Kid Creole And The Coconuts, een stadsmus, vermomd als exotische paradijsvogel.

Kid Creole, The Coconuts en Coati Mundi vormden in 1981 een opmerkelijk gezelschap dat op het eerste gehoor ongrijpbare muziek maakten.

Met hun single Que Pasa / Me no Pop I hadden ze destijds een hit in petto, wat leidde tot de nodige opschudding in de internationale muziekwereld.

De man achter dit exotische brouwsel van swing, salsa, chacha, funk, reggae, Broadway-musicals, soul, calypso en rock was August Darnell, beter bekend als Kid Creole, de leider van de vrolijke formatie rond The Coconuts.

Het levensverhaal van Darnell was toen 75 jaar daarvoor begonnen in het Canadese Montreal.

Zijn vader was half een zwarte Amerikaan en half een afstammeling uit de Dominicaanse Republiek, terwijl zijn moeder een Française was.

Al tijdens zijn schooltijd imiteerde Darnell zijn grote idolen uit de filmwereld, zoals George Raft, Humphrey Bogart en James Cagney, die de sfeer van de jaren dertig en veertig zo treffend belichaamden.

Die invloed was destijds nog steeds duidelijk zichtbaar in zijn onberispelijke kostuums en zijn karakteristieke snorretje.

Samen met zijn echtgenote Adriana Kaegi, die tevens de belangrijkste Coconut was, blikte hij destijds terug op zijn loopbaan.

Met Adriana Kaegi, de vrouw met wie hij de groep in 1980 oprichtte, had hij in datzelfde jaar een relatie.

Zij was destijds verantwoordelijk voor de choreografieën en kostuums van de achtergrondzangeressen.

Het koppel scheidde al in 1985, op het hoogtepunt van het succes van de band.

Kaegi bleef daarna nog wel een tijdje bij de groep optreden voordat ze haar eigen weg ging.

Voordat hij de muziekwereld instapte, werkte Darnell vier jaar lang als leraar Engels.

Hij raakte echter ontgoocheld door de administratieve rompslomp; hij wilde liever een kameraad voor zijn leerlingen zijn, wat de schoolleiding hem niet in dank afnam.

De ommekeer kwam toen Stony Browder hem in 1975 vroeg om zich aan te sluiten bij Dr. Buzzard’s Original Savannah Band, waarmee ze met ‘Cherchez La Femme’ een wereldhit scoorden.

Omdat de Savannah Band overduidelijk het geesteskind van Browder was, raakte Darnell gefrustreerd en zocht hij naar een eigen project.

Na een korte periode als producer kwam hij in contact met Michael Zilkha, die de mentor van het New Yorkse Ze-label was en hem alle steun gaf voor zijn nieuwe project: Kid Creole and the Coconuts.

De muzikale stijl omschreef Darnell destijds als mulattenmuziek, een term die hij eerder ook al voor de Savannah Band gebruikte.

Voor Darnell was de term ‘creools’ synoniem met een mengeling van verschillende culturen.

Hij uitte destijds felle kritiek op Amerika, een land dat volgens hem zijn geschiedenis van rassenvermenging het liefst verzweeg en wegdrukte, terwijl hij vermenging juist zag als de kleur van de toekomst.

Volgens zijn visie was het onmogelijk om cultuur en muziek puur te houden.

Voor The Coconuts bracht hij een oude bekende uit zijn vorige band mee: Sugar Coated Andy Hernandez, beter bekend als Coati Mundi.

Hernandez, de schrijver en zanger van de hit ‘Me no Pop I’, werd geboren op het schip de SS United States toen zijn Puerto Ricaanse moeder naar New York reisde.

Hij had in diverse Latijns-Amerikaanse groepen gespeeld en ambieerde daarnaast een acteercarrière, met als destijds bekendste wapenfeit een rol in de film Serpico naast Al Pacino.

Binnen de groep droeg hij de verantwoordelijkheid voor alle arrangementen, stuurde hij de drie achtergrondzangeressen en de Creole Band aan, en verzorgde hij de meest dynamische segmenten van de non-stop show.

Het concept van The Coconuts was door Darnell opgezet als een Hollywood-revue uit de gloriedagen van de jaren dertig en veertig, specifiek geïnspireerd op de geromantiseerde manier waarop de jungle destijds in films werd uitgebeeld.

Het idee van drie meisjes die verdwaald raakten in de jungle vormde voor hem het ultieme romantische plaatje.

Hun debuutalbum Off the Coast of Me vond Darnell in 1981 zelf al behoorlijk achterhaald, hoewel hij erkende dat de plaat hun naamsbekendheid had vergroot.

Het destijds nieuwe album Fresh Fruit in Foreign Places was gebaseerd op een persoonlijke reis die hij in 1977 had ondernomen.

Nadat hij destijds na het tweede album van de Savannah Band was teruggekeerd uit Californië, bleek zijn toenmalige echtgenote, een jonge Haïtiaanse vrouw genaamd Mimi, spoorloos verdwenen te zijn.

Zijn daaropvolgende zeven maanden durende zoektocht, gedreven door een mix van liefde en de kick van het avontuur, goot hij in de vorm van een heldenepos, geïnspireerd op de Griekse mythen die hem als kind al fascineerden.

Het resultaat was een destijds unieke muzikale smeltkroes.

Darnell verbaasde zich erover dat Amerikaanse radioluisteraars voortdurend van zender moesten wisselen om verschillende genres te horen, waarbij de Eagles en rapmuziek strikt gescheiden bleven.

Hij prees de Europese radiocultuur, waar reggae, Afrikaanse muziek en rock-‘n-roll in de clubs gewoon door elkaar liepen.

Dat was de manier waarop hijzelf als tiener muzikaal gevormd was door invloeden van Harry Belafonte, Elvis Presley en de Beatles.

Hij verzette zich tegen de creatie van een luie generatie luisteraars en stelde zich ten doel om het publiek bewuster te maken.

Ten slotte reflecteerde hij op de relatie tussen zijn artiestenpersona en zijn authentieke zelf. Kid Creole en August Darnell stonden soms ver van elkaar af, al bevestigde Adriana Kaegi dat Creole een noodzakelijk verlengstuk van Darnell was om comfortabel te kunnen leven.

Waar Darnell een familieman en een stadsmens was, gedroeg Creole zich als een eilandminnende gigolo.

Het was uiteindelijk het flamboyante personage van Kid Creole dat August Darnell in leven hield en voorkwam dat hij louter een anonieme dromer bleef.

In 2019 trouwde hij na een relatie van 10 jaar met Eva Tudor-Jones.

Zij was zelf ruim 20 jaar lang lid van The Coconuts onder de artiestennaam Mama Coconut.

Tegenwoordig staat zij niet meer op de voorgrond als zangeres, maar runt zij als manager en zakelijk directeur alle lopende zaken van de band en hun platenlabel.

De nu 75-jarige Kid Creole treedt nog volop op met zijn bekende hits (zoals “Annie, I’m Not Your Daddy” en “Stool Pigeon”) en toert regelmatig.

Hij brengt nog steeds nieuwe muziek uit op zijn eigen platenlabel 2C2C (Too Cool To Conga), dat hij runt samen met zijn vrouw en zakenpartners.

Hij bracht in mei 2026 nog een nieuwe single uit met als titel Common Decency, Pt. 2.

Gisteren nog vandaag

De geslaagde aprilgrap van de Belgische groep The Bowling Balls.

Het Belgische pop- en rockarchief kent vele bijzondere verhalen, maar de ontstaansgeschiedenis van The Bowling Balls is zonder twijfel de meest opmerkelijke.

De groep werd namelijk opgericht om een stripfiguur tot leven te wekken.

Oorspronkelijk werden ze bedacht door Frédéric Jannin en Thierry Culliford, de zoon van Smurfen-bedenker Peyo, voor een grap in Le Trombone Illustré.

Dit was een rebelse bijlage bij het weekblad Robbedoes waarin de strip Germain et nous verscheen.

In die strip luisterden verveelde jongeren de hele dag naar platen van een fictief bandje genaamd The Bowling Balls.

De makers besloten dit grapje door te trekken naar de werkelijkheid.

De fictieve bandleden gaven plotseling echte interviews en er ontstond een plan om een flexidisc bij het tijdschrift te voegen.

De bezetting bestond uit Frédéric Jannin als Averell Ball op toetsen en Bert Bertrand als zanger Billy Ball. Bertrand was een bekende punkjournalist en de zoon van Yvan Delporte; volgens de legende was hij ook de man die de naam Plastic Bertrand bedacht.

Het kwartet werd gecompleteerd door Thierry Culliford als Elton Ball en Christian Lanckvrind als Fernand Ball.

Hoewel Robbedoes uiteindelijk geen budget had voor de release, zag platenlabel EMI wel brood in het project.

Op 1 april 1979 verscheen hun debuutsingle God Save the Night Fever.

Die datum was symbolisch, want de buitenwereld twijfelde voortdurend of de groep wel echt bestond. T

he Bowling Balls specialiseerden zich in nonsensicale teksten en humoristische playbackoptredens waarbij ze hun eigen amateurisme cultiveerden.

Jannin vatte die periode later treffend samen door te zeggen dat het een tijd was waarin iedereen maar wat deed, en aangezien zij ook maar iemand waren, deden zij dus ook maar wat. Toch lieten ze met nummers als ‘You Don’t Know’ en hun cover van ‘When You Walk in the Room’ een blijvende indruk achter.

Het einde van de band kwam even plotseling als het begin.

Kort na het verschijnen van hun enige album kondigde Bert Bertrand aan dat hij naar Bora-Bora zou vertrekken.

De overige leden dachten dat het een grap was, maar Bertrand vertrok daadwerkelijk en keerde nooit meer terug.

Hij maakte een einde aan zijn leven in New York, vlak nadat hij Lou Reed had geïnterviewd.

Van de overgebleven leden bleef Frédéric Jannin de bekendste als striptekenaar, radio- en televisiepersoonlijkheid en muzikant.

Zo scoorde hij in 1990 nog een grote hit met het project Zinno.

In de jaren negentig volgde een bescheiden revival van The Bowling Balls met een verzamel-cd en een documentaire op Canal+.

Critici stelden toen vast dat de muziek, ondanks de parodiërende insteek, technisch verrassend goed in elkaar stak.

De nummers bleken achteraf gezien prima stand te houden naast het werk van synthpopgrootheden als OMD of Erasure (Diverse bronnen, Dirk Houbrechts en Joepie, maart 1981)

50 jaar geleden, Zwarte Lola, hoelang nog zo (De Post 2 maart 1975)

Annie Heuts, beter bekend als Zwarte Lola, werd geboren in Maastricht en volgde als kind balletlessen.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak in 1940, stopten haar ouders deze opleiding.

De reden hiervoor was dat de Duitsers haar verplichtten lid te worden van de Kultuurkamer, een nazi-organisatie.

Heuts begon vervolgens een studie tandheelkunde, maar na de bevrijding maakte ze de overstap naar de showbusiness.

Ze trad op als danseres voor Amerikaanse soldaten en viel zo in de smaak dat ze na een optreden mocht dineren met de generaals George Patton en Dwight Eisenhower.

Begin jaren 50 verhuisde Heuts naar België, trouwde met André, een ingenieur bij Ford, en kreeg drie kinderen.

Ze had enige successen als lid van het zangduo De Olympiazusjes en zong duetten met artiesten als Peter Van Os.

Toen zangeres Jo Leemans tijdelijk niet beschikbaar was voor het orkest van Francis Bay, verving Heuts haar.

Heuts zette haar succesvolle carrière echter op een lager pitje om meer tijd te besteden aan een van haar kinderen die aan polio leed.

Deze ziekte zou later ook haar terugkeer naar de showbusiness inluiden.

Omdat ze geld nodig had voor de medische verzorging van haar kind, werkte ze samen met producer Johnny Hoes om haar carrière nieuw leven in te blazen.

Hoes lanceerde haar in 1967 als seksbom onder de artiestennaam “Zwarte Lola (uit de stripteasebar)”.

Er volgden een reeks singles en albums die haar erotische imago benadrukten, waaronder “Zwarte Lola”, “Dat ene slippertje” en “Wie me betaalt, mag me bekijken”.

Zo groeide Zwarte Lola uit tot een fenomeen dat tot de verbeelding sprak bij een breed publiek.

Haar albumverkoop steeg enorm en ze zong zelfs een duet met Eddy Wally.

Heuts werd mascotte van de piloten van Kleine Brogel en zette zich in voor de Boemerangactie ten behoeve van MS-patiënten.

Ondanks haar succes was Heuts niet tevreden met haar seksueel getinte imago en beëindigde ze haar zangcarrière in 1987.

Ze was ook actief als dichter en ontving lof van Johan Anthierens voor haar gedicht “Herinneringen”.

Annie Heuts overleed op 7 november 2019

45 jaar geleden, Leif Garrett met zijn hit I Was Made For Dancin.

ind 1976 tekende Garrett een platencontract voor vijf albums bij Atlantic Records.

Maar gezien het bescheiden succes van zijn eerste album Leif Garrett eindigde de samenwerking.

Medio 1978 tekende hij een nieuw platencontract bij Scotti Brothers Records en nam daar zijn tweede album Feel the Need op.

De eerste single I Was Made for Dancin bereikte begin 1979 de tiende plaats in de Billboard Hot 100 en nummer 4 op het VK Singles Chart.

Het nummer was geschreven door producer Michael Lloyd.

Het werd zijn grootste hit in de VS en het VK.

In Vlaanderen was de single goed voor een vijfde plaats in de Brt Top 30.

In Nederland was het nummer goed voor een dertiende plaats in de Top 40.

Gisteren nog vandaag

De vriendschap tussen Leif Garrett en Johan Cruyff (Oktober 1979)

Gisteren nog vandaag