Van burgerlijke trots naar koninklijke eenheid: Govert Flinck en de wording van Nederland.

Govert Flinck was een van de meest getalenteerde leerlingen van Rembrandt en ontwikkelde zich tot een van de meest gevierde portretschilders van de Nederlandse Gouden Eeuw.

Hoewel hij aanvankelijk de dramatische stijl en het donkere kleurgebruik van zijn leermeester nauwgezet overnam, verschoof zijn werk later naar een lichtere en meer elegante stijl die beter aansloot bij de veranderende smaak van de elite.

Hij werd een favoriet van de regenten en kreeg prestigieuze opdrachten binnen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, een uniek politiek verschijnsel in het zeventiende-eeuwse Europa.

Deze republiek kende geen centraal gezag van een koning, maar werd bestuurd als een confederatie van zelfstandige gewesten, waarbij de werkelijke macht vaak lag bij de rijke handelssteden en de regenten.

De bloei in de wetenschap en de kunsten werd gefinancierd door de enorme rijkdom die de handelscompagnieën binnenbrachten, waardoor een burgerlijke cultuur ontstond waarin succesvolle kooplieden de belangrijkste opdrachtgevers werden.

In deze context van burgerlijke trots en economische macht vervaardigde Flinck in 1645 het imposante werk Officieren van het schuttersgilde.

Op dit doek zien we de compagnie van kapitein Joan Huydecoper en luitenant Frans van Waveren, die in een levendige en informele setting zijn afgebeeld.

In plaats van een stijve rij vormt de groep van twaalf schutters een dynamisch geheel; sommigen staan op de voorgrond, terwijl anderen op een verhoging achter een balustrade zijn geplaatst, wat het schilderij een grote dieptewerking geeft.

Flinck wist de waardigheid van deze mannen perfect te vangen door hen af te beelden als zelfverzekerde burgers in hun meest kostbare kleding.

De verfijnde weergave van glanzend satijn en fijn kant onderstreept de rijkdom die door de wereldwijde handel was binnengebracht.

Het werk fungeert als een visueel manifest van de macht en onafhankelijkheid van de Amsterdamse burgerij in de jaren rond de Vrede van Münster.

Dit verdrag, dat in 1648 werd getekend, maakte officieel een einde aan de Tachtigjarige Oorlog en zorgde ervoor dat de Republiek eindelijk als soevereine staat werd erkend door de internationale gemeenschap.

Na deze bloeiperiode van de Republiek volgde aan het einde van de achttiende eeuw een periode van grote politieke instabiliteit en buitenlandse overheersing.

In 1795 werd de oude Republiek omvergeworpen door patriotten met steun van Franse troepen, waarna de Bataafse Republiek ontstond.

De definitieve overgang naar een koningschap begon toen Napoleon Bonaparte in 1806 zijn broer, Lodewijk Napoleon, benoemde tot koning van het Koninkrijk Holland.

Lodewijk regeerde echter alleen over het noordelijke deel, terwijl de zuidelijke Nederlanden, het huidige België, in deze periode als departementen rechtstreeks deel uitmaakten van het Franse Keizerrijk van Napoleon zelf.

Pas na de nederlaag van Napoleon in 1813 ontstond de behoefte aan een sterke centrale staat om toekomstige agressie te voorkomen en de rust te herstellen.

Tijdens het Congres van Wenen in 1815 werd besloten tot de vorming van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, een machtige bufferstaat tegen Frankrijk.

Hierbij werden het noorden en het zuiden voor het eerst verenigd onder koning Willem I, de zoon van de laatste stadhouder.

Deze nieuwe monarchie moest de versnipperde macht van de oude republiek vervangen door een moderne centrale eenheid.

Hoewel deze vereniging bedoeld was als een economisch blok waarbij de zuidelijke industrie en de noordelijke handel elkaar zouden versterken, bleek de samenwerking moeizaam.

Grote verschillen in religie, taal en politiek beleid leidden in 1830 tot de Belgische Revolutie, waarna België zich afscheidde en als onafhankelijk koninkrijk verderging.

Ook al vijf jaar geleden deze maand, onze Gentse vriend Walter Ertvelt met zijn album Roaring 2020.

Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.

Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.

Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.

Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.

Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.

Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.

Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.

De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.

Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.

Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.

Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.

Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.

Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.

In memoriam Philip Vanoutrive: het heengaan van een begenadigd Gents fotograaf en verteller.

Philip Vanoutrive was een veelzijdige Gentse creatieveling die bekendstaat om zijn vermogen om verhalen te vertellen via zowel de lens als het geschreven woord.

Hij combineerde zijn passie voor fotografie vaak met een scherp oog voor detail en een diepgaande interesse in menselijke verhalen en landschappen.

Hij had een talent voor het vinden van schoonheid in de eenvoud en de rust van het alledaagse leven.

Zijn vakmanschap werd jarenlang gewaardeerd door een breed publiek, mede door zijn werk als fotograaf bij Het Volk en later bij De Gentenaar, waar hij talloze gebeurtenissen en menselijke verhalen visueel vertaalde voor de lezers.

Tijdens zijn eerste jeugdjaren woonde het gezin op de Coupure Links in Gent, tot het gezin enkele jaren later naar De Pinte verhuisde.

Het was daar dat de jarenlange band met mijn familie ontstond; mijn plusmama Magda was destijds zijn leidster toen hij als welp bij de plaatselijke jeugdbeweging zat.

Zelf leerde ik Philip kennen dankzij het NTG, maar daarna steunde hij mij toen ik de patron was van de Hotsy Totsy.

Jarenlang was hij daar een trouwe klant en toen hij samenwerkte met Manu, was de Hotsy Totsy de vaste plek om de werkweek op vrijdag af te sluiten.

Nog maar een paar maanden geleden hadden we een gesprek op sociale media om binnenkort nog eens af te spreken, samen met Magda.

Het is pijnlijk dat deze ontmoeting er niet meer zal komen.

Wat veel mensen echter niet weten, is dat hij ook een zeer goede tekenaar was en prachtige metaal- en houtsculpturen maakte.

In deze kunstwerken kon hij zijn creativiteit en ambacht op een andere manier tot uiting brengen.

Een bijzonder hoogtepunt in zijn carrière was dat hij als eerste Belgische fotograaf een eerste prijs won in de wereldwijd gerenommeerde wedstrijd World Press Photo, specifiek in de categorie Nature in 1989.

Deze prestigieuze erkenning onderstreepte zijn vakmanschap en zijn vermogen om de natuur op een unieke en impactvolle manier vast te leggen.

Naast zijn natuurfotografie legde Vanoutrive ook belangrijke historische tradities en menselijke getuigenissen vast in verschillende boekpublicaties.

Zijn sociaal-historische betrokkenheid bleek al vroeg uit het boek ‘De allerlaatste getuigen van WOI’, uitgebracht in september 2011, waarin veertig oorlogskinderen van 1914-1918 een stem kregen.

In dit werk vertellen hoogbejaarde, maar kranige mannen en vrouwen op levendige wijze over hun ervaringen. De prachtige portretfoto’s van Vanoutrive vormden een respectvol eerbetoon aan deze getuigen.

In 2014 bracht hij het rijk geïllustreerde boek ‘The Last Post’ uit.

Hiervoor bracht hij een jaar lang de unieke ceremonie onder de Menenpoort in Ieper in beeld, waarbij Ian Connerty de geschiedenis van de ceremonie en haar helden beschreef en unieke archieffoto’s de beelden van Vanoutrive aanvulden.

Enkele jaren later, in 2017, volgde het boek Meneer de champetter.

Hierin bracht hij een hommage aan de veldwachter die dag en nacht bereikbaar was om het welzijn van plattelanders te beschermen.

Het boek beschrijft de laatste vijftig jaar van de landelijke politie tot aan de hervorming in 2001 en brengt straffe verhalen en anekdotes samen die door meer dan dertig oud-veldwachters zijn opgegraven.

Zijn werk verscheen geregeld in diverse media en publicaties, waar hij gewaardeerd werd om zijn vermogen om sfeer en emotie over te brengen op een authentieke manier, of het nu ging om reizen, cultuur of diepmenselijke geschiedenissen.

Volkomen onverwacht is onze vriend Philip Vanoutrive gisteren, op 9 februari 2026, overleden ten gevolge van hartfalen in het AZ Sint-Lucas te Gent.

In het weekblad ABC van 12 januari 1936 wordt een bijzonder portret geschetst van de arbeider Emiel Van Heddegem als kunstenaar uit Wetteren.

In een tijd waarin economische crisis en werkloosheid voor velen een dagelijkse realiteit waren, zochten veel arbeiders naar een zinvolle invulling van hun vrije uren.

Terwijl sommigen uit noodzaak knutselden om de morele leegte te vullen, waren er ook vakmensen zoals Emiel Van Heddegem uit Wetteren die hun passie naar een uitzonderlijk artistiek niveau tilden.

Tijdens een bezoek aan zijn woning aan de Oordegemsesteenweg krijgt de lezer een blik in de wereld van deze gedreven houtbewerker.

Van Heddegem begon in 1930 met zijn artistieke arbeid aan de draaibank. Wat begon als een liefhebberij, groeide al snel uit tot werk van een niveau dat nationale erkenning verdiende.

De foto’s bij het artikel tonen een indrukwekkende collectie voorwerpen, variërend van fijnzinnige vazen en gedecoreerde doosjes tot kandelaars.

Vooral het geometrische inlegwerk en de verfijnde details getuigen van een groot technisch vernuft.

Zijn vakmanschap werd bekroond met diverse prestigieuze onderscheidingen.

Zo behaalde hij in 1932 de beker Dees Cnudde.

Deze prijs was vernoemd naar Désiré Cnudde, een invloedrijk Gents politicus en vertrouweling van Edward Anseele, die zich hartstochtelijk inzette voor de sociale en culturele verheffing van de arbeidersklasse.

De beker was een centrale ereprijs op de groots opgezette tentoonstellingen van de vrije tijd, vaak georganiseerd in gebouwen zoals de Vooruit in Gent.

Deze evenementen hadden als doel de arbeider weg te trekken uit de sfeer van passieve ontspanning en te laten zien dat handarbeiders over een enorme dosis creativiteit en geduld beschikten.

Het winnen van deze beker was een bijzondere prestatie, omdat de deelnemers streng werden beoordeeld op zowel technische perfectie als esthetische waarde.

Voor Van Heddegem was dit slechts het begin, want in 1935 werd hij bovendien benoemd tot laureaat van de Arbeid van België in de eerste klasse.

De tekst benadrukt dat deze vorm van vrijetijdsbesteding veel meer was dan louter tijdverdrijf. Het was een vorm van geestelijke emancipatie.

Voor de arbeider-kunstenaar vormde de creatieve arbeid een noodzakelijk tegenwicht voor de dagelijkse sleur van de fabriek of de werkplaats.

De voldoening van het creëren van schoonheid uit ruwe materialen compenseerde de vele uren van inspanning en opoffering.

Het artikel eindigt met een diep respect voor deze stille werker uit Wetteren, die bewees dat kunst en handarbeid onlosmakelijk met elkaar verbonden kunnen zijn

Gisteren nog vandaag

Wie vandaag na de kerstmarkt in Gent de minder commerciële plekken wil bezoeken, moet zeker even binnenstappen in de Sint-Baafskathedraal.

Want buiten de religieuze rust en het wereldberoemde Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, kunt u er genieten van hedendaagse kunst.

Dit is te danken aan een bijzonder werk van de Gentse kunstenares Annie Gansbeke: een ode aan Pieter Paul Rubens.

Ik had de eer om deze kunstenares persoonlijk te leren kennen tijdens mijn bezoek, waarbij haar indrukwekkende traject en passie voor de kunst meteen duidelijk werden.

Haar aanwezigheid in de kathedraal is het resultaat van een bijzonder succes.

In 2022 schreef het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSKA) een wedstrijd uit met als thema de aanbidding van de koningen

Na enkele overpeinzingen besloot Annie deel te nemen. Uit een enorm deelnemersveld van maar liefst 2600 kunstenaars wist zij een eervolle 30ste plaats te verzilveren.

De beloning was evenredig aan de prestatie: haar werk werd in december 2022 geëxposeerd in het KMSKA.

Het creatieve proces achter dit winnende werk getuigt van haar technische diepgang.

Het boeide haar om de schets op te zetten in glacis en deze vervolgens nauwgezet uit te werken volgens de principes van de gulden snede.

Hoewel dit project buiten haar comfortzone lag, ging ze de uitdaging met volle overgave aan.

Ze behield het grootste respect voor het originele werk van Rubens, maar gaf er een geheel eigen, bewegende bewerking aan in haar karakteristieke kleuren.

Dit schilderij is nog tot en met 20 maart 2026 te bezichtigen in de kathedraal.

Annie Gansbeke is een artieste die het broze evenwicht tussen verleiding en gevoeligheid feilloos weet te bewaren.

Haar oeuvre kent duidelijke ontwikkelingslijnen, waarbij de natuur een centrale rol speelt.

Ze vervormt die natuur in vloeibare, warme kleurpaletten die haar werken een organisch karakter geven.

Hoewel ze vaak met verstilde nuances werkt, is kleur niet weg te denken uit haar ontdekkingswereld; met voornamelijk rode schakeringen geeft ze een sprankelende en jonge kracht aan haar composities.

Alles krijgt bij haar een eigen leven en graaft zijn eigen weg.

Haar veelzijdigheid uit zich in haar gedurfde materiaalgebruik.

Met verf, metaal, glas, textiel, potlood en inkt slaagt ze erin om in al die verschillende technieken een passie en harmonie aan te brengen.

Deze creaties wekken tegelijkertijd een gevoel van rust en onrust op, wat haar werk zo boeiend en intrigerend maakt.

Annies wijde horizonten kun je herleiden tot haar penseelvegen, met hier en daar een ruw accent of een teder streepje.

Het zijn precies deze accenten die zij zo mooi weet om te toveren: alles komt weer naar het centrum, naar zijn rustpunt.

Vandaag de dag blijft ze zeer actief en deelt ze haar passie graag met anderen.

In haar huidige woning in Heusden stelt ze haar huis regelmatig open voor het brede publiek. Zo ook op 2 en 3 mei 2026.

Daarnaast viel ze dit jaar op door haar aanwezigheid op diverse locaties.

Zo nam ze deel aan de tentoonstelling EXPORUIMTE CM14 in Vilvoorde.

Op uitnodiging van kunstenaar-decorateur en curator Filip Leemans stelde zij haar werken tentoon in de lobby en de voormalige bankkluis aan de Grote Markt 14.

Ook op de Tuindagen van Beervelde was haar werk dit jaar te bewonderen.

Het succes bij het KMSKA en haar huidige expositie in de Sint-Baafskathedraal tonen aan hoe haar werk de dialoog aangaat met de grote meesters, terwijl het toch een heel eigen, hedendaagse harmonie blijft uitstralen die de kijker uitnodigt tot introspectie.

Herman Verbaere was een bijzonder veelzijdig kunstenaar: hij maakte naam als kunstschilder, tekenaar, aquarellist, lithograaf én ontwerper van postzegels.

Hij zag het levenslicht in Wetteren als oudste zoon in een groot gezin van negen kinderen.

Dat hij een grafische richting uitging, was misschien geen toeval: zijn vader Leo Joseph was immers drukker-uitgever.

Zijn artistieke fundamenten werden gelegd aan de academie van zijn geboortedorp Wetteren, waar hij tot 1924 les volgde bij Prosper Böss.

Gisteren nog vandaag

Nadien trok hij naar de Academie van Gent om zijn talent verder te polijsten onder leiding van meesters als Jan Frans De Boever en Oscar Coddron.

Met succes, want in 1933 studeerde hij er af als laureaat.

Later zou hij zijn kennis zelf doorgeven als docent aan de School of Arts van Hogeschool in Gent.

In zijn privéleven trad hij in de zomer van 1935 in het huwelijk met Bertha Maria De Block, met wie hij een dochter kreeg, Huguette.

Verbaere was een uiterst productief kunstenaar die duizenden aquarellen op zijn naam heeft staan.

Zijn inspiratie vond hij vooral buiten: hij schilderde talloze landschappen en pittoreske dorpjes langs de Schelde, aan de kust, in Zeeland en in de Kempen.

Hij stond bekend om zijn opmerkelijke penseelvaardigheid, zijn sterke gevoel voor compositie en stond bekend om zijn meesterlijk kleurgebruik.

Maar zijn faam reikte verder dan het schildersezel.

Gisteren nog vandaag

Verbaere genoot internationale erkenning dankzij zijn illustraties en affiches voor diverse wereldtentoonstellingen.

Een absoluut hoogtepunt was de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs, waar zijn affiches met Vlaamse landschappen bekroond werden.

Ook in eigen land was zijn werk alomtegenwoordig in het straatbeeld.

Vanaf 1948 werkte hij belangeloos mee aan een aantal projecten van de Provincie Oost-Vlaanderen en de Federatie voor Toerisme in Oost-Vlaanderen. Zijn talloze illustraties voor De spiegel van Oost-Vlaanderen getuigen van zijn liefde voor de stad Gent en zijn provincie.

Tussen 1935 en 1967 ontwierp hij talrijke affiches voor de NMBS en hij werkte ook voor de privésector, waaronder voor het bedrijf De Vreese-Van Loo uit Lokeren.

Daarnaast is zijn werk bekend bij verzamelaars, dankzij de reeks postzegels die hij tussen 1962 en 1970 ontwierp.

Herman Verbaere overleed op 26 augustus 1993 en liet een indrukwekkend en gevarieerd oeuvre na.

Gisteren nog vandaag

Vlak bij de bekende Hotsy Totsy in Gent ligt een verborgen parel: de Turrepoortsteeg.

Velen lopen er achteloos voorbij, maar wie de steeg inwandelt, vindt een oase van rust die de Gentse kunstenaar Gustave Dierkens (1878 – 1940) al in 1936 wist te vatten op doek.

Zijn schilderij toont een tafereel uit een ongetwijfeld rustiger tijdperk, maar ook vandaag nog ademt het steegje een sfeer waarin je de wereld even vergeet.

De naam ‘Turrepoort’ (of Torenpoort) is een historische verwijzing naar een van de vier 13e-eeuwse stadspoorten die ooit aan de Oude Houtlei stond.

Vandaag is van de poort enkel een doodlopend steegje over, dat eindigt tegen een blinde muur met een nis.

Het meest opvallende element, zowel in de steeg als op het schilderij, is een bakstenen poortgebouw uit 1764.

Dit gebouw werd dwars over de doorgang gemetseld en fungeerde als achterhuis voor een woning aan de Oude Houtlei.

Tussen de twee ramen van dit poortgebouw prijkt een muurkapelletje met een kleurrijk beeld van Onze-Lieve-Vrouw.

Dit zogenaamde ‘gebuurtekapelletje’, ingewijd in 1929, was nog relatief nieuw toen de kunstenaar het vereeuwigde.

Dit soort kapelletjes ontstond vaak uit dankbaarheid en werd door de buurt zelf gefinancierd.

Dierkens had oog voor detail: op zijn doek zijn aan weerszijden van de kapel ‘zaterdags lichtjes’ te zien. Deze verwijzen naar de oude gewoonte om op zaterdag, de Mariadag, extra verlichting te branden.

De kunstenaar achter dit sfeervolle werk, Gustave Dierkens, was een rasechte Gentenaar.

Hij genoot zijn opleiding aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten, waar hij later ook als tekenaar en leraar aan verbonden was.

Hoewel hij vooral bekend stond om zijn stadsgezichten, schilderde hij ook landschappen, bloemen, portretten en stillevens.

Zijn belangrijkste werk buiten zijn thuisstad is te vinden in Leuven, waar hij in 1935 de kruisweg voor de kapel van het Heilige Drievuldigheidscollege ontwierp.

Een leuke wetenswaardigheid is dat deze school lange tijd de bijnaam ‘Gentsch College’ droeg, omdat ze werd opgericht door de Gentse humanist Frans van de Nieulande (Bronnen Robert Declerck en Ghendtsche Tydinghen)

De Nederlandse kunstschilder Johannes Cornelis Roelandse wordt gerekend tot de Leidse School, een groep impressionistische schilders die in de vroege twintigste eeuw werkten in de traditie van de Haagse School.

Hoewel Roelandse zichzelf altijd als autodidact beschouwde, kreeg hij wel aanwijzingen van schilders als Floris Verster en Willem van der Nat.

Zijn talent werd officieel erkend toen hij in 1927 en 1928 de Koninklijke Subsidie voor de Schilderkunst ontving.

Zijn stijl wordt vaak omschreven als laat-Haagse School, waarbij zijn impressionisme vooral tot uiting kwam in de losse manier waarop hij zijn onderwerpen weergaf, meer dan in zijn kleurgebruik.

Later in zijn carrière experimenteerde hij wel met expressievere kleuren.

Roelandse werkte voornamelijk met olieverf, maar in zijn jonge jaren maakte hij ook etsen, aquarellen en veel tekeningen.

Zijn onderwerpskeuze was breed: van landschappen en stillevens tot portretten, dieren en stadsgezichten.

Hij stond erom bekend dat hij er graag op uit trok om op locatie te schilderen. Gewapend met zijn schilderskist zwierf hij op zijn motor, en later zijn brommer of met zijn boot “Roeland”, door het Groene Hart rond Leiden en Leiderdorp.

Veel van zijn werken zijn daardoor topografisch herkenbaar.

Zijn reizen brachten hem ook door de rest van Nederland, waar hij talloze karakteristieke plekken vastlegde, soms in een vlotte schets, dan weer in een volledig uitgewerkt schilderij.

Zijn werk vond al vroeg zijn weg naar het publiek via tentoonstellingen, voornamelijk in Leiden en Leiderdorp.

Een hoogtepunt was zijn deelname aan de groepstentoonstelling ‘Onze Kunst van Heden’ in het Rijksmuseum in 1939.

Een bijzonder detail is dat Roelandse kort te zien is in de film ‘Impressions de Paris’ uit 1953, terwijl hij schildert langs de Seine.

Vandaag de dag is zijn werk te vinden in de collecties van diverse musea, waaronder het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden, het Rijksmuseum Amsterdam, Teylers Museum in Haarlem en het Katwijks Museum.

Ook de universiteitsbibliotheek van Leiden en verschillende gemeenten bezitten werk van hem.

75 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse kunstschilder Samuel De Vriendt.

Samuel De Vriendt, telg van een oud en roemrijk kunstenaarsgeslacht, was de tweede zoon van de grote meester Juliaan De Vriendt en een neef van de bekende kunstschilder Albert De Vriendt.

Zijn grootvader was een vooraanstaande decorateur in Gent, terwijl zijn broer Stefaan als beeldhouwer en decorateur carrière maakte in Amerika.

Zijn moeder, een telg van een Brusselse bankiersfamilie, was diep geïnteresseerd in kunst en letteren.

De aristocratische uitstraling van zijn moeder en de diepe artistieke gevoeligheid van zijn vader kwamen samen in Samuel.

Zijn werken weerspiegelen zijn diepe christelijke overtuiging.

In september 1920 organiseerde hij samen met Frans Daels de eerste IJzerbedevaart naar het graf van zijn vriend Joe English in Steenkerke.

Gisteren nog vandaag

Hij was voorzitter van het Comité voor de Bedevaarten naar de Graven van de IJzer totdat Daels hem opvolgde.

Later werd De Vriendt voorzitter van de Vlaamse Oudstrijders (VOS).

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1941 schepen van Schone Kunsten en later burgemeester ad interim van de stad Brugge.

Het is grotendeels aan zijn onderhandelingen met de Duitse bevelvoerende officier in september 1944 te danken dat Brugge zonder verwoestende gevechten werd ontruimd en de kunstschatten van de stad ongeschonden bleven.

Gisteren nog vandaag

Hoewel hij ook mensen hielp onderduiken voor de bezetter, werd hij na de bevrijding veroordeeld tot twee jaar cel wegens collaboratie.

Rond 1950 vestigde De Vriendt zich opnieuw in het ouderlijk huis in Schaarbeek.

Hij legde zich daar vooral toe op gekleurde tekeningen van typische Brusselse straathoekjes en kerkinterieurs.

Gisteren nog vandaag

Daarnaast schreef hij diverse artikelen, voornamelijk over zijn herinneringen aan de oorlog van 1914-1918, voor het tijdschrift ‘De Vlaamsche Oudstrijder’.

Samuel De Vriendt overleed op 26 juli 1974.

Vandaag, 25 jaar geleden, overleed meestervervalser Konrad Paul Kujau. Hij werd vooral bekend door zijn vervalsing van de dagboeken van Adolf Hitler in 1983.

Via een groep oude nazi’s kwam Kujau in contact met de Hamburgse journalist Gerd Heidemann.

Het lukte hem om Heidemann 62 vervalste delen van de dagboeken van Hitler te verkopen aan het blad ‘Stern’.

De publicatie veroorzaakte een enorme sensatie.

De dagboeken suggereerden onder andere dat Hitler niet op de hoogte was geweest van de Kristallnacht, wat in de Bondsrepubliek lange tijd het publieke debat domineerde.

In totaal verdiende Kujau 9,3 miljoen Duitse mark met zijn vervalsingen.

De fraude kwam aan het licht op 5 mei 1983.

In juli 1985 werd Kujau veroordeeld tot vier en een half jaar gevangenisstraf, maar hij werd na drie jaar vrijgelaten vanwege kanker aan het strottenhoofd.

Na zijn vrijlating maakte Kujau gebruik van zijn bekendheid om een publieke figuur te worden.

Na de mysterieuze dood van Uwe Barschel in 1988 trad hij op als expert in vervalsingen in een reportage van ‘Spiegel TV’.

In 1992 was de vervalsingszaak van de Hitler-dagboeken het onderwerp van de film ‘Schtonk!’.

Samen met de Rock & Roll Junkies bracht Kujau in 1995 een album uit, getiteld ‘Rebellen der Kunst’.

In de politiek was hij minder succesvol: in 1994 stond hij op de lijst van de Autofahrer- und Bürgerinteressenpartei Deutschlands en in 1996 stelde hij zich kandidaat voor het burgemeesterschap van Stuttgart, maar kreeg slechts 901 stemmen.

In zijn laatste levensjaren werkte Kujau in zijn schildersatelier en hield hij tentoonstellingen in Pegnitz.

Hij overleed op 12 september 2000, op 62-jarige leeftijd.

90 jaar geleden, te gast bij de kunstschilder Gerlo Urbain

Urbain Gerlo, geboren in Sombeke in 1897 en overleden in Waasmunster in 1986, was een Belgische kunstenaar.

Hij studeerde aan de academies van Waasmunster en Sint-Niklaas onder leiding van J. Horenbant.

Zijn leertijd bracht hij door bij schilder Felix Eyskens in Ranst en later bij een fotograaf in Brussel. Uiteindelijk vestigde hij zich in Gent, waar hij zijn opleiding vervolgde aan de Academie en tevens een kunstgalerie opende.

Gerlo’s oeuvre omvat landschappen, dorps- en hoevegezichten uit de omgeving van Gent, de Durme- en Scheldestreek, en Bretagne.

Daarnaast schilderde hij portretten, stillevens en bloemen, vaak met een voorliefde voor ochtend- en avondstemmingen.

Zijn werken kenmerken zich door een zekere weemoed en tere poëzie, gecombineerd met een stevige, constructieve vormgeving en een sober kleurenpalet.

In 1964 en 1965 exposeerde Gerlo op de Wereldtentoonstelling in New York.

Over zijn werk werd in de pers geschreven: “Het werk van U.G. bezorgt de toeschouwer weinig hoofdbrekens. Die eenvoud, het zuiver figuratieve karakter en het intieme, wat melancholische levensgevoel werd in zijn werk door tal van critici bij herhaling onderstreept.”

Urbain Gerlo is opgenomen in de naslagwerken CRICK, BAS I en Twee eeuwen signaturen van Belgische kunstenaars (Piron en ABC 26 maart 1935)

Gisteren nog vandaag

Louis De Saeger, een Vlaamse kunstschilder, begon zijn tekenopleiding aan de Academie van Dendermonde onder leiding van Maes, Gorus en Gogo.

Hij vervolgde zijn studie aan de Academie van Gent bij Coddron en Alfons De Cuyper.

Zijn werk omvatte diverse onderwerpen, waaronder landschappen van de Schelde, stadsgezichten van Dendermonde, Vlassenbroek, Afsnee, Deinze, Beernem en Gent.

De Saeger onderhield contacten met schilders uit Dendermonde en werkte samen met Jan Maes langs de Scheldeboorden.

In Gent ontmoette hij Gust De Smet. Hij vond ook inspiratie in Brugge, aan de kust, en schilderde portretten.

Hij vestigde zich in Sint-Amandsberg en exposeerde onder meer op het 47e Salon van de Kring Kunst en Kennis in Gent in 1946.

Louis De Saeger overleed in 1988 in Gent.

90 jaar geleden, te gast bij Gentse beeldhouwer Leon Sarteel.

Leon Petrus Sarteel, geboren in Gent op 2 oktober 1882 als zoon van huisschilder Petrus Sarteel en Maria Theresia Temmerman.

Hij studeerde aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Gent onder Louis Mast en Jules Van Biesbroeck en toonde al vroeg zijn talent.

In 1907 ontving hij een eervolle vermelding op het Salon van Gent en werd in 1908 leraar boetseren aan de Gentse Nijverheidsschool.

Zijn oeuvre omvat portretbustes (o.a. Cyriel Buysse, De Gentse kunstschilder Constant Montald en Julius Mac Leod (hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Gent en bestuurder van de Gentse Plantentuin), figuren (mythologisch, allegorisch en alledaags), monumenten (zoals het oorlogsmonument in Zomergem) en reliëfs.

Zijn werken zijn te vinden in het Museum voor Schone Kunsten (MSK) Gent, in de Gentse openbare ruimte (beelden aan de Sint-Niklaaskerk en Sint-Baafskathedraal), de Boekentoren (bevat een reliëf van Sarteel, De Leie en de Schelde.), en op Campo Santo (Treurende Ouders op het graf van zijn schoonzoon, piloot Jean Vanavermaete).

Hij trouwde met Marguerite De Mulder, met wie hij twee kinderen kreeg: zoon en architect Antoine Sarteel en dochter Germaine.

In zijn carrière ontving Sarteel verschillende onderscheidingen, waaronder Ridder in de Leopoldsorde (1921) en Officier in de Kroonorde (1929). Hij was lid van de kunstenaarsvereniging Kunst en Kennis.

Sarteel, wiens Art-decowoning van architect Jan-Albert De Bondt en atelier zich in de Vaderlandstraat 166 bevond, werkte in brons, marmer, steen en terracotta.

Zijn stijl is realistisch, met aandacht voor detail en expressie.

Hij overleed op 2 mei 1942, op 59-jarige leeftijd, in Gent aan een longontsteking (ABC 10 februari 1935)

Kan een afbeelding zijn van 4 mensen en tekst