
Gisteren nog vandaag
Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Gisteren nog vandaag
Federico García Lorca werd in 1898 geboren in het Spaanse dorpje Fuente Vaqueros, dicht bij Granada.
Al op jonge leeftijd bleek zijn grote creativiteit, die zich aanvankelijk vooral uitte in zijn passie voor muziek en piano.
Toen hij in 1919 naar Madrid verhuisde om te gaan wonen in de beroemde studentenresidentie, kwam hij terecht in het bruisende hart van de Spaanse avant-garde.
Daar sloot hij hechte vriendschappen met kunstenaars als de schilder Salvador Dalí en de filmmaker Luis Buñuel. Buñuel, die later uitgroeide tot een van de meest baanbrekende en spraakmakende surrealistische regisseurs uit de filmgeschiedenis, deelde in die tijd een intense artistieke en intellectuele band met Lorca.
Hoewel hun artistieke visies later soms schuurden, beïnvloedden de ideeën van Buñuel over droomsymboliek en de scherpe maatschappijkritiek Lorca’s eigen zoektocht naar vernieuwing binnen de literaire wereld.
Deze inspirerende omgeving vormde de basis voor zijn doorbraak als een van de belangrijkste stemmen van de ‘Generación del 27’.
Deze Generación del 27 was een invloedrijke groep Spaanse dichters en kunstenaars die rond 1927 opkwam, het jaar waarin zij de driehonderdste sterfdag van de barokdichter Luis de Góngora eerden.
De beweging kenmerkte zich door een vernieuwende zoektocht naar een balans tussen de traditionele Spaanse volkspoëzie en de avant-gardistische stromingen van die tijd, zoals het surrealisme en het symbolisme.
In zijn literaire werk bracht Lorca de aloude volkstradities en folklore van zijn geliefde Andalusië samen met vernieuwende, moderne vormen.
Zijn dichtbundel ‘Romancero gitano’ uit 1928 maakte hem op slag beroemd.
Daarin vlocht hij hartstocht, verlangen, de maan en het noodlot naadloos aan elkaar. Een reis naar de Verenigde Staten inspireerde hem later tot het schrijven van ‘Poeta en Nueva York’, een veel duisterder werk waarin hij de kille mechanisering en het kapitalisme van de grote stad aan de kaak stelde.
Lorca was echter niet alleen dichter, maar ook een gedreven vernieuwer van het Spaanse theater.
Met zijn reizende toneelgezelschap ‘La Barraca’ trok hij langs dorpen op het platteland om klassieke Spaanse stukken toegankelijk te maken voor het gewone volk.
Later schreef hij zelf beroemde toneelstukken zoals ‘Bloedbruiloft’, ‘Yerma’ en ‘Het huis van Bernarda Alba’.
In deze drama’s stonden thema’s als maatschappelijke onderdrukking, onbeantwoorde liefde en de beklemmende rol van de vrouw centraal.

Het leven van Lorca eindigde tragisch op veel te jonge leeftijd.
Aan het begin van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 werd hij in Granada gearresteerd door aanhangers van generaal Franco.
Vanwege zijn maatschappijkritische geest, zijn progressieve sympathieën en zijn openlijke homoseksualiteit werd hij als een gevaar voor het regime gezien.
Op achtendertigjarige leeftijd werd hij neergeschoten bij Víznar. Veel historici en biografen gaan uit van de nacht van 17 op 18 augustus of de vroege ochtend van 18 augustus 1936.
In andere bronnen en officiële documenten wordt vaak 19 augustus genoemd als de datum waarop zijn dood werd aangenomen.
Hoewel zijn werk tijdens de daaropvolgende dictatuur lang werd verboden, leeft zijn stem voort als een universeel symbool voor artistieke vrijheid.
Ter gelegenheid van de negentigjarige herdenking van zijn overlijden in 2026 worden in Spanje, en met name in Granada, diverse grootschalige culturele herdenkingen georganiseerd.
Een van de hoogtepunten is het stadsbrede artistieke project ‘Réquiem por Lorca’, waarin poëzie, muziek en voorstellingen samenkomen op historische locaties zoals de kathedraal van Granada en het Alhambra.
Daarnaast bewaart Spanje talloze fysieke sporen van de dichter.
In Granada zijn zijn geboortehuis ‘Museo Casa Natal’ in Fuente Vaqueros en zijn zomerhuis ‘Huerta de San Vicente’ ingericht als museum met originele meubels en manuscripten.
Het ‘Centro Federico García Lorca’ in het stadscentrum fungeert als modern archief en expositieruimte.
Ook in het straatbeeld is hij aanwezig, onder meer met een bronzen standbeeld op de Plaza de Santa Ana in Madrid en een ontspannen zitbeeld in Granada, terwijl het stiltepark tussen Víznar en Alfacar de plek markeert nabij waar hij in 1936 het leven liet.

Het scenario, geschreven door Hugo Claus, is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk uit 1903 van Cyriel Buysse. De regie was in handen van Paul Cammermans.

Gisteren nog vandaag
De film speelt zich af aan het einde van de negentiende eeuw.
Vader Van Paemel is boer op de hoeve van baron De Wilde.
Tijdens een mondaine jachtpartij op het landgoed van de baron raakt de zachtaardige Désiré Van Paemel zo zwaar verwond dat hij voor de rest van zijn leven invalide blijft.

Eduard, de oudste zoon, neemt actief deel aan stakingen in de stad en sluit zich aan bij de socialistische arbeidersbeweging.
Tegen de zin van boer Van Paemel heeft de oudste dochter,
Cordule heeft een verhouding met de stroper Masco, terwijl de jongste dochter, Romanie, gedwongen wordt om als dienstmeid op het kasteel te werken.
Daar wordt ze verleid door Maurice, de zoon van de baron.
Wanneer Kamiel de hoeve verlaat, omdat hij onder de wapens wordt geroepen, verslechtert de situatie op de boerderij door een gebrek aan werkkrachten.

Het gezin van Paemel kwam in het voorjaar van 1987 in de zalen.
De filmmuziek werd gecomponeerd door de Belgische muzikant en componist Daniel Schell.
De film bracht een sterke cast samen, met onder meer Senne Rouffaer als boer Van Paemel, Chris Boni als boerin Van Paemel, Jan Decleir als stroper Masco, Frank Aendenboom als Eduard, Marc Peeters als Kamiel, Marc Van Eeghem als Celis, Marijke Pinoy als Romanie, Viviane De Muynck als Cordule, Camilia Blereau als Danielle en Thom Hoffman als Maurice.

De film kende een groot succes en lokte destijds bijna een kwart miljoen bezoekers naar de bioscoop.
Daarmee geldt de prent nog altijd als een klassieker uit de Vlaamse filmgeschiedenis.

Gisteren nog vandaag




Dream Express Orchestra was de begeleidingsband van de groep Dream Express met als leden Luc Smets en de zussen Bianca, Patricia en Stella Maessen.
De zussen waren eerder bekend als The Hearts of Soul.
Op dit instrumentale nummer hoort u dan ook de dames op de achtergrond meezingen.
Het nummer werd geproduceerd door Luc Smets.
Maurice Jarre schreef de muziek oorspronkelijk in 1968 voor de film Villa Rides.
Deze western gaat over de Mexicaanse Revolutie en volgt de Amerikaanse avonturier en piloot Lee Arnold, gespeeld door Robert Mitchum.
Hij smokkelt wapens voor de Mexicaanse revolutionair Pancho Villa, gespeeld door Yul Brynner.
Hoewel Arnold zich buiten de oorlog wil houden, raakt hij tegen zijn wil in de bloedige strijd verwikkeld.
Het nummer stond acht weken lang in de BRT Top 30 en bereikte daar de drieëntwintigste plaats als hoogste positie.
Het nummer werd echter vooral bekend als de herkenningstune van Radio Mi Amigo.
Dit destijds illegale radiostation was erg populair en zond eerst uit vanaf het radioschip de MV Mi Amigo en later vanaf de Spaanse kust.

Margaret P. L. Pierce werd geboren op 24 oktober 1931 in Detroit, Michigan.
Nadat ze in haar jeugd haar moeder en broer verloor, koos ze aanvankelijk voor een opleiding tot verpleegkundige aan de New York University School of Nursing.
Daarnaast was ze actief als fotomodel, wat uiteindelijk de deur opende naar een carrière in de entertainmentindustrie.
Pierce was een impulsieve, openhartige persoonlijkheid die ervan genoot om interviews te geven.
De achtergrondverhalen die ze in de pers deelde, veranderden echter door de jaren heen, wat voor de nodige verwarring zorgde over haar exacte opleiding, de duur van haar werk als verpleegkundige of model, en de manier waarop haar grote doorbraak in de showbizz tot stand kwam.
Ze hield er een opvallende levensstijl op na: ze at slechts één maaltijd per dag, zwom dagelijks tweehonderd meter en stak af en toe een sigaret op, naar eigen zeggen puur om vervelende mensen te verjagen.
Ze was daarnaast dol op sport. In haar middelbareschooltijd speelde ze voetbal en als volwassene was ze catcher in een softbalteam dat volledig bestond uit vrouwen uit de Hollywood-industrie.
Na het volgen van acteerlessen werd ze in 1959 gecontracteerd door de bekende filmstudio Metro-Goldwyn-Mayer.
Tijdens haar periode bij MGM verscheen ze regelmatig in de rubrieken van bekende roddeljournalisten zoals Hedda Hopper en Louella Parsons.
Zij schreven uitgebreid over haar liefdesleven, waaronder een verbroken verloving met zakenman Bob Neal en een nooit officieel bevestigde verloving met David Lange, de jongere broer van actrice Hope Lange.
In haar beginjaren bij MGM speelde ze bijrollen in verschillende speelfilms, waaronder de romantische komedie ‘Where the Boys Are’ uit 1960 en het drama ‘Go Naked in the World’ uit 1961, waarin ze naast grote namen als Gina Lollobrigida en Ernest Borgnine verschijnt.
Hoewel ze in films vaak in bescheiden rollen te zien was, bouwde ze al snel een veelzijdige televisiecarrière op.
Zo was ze te zien in bekende series uit de jaren zestig, zoals ‘Wagon Train’, ‘Alfred Hitchcock Presents’, ‘The Fugitive’ en ‘The Man from U.N.C.L.E.’
Tevens speelde ze mee in de horroranthologie ‘Tales of Terror’ uit 1962 en de muzikale film ‘The Fastest Guitar Alive’ uit 1967.
Haar bekendste televisierol kreeg ze in het seizoen 1965-1966, toen ze de rol van Barbara Porter vertolkte in de komedieserie ‘My Mother the Car’, waarin ze de echtgenote speelde van het personage van Jerry Van Dyke.
Rond 1966 kreeg ze een relatie met vastgoedtycoon Jerome “Jerry” Minskoff, die vijftien jaar ouder was en op dat moment getrouwd was en drie kinderen had.
Sommige bronnen vermelden dat ze na zijn echtscheiding in 1966 in Las Vegas trouwden, maar de enige officiële huwelijksakte in de openbare registers stamt uit New York City in 1971.
Vanaf dat moment verschoof haar aandacht geleidelijk van acteren naar de theaterwereld achter de schermen.
Haar echtgenoot produceerde Broadwaystukken in het theater dat door zijn familie was geopend.
Hij werd zeven keer genomineerd voor een Tony Award en won er een in 1986 voor de herneming van Sweet Charity.
Onder de naam Maggie Minskoff was ze onder meer werkzaam als productiecoördinator voor Broadwayvoorstellingen, waaronder de succesvolle musical Irene met Debbie Reynolds.
Ook was ze gedurende langere tijd betrokken bij het beheer van het beroemde Minskoff Theatre in New York.
Het echtpaar verdeelde hun tijd tussen hun woningen in Manhattan en Londen, tot aan het overlijden van Minskoff in augustus 1994.
Jerome Minskoff speelde een sleutelrol in de familieonderneming, die werd geleid door een van de oudste bouworganisaties van New York.
Als partner bij de historische onderneming die in 1908 werd opgericht door zijn grootvader Samuel, had hij de leiding over het beheer en de verhuur van het volledige Minskoff-vastgoed.
Na zijn studie rechten was hij later dan zijn broers toegetreden tot het familiebedrijf, waar hij zich ontwikkelde tot een van de bepalende krachten.
Vanuit zijn traditioneel ingerichte kantoor, pal naast dat van zijn oudste broer Henry, stuurde hij de zakelijke exploitatie aan.
Binnen het hechte familiebedrijf, waar de taken duidelijk verdeeld waren tussen het bouwmanagement van zijn broer Myron en het algemene bestuur van Henry, vormde Jerry de strategische pijler achter het commerciële succes.
In 1981 maakte de familie zich op voor nieuwe projecten in de metropoolregio, waarbij Jerry zich ook voorbereidde op de komst van zijn zoon Steven, die in juni als nieuwe generatie het bedrijf versterkte.
Samen met zijn familie en enkele andere grote bouwfamilies behoorde Jerry tot de belangrijkste ontwikkelaars van speculatieve kantoorpanden in de stad.
Na een zware periode keek hij in 1981 met een goed gevoel terug op het herstel van hun portefeuille.
Toen hoofdhuurder W. T. Grant in 1975 failliet ging, kwam er op het dieptepunt van de markt maar liefst 400.000 vierkante voet aan kantoorruimte leeg te staan in hun vlaggenschip 1 Astor Plaza.
Jerry wist het gebouw in de jaren daarna echter weer volledig te verhuren.
Hoewel hij vastberaden was om te blijven bouwen, benadrukte hij hoe selectief ontwikkelaars moesten zijn en hoe lastig speculatieve bouw in die tijd was geworden.
Jerry stond ook bekend om zijn uitgesproken visie op de stadsontwikkeling van New York.
Hij sprak zich kritisch uit over de voorgestelde herziening van de zone-indeling voor midtown Manhattan om de West Side te ontwikkelen en bleef realistisch over de economische haalbaarheid en de logistiek van de stad.
Toch speelde zijn bedrijf een pioniersrol toen het in 1966 het Astor Hotel aan Broadway verwierf.
Onder de nieuwe theaterwetgeving realiseerden ze daar een multifunctionele toren met kantoorruimtes, winkels en twee theaters, waaronder het bekende Minskoff Theatre.
Ondanks de complexe financiering en een uitdagende timing wist Jerry het project naar een goed einde te brengen door sterk relatiebeheer met grote geldschieters.
Hij onderhield uitstekende banden met de concurrentie, geloofde sterk in de kameradschap binnen het vak en bleef, geheel in lijn met de familietraditie, onverminderd optimistisch over de verdere expansie van hun vastgoedimperium.
Het oorspronkelijke familiebedrijf Samuel Minskoff & Sons, zoals Jerry en zijn broers dat in de twintigste eeuw leidden, bestaat in die klassieke vorm inmiddels niet meer.
Wel is de naam Minskoff nog altijd een van de meest vooraanstaande spelers in de New Yorkse vastgoedwereld gebleven, voornamelijk via Edward J. Minskoff Equities (EJME).
Edward J. Minskoff, de zoon van Henry en het neefje van Jerry, richtte deze opvolger in 1987 op.
Het bedrijf bezit, ontwikkelt en beheert miljoenen vierkante meters aan hoogwaardig vastgoed, waaronder beeldbepalende kantoortorens zoals 51 Astor Place en 1166 Avenue of the Americas in Manhattan.
Net als veel andere grote vastgoedontwikkelaars in New York heeft de onderneming recent te maken gekregen met een veranderende kantorenmarkt.
Hoewel EJME succesvol grote nieuwe huurders weet aan te trekken voor hun panden in Manhattan en nieuwe ontwerpen ontwikkelt, zorgen de gestegen rentevoeten en de veranderde vraag naar kantoorruimte af en toe voor financiële uitdagingen bij specifieke herfinancieringen en buitenstedelijke projecten.
Desondanks behoort de organisatie nog altijd tot de gevestigde orde van institutionele vastgoedontwikkelaars in de Verenigde Staten.
Na het overlijden van haar echtgenoot verhuisde Pierce uiteindelijk naar Las Vegas, Nevada. Maggie Pierce overleed op 5 april 2010 op 78-jarige leeftijd in Danbury, Connecticut (achterkant cover van het tijdschrift Piccolo, zomer 1961)

Gisteren nog vandaag
In 2011 leende zangeres Katy Perry haar stem aan de iconische Smurfin in de live-action animatiefilm The Smurfs.
Als de enige vrouwelijke bewoner van het Smurfendorp bracht ze het geliefde personage tot leven voor een heel nieuw en wereldwijd publiek.
Tijdens de auditieperiode luisterden de makers blijkbaar blind naar verschillende stemopnames zonder de namen van de artiesten te weten, en ze kozen juist haar vanwege de unieke, speelse en herkenbare klank van haar stem.
Perry stak enorm veel energie in het project, deed actief mee aan de internationale promotiecampagne en trok op de première in New York alle aandacht in een opvallende jurk met een afbeelding van Smurfin erop, inclusief bijpassende blonde lokken.
Het succes beviel zo goed dat ze in 2013 opnieuw in de opnamecabine kroop om de rol te herhalen voor het vervolg The Smurfs 2.
De film zelf kent ook een paar leuke achtergrondfeiten.
Zo is het verhaal rondom Smurfin vrij bijzonder binnen de Smurfenwereld, omdat ze oorspronkelijk door de boze tovenaar Gargamel werd geschapen om onrust te stoken in het dorp, waarna Grote Smurf haar met zijn magie veranderde in een echte, liefdevolle Smurf.
Daarnaast was het maken van de film een gigantische productie.
Om New York te laten samensmelten met de animatiewereld, moesten de visuele effectenmakers maandelijks honderden uren rekenkracht inzetten om elke blauwe smurf naadloos in de live-actionbeelden te passen.
De film werd een gigantisch commercieel succes en bracht wereldwijd meer dan een half miljard dollar op, wat bewees dat de klassieke Belgische stripfiguren van Peyo na al die decennia nog steeds een enorme aantrekkingskracht hebben op jong en oud.

De Nederlandse komediefilm De Boezemvriend verscheen aan het begin van de jaren tachtig en werd geregisseerd door Dimitri Frenkel Frank.
Het verhaal van deze klassieke slapstick is gebaseerd op het beroemde Russische toneelstuk De Revisor van Nikolaj Gogol.
De hoofdrol wordt vertolkt door André van Duin, die de rondreizende kwakzalver en valse tandarts Fred van der Zee speelt.
Het verhaal speelt zich af in het jaar 1811, tijdens de Franse bezetting onder keizer Napoleon.
Terwijl de keizer in Parijs kampt met hevige kiespijn, vlucht Fred van der Zee in Nederland voor de Franse soldaten die jonge mannen ronselen voor het leger.
Tijdens zijn vlucht ontmoet hij kermisdanseres Mercedes, op wie hij verliefd wordt.
Door een misverstand zien de lokale autoriteiten, onder leiding van de corrupte kolonel Moeskop, Fred aan voor de belastinginspecteur van de keizer.
Fred besluit gebruik te maken van de situatie en laat zich heerlijk in de watten leggen op het kasteel van de kolonel.
Wanneer zijn ware identiteit aan het licht komt, slaat hij opnieuw op de vlucht.
Op een kermis loopt hij uiteindelijk de echte Napoleon tegen het lijf.
Nadat Fred de keizer van zijn vreselijke kiespijn verlost, benoemt Napoleon hem dankbaar tot zijn persoonlijke boezemvriend.
Een opvallende verschijning in het verhaal is zangeres Vanessa, die het personage van de kermisdanseres Mercedes vertolkt.
Zij vormt de charmante schone op wie hoofdpersoon Fred van der Zee op slag verliefd wordt.
Haar aanwezigheid zorgt voor het nodige vuurwerk en romantische verwikkelingen.
Met haar extravagante en opvallende uitstraling geeft zij de kermisscènes extra allure en fungeert ze als de ultieme blikvanger die Freds hoofd op hol weet te brengen.
De productie was in handen van Joop van den Ende en kent naast Vanessa en André van Duin een brede sterrencast uit de Nederlandse entertainmentwereld van die tijd.
Onder anderen Leen Jongewaard, Corrie van Gorp, Frans van Dusschoten, Jérôme Reehuis en Ischa Meijer spelen mee.
Ook is er een bekend gastoptreden van volkszanger André Hazes als herbergier.
De muziek van de film werd gecomponeerd door Tonny Eyk.
De première was op 9 december 1982 en werd bezocht door circa 716.000 mensen in de bioscoop.

Harry Haag James was een van de invloedrijkste en meest virtuoze trompettisten uit het swing- en bigbandtijdperk.
Dit jaar is het precies 110 jaar geleden dat hij werd geboren. Opgegroeid in het circus als zoon van een kapelmeester en een trapeze-artieste, stond hij als kind al op het podium.
Bij reizende gezelschappen zoals het Mighty Haag Circus en het Christy Brothers Circus begon zijn carrière op een heel bijzondere manier: als vierjarige werkte hij er als slangenmens onder de artiestennaam ‘the Human Eel’ (de Menselijke Aal), en als zevenjarige viel hij al in als drummer van de circusband.
Toen hij door een medische ingreep moest stoppen met acrobatiek, leerde hij onder de uiterst strenge leiding van zijn vader trompet spelen.
Dat bleek zijn ware roeping.
Op twaalfjarige leeftijd leidde hij in het circus al de tweede band van de show.
Dit zware circusleven gaf hem niet alleen een ijzersterke longinhoud en een feilloze techniek op de trompet, maar vormde ook de basis voor zijn unieke podiumuitstraling.
James speelde niet zomaar muziek; hij wist hoe hij een zaal moest inpalmen.
Met zijn rijke, uitgesproken vibrato, explosieve hoge noten en een doordringende, warme toon trok hij direct alle aandacht naar zich toe.
Hij combineerde een weergaloze virtuositeit met flair, dramatische dynamiek en een glamoureuze podiumaanwezigheid die het publiek betoverde.
Zijn stijl was niet ingetogen of schroomvallig, maar groots, meeslepend en gemaakt voor het vermaak van massa’s.
Zijn echte doorbraak kwam in 1936, toen hij toetrad tot het beroemde orkest van Benny Goodman.
Met zijn krachtige geluid en podiumuitstraling werd hij al snel een van de absolute blikvangers van het swingtijdperk.
In datzelfde jaar trouwde hij met de jazzzangeres Louise Tobin. Het huwelijk eindigde in 1943
In 1939 besloot James voor zichzelf te beginnen en richtte hij zijn eigen bigband op.
Dat bleek een gouden greep, want in datzelfde jaar ontdekte hij een nog onbekende 23-jarige zanger genaamd Frank Sinatra.
Samen namen ze nummers op als ‘All or Nothing at All’, wat een paar jaar later uitgroeide tot een gigantische hit.
Hoewel hij de swing toen niet volledig achter zich liet, werd zijn stijl geleidelijk commerciëler.
Virtuoze hoogstandjes als ‘Ciribiribin’ en ‘The Flight Of The Bumble Bee’ hielden hem nog een hele poos populair, en zijn technische vaardigheid dwong steevast respect af.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde Harry James zijn absolute commerciële hoogtepunt.
Met romantische en meeslepende krakers als ‘You Made Me Love You’ en ‘Sleepy Lagoon’ groeide zijn orkest uit tot de populairste band van Amerika.
Zijn status als superster werd nog verder versterkt door zijn privéleven en glamour.
In 1943 trouwde hij met Hollywood-icoon en pin-up Betty Grable, waarmee ze een van de beroemdste celebritykoppels van hun tijd vormden.
Ze hadden elkaar ontmoet tijdens de opnames van de muzikale film ‘Springtime in the Rockies’ (1942).
Het paar was een absolute publieksfavoriet en een geliefd onderwerp in de roddelbladen.
Onder de Amerikaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond zelfs de bekende slogan: “I want a girl just like the girl that married Harry James”.
Samen kregen ze twee dochters, Victoria en Jessica.
Het huwelijk bleef uiteindelijk 22 jaar duren, maar was verre van een sprookje achter de schermen.
Het stel deelde grote passies buiten de muziek en film om; zo waren ze allebei verknocht aan paardenraces.
Ze bezaten hun eigen ranch in Calabasas en een stal met succesvolle volbloedracepaarden die diverse grote races wonnen.
Achter de schermen kampten ze echter allebei met overmatig alcoholgebruik, gokverslavingen en wederzijdse ontrouw.
In 1965 kwam er definitief een einde aan hun huwelijk met een echtscheiding, al bleven ze tot Betty’s overlijden in 1973 op vriendschappelijke voet met elkaar omgaan.
Twee jaar na zijn scheiding van Betty Grable stapte James op 27 december 1967 in Reno opnieuw in het huwelijksbootje.
Zijn derde vrouw was de 27-jarige Joan Boyd, een voormalige showgirl uit het bruisende nachtleven van Las Vegas, waar James in die tijd een graag geziene performer was.
Het leeftijdsverschil van maar liefst 24 jaar (James was destijds 51) en de opvallende verschijning van zijn minirok dragende bruid trokken veel aandacht in de pers.
Samen kregen ze één kind (een zoon, Michael), wat het totale aantal kinderen van James op vijf bracht.
Dit derde huwelijk bleek echter van zeer korte duur en hield geen stand: na ruim twee jaar vroeg Joan in maart 1970 de echtscheiding aan op grond van onoverkoombare verschillen.
Na de breuk met Joan Boyd bleef James ongehuwd tot aan zijn overlijden.

James was regelmatig te zien in muzikale Hollywoodfilms en vulde moeiteloos de grootste zalen.
Toch brokkelde zijn enorme populariteit na de oorlog langzaam af.
In de jaren vóór augustus 1961 was hij wat naar de achtergrond geraakt en dreigde hij te worden gezien als een van de vele ‘vergeten mannen van de jazz’.
Als kostwinner maakte hij zich daar waarschijnlijk geen zorgen om, want financieel zat hij er warmpjes bij.
Maar als gedreven musicus kon hij de tijd niet vergeten waarin hij zalen vol publiek in vervoering bracht met zijn feilloos swingende blaaswerk, met name in de tweede helft van de jaren dertig.
James besefte dit terdege en wilde zich er niet bij neerleggen.
Hij greep in en stapte over naar de nieuwe platenfirma MGM.
Met zijn album ‘Harry James And His New Swingin’ Band’, uitgebracht in 1959 en bij ons verkrijgbaar in 1960, liet hij zien dat hij zijn muzikale koers grondig verlegde.
Het album werd destijds door velen zelfs beschouwd als een van de beste bigband-albums van die periode.
Zijn ‘New Swingin’ Band’ zat ontegenzeggelijk sterk in elkaar. Alle elf nummers lieten de kwaliteit van het album horen: ‘Shiny Stockings’, ‘How Deep Is The Ocean’, ‘Slats’, ‘Blues Like’, ‘Cotton Tail’, ‘To Close For Comfort’, ‘Kingsize Blues’, ‘M-Squad Theme’, ‘Deep Purple’, ‘Walkin” en ‘Get Off The Stand’.
Het was pure swing, nauw verwant aan de stijl van Count Basie.
Het nummer ‘Get Off The Stand’ verdiende speciale aandacht. Ernie Wilkins, de vaste arrangeur van de band, schreef dit stuk op uitdrukkelijk verzoek van James.
Het begon met het voltallige orkest, waarna diverse solisten en secties achtereenvolgens werden gelanceerd om vervolgens stil te vallen, waarna uiteindelijk alleen de ritmesectie overbleef om het nummer af te sluiten.
Met deze indrukwekkende eerste MGM-langspeler liet Harry James zien dat zijn nieuwe band ruimschoots in staat was om hem definitief te bevrijden van het etiket ‘vergeten man van de jazz’.
Ook de opvolger ‘Harry James… Het album ‘Today!’ uit 1961 was meer dan goed.
Critici en pers merkten op dat Harry James met dit album de strijksectie en vocalisten achterwege liet om een rauwere, modernere bigband-sound neer te zetten.
De arrangementen (onder andere van Ernie Wilkins en Neal Hefti) leunden zwaar op de stuwende, bluesy swingstijl van Count Basie.
Recensenten benadrukken dat hij in deze periode zijn eerdere commerciële ‘schmaltz’ inruilde voor geloofwaardige en vlijmscherpe jazzsolo’s.
Zijn trompetspel was daarin krachtig en loepzuiver, wat onder meer te horen was op klassiekers als ‘Undecided’, ‘Satin Doll’, ‘King Porter Stomp’ en ‘Take the ‘A’ Train’.
Door over te schakelen op deze meer op jazz en strakke swing gerichte stijl bewees hij opnieuw zijn artistieke kracht en bleef hij tot kort voor zijn overlijden in 1983 vol passie optreden.
Toen bij James in 1983 kanker werd geconstateerd (maligne lymfoom), bleef hij doorspelen; zijn laatste concert gaf hij op 26 juni 1983, kort voor zijn overlijden.
In hetzelfde jaar werd hij opgenomen in de Georgia Music Hall of Fame.
Het orkest met de naam van Harry James is nog steeds actief en wordt geleid door de trompettist Fred Radke.
De inmiddels tachtigjarige trompettist staat al sinds 1989 onafgebroken aan het roer van deze legendarische bigband.
Hij nam destijds de leiding over na het overlijden van zijn mentor en oorspronkelijke bandleider Harry James in 1983.
Tijdens de optredens brengt het orkest nog altijd de originele arrangementen en de kenmerkende swing-sound uit het gouden bigband-tijdperk.
Radke neemt daarbij zelf de iconische trompetsolo’s van Harry James voor zijn rekening.
Ze treden nog regelmatig live op in theaters en concertzalen, voornamelijk binnen de Verenigde Staten.
In november 2026 keert Fred Radke bovendien terug als artist in residence bij het Hillsdale College in Michigan, een jaarlijkse traditie waarbij hij masterclasses geeft en concerten dirigeert.

Hij begon zijn omroepcarrière bij de radio, waar hij twaalf jaar lang het sportprogramma Langs de Lijn presenteerde.
Daarnaast was hij een tijdje verbonden aan het actualiteitenprogramma Dingen van de Dag en maakte hij talloze radio-interviews met bekende Nederlanders.
Tot zijn meest spraakmakende werk behoorden de gesprekken met Godfried Bomans en Jan Wolkers voor de serie Alleen op een eiland.
In de zomer van 1971 fungeerde hij hierin als contactpersoon tijdens hun eenzame verblijf op het eiland Rottumerplaat.
In 1978 bracht hij de single uit ‘Laat Me Effe Drukken’. Het zou bij deze enige single blijven en helaas niet terug te vinden zijn op YouTube.
Vanaf 1981 werkte Ruis op freelancebasis voor de televisie.

Datzelfde jaar maakte hij de veelbesproken overstap van zijn vorige werkgever, waar hij destijds al vijf seizoenen de Willem Ruis Show had gepresenteerd.
Bij zijn nieuwe omroep nam hij tot 1984 de presentatie van de bekende Lotto-shows op zich.
In de winter van dat jaar startte hij met de Sterrenshow, een project dat hij zelf omschreef als het grootste avontuur uit zijn loopbaan.
Dit programma werd live uitgezonden vanuit een Italiaanse circustent op wisselende locaties in het land.
Vanwege geldgebrek moest dit kostbare project uiteindelijk worden stopgezet.
Tussen alle presentatiebedrijven door maakte Ruis in 1982 trouwens ook nog zijn debuut als acteur in de speelfilm Het Beest.

Naast deze grote projecten stond Willem Ruis bekend om zijn ongekende energie, waarmee hij de harten van miljoenen kijkers veroverde.
Zijn bijnaam luidde dan ook de Kiss Master, omdat hij erom bekendstond kandidaten in zijn shows enthousiast te kussen en te omhelzen bij een overwinning.
Naast de grote Lotto-shows boekte hij ook enorme successen met de razend populaire spelshow Vijf tegen Vijf, die hij van 1982 tot vlak voor zijn dood presenteerde.
Ruis was een perfectionist die alles gaf voor zijn werk, wat hem destijds de bestbetaalde presentator van Nederland maakte.
Zijn plotselinge overlijden in 1986 aan een hartaanval tijdens een vakantie in het Spaanse Dénia schokte heel televisiekijkend Nederland en Vlaanderen en bracht een vroegtijdig einde aan de loopbaan van een van de grootste showmasters die het land gekend heeft.





Betty Holt werd geboren op 23 januari 1931 in Jacksonville, Florida. Ze groeide op in een gezin dat al snel door de filmwereld werd aangetrokken.
Nadat entertainer Will Rogers de danskwaliteiten van haar oudere broer David had geprezen, besloot het gezin Holt de stap naar Californië te wagen.
Ze reisden in een oude auto met aanhanger vanuit Florida naar Hollywood, vastberaden om door te breken in de filmindustrie.
Al op vierjarige leeftijd werd Betty ontdekt door filmstudio Paramount Pictures, waar ze een langdurig contract kreeg aangeboden.
In de tweede helft van de jaren dertig verscheen ze in diverse studioproducties.
Zo maakte ze haar opwachting in films als ‘Without Regret’ uit 1935, ‘It Could Happen to You!’ uit 1937 en de korte film ‘Starlit Days at the Lido’.
Hoewel haar tijd in de schijnwerpers voornamelijk tot haar kinderjaren beperkt bleef, vormt haar werk een charmant onderdeel van de Hollywoodgeschiedenis uit het studio-tijdperk.
Betty Holt overleed op 10 mei 2008 op 77-jarige leeftijd in de Verenigde Staten.
Haar oudere broer David Jack Holt werd geboren op 14 augustus 1927 in Jacksonville, Florida.
Hij was het eerste gezinslid dat het maakte in Hollywood. Paramount Pictures schoof de jonge David begin jaren dertig naar voren en promootte hem als de mannelijke tegenhanger van Shirley Temple.
Hij speelde in talloze bekende klassiekers, waaronder ‘The Adventures of Tom Sawyer’ uit 1938, ‘Beau Geste’ uit 1939, ‘The Pride of the Yankees’ uit 1942 en ‘Courage of Lassie’ uit 1946.
Naarmate hij ouder werd, en minder aan de bak kwam in Hollywood, liet hij het acteren rond zijn vijfentwintigste achter zich.
David bouwde later een succesvolle carrière op als jazzpianist, componist en werd algemeen directeur en mede-eigenaar van een muziekuitgeverij, Clorvel Music in Studio City, Californië.
Als songwriter werkte Holt onder meer samen met Johnny Mercer, Robert Wells, Sammy Cahn, Paul Francis Webster en Dok Stanford.
Tot zijn bekendste nummers behoren ‘What Every Girl Should Know’, ‘Anyone Can Fall in Love’ en het samen met Sammy Cahn geschreven ‘The Christmas Blues’.
Dat laatste nummer werd opgenomen door Dean Martin en gebruikt op de soundtrack van de film L.A. Confidential uit 1997.
Holt componeerde ook de muziek voor verschillende jazzalbums met Pete Jolly.
Hij overleed op 15 november 2003 op 76-jarige leeftijd.
Het jongere broertje Ricky Holt werd geboren op 6 mei 1938.
In de voetsporen van zijn broer en zus trad ook hij op jeugdige leeftijd toe tot de filmindustrie van de late jaren dertig en vroege jaren veertig.
Een van de meest opmerkelijke momenten uit zijn kindertijd was zijn figuratie in de epische filmklassieker ‘Gone with the Wind’ uit 1939.
Hij verscheen daarnaast in diverse kleinere filmrollen als kinderfigurant.
Ricky Holt overleed op 16 augustus 2015 op 77-jarige leeftijd.

Na het afronden van een klassieke opleiding aan de Koninklijke Toneelschool van Gent verwierf hij al snel bekendheid binnen de amateurverenigingen, en in het bijzonder bij de Gentse Rederijkerskamer Jhesus met der Balsemblomme.
Daar ontmoette hij de toenmalige Prince Souverein Herman Van Overbeke.
Deze ontmoeting vormde het startschot van een zeer vruchtbare samenwerking, die de aanzet gaf tot het structureren en uitbreiden van talloze rederijkerskamers en amateurgezelschappen in Vlaanderen.
Vanuit die gedrevenheid stichtte Van Lanckere in 1932 het Algemeen Kristelijk Vlaams Toneel (A.K.V.T.), een verbond dat voornamelijk Oost-Vlaamse gezelschappen verenigde.

Slechts vier jaar later volgde de oprichting van het Nationaal Vlaams Kristelijk Toneelverbond (N.V.K.T.), een overkoepelende organisatie voor alle landelijke Vlaams-christelijke amateurgezelschappen.
Hij zette zich hier met hart en ziel voor in als bezielend secretaris-generaal, tot hij in 1986 wegens ziekte de fakkel moest doorgeven.
Zijn ambities in het theater reikten echter nog verder.
In 1950 richtte hij de Keurgroep op, een initiatief waarmee hij getalenteerde acteurs wilde samenbrengen.
De kwaliteiten van deze groep bleven niet onopgemerkt, want al snel werden ze gevraagd om toe te treden tot de International Amateur Theatre Association (I.A.T.A.).
Dit opende de deuren naar een indrukwekkende internationale tournee.
De Keurgroep trad op doorheen heel Europa, met voorstellingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië, Tsjechoslowakije, Italië, Denemarken, Finland, Oostenrijk, Roemenië, Ierland en Schotland. Ook buiten de Europese grenzen wisten ze het publiek te boeien, met opvoeringen in Amerika, Japan, Mexico en India.

Naast zijn levenswerk in het theater bouwde Carlos Van Lanckere eveneens een mooie carrière op in de film- en televisiewereld.
Hij was erbij toen de allereerste opnamen van het toenmalige N.I.R., de nationale televisieomroep van België, werden gemaakt en groeide al snel uit tot een vertrouwd gezicht in tal van Vlaamse televisiereeksen.
Zo schitterde hij als Naten in De Filosoof van Haeghem, waar hij speelde aan de zijde van Romain Deconinck en Jenny Tanghe.
In de reeks Dirk Van Haveskerke, een bewerking van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen, nam hij de rol van Jan Breydel voor zijn rekening, geflankeerd door Luc Philips in de rol van Pieter De Coninck.
Daarnaast vertolkte hij de opmerkelijke rol van Gust Verhelle in de televisieklassieker De Paradijsvogels.

Ook op het witte doek liet hij zijn sporen na.
Tijdens de eerste internationale doorbraak van de Vlaamse film in 1971 speelde hij deken Broeke in Mira, een film met Jan Decleir en Willeke van Ammelrooy die toen een officiële selectie wist te verzilveren op het prestigieuze filmfestival van Cannes.
Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven bleef hij met onverminderde interesse alles wat met het amateurtheater te maken had op de voet volgen, een passie die hij koesterde tot aan zijn overlijden op 23 juli 1996.

De Amerikaanse actrice Kim Novak en de Dominicaanse playboy Ramfis Trujillo hadden een kortstondige maar veelbesproken relatie in de eerste helft van 1958. Ramfis, voluit Rafael Leónidas Trujillo Martínez, was de zoon van de meedogenloze dictator van de Dominicaanse Republiek.
Hij verbleef in de Verenigde Staten voor een militaire opleiding.
Zijn vader, die hem nota bene al op vijfjarige leeftijd de rang van generaal had geschonken, hoopte dat hij daar discipline zou leren. Ramfis had echter andere plannen en maakte in Amerika vooral furore als jetsetter.
Hoewel hij in zijn thuisland al getrouwd was met Octavia Ricart en vader was van zes kinderen, overlaadde hij in Amerika de mooiste vrouwen met luxeauto’s, nertsjassen en peperdure sieraden.
Zijn reputatie liep zo ver vooruit dat jonge vrouwen in Los Angeles als grap een spottende bumpersticker op hun auto kleefden met de tekst dat hun wagen geen geschenk was van Ramfis Trujillo.
In Hollywood kruiste zijn pad dat van Kim Novak, net in de periode dat zij schitterde in de meesterlijke Hitchcock-film Vertigo. Novak stond in die tijd bekend om haar mysterieuze aantrekkingskracht en haar weigering om zich te schikken naar de strenge regels van de grote studiobazen.
Ramfis viel als een blok voor de actrice en vroeg haar zelfs ten huwelijk.
Hij deelde bovendien kwistig dure Europese sportwagens uit aan de actrices met wie hij omging.
Zo is het een historisch feit dat hij de beroemde Zsa Zsa Gabor een exclusieve Mercedes-Benz schonk.
Dat specifieke cadeau leidde zelfs tot een heus schandaal in het Amerikaanse Congres, waar men vreesde dat de financiële steun van de Verenigde Staten aan de Dominicaanse Republiek indirect werd misbruikt om sportwagens voor Hollywoodsterren te bekostigen.
Ook Kim Novak kreeg van de jonge playboy een fonkelnieuwe Mercedes-Benz cadeau.
Al deze weelderige geschenken en de bijbehorende roddels zorgden voor een enorm schandaal dat de filmstudio in de verlegenheid bracht.
Omdat zijn gedrag als playboy de spuigaten uitliep en hij bovendien zijn einddiploma van de militaire academie niet wist te behalen, besloot zijn vader dat het welletjes was en riep hij hem terug naar huis.
Bij zijn thuiskomst wachtte hem een koude douche, want zijn vrouw Octavia vroeg onmiddellijk de echtscheiding aan.
Terug in de Dominicaanse Republiek ontspoorde Ramfis volledig.
Hij hield zich bezig met gruwelijkheden, waaronder groepsverkrachtingen van jonge vrouwen en het uitdelen van onbeduidende opdrachten om mensen uit de weg te ruimen.
Het liep dermate uit de hand dat zijn vader hem noodgedwongen naar een sanatorium in België stuurde, waar hij eind 1958 een elektroshockbehandeling onderging.
Lang bleef hij daar niet, want kort daarna verhuisde hij naar Parijs om zijn oude levensstijl zonder aarzelen te hervatten.
In de Franse hoofdstad leerde hij Lita Milan kennen, een Amerikaanse actrice die onder meer naast Paul Newman had geacteerd.
Zij gaf haar veelbelovende carrière op en de twee stapten al snel in het huwelijksbootje.
Ondertussen heerste zijn vader Rafael Trujillo nog steeds met ijzeren vuist. Hij was al sinds februari 1930 aan de macht en had zelfs de hoofdstad naar zichzelf vernoemd, Ciudad Trujillo.
Zijn eenendertigjarige bewind, bij de Dominicanen bekend als het Trujillo-tijdperk of El Trujillato, staat geboekstaafd als een van de bloedigste periodes ooit in de regio.
De dictator, die extreem ijdel was en zijn gezicht poederde om blanker te lijken, was met zijn regime verantwoordelijk voor tienduizenden doden.
Een absoluut dieptepunt waren de zogenaamde Peterseliemoorden in 1937, een gerichte massamoord op tienduizenden Haïtianen. Hoewel Trujillo uitsluitend dictator was van de Dominicaanse Republiek, deelt het land het eiland Hispaniola met buurland Haïti.
In de uitgestrekte grensstreek werkten destijds veel Haïtianen als goedkope arbeidskrachten op Dominicaanse plantages.
Trujillo koesterde echter een diepe racistische haat en was geobsedeerd door het idee om zijn land witter en Spaanser te maken.
Hij zag de donkerdere, Franstalige buurbevolking als een bedreiging en gaf het meedogenloze bevel om de Dominicaanse grensstreek etnisch te zuiveren.
Afhankelijk van de historische bron werden er tussen de 5.000 en 67.000 Haïtianen afgeslacht.
De naam van dit lugubere bloedbad verwijst naar de wrede taalkundige test die de soldaten gebruikten om de bevolkingsgroepen te onderscheiden.
Ze hielden een takje peterselie, in het Spaans perejil, omhoog. Omdat dit Spaanse woord een rollende r en een specifieke j-klank bevat, was het voor de Franstalige of Creools sprekende Haïtianen nagenoeg onmogelijk om dit perfect uit te spreken.
Wie het woord met een verkeerd accent uitsprak, werd onmiddellijk op brute wijze geëxecuteerd met kapmessen of bajonetten om munitie te besparen.
Aan deze jarenlange terreur kwam pas een einde toen Rafael op 30 mei 1961 werd vermoord door samenzweerders, die financieel en logistiek werden gesponsord door de Amerikaanse inlichtingendienst CIA.
In de onmiddellijke nasleep van de moord nam Ramfis de tijdelijke controle over het land over.
Gedreven door wraak zwoer hij alle betrokkenen bij de dood van zijn vader te straffen, een belofte die hij waarmaakte door eigenhandig tal van verdachten te vermoorden en te martelen.
De internationale en binnenlandse druk werd echter onhoudbaar, waardoor de familie Trujillo op 19 november 1961 gedwongen werd het land te verlaten.
De vlucht naar Frankrijk verliep in stijl via het luxueuze jacht Angelita, een indrukwekkend schip dat vandaag de dag nog steeds vaart onder de naam Sea Cloud.
Aan boord bevond zich ook de kist van zijn vader, die naar verluidt was bekleed met vier miljoen dollar aan contant geld, kostbare juwelen en belangrijke waardepapieren.
Na een kort verblijf in Frankrijk vestigde Ramfis, de zoon van de overleden dictator Rafael Trujillo, zich in 1962 in Spanje, waar hij bescherming genoot van Generalisimo Francisco Franco.
Daar zette hij zijn extravagante jetset-leven ongehinderd voort en besteedde hij veel tijd aan het vliegen met vliegtuigen als hobby.
Aan dit decadente bestaan kwam een abrupt einde in december 1969. In de buitenwijken van Madrid raakte Ramfis bijzonder zwaar gewond bij een auto-ongeluk.
Hij bestuurde op dat moment een blauwe tweedeurs Ferrari 330GT met serienummer 9151, een sportwagen die hij in 1966 had gekocht.
Bij de harde klap kwam de bestuurster van het andere voertuig, Teresa Bertrán de Lis, op slag om het leven.
Zij was de hertogin van Alburquerque en een zeer prominent lid van de Spaanse hoge adel. Ramfis zelf overleefde het ongeluk in eerste instantie, maar stierf elf dagen later, op 27 december 1969, in een Spaans ziekenhuis aan de complicaties van een opgelopen longontsteking.
Zijn zwaar gehavende Ferrari bleef vanaf 1969 ongerestaureerd in Spanje staan, tot het wrak uiteindelijk begin 2013 voor 50.000 dollar te koop werd aangeboden aan verzamelaars
