Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Het scenario, geschreven door Hugo Claus, is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk uit 1903 van Cyriel Buysse. De regie was in handen van Paul Cammermans.
Gisteren nog vandaag
De film speelt zich af aan het einde van de negentiende eeuw.
Vader Van Paemel is boer op de hoeve van baron De Wilde.
Tijdens een mondaine jachtpartij op het landgoed van de baron raakt de zachtaardige Désiré Van Paemel zo zwaar verwond dat hij voor de rest van zijn leven invalide blijft.
Eduard, de oudste zoon, neemt actief deel aan stakingen in de stad en sluit zich aan bij de socialistische arbeidersbeweging.
Tegen de zin van boer Van Paemel heeft de oudste dochter,
Cordule heeft een verhouding met de stroper Masco, terwijl de jongste dochter, Romanie, gedwongen wordt om als dienstmeid op het kasteel te werken.
Daar wordt ze verleid door Maurice, de zoon van de baron.
Wanneer Kamiel de hoeve verlaat, omdat hij onder de wapens wordt geroepen, verslechtert de situatie op de boerderij door een gebrek aan werkkrachten.
Het gezin van Paemel kwam in het voorjaar van 1987 in de zalen.
De filmmuziek werd gecomponeerd door de Belgische muzikant en componist Daniel Schell.
De film bracht een sterke cast samen, met onder meer Senne Rouffaer als boer Van Paemel, Chris Boni als boerin Van Paemel, Jan Decleir als stroper Masco, Frank Aendenboom als Eduard, Marc Peeters als Kamiel, Marc Van Eeghem als Celis, Marijke Pinoy als Romanie, Viviane De Muynck als Cordule, Camilia Blereau als Danielle en Thom Hoffman als Maurice.
De film kende een groot succes en lokte destijds bijna een kwart miljoen bezoekers naar de bioscoop.
Daarmee geldt de prent nog altijd als een klassieker uit de Vlaamse filmgeschiedenis.
De Nederlandse komediefilm De Boezemvriend verscheen aan het begin van de jaren tachtig en werd geregisseerd door Dimitri Frenkel Frank.
Het verhaal van deze klassieke slapstick is gebaseerd op het beroemde Russische toneelstuk De Revisor van Nikolaj Gogol.
De hoofdrol wordt vertolkt door André van Duin, die de rondreizende kwakzalver en valse tandarts Fred van der Zee speelt.
Het verhaal speelt zich af in het jaar 1811, tijdens de Franse bezetting onder keizer Napoleon.
Terwijl de keizer in Parijs kampt met hevige kiespijn, vlucht Fred van der Zee in Nederland voor de Franse soldaten die jonge mannen ronselen voor het leger.
Tijdens zijn vlucht ontmoet hij kermisdanseres Mercedes, op wie hij verliefd wordt.
Door een misverstand zien de lokale autoriteiten, onder leiding van de corrupte kolonel Moeskop, Fred aan voor de belastinginspecteur van de keizer.
Fred besluit gebruik te maken van de situatie en laat zich heerlijk in de watten leggen op het kasteel van de kolonel.
Wanneer zijn ware identiteit aan het licht komt, slaat hij opnieuw op de vlucht.
Op een kermis loopt hij uiteindelijk de echte Napoleon tegen het lijf.
Nadat Fred de keizer van zijn vreselijke kiespijn verlost, benoemt Napoleon hem dankbaar tot zijn persoonlijke boezemvriend.
Een opvallende verschijning in het verhaal is zangeres Vanessa, die het personage van de kermisdanseres Mercedes vertolkt.
Zij vormt de charmante schone op wie hoofdpersoon Fred van der Zee op slag verliefd wordt.
Haar aanwezigheid zorgt voor het nodige vuurwerk en romantische verwikkelingen.
Met haar extravagante en opvallende uitstraling geeft zij de kermisscènes extra allure en fungeert ze als de ultieme blikvanger die Freds hoofd op hol weet te brengen.
De productie was in handen van Joop van den Ende en kent naast Vanessa en André van Duin een brede sterrencast uit de Nederlandse entertainmentwereld van die tijd.
Onder anderen Leen Jongewaard, Corrie van Gorp, Frans van Dusschoten, Jérôme Reehuis en Ischa Meijer spelen mee.
Ook is er een bekend gastoptreden van volkszanger André Hazes als herbergier.
De muziek van de film werd gecomponeerd door Tonny Eyk.
De première was op 9 december 1982 en werd bezocht door circa 716.000 mensen in de bioscoop.
Bijna vijf maanden werkte toen regisseur Guido Pieters aan de verfilming van Herman Heijermans’ Op Hoop van Zegen.
Dankzij een strak financieel beleid en het nodige scheldwerk om het onmogelijke mogelijk te maken, slaagde hij erin de film binnen het gestelde budget af te ronden.
In de rolprent schitterden naast Danny de Munk ook acteurs als Huub Stapel en Kitty Courbois.
Er heerste toen een doodse stilte in de pikdonkere studio van het immense Engelse Pinewood Studio-complex.
Iedereen was in afwachting van de aanwijzingen van regisseur Guido Pieters.
Een replica van het vissersschip ‘Op Hoop van Zegen’ dobberde rusteloos in een enorm bassin, waar de ondergang van de schuit uit het beroemde boek van Herman Heijermans werd gefilmd.
Pieters had bewust gewacht met de verdrinkingsscènes totdat de allerlaatste locatie-opnames gemaakt waren.
Volgens het verhaal van Heijermans verging het schip Op Hoop van Zegen met man en muis doordat een gewetenloze reder het wrakke schip, ondanks de waarschuwingen van ervaren schippers, toch op visvangst stuurde.
Acteurs Jaap Stobbe, Niek Pancras en Danny de Munk vormden een deel van de bemanning van het schip dat op volle zee verging.
Met zijn handen als een megafoon riep Pieters over de set dat Danny naar het voordek moest gaan zodra het teken ‘actie’ werd gegeven.
Even later klauterde de jonge acteur strompelend naar het voordek, terwijl hij voortdurend omver werd geblazen door kunstmatige golven.
Hoestend en proestend bereikte Danny de voorplecht, waar hij volgens het script een losgeschoten stag opnieuw moest vastmaken.
Pieters stopte de scène echter, omdat hij vond dat Danny niet angstig genoeg keek, waarna de scène opnieuw gedaan moest worden.
Zonder te morren begaf het jonge Nederlandse acteertalent zich opnieuw naar het achterschip om voor de tweede keer aan de loodzware scène te beginnen.
Duizenden liters water werden over hem uitgestort voordat Pieters tevreden was.
Danny verklaarde naderhand dat het erbij hoorde en dat je het goed moest doen als je iets wilde doen.
Pieters had vijf dagen uitgetrokken om de rampscènes op te nemen in de Pinewood Studio’s, die gespecialiseerd zijn in speciale effecten, maar dat vond hij eigenlijk veel te kort.
Pas na een hevige woede-uitbarsting richting de verantwoordelijke studiomanager werd de klus inderdaad in vijf dagen geklaard.
Pieters vertelde dat men zich daar niet kon voorstellen dat zij in staat waren om met een budget van vijf miljoen gulden, nog niet eens een vijfde van een gemiddelde Amerikaanse productie, deze film te maken.
De mensen dachten daar dat ze over ongelimiteerde bedragen konden beschikken.
Als een dergelijke scène in een Amerikaanse mammoetproductie had gezeten, was er zeker een maand voor uitgetrokken.
Pieters’ optimistische verwachting om na de studio-opnamen direct met de ruwe montage van ‘Op Hoop van Zegen’ te kunnen beginnen, werd echter de grond in geboord.
Na het zien van de eerste proefopnames bleken echte zeescènes absoluut noodzakelijk, omdat er te veel studiowerk te zien was.
Er was echt zeemateriaal nodig.
Speciaal voor deze opnamen werd het schip Knorrur, een van oorsprong Canadese vissersboot die door een Nederlander was gekocht, omgebouwd tot een exacte replica van de in de studio gebruikte Op Hoop van Zegen.
Twee weken lang werd er met deze schuit een groot aantal zee-opnamen gemaakt.
Daaronder bevond zich ook de scène waarin de ten ondergang gedoemde vissers, na wekenlang geen sterveling te hebben gezien, op de onmetelijke zee een Franse driemaster ontmoetten.
Deze scène vormde de belangrijkste opname van de inderhaast toegevoegde zeetrip.
Tot tweemaal toe liet Pieters de logge schepen op elkaar afstevenen voordat hij vond dat hij voldoende materiaal had geschoten.
Krakend zette de ‘Op Hoop van Zegen’, vol onder zeil, vervolgens koers naar de tijdelijke thuishaven Scheveningen.
Zelfs de laatste minuten op zee werden dankbaar gebruikt om extra close-ups te maken en de zonsondergang te filmen.
Pieters gaf aan dat ze elk moment benutten, omdat ze anders helemaal in tijdnood zouden komen te zitten.
De speelfilm ‘Op Hoop van Zegen’, met hoofdrollen voor Huub Stapel, Kitty Courbois, Renée Soutendijk, Willeke van Ammelrooy en Danny de Munk en onder regie van Guido Pieters, ging op donderdag 7 augustus 1986 in première.
Ondanks de hoge verwachtingen en de inzet van bekende namen trok de film uiteindelijk slechts 247.824 bezoekers naar de bioscoop, wat voor de producenten uitliep op een financieel verlies.
Toch werd het werk van de makers niet geheel over het hoofd gezien: in 1989 ontving de film de Publieksprijs op het Nederlands Film Festival.
Rond de productie waren er diverse opmerkelijke feiten.
De spectaculaire scène waarin het schip vergaat, besloeg slechts 5 procent van de totale filmduur, maar kostte met zo’n 500.000 gulden (omgerekend ongeveer 226.890 euro, wat wat betreft huidige koopkracht neerkomt op circa 450.000 tot 500.000 euro) een aanzienlijk deel van het totale budget.
Buiten de studio-opnamen in Engeland vonden de buitenopnames grotendeels plaats in het Zuid-Hollandse Goedereede en het Zeeuwse Yerseke.
Ook bij de casting verliep niet alles vanzelfsprekend; zo solliciteerde Piet Römer naar de rol van de wrede reder Bos, maar de keuze viel uiteindelijk op Rijk de Gooyer.
De muziek voor de film werd geschreven door Rogier van Otterloo.
Hij begon zijn omroepcarrière bij de radio, waar hij twaalf jaar lang het sportprogramma Langs de Lijn presenteerde.
Daarnaast was hij een tijdje verbonden aan het actualiteitenprogramma Dingen van de Dag en maakte hij talloze radio-interviews met bekende Nederlanders.
Tot zijn meest spraakmakende werk behoorden de gesprekken met Godfried Bomans en Jan Wolkers voor de serie Alleen op een eiland.
In de zomer van 1971 fungeerde hij hierin als contactpersoon tijdens hun eenzame verblijf op het eiland Rottumerplaat.
In 1978 bracht hij de single uit ‘Laat Me Effe Drukken’. Het zou bij deze enige single blijven en helaas niet terug te vinden zijn op YouTube.
Vanaf 1981 werkte Ruis op freelancebasis voor de televisie.
Datzelfde jaar maakte hij de veelbesproken overstap van zijn vorige werkgever, waar hij destijds al vijf seizoenen de Willem Ruis Show had gepresenteerd.
Bij zijn nieuwe omroep nam hij tot 1984 de presentatie van de bekende Lotto-shows op zich.
In de winter van dat jaar startte hij met de Sterrenshow, een project dat hij zelf omschreef als het grootste avontuur uit zijn loopbaan.
Dit programma werd live uitgezonden vanuit een Italiaanse circustent op wisselende locaties in het land.
Vanwege geldgebrek moest dit kostbare project uiteindelijk worden stopgezet.
Tussen alle presentatiebedrijven door maakte Ruis in 1982 trouwens ook nog zijn debuut als acteur in de speelfilm Het Beest.
Naast deze grote projecten stond Willem Ruis bekend om zijn ongekende energie, waarmee hij de harten van miljoenen kijkers veroverde.
Zijn bijnaam luidde dan ook de Kiss Master, omdat hij erom bekendstond kandidaten in zijn shows enthousiast te kussen en te omhelzen bij een overwinning.
Naast de grote Lotto-shows boekte hij ook enorme successen met de razend populaire spelshow Vijf tegen Vijf, die hij van 1982 tot vlak voor zijn dood presenteerde.
Ruis was een perfectionist die alles gaf voor zijn werk, wat hem destijds de bestbetaalde presentator van Nederland maakte.
Zijn plotselinge overlijden in 1986 aan een hartaanval tijdens een vakantie in het Spaanse Dénia schokte heel televisiekijkend Nederland en Vlaanderen en bracht een vroegtijdig einde aan de loopbaan van een van de grootste showmasters die het land gekend heeft.
Béatrice Marguerite Van der Maat werd geboren op 15 november 1960 in Gent en bouwde vanaf de jaren tachtig een veelzijdige loopbaan op als zangeres, presentatrice, actrice en lerares.
Haar kleutertijd speelde zich af in Itterbeek bij Brussel, in een heel klein schooltje dat gehuisvest was in een gebouw dat ooit een café was geweest.
Van die periode herinnerde ze zich later niet erg veel meer.
Dat ze in de buurt van Brussel opgroeide, was zeker geen slechte zaak, want op die manier leerde ze Frans.
Niets spectaculairs voor zover ze wist, behalve dan dat ze uitzinnig blij was als er om tien uur chocolademelk werd uitgedeeld.
Gisteren nog vandaag
De eerste maanden van het eerste leerjaar bracht ze door in Regina Caeli in Dilbeek.
Die allereerste schooldag zou ze nooit vergeten.
Haar vader reisde in die tijd veel en had haar een zakje gegeven met de opdruk British European Airways, wat afgekort BEA was.
Ze ging er uiteraard trots mee naar school, maar toevallig was er een juffrouw die ook Bea heette.
De oudere kinderen begonnen haar direct te pesten, omdat ze dachten dat ze het zakje van juffrouw Bea had gepakt.
Later kreeg haar vader een baan in de buurt van Gent te pakken en verhuisde het gezin.
Ze woonden in Sint-Amandsberg en Oostakker, waardoor Bea het eerste studiejaar afmaakte in Onze-Lieve-Vrouw Visitatie.
Dat viel mee, maar het tweede jaar werd een absolute ramp.
Haar zus ging naar het vierde leerjaar en vreesde voor de strenge juffrouw Georgette. Precies die leerkracht bleek te zijn overgeplaatst naar het tweede leerjaar.
Door alle angstaanjagende verhalen van haar zus had Bea vooraf zoveel schrik dat het nooit meer goed is gekomen.
Het werd een verschrikkelijk streng jaar waarin ze continu last had van buikpijn.
Haar moeder nam haar mee naar de dokter, maar er was lichamelijk niets aan de hand.
Het was puur psychologisch, buikpijn van narigheid.
Daarna volgden Tienen en Diest.
Verhuizen vond ze soms erg vervelend, want het was niet leuk om haar vriendinnetjes op school telkens achter te laten.
Vanaf het derde leerjaar tot het tweede jaar humaniora zat ze op het Koninklijk Lyceum in Tienen.
Daar viel alles weer op zijn pootjes.
De eerste dagen waren wel moeilijk, omdat ze haar vriendinnen in Gent miste; samen met haar jongste zus liep ze de eerste twee dagen huilend rond op de speelplaats.
Toch werd het er uiteindelijk heel plezant. Gelukkig vormden ze thuis een hecht gezin met vijf meisjes die stevig aaneen hingen.
Ze zaten met z’n vijven op dezelfde school, wat de leerkrachten en studiemeesteressen sympathiek vonden en waar Bea van kon profiteren.
Ze was een echte babbelkous, maar omdat ze geen studieproblemen had, werd dat door de vingers gezien.
Ze kreeg wel eens flink wat straf toen ze jeukpoeder mee naar de klas had genomen, maar verder waren er nauwelijks problemen.
Op momenten waarop ze zich verveelde, maakte ze haar tafels van vermenigvuldiging al van tevoren af.
Een specifieke herinnering uit de lagere school staat los van de klaspraktijk, maar bleek achteraf erg belangrijk.
Als jongste van het gezin moest ze altijd de gedragen kleren van haar zussen afdragen, terwijl haar vriendinnetjes steeds nieuwe spullen kregen.
Dat voelde soms oneerlijk.
Achteraf gezien is het doorstaan van die jaloezie heel waardevol geweest, want ze leerde dat kleding eigenlijk niet zo belangrijk is.
Tegenwoordig droeg ze met plezier kledingstukken van haar zussen.
Thuis kregen de zussen vooral Franse muziek mee van hun ouders, zoals Julien Clerc en Gilbert Bécaud.
Haar moeder had voortdurend de Franstalige radio opstaan.
Toen Toppop op de Nederlandse televisie begon, was dat meteen helemaal het einde.
Met haar zussen keek ze elke week en ze waren verzot op Gilbert O’Sullivan.
Ze stonden te dansen voor de televisie en zongen vol overgave mee.
Met haar oudste zus deelde Bea een kamer.
Zij luisterde ’s avonds vaak naar Radio Luxemburg, en op die manier leerde Bea ook Engelstalige muziek kennen.
Het begin van de humaniora verliep bijzonder aangenaam.
Samen met drie vriendinnen met wie ze de plechtige communie had gedaan, volgde ze de lessen zedenleer.
Ze waren slechts met hun vieren en hadden een ontzettend leuke lerares.
De lerares nam de vier meisjes in haar Porsche mee naar de bioscoop, en soms gingen ze tijdens de les iets drinken in het cafetaria van de GB.
Eén keer ontstond er opschudding toen de lerares tijdens een les over voorlichting allerlei hulpmiddelen meebracht om de uitleg te verduidelijken.
Nadat dat uitlekte, reageerden sommige ouders woedend.
Vanaf het derde jaar humaniora belandde Bea door een nieuwe verhuizing op de nonnenschool in Diest.
Dat was een grote overgang, maar achteraf bleek de hoge onderwijskwaliteit erg nuttig.
Het niveau lag zo hoog dat ze na haar eerste overhoring wiskunde slechts een half op twintig haalde.
Dat was een diepe ontgoocheling, maar haar moeder reageerde heel begripvol door te zeggen dat het nog altijd beter was dan een nul.
Die reactie deed deugd en stimuleerde haar om haar best te doen.
In het middelbaar koos ze voor wetenschappen, omdat ze hield van vakken zoals scheikunde en biologie.
Op haar jonge leraar biologie was ze trouwens erg lang verliefd.
Hij was pas afgestudeerd en droeg meestal een zwart fluwelen pak.
Boven haar bed hing een kalender waarop ze op biologiedagen de letters P.V. noteerde, wat verwees naar Piet Verhoeven uit de Dagobertstraat in Leuven.
Ondanks haar liefde voor wetenschappen koos ze daarna toch voor een studie Germaanse talen.
Dat bleek evenwel te hoog gegrepen.
Ze heeft uiteindelijk geen examens meegedaan, maar toch heeft ze in dat jaar veel geleerd.
Ze begon kranten te lezen, raakte geïnteresseerd in politiek en in de wereld om haar heen, én ze leerde haar man kennen.
Het jaar daarop ging ze regentaat studeren.
Ze was erg enthousiast over lesgeven en wilde de perfecte lerares worden.
Ze overwoog sterk om effectief in het onderwijs te stappen, maar begin jaren tachtig waren de banen in die richting dun gezaaid.
Bovendien waren Bea en haar man net begonnen met hun newwaveband Chow-Chow en hadden ze geld nodig.
Haar man was een echte muziekfreak en hoewel hij zelf geen gitaar speelde, wilde hij graag een band beginnen.
Het was de bloeiperiode van de punk, waarin emotie belangrijker was dan perfect spel.
Bea bleek een goede stem te hebben en mocht zingen.
Om geld te verdienen voor de band ging ze op de boekhouding van een bedrijf werken.
Het was een saaie baan, maar het leverde de nodige financiële middelen op.
In 1982 deden ze met Chow-Chow een eerste keer mee aan Humo’s Rock Rally.
Ze kregen toen prima beoordelingen, maar raakten niet in de finale.
Bij hun tweede deelname in 1984 lukte dat wel en bereikten ze de finale.
Als ze later naar die muziek luisterde, vond ze het zeker niet slecht, al hoorde je wel hoe jong en onervaren ze toen nog waren.
Na het ontbinden van die groep gingen ze verder met meer muzikanten: een saxofonist, een tweede gitarist en een keyboardspeler.
Met die uitgebreide bezetting ging Bea als frontvrouw verder onder de naam Won Ton Ton.
Die naam klonk gewoon goed en kwam er ook grafisch mooi uit.
Pas later ontdekten ze dat er ooit een film was gemaakt met de titel Won Ton Ton, maar daar had hun naamkeuze niets mee te maken.
Bea was wel blij dat het om een hond ging, want ze was een grote hondenliefhebber.
Wie Won Ton Ton zegt, denkt onvermijdelijk aan de hit ‘I Lie and I Cheat’ uit 1988, wat een grote Belpop-klassieker werd.
Het nummer bereikte destijds in Vlaanderen de tiende plaats in de BRT Top 30.
Ook in Nederland was de single een succes met een dertiende plaats in de Top 40.
Vandaag is dit een onbetwiste klassieker.
De totstandkoming van dat nummer verliep heel organisch, net als bij hun andere nummers.
De ene muzikant speelde iets, de andere ging erop verder en zo groeide het lied vanzelf.
Ook de tekst ontstond via een hechte samenwerking: Bea begon woorden te zingen en haar man maakte de zinnen af.
De uiteindelijke songtekst gaat over mishandeling, al was dat uiteraard helemaal niet autobiografisch.
Hoewel er destijds zelfs internationale interesse was vanuit de Verenigde Staten, koos ze bewust voor haar gezin nadat ze zwanger werd van haar eerste kind.
In 1996 bracht ze nog het soloalbum Thin Skinned uit, een plaat die ze zelf als een persoonlijk muzikaal hoogtepunt beschouwde.
Eind jaren tachtig werd ze een bekend gezicht voor het brede publiek.
Bij de start van de commerciële zender VTM in 1989 vormde ze samen met Willy Sommers het allereerste presentatieduo van het populaire muziekprogramma Tien om te zien.
Een jaar later maakte ze haar filmdebuut aan de zijde van Urbanus in de kaskraker Koko Flanel, die uitgroeide tot een van de meest succesvolle Vlaamse bioscoopfilms ooit.
Later presenteerde ze onder meer de programma’s Dag Coco, Studio Gaga en het natuurprogramma Rare Streken.
Toch verklaarde ze later dat de schijnwerpers en de roem haar niet altijd even goed lagen.
Ze maakte een stap terug uit de mediawereld en besloot haar regentaatsdiploma te gebruiken om les te geven.
Vanaf 2004 gaf ze als leerkracht Engelse les in de middenschool in Keerbergen.
In juni 2022 werd bij haar de spierziekte ALS vastgesteld.
Bea Van der Maat koos uiteindelijk voor euthanasie en overleed op 27 juli 2023 op 62-jarige leeftijd.
30 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse zangeres Bea Van der Maat (De Post 13 september 1991)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (Joepie januari 1990)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (1989)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat in de Joepie van 16 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Koen Wouters, Willy Sommers, Bea Van Der Maat en Bart Kaëll in de Joepie van 23 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Geen sterallures bij Bea Van der Maat en Dani Klein (Joepie 17 april 1988)
Gisteren nog vandaag
Het schoolverleden van Bea Van der Maat (Joepie 5 oktober 1986)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat met het nummer Pain voor de tv-serie Flikken
Na het afronden van een klassieke opleiding aan de Koninklijke Toneelschool van Gent verwierf hij al snel bekendheid binnen de amateurverenigingen, en in het bijzonder bij de Gentse Rederijkerskamer Jhesus met der Balsemblomme.
Daar ontmoette hij de toenmalige Prince Souverein Herman Van Overbeke.
Deze ontmoeting vormde het startschot van een zeer vruchtbare samenwerking, die de aanzet gaf tot het structureren en uitbreiden van talloze rederijkerskamers en amateurgezelschappen in Vlaanderen.
Vanuit die gedrevenheid stichtte Van Lanckere in 1932 het Algemeen Kristelijk Vlaams Toneel (A.K.V.T.), een verbond dat voornamelijk Oost-Vlaamse gezelschappen verenigde.
Slechts vier jaar later volgde de oprichting van het Nationaal Vlaams Kristelijk Toneelverbond (N.V.K.T.), een overkoepelende organisatie voor alle landelijke Vlaams-christelijke amateurgezelschappen.
Hij zette zich hier met hart en ziel voor in als bezielend secretaris-generaal, tot hij in 1986 wegens ziekte de fakkel moest doorgeven.
Zijn ambities in het theater reikten echter nog verder.
In 1950 richtte hij de Keurgroep op, een initiatief waarmee hij getalenteerde acteurs wilde samenbrengen.
De kwaliteiten van deze groep bleven niet onopgemerkt, want al snel werden ze gevraagd om toe te treden tot de International Amateur Theatre Association (I.A.T.A.).
Dit opende de deuren naar een indrukwekkende internationale tournee.
De Keurgroep trad op doorheen heel Europa, met voorstellingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië, Tsjechoslowakije, Italië, Denemarken, Finland, Oostenrijk, Roemenië, Ierland en Schotland. Ook buiten de Europese grenzen wisten ze het publiek te boeien, met opvoeringen in Amerika, Japan, Mexico en India.
Naast zijn levenswerk in het theater bouwde Carlos Van Lanckere eveneens een mooie carrière op in de film- en televisiewereld.
Hij was erbij toen de allereerste opnamen van het toenmalige N.I.R., de nationale televisieomroep van België, werden gemaakt en groeide al snel uit tot een vertrouwd gezicht in tal van Vlaamse televisiereeksen.
Zo schitterde hij als Naten in De Filosoof van Haeghem, waar hij speelde aan de zijde van Romain Deconinck en Jenny Tanghe.
In de reeks Dirk Van Haveskerke, een bewerking van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen, nam hij de rol van Jan Breydel voor zijn rekening, geflankeerd door Luc Philips in de rol van Pieter De Coninck.
Daarnaast vertolkte hij de opmerkelijke rol van Gust Verhelle in de televisieklassieker De Paradijsvogels.
Ook op het witte doek liet hij zijn sporen na.
Tijdens de eerste internationale doorbraak van de Vlaamse film in 1971 speelde hij deken Broeke in Mira, een film met Jan Decleir en Willeke van Ammelrooy die toen een officiële selectie wist te verzilveren op het prestigieuze filmfestival van Cannes.
Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven bleef hij met onverminderde interesse alles wat met het amateurtheater te maken had op de voet volgen, een passie die hij koesterde tot aan zijn overlijden op 23 juli 1996.
In dit boek van Petra Rosseau volgen we drie vriendinnen die elkaar dertig jaar geleden leerden kennen op de parking van de Gamma tijdens een concert van De Kreuners.
Die ontmoeting veranderde hun leven voorgoed.
Het resultaat is een hartverwarmend en persoonlijk verhaal vol muziek, backstageverhalen, koude nachten en bovenal een onverwoestbare vriendschap.
De lezer krijgt een unieke inkijk in een stukje belpopgeschiedenis, rijkelijk geïllustreerd met foto’s die destijds werden genomen met hun eerste eenvoudige fototoestellen.
De reacties op het boek zijn lovend.
Zo noemt Rick Tubbax het een bijzonder goed geschreven en meeslepend relaas dat hij in één ruk heeft uitgelezen.
Hij genoot van de rake typeringen en de humor in het verhaal.
Zelfs Walter Grootaers merkte op dat zelfs Ben Crabbé het boek kan waarderen.
Dit succes is te danken aan de unieke dynamiek tussen de drie hoofdrolspelers.
Christelle de Bosschere is de sociale spil van de groep.
Dankzij haar durf en haar uitgebreide netwerk kregen de vriendinnen vaak toegang tot de backstage en kwamen samenwerkingen met namen als Jean Blaute en Rick de Leeuw tot stand.
Natacha van Meenen vormt het creatieve brein.
Hoewel ze inmiddels in Ierland woont en een deel van haar eigen archief verloor, wist zij met haar oog voor vormgeving van alle oude foto’s en herinneringen een prachtig geheel te maken.
Petra Rosseau is de drijvende kracht en organisator.
Met haar scherpe geheugen en haar vlotte pen fungeerde zij als de schrijver die alle avonturen op papier kreeg.
Wanneer hoofd, hart en handen op deze manier samenkomen, ontstaat er iets bijzonders.
Drie meiskes uit Gent is daarvan het levende bewijs: een ode aan vriendschap die garant staat voor urenlang leesplezier.
De Nederlands-Surinaamse actrice en theatermaakster Alida Neslo groeide op in Suriname in een intellectueel gezin en is de zus van de bekende surinamiste Ellen Neslo.
Al op jonge leeftijd kwam ze in aanraking met de kunsten dankzij balletlessen van haar oom, de balletpedagoog Percy Muntslag.
Na het afronden van het Atheneum A koos ze aanvankelijk voor een talenstudie.
Ze vertrok naar Vlaanderen en behaalde aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen haar bachelor in Spaans en Engels.
Toch ontdekte ze dat haar ware passie ergens anders lag.
Ze besloot haar talenstudie niet te vervolgen en schreef zich in aan de befaamde theateropleiding Studio Herman Teirlinck in dezelfde stad.
Haar studententijd was niet alleen leerzaam, maar ook avontuurlijk.
Om haar opleiding te bekostigen, trok ze als danseres door Vlaanderen met een drive-inshow, waarbij ze het podium deelde met bekende artiesten als Vader Abraham, Jacques Herb, De Kermisklanten en Mieke.
In 1980 studeerde ze succesvol af.
Haar carrière nam al snel een vlucht toen ze zich aansloot bij Tiedrie, het Theater van de derde wereld onder leiding van Tone Brulin.
Hier schitterde ze in stukken als Kapai-Kapai, Charkawa, Gilgamesj en het door Edgar Cairo geschreven Ba Anansi.
Daarnaast deed ze ruime podiumervaring op bij Mudra Afrique, waar ze werkte met de gerenommeerde choreografen Maurice Béjart en Germaine Acogny, en stond ze op de planken bij de Zwarte Komedie, met teksten van onder meer Tom Lanoye en Bert Verhoye, en bij het Nederlands Toneel Gent.
Voor het grote publiek in Vlaanderen werd Alida in 1983 een bekend en geliefd gezicht dankzij haar rol als panellid in het televisieprogramma TV-Touché.
Nog generatie-overstijgender was haar verschijning als Alida in het educatieve kinderprogramma
De Boomhut op de VRT, het huidige Ketnet. Dit programma was een groot succes en werd in 1998 zelfs bekroond met de Prijs voor het beste jeugdprogramma van de Vlaamse Gemeenschap.
Haar televisiewerk omvatte verder de presentatie van Het einde van de wereld en de creatie van diverse documentaires, wat haar brede inzetbaarheid als mediamaker onderstreept.
Haar onberispelijke taalgevoel kwam in 2003 prachtig tot uiting toen ze deelnam aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal.
Halverwege de jaren negentig verlegde ze haar werkterrein naar Nederland.
In 1995 werd ze artistiek leider bij De Nieuw Amsterdam, een theatergroep en toneelopleiding die oorspronkelijk was opgezet door Rufus Collins.
Vijf jaar later, in 2000, volgde ze Ritsaert ten Cate op als directeur van de theateropleiding DasArts, een door hem opgezette tweede fase-opleiding voor reeds afgestudeerde theaterstudenten.
Ondanks haar successen in Europa bleef Suriname trekken.
In 2006 besloot ze terug te keren naar haar geboorteland met een duidelijke missie: het opzetten van een hoogwaardige toneelopleiding, vergelijkbaar met de Studio Herman Teirlinck waar zij zelf haar vak had geleerd.
Naast deze feiten over haar rijkgevulde loopbaan zijn er nog enkele bijzondere weetjes over Alida Neslo.
Met haar rol in TV-Touché was ze een van de eerste opvallende vrouwen van kleur op de Vlaamse televisie die structureel in een intellectueel en satirisch panel plaatsnam, wat destijds een ware doorbraak was in de media.
Bij haar terugkeer in Suriname beperkte ze zich bovendien niet tot het reguliere kunstonderwijs.
Ze startte bijzondere theaterprojecten met gedetineerden, onder andere in de gevangenis van Santo Boma, om hen via creatieve expressie te helpen bij hun rehabilitatie en terugkeer in de maatschappij.
Daarnaast groeide ze al snel uit tot een onmisbare stem in de Surinaamse cultuursector, waar ze onder meer optrad als adviseur voor het Directoraat Cultuur.
e laat een indrukwekkende en veelzijdige erfenis achter in de Vlaamse showbizz, de politiek en ver daarbuiten.
Wat veel mensen misschien niet weten, is dat Margriet haar professionele carrière oorspronkelijk begon voor de klas als leerkracht Frans, geschiedenis en Engels.
In 1985 maakte ze echter de verrassende overstap naar de muziek, en dat bleek een gouden zet.
Als zangeres scoorde ze al snel onvergetelijke hits zoals Een vriend, Alle mooie mannen zijn zo lelijk en Laissez rouler le bon temps, Jacqueline.
Haar muzikale succes opende al snel de deuren naar de televisiewereld.
Tussen 1989 en 1997 groeide ze uit tot een absoluut kijkcijferkanon voor de openbare omroep met haar eigen talkshow Margriet, die in de zomers steevast werd uitgezonden vanuit het Casino in Middelkerke.
Met haar onmiskenbare, bulderende lach en bijzonder spontane stijl werd ze een van de populairste schermgezichten van het land.
Ze was in die tijd een absolute vaste waarde in de huiskamers, niet alleen als presentatrice, maar ook als gewaardeerd panellid in geliefde programma’s zoals De zoete inval op Radio 2 en de legendarische komische quiz Zeg eens euh… op TV1.
Eind jaren negentig besloot Margriet een heel andere weg in te slaan en stapte ze in de politiek voor de partij Open Vld.
Ze diende jarenlang met veel vuur en engagement als Vlaams volksvertegenwoordiger, een ambt dat ze uitoefende tot ze in 2009 afscheid nam van het parlement.
Naast haar drukke publieke leven was ze in de eerste plaats een bijzonder trotse moeder van haar dochter Celien Deloof.
Moeder en dochter deelden een enorme passie voor zingen en stonden in de loop der jaren regelmatig samen op het podium.
Margriet was bovendien altijd heel erg eerlijk over haar persoonlijke leven; zo sprak ze als een van de eersten in Vlaanderen erg openhartig over haar maagverkleining, wat voor veel mensen bijzonder inspirerend en drempelverlagend werkte.
In 2022 maakte ze een fantastische, breed gedragen muzikale comeback dankzij haar deelname aan het VTM-programma Liefde voor muziek.
Haar vrolijke cover ‘Lekker blijven hangen’, een Nederlandstalige bewerking van ‘She’s after my piano’ van 2 Fabiola, werd een gigantisch succes waarmee ze volkomen verdiend de begeerde Radio 2 Zomerhit in de wacht sleepte.
Als ultieme kroon op haar schitterende carrière werd ze in 2023 feestelijk opgenomen in de Eregalerij van Radio 2.
Deze bekroning bevestigde nog maar eens haar status als een ware icoon van de entertainmentwereld.
De zangeres Micha Marah is een achternicht van Hermans.
Vlaanderen neemt vandaag afscheid van een warme, kleurrijke en veelzijdige vrouw die generaties lang zorgde voor een lach en een traan.
Een foto van lang geleden, van Margriet Hermans (foto uit mijn privécollectie)
Gisteren nog vandaag
Margriet Hermans en haar eerste single een vriend.
Het nummer is geschreven door Chris Peeters, Marc Dex en Margriet Hermans. Roland Verlooven zorgde voor een indrukwekkende productie. De single was goed voor een eerste plaats in de Vlaamse Top 10 op 5 september 1987.
Margriet Hermans, dit is mijn paleis (Story 19 mei 1987)
Gisteren nog vandaag
Margriet Hermans medewerking aan Werelddierendag in het teken van onze vrienden de hond en de kat.(4 oktober 1991)
In mei 1976, inmiddels vijftig jaar geleden, stond PopPoll-winnaar Luk Appermont op het punt om de volgende maand naar de Verenigde Staten te reizen om frisse televisie-ideeën op te doen.
De BRT-presentator werd destijds aangenaam verrast toen de lezers van Joepie hem in de allereerste poppoll verkozen tot beste tv-presentator.
Dat zijn programma Labyrint op de vierde plaats eindigde, deed hem even opkijken.
Luk vertelde toen dat hij blij was dat Labyrint was gestegen in de polls, vooral omdat het programma minder op tieners was gericht dan zijn eerdere werk. Waar in Binnen en Buiten nog veel popvedetten optraden, was Labyrint immers een stuk serieuzer.
Hij keek met tevredenheid terug op de uitzendingen, vooral omdat hij er veel eigen inbreng in kwijt kon.
Volgens hem moet je als presentator volledig achter een concept staan om het goed te kunnen brengen.
Wel betreurde hij het dat er destijds zo weinig eigen Vlaamse producties werden gemaakt.
De presentator steunde dan ook de actie van Vlaamse artiesten die vonden dat de BRT hen boycotte.
Luk noemde hun protest volkomen verantwoord.
Hij vond dat er te weinig Vlaamse artiesten aan bod kwamen op het scherm en sprak de kritiek dat ze niets konden tegen.
Door zijn vele optredens in het land wist hij immers hoe getalenteerd ze waren.
Hij zag het als een vicieuze cirkel: als de radio meer Vlaamse muziek zou draaien, zouden de platen beter verkopen.
Dat zou weer leiden tot grotere budgetten en meer initiatief, wat de kwaliteit alleen maar ten goede zou komen.
Nu moesten artiesten helaas vaak eerst succes in het buitenland boeken voordat ze in eigen land werden gewaardeerd, iets wat Luk destijds te gek voor woorden vond.
Naast zijn televisiewerk was Luk in die periode veel op de Vlaamse podia te vinden, onder andere met de Vlaamse 5 Sterrenshow.
Soms zong hij met een orkest, maar meestal stond hij op de planken als conferencier in een show vol spelletjes en humor.
Op televisiegebied was de serie Hit-journal, een coproductie met buitenlandse zenders, net afgelopen.
Luk liep destijds rond met plannen voor een nieuw, degelijk programma dat puur door de BRT geproduceerd zou worden.
Die plannen waren toen nog vaag en alleen Labyrint was een zekerheid, al kon ook dat snel veranderen.
Zijn populariteit reikte destijds al tot over de landsgrenzen, zo bleek toen hij in Den Haag was om voor de BRT commentaar te leveren bij het Eurovisiesongfestival.
Tot zijn grote verbazing bleek het Nederlandse publiek hem te kennen.
Mensen vroegen massaal om foto’s en handtekeningen, en Luk was naar eigen zeggen blij dat hij er toevallig een aantal bij zich had. Dankzij de opkomst van kabeltelevisie keken ze in het hart van Nederland naar de Belgische zender.
Opvallend genoeg waren de Nederlanders erg enthousiast over Labyrint en vonden ze het vaak beter dan hun eigen programma’s, terwijl de Vlamingen destijds juist vaak naar de Nederlandse televisie opkeken.
De geplande reis naar de Amerikaanse televisiestations deed hij overigens volledig op eigen initiatief, zonder financiële steun van de BRT.
Zijn indrukwekkende loopbaan als presentator, zanger, acteur en conferencier begon vlak na de oorlog in een bescheiden schoolorkestje.
Al snel vond hij zijn weg naar grotere podia op gala’s en kermissen.
Een belangrijke wending in zijn leven vond plaats in de jaren vijftig in Amsterdam, waar hij zijn eerste vrouw Yvonne Henneco ontmoette.
Hij volgde haar naar België en kwam zo terecht in de artistieke kringen rond het orkest van Marcel Hellemans.
In de jaren die volgden werkte hij samen met bekende namen zoals Miel Cools en Claire.
Met die laatste scoorde hij in 1977 een grote hit; hun duet ‘Op de purp’re hei’ voerde twee weken lang de Vlaamse top tien aan.
Hoewel hij zijn mediacarrière op de radio startte, werd hij bij het grote publiek vooral geliefd via de televisie.
Opvallend genoeg was hij vaker op de Belgische dan op de Nederlandse buis te zien, met succesvolle programma’s als Hallo met Henk en Henk in Wonderland.
In Nederland genoot hij bekendheid met titels als Hallo hier Hilversum.
Naast zijn werk als presentator was Van Montfoort in de jaren zestig een veelgeziene gast in diverse televisiefilms en series.
Hoewel hij begin jaren tachtig officieel besloot om het rustiger aan te doen, bleef het podium aan hem trekken.
Foto met zijn zoon Tonny Van Montfoort, helaas ook al overleden op 24 april 2024.
Tot in 2001 trad hij nog regelmatig op met een speciale show voor senioren.
Henk van Montfoort overleed uiteindelijk op 71-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.
De opmars van de Vlaamse amusementsmuziek aan het begin van de jaren negentig werd gedreven door een grenzeloos optimisme bij duizenden aspirant-artiesten.
Aangespoord door familie, fans en kleine platenbonzen geloofden velen oprecht dat ze een fantastisch talent bezaten.
Dit leidde ertoe dat artiesten soms wel zes singles opnamen en tot anderhalf miljoen Belgische frank investeerden — wat vandaag de dag neerkomt op ruim 37.000 euro — voordat ze beseften dat de beloofde distributie en promotie door de platenfirma uitbleven.
In de praktijk moesten vaders van jonge zangers vaak zelf met de auto de lokale winkels bevoorraden, omdat de beloofde nationale promotie uitbleef.
Het enorme succes van het wekelijkse muziekprogramma Tien om te zien op de commerciële televisie fungeerde hierbij als de grote katalysator.
Het programma bood een ongekend nationaal podium voor het levenslied en de lokale popmuziek, waardoor de verkoopcijfers van Vlaamstalige producties explodeerden.
Voor gevestigde iconen zoals Willy Sommers, die al sinds de jaren zeventig een sterrenstatus genoot met klassiekers als Zeven anjers, zeven rozen, betekende dit een krachtige tweede adem.
Het programma verbond de jarenlange ervaring van dergelijke boegbeelden met een hernieuwde commerciële dynamiek, waardoor zij ook bij een jongere generatie prominent in het vizier bleven.
Opvallend is dat Nederland op dit vlak een belangrijke voorloper was waar veel Vlamingen jarenlang naar keken.
Al vanaf 1971 was daar Op losse groeven te zien, dat later werd opgevolgd door Op Volle Toeren.
Beide programma’s werden gepresenteerd door Chiel Montagne, die daarmee de absolute pionier van het genre was.
Montagne, die helaas op 24 juli 2025 is overleden, bleef voor velen het symbool van de waardering voor het Nederlandstalige lied.
Omdat de Vlaamse staatszender BRT dergelijke amusementsvriendelijke programma’s nauwelijks bood, stemden veel kijkers in Vlaanderen, zoals ik, af op de Nederlandse televisie voor hun portie muziek van eigen bodem.
Pas met de komst van VTM kregen deze artiesten met Tien om te zien eindelijk een eigen lokaal platform van vergelijkbare schaal.
Naast de gevestigde waarden ontstond er in Vlaanderen echter een enorme nieuwe instroom die hoopte op een vergelijkbare doorbraak als bij de noorderburen.
Dit creëerde een scherp onderscheid tussen de professionele top en de wereld van de loonpersingen.
Terwijl de echte sterren konden rekenen op professionele begeleiding, boden kleine labels amateurs de kans om tegen hoge prijzen een single op te nemen.
Zangers draaiden vaak zelf volledig op voor de productiekosten. Voor een oplage van duizend exemplaren betaalde een artiest destijds tussen de 70.000 frank (ongeveer 1.735 euro) en 115.000 frank (bijna 2.850 euro).
Dit bedrag dekte de kosten voor de studio en een vierkleurenhoes, maar de beloofde kwaliteit bleek in de praktijk niet altijd op waarheid te berusten.
De markt raakte hierdoor verzadigd met muziek die door experts vaak als hopeloos ouderwets werd omschreven.
Het was niet ongewoon dat dezelfde melodieën aan verschillende artiesten tegelijkertijd werden verkocht, waarbij enkel de tekst werd aangepast.
Maandelijks stroomden er tientallen van dit soort singles en cassettes binnen bij televisieproducenten, ingestuurd door mensen die ervan overtuigd waren dat zij de volgende grote ster zouden worden naast hun idolen uit de jaren zeventig en tachtig.
Sommigen gingen zelfs zo ver dat ze hun volledige spaargeld van bijvoorbeeld 800.000 frank (circa 19.830 euro) opofferden voor een moment in de spotlights.
Voor de meeste van deze hoopvolle talenten bleef de kelder echter de uiteindelijke bestemming voor hun voorraad.
Meer dan de helft van de geperste singles raakte men aan de straatstenen niet kwijt.
De schrille tegenstelling tussen de weinigen die werkelijk doorbraken en de massa die enkel betaalde voor een illusie, typeerde deze gouden jaren van de Vlaamse showbizz.
Ondanks de financiële aderlating bleven velen hun uitgaven zien als een noodzakelijke investering in een droom, waarbij de glitter van het televisiescherm een onweerstaanbare, maar voor velen onbereikbare aantrekkingskracht behield.
Eduard Van de Walle, de man die de wereld zou veroveren als Eddy Wally, werd op 12 juli 1932 geboren in een arbeidersgezin in Zelzate.
De kiem voor zijn showbizzcarrière werd gelegd door zijn vader Henri, een teerfabriekarbeider die zelf ook optrad en de jonge Eduard leerde musiceren op de accordeon, gitaar en mondharp.
Het noodlot sloeg echter vroeg toe: toen Henri op 49-jarige leeftijd overleed, moest de pas veertienjarige Eduard als kostwinner aan de slag in een weverij.
Toch liet hij zijn dromen niet varen. Na zijn werkuren schuimde hij de toenmalige talentenjachten, de zogeheten crochetwedstrijden, af.
Daar vond hij niet alleen een publiek, maar ook de liefde van zijn leven, Mariëtte.
Het paar trouwde in 1956 en kreeg een jaar later hun dochter Marina.
In de vroege jaren 60 begon het grote avontuur onder zijn nieuwe artiestennaam.
Eddy opende zijn eigen dancing Paris-Las Vegas in Ertvelde en combineerde dat met zijn werk op de Vlaamse markten.
Als marktkramer verkocht hij met zwier handtassen, een stiel die hem de knepen van het entertainment bijbracht en die hij nooit zou vergeten; hij bleef zichzelf altijd zien als een man van het volk, wat later prachtig tot uiting kwam in zijn lied ‘Als Marktkramer Ben Ik Geboren’
De grote ommekeer kwam in 1966 door zijn samenwerking met de Nederlandse producer Johnny Hoes.
Hun eerste single Chérie werd een ongekend succes: een nummer 1-hit in de Ultratop met meer dan 50.000 verkochte exemplaren.
Wat volgde was een indrukwekkende reeks successen en opmerkelijke wapenfeiten zonder afzonderlijke grenzen tussen zijn rollen als zanger en entertainer.
Naast klassiekers als Ik Spring Uit Een Vliegmachien bewees Eddy zijn tijdloze kracht in 1995 met de house-versie Chérie (Is In Da House).
Deze gigantische comeback bereikte zelfs de Nederlandse Tipparade.
Als de Voice of Europe trok hij bovendien naar Las Vegas en Rusland, terwijl zijn debuuthit in het Chinees werd vertaald als Baobei.
Zijn liveoptredens waren legendarisch, niet alleen om de muziek, maar vooral om de ongeëvenaarde interactie met zijn fans.
Met een ontwapenend enthousiasme strooide hij kwistig met oneliners die uitgroeiden tot zijn handelsmerk.
Wanneer hij het podium betrad, klonk steevast het triomfantelijke “Eddy Wally is in the house!”, gevolgd door een oprecht “Geweldig!” bij elk applaus.
Deze uitspraken waren geen ingestudeerde nummertjes, maar een uiting van zijn natuurlijke charisma, waardoor hij uitgroeide tot een onmisbaar mediafenomeen.
Hij toonde zijn enorme zelfspot in het absurdistische programma Lava als Kapitein Wally, samen met Kamagurka en Herr Seele op de tv.
Zijn status was zo groot dat hij opdook in strips van Urbanus en Suske & Wiske, en gastrollen vertolkte in F.C. De Kampioenen en de film Camping Cosmos.
De erkenning voor zijn unieke persoonlijkheid reikte uiteindelijk tot in de kosmos; in 1994 werd de planetoïde (2025) Eddywally naar hem vernoemd.
In 2013 volgde een lokaal hoogtepunt toen hij de allereerste ereburger van de Gentse Feesten werd.
Met de persoonlijke documentairereeks Kroost uit 2014 werd het beeld van de volksjongen die uitgroeide tot een wereldster definitief vereeuwigd.
Morgenavond, 7 februari, brengt VRT 1 de eenmalige docu ‘Chérie’, naar aanleiding van het overlijden van volksheld, cultfiguur, charmezanger en fenomeen Eddy Wally tien jaar geleden.
Foto van Eddy Wally in zijn geliefde dancing ‘Paris-Las Vegas’ in Ertvelde
Edwin Gubbins Doorenbos werd geboren op 10 juli 1894 in Den Haag en overleed op 28 maart 1974 in Amsterdam.
Hij was een markante verschijning in de Nederlandse amusementswereld van de jaren dertig, veertig en vijftig. Als zanger, pianist en tekstdichter gaf hij een eigen kleur aan het chanson en cabaret.
Hij stond bekend om zijn geraffineerde stijl en bracht achter de piano luisterliedjes met een internationale flair, waarmee hij een brug sloeg tussen het traditionele variété en de literaire kleinkunst.
In 1936 was hij op het witte doek te zien als zanger in de film Komedie om geld, onder regie van Max Ophüls.
In januari 1936 besteedde het tijdschrift ABC uitgebreid aandacht aan zijn bijzondere initiatief in Laren.
Doorenbos had daar het deel van een oude boerenhofstede ingericht als cabaretzaal, die hij het Nederlandse Montmartre noemde.
In deze ruimte, verlicht door kaarsen in lege wijnflessen en ingericht met tonnen als tafels, streefde hij er samen met enkele medewerkers naar om de kleinkunst in ere te houden.
Een van hen was Eline Pisuisse, de dochter van de cabaretpionier Jean-Louis Pisuisse.
Ook Rita Fleming werkte mee aan het programma; zij was in die jaren actief als zangeres en actrice in het Nederlandse theater- en cabaretcircuit.
In zijn repertoire liet hij zich inspireren door het werk van Alec Andrew Templeton, een blinde Britse pianist, componist en satiricus wiens compositie Bach Goes to Town in 1939 een grote hit was voor Benny Goodman.
Doorenbos integreerde deze swingende, neoklassieke benadering op een natuurlijke wijze in zijn eigen muzikale voordrachten.
Naast zijn podiumcarrière was Doorenbos een gerespecteerd verzamelaar en kenner van antieke klokken en horloges. Z
Zijn expertise op dit gebied leidde in 1963 tot de publicatie van zijn boek ‘Klokken’ (ABC 12 januari 1936).