een vrij verkrijgbare kalmerende middelen kocht en de rest mee naar huis nam.
Chessen nam 36 van de pillen in de vroege stadia van haar vijfde zwangerschap, niet wetende dat ze thalidomide bevatten, dat misvormingen bij de foetus kan veroorzaken.
Het is bekend onder merknamen zoals Softenon (Nederland en België), Contergan (Duitsland), Distaval, Neurosedyn, Isomin, Kedavon, Telergan en Sedalis.
Haar arts adviseerde haar een therapeutische abortus te ondergaan, het enige type dat destijds in Arizona was toegestaan.
Om het gevaar van thalidomide bekend te maken, nam Chessen contact op met de Republiek Arizona.
Hoewel haar anonimiteit verzekerd was, werd haar identiteit niet geheim gehouden.
De media identificeerden haar als “Mrs. Robert L. Finkbine” en “Sherri Finkbine”, hoewel ze die naam persoonlijk niet gebruikte.

Na de publicatie van het verhaal van Chessen in de krant.
Vroeg het ziekenhuis en zijn personeel de verzekering dat het niet zou worden vervolgd.
Toen een dergelijke verzekering niet kwam, werd de geplande abortus geannuleerd.
Toen haar arts om een gerechtelijk bevel vroeg om door te gaan met de abortus, werden zij en haar man publieke figuren.
Ze kregen brieven en telefoontjes en een paar brieven bevatten zelfs doodsbedreigingen.
Daardoor werd zelfs de FBI ingeschakeld om haar te beschermen.
Ze verloor ook haar baan als gastvrouw Miss Sherri, haar rol in de kindershow Romper Room van de plaatselijke tv in Phoenix.
Ook haar verzoek tot abortus werd afgewezen door rechter Yale McFate, die vond dat hij niet de bevoegdheid had om een beslissing over de zaak te nemen.
Chessen probeerde naar Japan te gaan om een abortus te laten plegen, maar kreeg van de Japanse consul geen visum.

Zij en haar echtgenoot vlogen toen naar Zweden, waar zij een succesvolle en wettelijke abortus verkreeg, wat terug een kleine controverse veroorzaakte in haar thuisland.
De Koninklijke Zweedse Medische Raad keurde het verzoek positief om abortus te mogen doen op 17 augustus 1962.
De operatie werd de volgende dag uitgevoerd.
De Zweedse verloskundige die de abortus uitvoerde, vertelde Chessen dat de foetus geen benen en slechts één arm had en het niet zou hebben overleefd.
De controverse werd in 1992 de basis voor een voor tv gemaakte film, A Private Matter, met Sissy Spacek in de hoofdrol.
Bijna 10.000 kinderen waren inmiddels geboren met een aandoening ten gevolge van de medicatie, de helft daarvan in West-Duitsland, het middel was daar zonder recept verkrijgbaar.
Opvallend is dat de Verenigde Staten gespaard bleven.
De FDA, de beoordelende instantie, liet thalidomide nooit op de Amerikaanse markt toe, op aandringen van dokter Frances Oldham Kelsey.(Diverse bronnen, Wikipedia en Paris Match 28 augustus 1962)

Duchamp was de oudste uit een kunstenaarsgezin van zes kinderen, waaronder zijn broers Raymond Duchamp-Villon, beeldhouwer, Marcel Duchamp, schilder, en zijn zus Suzanne Duchamp, schilderes.
In 1894 nam Gaston als pseudoniem de naam over van zijn geliefde dichter. Hij liet zich voortaan Jacques Villon noemen.
Hij gaf heel jong zijn studies in de rechten op, om de artistieke weg op te gaan.
Hij kreeg een eerste tekenopleiding in Montmartre, in het atelier van Fernand Cormon, waar hij Henri Toulouse-Lautrec ontmoette.
Invloeden van deze, van Théophile Steinlen, van Jean-Louis Forain of van de Nabis ontgingen Villon niet.
In 1906 vestigde hij zich in Puteaux en waagde hij zich aan een voorzichtig cézanniaans kubisme.
In het atelier van Puteaux ontpopte Villon zich vanaf 1911 als de voortrekker van de Section d’or-groep, met zijn broers, met Albert Gleizes, met František Kupka, met Albert Metzinger, met Francis Picabia en met Fernand Léger.
Binnen deze Puteaux-groep vierde een synthetisch kubisme hoogtij.
In 1912 werden al zijn ingebrachte doeken verkocht aan het Amerikaanse publiek op de Armory Show.
In 1956 kreeg hij de opdracht tot het uitwerken van de kartons voor 5 glasramen in de Sacré-Coeur-kapel van de kathedraal te Metz.
Villon noemde zichzelf Cubiste impressionniste (impressionistisch kubist).
Hij overleed op 87-jarige leeftijd.(Wikipedia en foto’s Paris Match 2 april 1960, foto 2 Jacques Villon (7 jaar) met zijn broer Raymond (6 jaar), foto 1 Jacques Villon (9 jaar)met zijn mama en foto . met zijn broers Raymond (in het midden) en Marcel (rechts)








Zijn moeder was de dichteres Cécile Sauvage.
Zijn vader Pierre Messiaen, docent Engels en was afkomstig uit Zuid-Wervik.
Zijn jongere broer Alain Messiaen werd dichter.

Olivier Messiaen begon jong met componeren en ging op elfjarige leeftijd aan het Conservatoire de Paris studeren bij onder anderen Maurice Emmanuel, Charles-Marie Widor, Marcel Dupré en Paul Dukas.
In 1931 werd hij op 22-jarige leeftijd aangesteld als organist-titularis van de Église de la Sainte-Trinité te Parijs, een post die hij tot aan zijn zou dood bekleden.

Hij had er de beschikking over een drie-klaviersorgel, gebouwd door Aristide Cavaillé-Coll.
In 1936 was hij met onder anderen André Jolivet medeoprichter van de muziekbeweging La Jeune France.
In 1940 werd hij bij Verdun krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers.
In het gevangenkamp te Görlitz schreef hij voor enkele toevallig aanwezige professionele instrumentalisten (een violist, een cellist en een klarinettist, met hemzelf als pianist) het introspectieve Quatuor pour la fin du temps, dat een van zijn meestgespeelde werken werd.
Messiaen was een overtuigde rooms-katholiek van West-Vlaamse afkomst.

Zijn grootste inspiratiebron was de schoonheid van Gods schepping en dan met name het gezang van vogels.

Dit verklaart ook zijn affiniteit met de heilige Franciscus van Assisi, aan wiens persoon hij de omvangrijke opera Saint François d’Assise heeft gewijd.
Messiaen trok regelmatig de natuur in om opnames te maken van vogelzang.
In veel van zijn composities heeft hij die vogelzang verwerkt.
Titels als Abîme des Oiseaux (uit het ‘Quatuor pour la fin du temps’) en Oiseaux exotiques spreken voor zich.

Hij heeft ook de zang van een groot aantal vogels getoonzet voor piano (Catalogue d’oiseaux).
Ook in een van zijn laatste orkestwerken (Éclairs sur L’Au-delà…) zijn geluiden van vooral Australische vogelsoorten verwerkt.
Messiaen ontwikkelde een persoonlijke muzikale taal, die hij uiteenzette in zijn Traité de mon langage musical.
Daarin zijn vooral melodische en ritmische vernieuwingen te onderscheiden.
Melodisch staan de modes à transpositions limitées (beperkt transponeerbare modi) centraal.
Dat zijn toonreeksen die zichzelf overlappen als ze minder dan een octaaf getransponeerd worden.

Op het gebied van het ritme introduceerde hij ingewikkelde structuren uit Griekenland, India en het Verre Oosten, en hanteerde hij diverse eigen innovaties.
Belangrijk zijn de valeur ajoutée (toegevoegde waarde) en de rythmes non-rétrogradables.
Hij kende aan elke letter van het alfabet een toonhoogte en lengte toe. Het geheel noemde hij zijn langage communicable.
Hij had een bijzondere voorkeur voor de ondes-Martenot, een elektronisch muziekinstrument, een vroege vorm van de synthesizer.
Jeanne Loriod, de zuster van Messiaens tweede echtgenote Yvonne Loriod, was een van de bekendste bespelers van dit instrument.
Messiaen heeft vaak gecomponeerd voor groot orkest.
Een van zijn belangrijkste werken is de Turangalîla-symfonie (1947-1949), een meditatie over de vreugde van de liefde.
De naam komt uit het Sanskriet en betekent zoveel als ‘liefdeslied en hymne van vreugde, tijd, beweging, ritme, leven en dood’.
Het van levensvreugde overlopende, tiendelige stuk is geschreven voor een orkest uitgebreid met solopiano en ondes-Martenot (die beide een aantal opvallende cadensen spelen), en vereist 8 à 11 slagwerkers.
Het oratorium La Transfiguration de Notre Seigneur Jésus-Christ (1965-1969) wordt uitgevoerd door een zeer groot gemengd koor, circa 100 zangers, zeven instrumentale solisten en een orkest van meer dan honderd man.
Nog omvangrijker is de enige opera die Messiaen geschreven heeft Saint-François d’Assise (1975-1983), die door negen solisten wordt uitgevoerd, begeleid door een honderdkoppig koor en een zeer groot orkest, met als ongewone elementen drie piccolo’s, een basklarinet, contrabasklarinet en contrabasfagot, contrabastuba, en drie ondes-Martenot.
De rijk van gevarieerde instrumenten voorziene slagwerksectie bestaat uit vijf spelers.
De opera behandelt het leven van Franciscus van Assisi na diens bekering.
In de structuur zijn twee belangrijke elementen te herkennen: het door Richard Wagner geïntroduceerde Leitmotiv en aan de andere kant de vogelzang, altijd prominent bij Messiaen aanwezig.
In 1942 werd Messiaen benoemd tot docent compositie aan het Conservatoire de Paris, waar hij meer dan veertig jaar les gaf.
Hij was een geliefde docent, die in zijn muziekanalyseklas studenten uit vele landen onderwees.
Tot zijn leerlingen behoorden Pierre Boulez, Iannis Xenakis, Karlheinz Stockhausen, Witold Lutosławski, George Benjamin, Kent Nagano, Toru Takemitsu en Ton de Leeuw.
In 1971 werd aan Messiaen de Erasmusprijs uitgereikt.
Hij was commandeur van het Franse Legioen van Eer. (Diverse bronnen, Paris Match 24 maart 1962 en Wikipedia)

In 1966 stapte Spaak definitief uit de politiek, waarna hij in 1969 zijn memoires publiceerde.
Ook sprak hij zich uit als een voorstander van het federalisme en betuigde hij openlijk zijn steun aan de Francofone partij FDF.

In juli 1972 werd hij tijdens een vakantie aan de Azoren onwel, waarna hij terug naar België gerepatrieerd werd. Kort na zijn terugkomst in België overleed hij in zijn huis in Eigenbrakel.

In de stripreeks Nero werd hij samen met Camille Huysmans gecast in de rol van opstandelingen in het De Hoed van Geeraard de Duivel (1950). Het tweetal wil in strook 233 dat de Indische vorst aftreedt. Dit is een parodie op het verzet van de socialisten tegen de terugkeer van Leopold III tijdens de koningskwestie.

In 2005 eindigde hij op nr. 40 in de Vlaamse verkiezing voor De Grootste Belg. In de Franstalige verkiezing eindigde hij op nr. 11.
Er is een vleugel in het gebouw van het Europees Parlement te Brussel naar hem genoemd.
Evenals een hogeschool: Haute École de la Communauté Française Paul-Henri Spaak.
Er zijn straten naar hem genoemd in Brussel, Elsene, Hoboken-Antwerpen,Bocholt, Dortmund, München, Überherrn, Almere, Herten, Maastricht, Utrecht, Vlaardingen, Zevenaar, Sint-Gillis en Sint-Lambrechts-Woluwe. (diverse bronnen, Wikipedia en Paris Match 24 maart 1962)
