Van beatgroep tot Soundmixshow: het muzikale levensverhaal van Frank Ashton

Frank Ashton, die eigenlijk Frans Biezen heet, begon zijn muzikale loopbaan bij de Jumping Tigers voordat hij in 1965 landelijke bekendheid kreeg als medeoprichter van Les Cruches.

Deze formatie gold als de bekendste Tilburgse beatgroep en ontleende haar naam aan Kruikensijkers, de bekende bijnaam van de Tilburgers.

Biezen deelde het podium in die tijd met niet de minsten: ook Henny Vrienten (later Doe Maar), John van der Ven (de latere producer van onder meer André Hazes) en Jos van den Dries (VOF de Kunst) maakten deel uit van de band.

Les Cruches was regelmatig te zien en te horen op tv en radio.

In 1968 besloot hij de groep te verlaten en een heel andere muzikale koers te varen.

Zo sloot hij zich een tijdje aan bij de Rekels, de band die bekend werd door de samenwerking met Hanny (Hennie Doeland-Lonis).

In 1974 vormde hij het duo Frans & Monique, waarmee hij een grote hit scoorde met het nummer ‘Hé Monique’.

Na die periode kreeg Frank de nodige tegenslagen te verwerken.

Zo kreeg hij destijds toestemming om samen met producer Cees Vermeulen een klassieker op te nemen.

Hun oog viel op ‘You’ll Never Walk Alone’, maar de platenmaatschappij zag er geen brood in.

Slechts drie maanden later, in 1976, scoorde Lee Towers er een enorme hit mee.

Vanaf dat moment wist Frank dat hij muzikaal op de juiste weg zat, al duurde het daarna nog enkele jaren voordat hij met Cees Vermeulen aan zijn zijde opnieuw de studio in kon duiken.

Een nieuwe fase brak dan ook aan in 1981, toen hij onder de naam Frank Evans het podium betrad.

Hij bracht toen als eerste single ‘Forget Him’ uit.

Dat nummer was in 1963 geschreven door de Britse componist en producer Tony Hatch en was oorspronkelijk een hit voor Bobby Rydell.

Met zijn versie van deze oude hit van Bobby Rydell haalde hij in Vlaanderen met ‘Forget Him’ in juni 1981 de tiende plaats in de BRT Top 30.

Toch keek hij toen vol vertrouwen vooruit en voorspelde hij dat hij met zijn nieuwe single ‘Lonely Town’ helemaal naar de top zou gaan.

Het was een opvallend optimistische uitspraak van een man die de afgelopen jaren de nodige tegenslagen te verwerken had gekregen.

Doc Pomus (Jerome Solon Felder) en Mort Shuman schreven dit nummer ooit voor Elvis Presley. Elvis weigerde toen echter dit nummer op te nemen, waardoor Gene McDaniels het in 1963 als eerste opnam.

Dit legendarische schrijversduo tekende trouwens al eerder voor wereldhits van Elvis Presley, zoals ‘Surrender’, ‘Viva Las Vegas’ en ‘Kiss Me Quick’, en ook de klassieker ‘Save the Last Dance for Me’ voor The Drifters.

Hoewel het nummer geschreven was in 1963, leek het Frank in augustus 1981 op het lijf geschreven.

Hij had toen net een mislukt huwelijk achter de rug en woonde weer alleen. Frank legde uit dat de stad voor hem veranderd was, omdat hij overal geconfronteerd werd met mooie maar ook pijnlijke herinneringen, waar hij op sombere dagen liever met een boog omheen liep.

Toch accepteerde hij deze tegenslagen in de liefde als een onvermijdelijk onderdeel van zijn keuze voor een zangcarrière.

Veel tijd om bij de pakken neer te zitten had hij trouwens niet, want zijn agenda zat toen overvol.

Met de cover van Lonely Town behaalde hij op 15 augustus 1981 eveneens de tiende plaats in de BRT Top 30.

Hoewel deze twee singles in Vlaanderen succesvol waren, bereikten beide singles in zijn thuisland niet de hitparade.

In 1986 veranderde hij zijn artiestennaam opnieuw en deed hij als Frank Ashton mee aan de Soundmixshow.

Hij won deze talentenjacht met het nummer ‘Reno Town’ (Don’t go down to Reno), een cover van Tony Christie die werd geproduceerd door zijn vriend Jack de Nijs.

Opvallend genoeg had hij dit nummer een jaar eerder al op single uitgebracht onder zijn vorige schuilnaam Frank Evans.

De overwinning in de Soundmixshow zorgde voor zijn definitieve doorbraak.

Met de single ‘Remember The Good Times’ bereikte hij de eenentwintigste plaats in de Top 40, al kwam het nummer in Vlaanderen niet verder dan de tipparade.

Ook dit was een cover, gebaseerd op het Italiaanse nummer ‘Non voglio mica la luna’ uit 1986, dat werd geschreven door Zucchero, Luigi Albertelli en Enzo Malepasso en in Italië een hit werd voor zangeres Marina Fiordaliso.

De daaropvolgende single, getiteld ‘The Roses Ain’t Growing Anymore’ en geschreven door Hans Bouwens, bleef steken in de Tipparade.

Dit nummer werd geschreven door Hans Bouwens, de bekende voorman van de George Baker Selection.

Een nare val van een podium in 1997 leek een abrupt einde te maken aan zijn zangcarrière.

Na een jarenlange revalidatie maakte hij in 2004 echter een knappe comeback met het album Latin Lover.

Veertien jaar later, in 2019, liet hij opnieuw van zich horen door mee te doen aan het programma The Voice Senior, waar hij koos voor het team van coach Frans Bauer.

Hij wist toen uiteindelijk door te dringen tot de tweede ronde, maar de winst van dat seizoen ging naar de countryzanger Ruud Hermans.

De inmiddels 79-jarige zanger treedt tot op de dag van vandaag nog incidenteel op en is nog altijd te boeken.

Oldies-rage bezorgt Frank Evans tweede start

Gisteren nog vandaag

Jeane Manson: 50 jaar na de doorbraak met haar wereldhit Avant De Nous Dire Adieu.

Jeane Manson werd geboren op 1 oktober 1950 in Cleveland, Ohio.

Ze volgde haar studies aan het Coast College in Californië, waar ze haar grote liefde voor muziek ontdekte.

Haar opvallende uiterlijk trok ook de aandacht van Hugh Hefner, wat ertoe leidde dat ze in augustus 1974 en mei 1977 poseerde voor Playboy.

In 1974 werd ze verkozen tot Playmate van de Maand.

Na slechts kleine rolletjes in Hollywood besloot ze alles op alles te zetten: ze vertrok naar Europa met de droom om daar als actrice, zangeres en model naam te maken.

Om verwarring met de Franse mannelijke naam Jean te voorkomen, paste ze haar voornaam aan tot Jeane.

Jeane was destijds al vegetariër en beoefende veel aan yoga, al zei ze zeker geen nee tegen een glas wijn.

In Frankrijk begon ze al snel rollen te bemachtigen in diverse speelfilms, waaronder de komedie Bons Baisers de Hong Kong in 1975.

Tijdens een gala in 1975 raakte de Franse componist en producer Jean Renard gecharmeerd van haar en werd haar vaste producer.

Hij schreef in 1976 samen met Michel Mallory haar grootste hit ‘Avant de nous dire adieu’,.

Het nummer was zeer succesvol in de Benelux en bereikte de zesde plaats in de BRT Top 30, terwijl het in de Nederlandse Top 40 de twaalfde plaats behaalde.

De single, ‘Avant de nous dire adieu’, werd wereldwijd meer dan 2 miljoen keer verkocht. Niet slecht voor een debuutsingle, zou ik zeggen.

De daaropvolgende jaren bleef ze scoren met nummers zoals ‘Une femme’, ‘La chapelle de Harlem’ en ‘Vis ta vie’.

In 1979 mocht ze Luxemburg vertegenwoordigen op het Eurovisiesongfestival in Jeruzalem met het nummer ‘J’ai déjà vu ça dans tes yeux’, waarmee ze uiteindelijk op de dertiende plaats eindigde.

Gedurende de jaren tachtig en negentig bleef Jeane ontzettend productief. Ze experimenteerde met countrymuziek en gospel, trad regelmatig op in musicals en theatershows en bleef een opvallende persoonlijkheid in de media.

Naast haar veelzijdige talenten was ze ook gewoon moeder van twee dochters.

Haar oudste dochter Shirel trad in haar voetsporen en bouwde eveneens een succesvolle carrière op als zangeres en actrice, onder meer met een opvallende rol in de musical Notre-Dame de Paris.

Jeane bracht in totaal ruim 26 albums uit, haalde meerdere gouden platen en verkocht naar schatting tussen de 24 en 30 miljoen albums en singles.

In haar privéleven was het een emotionele achtbaan.

Ze is vier keer getrouwd geweest: in 1968 met Dave Ghormley, van 1977 tot 1979 met André Djaoui, van 1981 tot 1983 met Robert Viharo en van 1984 tot 1986 met Richard Berry.

Daarnaast had ze relaties met de journalisten Allain Bougrain-Dubourg en Bernard Giroux.

Vanaf 2012 kwam er een zware periode. Jeane raakte verwikkeld in een intense juridische strijd met de Franse belastingdienst.

De situatie escaleerde zo erg dat deurwaarders beslag legden op haar bezittingen.

Ze werd gedwongen haar prachtige Normandische woning te verkopen en haar paarden weg te doen.

Sindsdien woont ze in een klein dorp in Spanje.

Haar financiële problemen werden nog erger door torenhoge advocaatkosten, onder meer door spraakmakende rechtszaken over beschuldigingen van incest.

De Amerikaanse actrice en zangeres raakte in opspraak na beschuldigingen van incest door Coline Berry-Rojtman, de dochter van haar ex-man Richard Berry.

Coline beschuldigde Manson van betrokkenheid bij seksueel misbruik toen zij minderjarig was.

In januari 2021 diende Coline een aanklacht in tegen haar vader Richard Berry en Jeane Manson.

Ze beweerde dat ze in 1984 en 1985 tot seksuele spelletjes werd gedwongen en beschuldigde Manson ervan deel uit te maken van een pedofiele sekte.

Jeane ontkende deze aantijgingen met klem.

Omdat ze de beschuldigingen als leugens beschouwde, spande ze een rechtszaak wegens smaad en laster tegen Coline aan.

Coline werd in eerste instantie in 2022 veroordeeld, maar in juli 2024 werd ze door het hof van beroep in Lyon vrijgesproken.

De zaak kwam daarna voor het Franse Hof van Cassatie.

Eind 2025 oordeelde het Hof dat het arrest over de vrijspraak deels moest worden vernietigd, wat leidde tot nieuwe juridische ontwikkelingen.

Het strafrechtelijke onderzoek naar Richard Berry zelf werd in september 2022 geseponeerd wegens verjaring.

Daarnaast kreeg Jeane ook zware fysieke klappen te verwerken, waaronder een hartaanval tijdens een van haar rechtszaken in Lyon in 2024 – iets wat een enorme wissel trok op haar leven en haar werkkracht.

Ondanks al deze tegenslagen is de nu 75-jarige zangeres nog steeds actief.

Ze treedt regelmatig op, brengt nog nieuwe albums en singles uit.

In 2025 verscheen haar album Encore Une Fois en begin 2026 kwam haar nieuwe jazzalbum Jazz Bleu Nuit uit: een prachtige verzameling herwerkte jazzstandards en klassiekers uit het verleden, met live-elementen en remixes.

Vandaag bereikt het nummer Only Crying van Keith Marshall de eerste plaats in de BRT-Top 30.

In juli 1981 maakte de voormalige tienerster Keith Marshall, ooit de leadgitarist van de groep Hello, een onverwachte comeback met zijn succesvolle hit ‘Only Crying’.

Rond het midden van de jaren zeventig had het in Engeland nog gekrioeld van de teenybopper-groepen, met ‘Mud’, ‘The Sweet’ en ‘The Bay City Rollers’ als de absolute blikvangers.

Zij hadden echter allemaal moeten ondervinden dat de roem in die specifieke tak van de popindustrie vaak van korte duur was.

Kleinere groepjes zoals Kenny, Slik en Hello waren in 1981 al bijna volledig in de vergetelheid geraakt.

Toch had dat verrassende popjaar twee nieuwe namen uit die oude formaties naar voren geschoven.

Midge Ure vond, na een kort verblijf bij the Rich Kids en Thin Lizzy, zijn weg naar Ultravox en loodste die groep naar een wereldhit met Vienna.

En toen dook plots Keith Marshall weer op.

De glorieperiode van Hello had indertijd slechts een jaar geduurd. Toch had dat viertal, dat verder bestond uit Jeff Allen, Vic Faulkner en Bob Bradbury, in die korte tijd enkele prima pophits afgeleverd.

Een leuk detail uit die begintijd is dat Keith zijn bandleden al kende van school en dat ze rond 1971 werden ontdekt door niemand minder dan Rod Argent van de band The Zombies.

Hun single Tell Him behaalde eind 1974 de zilveren status in Engeland.

Het jaar daarop werd New York Groove, een nummer dat was geschreven door Russ Ballard en geproduceerd door de manager van Gary Glitter, Mike Leander, zelfs uitgeroepen tot plaat van het jaar in Duitsland.

Dit sterke nummer werd enkele jaren later in de Verenigde Staten bovendien nog succesvol gecoverd door Ace Frehley van de hardrockband Kiss.

Na nog wat singles en de film Side by Side wilde Hello het serieuzer gaan aanpakken.

Engelse rockjournalisten voorspelden een enorme toekomst voor de enige groep uit dat genre die volgens hen echt wat in zijn mars had, maar het grote publiek haakte onverwachts af.

Nadat hun platenfirma Bell failliet ging, viel definitief het doek voor Hello.

Zo verdween ook de blonde gitarist Keith Marshall, destijds de absolute lieveling van de meisjes, uit de belangstelling.

Een opmerkelijk weetje is dat Keith destijds definitief besefte dat het voorbij was met Hello toen hij in 1979 een stapel platen zat te signeren voor hun fanclub in Duitsland.

Het drong toen tot hem door dat de band louter nog teerde op oud succes bij een kleine, overgebleven groep fans op het vasteland, en dat een nieuwe internationale doorbraak uitgesloten was.

In alle stilte werkte hij daarna verder aan zijn solocarrière.

Tijdens zijn periode bij Hello had hij al enkele eigen nummers geschreven, en daar besloot hij zich aanvankelijk op te concentreren.

Omdat Europa, en in het bijzonder Duitsland, altijd een uitstekend wingewest was geweest voor zijn oude band, richtte hij zijn pijlen op het vasteland.

Noch Keith, noch de Europese fans waren de voorbije successen vergeten.

Zijn allereerste eigen solosingle in Duitsland in 1979, het zelfgeschreven ‘Remember Me’, werd meteen een hit en werd nadien zelfs door Duitse vedetten in hun eigen taal opgenomen.

Omdat platenlabels in Groot-Brittannië niet meteen happig waren om hem een contract aan te bieden, weigerde hij een snelle klim af te dwingen en bleef hij resoluut op de Duitse markt mikken.

Daar toerde hij succesvol met groepen als Racey en Clout, waarna hij pas echt zijn zinnen weer op Engeland zette.

De manager van Keith had inmiddels zijn eigen platenlabel Arrival Records opgericht, en daar bracht hij in het voorjaar van 1981 ‘Only Crying’ uit.

Het was meteen weer raak.

Het wat beklemmende maar uiterst melodieuze nummer bereikte vlot de top tien in Engeland en leidde tot een succesvolle rondreis die hem in onze streken zelfs een nummer één-notering opleverde.

Op 18 juli 1981 bereikte het nummer ‘Only Crying’ effectief de eerste plaats in de BRT-Top 30.

In Nederland was de single eveneens een succes en goed voor een derde plaats in de Top 40.

Dat Keith Marshall helemaal terug was, bewees hij in de zomer van 1981 ook met de release van zijn eerste solo-elpee, waarvoor hij onder andere de muzikale steun had gekregen van Jim Rodford, de bassist van The Kinks.

Daarnaast nam hij ook de rol van producer op zich, onder meer voor de meisjesgroep The Teezers, van wie in diezelfde periode hun debuutalbum, en later zou blijken, hun enige album, The Best Part Of Breaking Up, werd verwacht.

In juli 1981 was Keith precies vijfentwintig jaar oud.

Hij was op 5 juni 1956 in het Londense Hackney ter wereld gekomen als de zoon van Violet en Albert Marshall.

Al op elfjarige leeftijd had hij zich tot de showbusiness aangetrokken gevoeld.

Hij leerde zichzelf gitaar, mondharmonica en een beetje piano spelen, waarna hij zijn kans waagde in het bekende BBC-programma Opportunity Knocks, wat vergelijkbaar was met Ontdek de Ster.

Naast muziek hield Keith destijds enorm van eten, drinken, slapen en zonnebaden, maar hij had een hartgrondige hekel aan reizen per boot of wagen.

Indisch eten droeg zijn absolute voorkeur weg en als er dan toch gedronken moest worden, koos hij het liefst voor een glas Southern Comfort.

Muzikaal gezien bleef hij opkijken naar Russ Ballard en koesterde hij een grote bewondering voor Diana, Presley en Jimi Hendrix.

Keith zocht zijn favoriete filmsterren vooral in vervlogen jaren, met name Errol Flynn en Marilyn Monroe, en dit lijstje werd destijds ongetwijfeld nog aangevuld.

In de zomer van 1981 was het overduidelijk dat Keith Marshall er weer stond, en men hoopte dat er deze keer geen snel afscheid zou volgen.

De nu 70-jarige zanger is nog steeds actief in de muziekwereld, zij het op verschillende manieren.

Tegenwoordig is hij onder andere werkzaam als barista-trainer, muziekverzamelaar en af en toe actief als dj in Dublin.

Daarnaast treedt hij nog op, verzorgt hij muziek in de regio en werkt hij aan eigen muziek.

45 jaar geleden scoorde de Schotse zangeres Aneka een gigantische nummer één-hit met het aanstekelijke ‘Japanese Boy’.

Het nummer werd geschreven door Bob Heatlie en geproduceerd door de Schotse producer Neil Ross.

Wat destijds niet iedereen wist, was dat achter het pseudoniem Aneka de gerespecteerde traditionele folkzangeres Mary Sandeman schuilging, die in haar thuisland Schotland al een gevestigde naam was.

Het idee voor de artiestennaam Aneka ontstond overigens heel toevallig toen ze een Schots telefoonboek doorbladerde en zocht naar een naam die een beetje exotisch en passend klonk bij het popconcept.

In Vlaanderen veroverde Japanese Boy moeiteloos de eerste plaats in de BRT Top 30, en ook in Groot-Brittannië, Ierland, Finland, Zwitserland en Zweden schoot de plaat door naar de absolute toppositie.

In de Nederlandse Top 40 moesten de fans genoegen nemen met een nog altijd zeer respectabele zevende plaats.

Wereldwijd gingen er destijds meer dan vijf miljoen exemplaren van de single over de toonbank.

Een leuk weetje is dat Mary Sandeman destijds al in de dertig was toen ze doorbrak als popster, wat destijds vrij ongebruikelijk was in de popwereld.

Bovendien trad ze tijdens promotie-optredens altijd op in een traditionele Japanse kimono en met een opvallend kapsel, een imagokeuze die tegenwoordig waarschijnlijk veel stof zou doen opwaaien, maar in de vroege jaren tachtig een slimme marketingtruc bleek te zijn.

In 2002 beleefde het nummer een enorme heropleving onder een compleet nieuwe generatie jongeren.

Het werd namelijk toegevoegd aan de soundtrack van het immens populaire computerspel Grand Theft Auto: Vice City, waardoor de iconische synthesizerklanken plotseling weer overal te horen waren.

Het succes van die eerste single bleek echter moeilijk te evenaren.

De opvolger ‘Little Lady’, die eveneens uit de pen van Bob Heatlie kwam, deed het in Vlaanderen nog heel aardig met een zevende plaats in de BRT Top 30.

In Nederland bleef de single steken op de achttiende plaats in de Top 40. De daaropvolgende single,

Ooh ‘Shooby Doo Doo Lang’ wist de hitlijsten niet meer te bereiken en strandde in de Tipparade.

Ook de singles die daarna uitkwamen ondergingen hetzelfde lot.

Na de release van haar laatste single ‘Heart To Beat’ in 1983 besloot de zangeres in 1984 definitief een punt te zetten achter haar popcarrière.

Na dit korte maar hevige popavontuur keerde ze in de jaren tachtig snel terug naar haar oorspronkelijke passie: de traditionele Schotse folkmuziek en Keltische, Gaelische zang.

Onder haar eigen naam Mary Sandeman trad ze onder andere op met het prestigieuze Scottish Fiddle Orchestra en bracht ze gewaardeerde albums uit in haar vertrouwde genre.

In 2006 dook ze nog even op in de publiciteit toen ze meewerkte aan een Britse televisiedocumentaire over eendagsvliegen, de bekende one-hit wonders.

Ze weigerde destijds echter resoluut om naar Londen te reizen voor een reoptreden op televisie.

Ze gaf nuchter aan dat ze nog altijd achter het nummer stond, maar dat ze absoluut geen behoefte meer had om de popact van weleer te herhalen.

Volgens de laatste updates woont Mary Sandeman, die inmiddels 78 jaar oud is, in het schilderachtige Perthshire in de buurt van het Schotse Stirling.

Om bezig te blijven na haar muzikale loopbaan werkte ze de afgelopen decennia onder andere als parttime stadsgids in Stirling, waarbij ze toeristen met veel plezier rondleidde door de Schotse geschiedenis.

Tegenwoordig geniet ze in alle rust van haar pensioen en van haar gezinsleven als trotse grootmoeder.

Alvin Stardust, de man in het zwarte leer en zijn onverwachte succesverhaal.

Aanvankelijk begon Bernard William Lewry zijn muzikale carrière in het begin van de jaren zestig onder de artiestennaam Shane Fenton.

Met zijn band The Fentones kende hij wat lokaal succes. Een opmerkelijk weetje uit die tijd is dat Lewry eigenlijk de roadie van de band was.

Toen de oorspronkelijke zanger, de echte Shane Fenton, vlak voor een belangrijke BBC-auditie door gezondheidsproblemen plotseling overleed, nam Lewry noodgedwongen zijn plaats én zijn naam over om de kans niet aan de band voorbij te laten gaan.

Jaren later kreeg zijn carrière een onverwachte en zeer succesvolle wending.

Componist Peter Shelley had het nummer ‘My coo ca choo’ geschreven en was oorspronkelijk van plan om dit zelf uit te brengen.

Hij had daarvoor zelfs al de extravagante artiestennaam Alvin Stardust bedacht.

Omdat Shelley echter in 1973 samen met Michael Levy een doorstart maakte van hun eigen platenfirma, Shelley Magnet Records, ontbrak het hem simpelweg aan tijd om zelf op te treden en promotie te voeren.

Shelley vond voormalig tieneridool Shane Fenton bereid om in de huid van Alvin Stardust te kruipen en het nummer op het podium te promoten.

Deze samenwerking legde hen geen windeieren, want ‘My coo ca choo’ werd een daverend mondiaal succes.

In Australië stond het nummer maar liefst zeven weken op de eerste plaats.

Ook in Oostenrijk en Noorwegen liep de verkoop uitstekend, met respectievelijk een tweede plaats gedurende zestien weken en een vierde plaats in negen weken.

In Vlaanderen bereikte de single op 2 februari 1974 een mooie derde plaats in de BRT Top 30.

Wat Peter Shelley betreft: hij zou een jaar na dit succes alsnog zelf singles gaan uitbrengen onder zijn eigen naam.

Zijn single ‘Love Me Love My Dog’ uit 1975 deed het behoorlijk goed.

In de Lage Landen kennen we de melodie van dit nummer vooral dankzij Rudi Carrell, die er in 1976 met ‘Samen ’n straatje’ een hit mee scoorde in de Nederlandse vertaling.

Na het gigantische succes van zijn debuutsingle bracht Alvin Stardust nog enkele opvolgers uit, waaronder ‘Red dress’ en ‘You, you, you’.

De zanger cultiveerde in deze periode een zeer kenmerkend imago: strak in het zwarte leer, met grote bakkebaarden, opvallende zwarte handschoenen en een grote, dikke ring om zijn vinger.

Hij nam tijdens tv-optredens steevast een mysterieuze, ietwat norse houding aan die sterk deed denken aan rock-‘n-roll-legendes zoals Gene Vincent.

Bovendien werd hij in Groot-Brittannië een iconisch gezicht door zijn deelname aan een beroemde verkeersveiligheidscampagne, waarin hij Britse kinderen op het matje riep als ze niet goed uitkeken bij het oversteken.

Na de hoogtijdagen in de jaren zeventig werd het even wachten, maar in 1981 maakte hij een krachtige comeback met zijn coverversie van ‘Pretend’.

Dit nummer werd oorspronkelijk in 1952 geschreven door Lew Douglas, Dan Belloc en Frank Lavere en werd destijds wereldberoemd gemaakt door Nat King Cole.

De uitvoering van Alvin Stardust bleek een groot succes te zijn.

Een leuk detail over deze comeback is dat ‘Pretend’ hem in het Verenigd Koninkrijk zijn grootste succes sinds lange tijd opleverde en de deuren naar het legendarische televisieprogramma Top of the Pops opnieuw wijd voor hem opende.

Ook in de Benelux was het een voltreffer: de single bereikte op 12 december 1981 de eerste plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en behaalde in de Nederlandse Top 40 een knappe derde plaats.

Ook in de jaren die daarop volgden, wist Alvin Stardust nog enkele hits te scoren.

Zo was hij in 1982 succesvol met ‘A Wonderful Time Up There’ en had hij in 1985 nog een notering met ‘I Feel Like Buddy Holly’.

Naast zijn muziekcarrière speelde hij succesvol mee in diverse theatermusicals zoals Godspell en Chitty Chitty Bang Bang, en verscheen hij regelmatig in Britse televisieseries.

Het leven van deze veelzijdige artiest kwam ten einde in oktober 2014, slechts enkele weken nadat er uitgezaaide prostaatkanker bij hem was vastgesteld.

Bernard William Lewry, de man die we ons altijd zullen herinneren als de in leer gehulde Alvin Stardust, werd 72 jaar oud.

Vandaag 45 jaar geleden, komt Visage met hun nummer Fade To Grey binnen in de Brt Top 30.

Steve Strange, de artiestennaam van Steven Harrington, staat te boek als een van de belangrijkste pioniers van de new romantic-beweging binnen de new wave.

Zijn passie voor muziek werd aangewakkerd na een concert van de Sex Pistols in 1976.

Dit zette hem er niet veel later toe aan om de club Blitz te openen in de Londense wijk Soho, waar hij een legendarisch streng deurbeleid voerde: alleen de meest creatief geklede bezoekers mochten naar binnen.

Zelfs een wereldster als Mick Jagger werd ooit geweigerd, omdat hij niet aan de strikte kledingvoorschriften voldeed.

Deze club groeide razendsnel uit tot de absolute hotspot voor de scene. Het was de plek waar bands zoals Duran Duran hun debuut beleefden en waar David Bowie persoonlijk figuranten kwam uitzoeken voor zijn videoclip Ashes to Ashes.

In 1979 vormde Strange zijn eigen band, Visage. Hun geluid was een innovatieve mix van futuristische synthesizers en dansbare ritmes, sterk beïnvloed door de elektronische klanken van Kraftwerk en de visuele flair van Bowie.

De grootste triomf van de band was de wereldhit Fade to Grey uit 1980.

De muziek voor dit nummer werd gecomponeerd door Christopher John Payne en Billy Currie.

De basis ontstond oorspronkelijk als een instrumentaal stuk onder de titel Toot City tijdens soundchecks van een tournee van Gary Numan in 1979, waar Payne en Currie deel van uitmaakten.

Midge Ure schreef uiteindelijk de songtekst en nam de productie voor zijn rekening.

Het nummer bevat een kenmerkende Franse stem, ingesproken door Brigitte Arens, en werd vergezeld door een iconische videoclip waarin Strange te zien is met zijn gezicht beschilderd in zilver en geometrische patronen.

In Vlaanderen was het een enorm succes in 1981 met een vierde plaats in de BRT Top 30, terwijl de single in Nederland opmerkelijk minder presteerde en niet verder kwam dan de tweeëntwintigste plaats in de Top 40.

Het succes bleek echter niet onfeilbaar; nadat hun derde album Beat Boy flopte, hield de band het in 1984 voor gezien.

De jaren daarna verliepen moeizaam voor Strange.

Hij kampte lange tijd met een zware heroïneverslaving, wat leidde tot ernstige financiële problemen en een wankele gezondheid.

Tijdens een dieptepunt in zijn leven werd hij zelfs gearresteerd voor het stelen van een Teletubbie-pop voor zijn neefje.

Hoewel hij later een comeback maakte met een nieuwe bezetting van Visage, kwam er in 2015 een einde aan zijn bewogen leven toen hij op 55-jarige leeftijd overleed aan een hartinfarct in de Egyptische badplaats Sharm el-Sheikh.

De schaduwzijde van Tien om te zien: goudkoorts en gebroken dromen in de Vlaamse showbizz

De opmars van de Vlaamse amusementsmuziek aan het begin van de jaren negentig werd gedreven door een grenzeloos optimisme bij duizenden aspirant-artiesten.

Aangespoord door familie, fans en kleine platenbonzen geloofden velen oprecht dat ze een fantastisch talent bezaten.

Dit leidde ertoe dat artiesten soms wel zes singles opnamen en tot anderhalf miljoen Belgische frank investeerden — wat vandaag de dag neerkomt op ruim 37.000 euro — voordat ze beseften dat de beloofde distributie en promotie door de platenfirma uitbleven.

In de praktijk moesten vaders van jonge zangers vaak zelf met de auto de lokale winkels bevoorraden, omdat de beloofde nationale promotie uitbleef.

Het enorme succes van het wekelijkse muziekprogramma Tien om te zien op de commerciële televisie fungeerde hierbij als de grote katalysator.

Het programma bood een ongekend nationaal podium voor het levenslied en de lokale popmuziek, waardoor de verkoopcijfers van Vlaamstalige producties explodeerden.

Voor gevestigde iconen zoals Willy Sommers, die al sinds de jaren zeventig een sterrenstatus genoot met klassiekers als Zeven anjers, zeven rozen, betekende dit een krachtige tweede adem.

Het programma verbond de jarenlange ervaring van dergelijke boegbeelden met een hernieuwde commerciële dynamiek, waardoor zij ook bij een jongere generatie prominent in het vizier bleven.

Opvallend is dat Nederland op dit vlak een belangrijke voorloper was waar veel Vlamingen jarenlang naar keken.

Al vanaf 1971 was daar Op losse groeven te zien, dat later werd opgevolgd door Op Volle Toeren.

Beide programma’s werden gepresenteerd door Chiel Montagne, die daarmee de absolute pionier van het genre was.

Montagne, die helaas op 24 juli 2025 is overleden, bleef voor velen het symbool van de waardering voor het Nederlandstalige lied.

Omdat de Vlaamse staatszender BRT dergelijke amusementsvriendelijke programma’s nauwelijks bood, stemden veel kijkers in Vlaanderen, zoals ik, af op de Nederlandse televisie voor hun portie muziek van eigen bodem.

Pas met de komst van VTM kregen deze artiesten met Tien om te zien eindelijk een eigen lokaal platform van vergelijkbare schaal.

Naast de gevestigde waarden ontstond er in Vlaanderen echter een enorme nieuwe instroom die hoopte op een vergelijkbare doorbraak als bij de noorderburen.

Dit creëerde een scherp onderscheid tussen de professionele top en de wereld van de loonpersingen.

Terwijl de echte sterren konden rekenen op professionele begeleiding, boden kleine labels amateurs de kans om tegen hoge prijzen een single op te nemen.

Zangers draaiden vaak zelf volledig op voor de productiekosten. Voor een oplage van duizend exemplaren betaalde een artiest destijds tussen de 70.000 frank (ongeveer 1.735 euro) en 115.000 frank (bijna 2.850 euro).

Dit bedrag dekte de kosten voor de studio en een vierkleurenhoes, maar de beloofde kwaliteit bleek in de praktijk niet altijd op waarheid te berusten.

De markt raakte hierdoor verzadigd met muziek die door experts vaak als hopeloos ouderwets werd omschreven.

Het was niet ongewoon dat dezelfde melodieën aan verschillende artiesten tegelijkertijd werden verkocht, waarbij enkel de tekst werd aangepast.

Maandelijks stroomden er tientallen van dit soort singles en cassettes binnen bij televisieproducenten, ingestuurd door mensen die ervan overtuigd waren dat zij de volgende grote ster zouden worden naast hun idolen uit de jaren zeventig en tachtig.

Sommigen gingen zelfs zo ver dat ze hun volledige spaargeld van bijvoorbeeld 800.000 frank (circa 19.830 euro) opofferden voor een moment in de spotlights.

Voor de meeste van deze hoopvolle talenten bleef de kelder echter de uiteindelijke bestemming voor hun voorraad.

Meer dan de helft van de geperste singles raakte men aan de straatstenen niet kwijt.

De schrille tegenstelling tussen de weinigen die werkelijk doorbraken en de massa die enkel betaalde voor een illusie, typeerde deze gouden jaren van de Vlaamse showbizz.

Ondanks de financiële aderlating bleven velen hun uitgaven zien als een noodzakelijke investering in een droom, waarbij de glitter van het televisiescherm een onweerstaanbare, maar voor velen onbereikbare aantrekkingskracht behield.

Deze week, 45 jaar geleden, komt Duncan Browne met zijn nummer The Wild Places binnen in de Belgische Nationale Tipparade.

Duncan Browne wordt geboren op 25 maart 1947.

Na zijn middelbare schoolopleiding studeert hij twee jaar aan het Londens Conservatorium, als klassiek gitarist.

Daarnaast ontwikkelt hij zich als zanger/songschrijver.

Na teleurstellende ervaringen in de jaren zestig op het Immediate-label, scoort Duncan Brown in 1972 een hit in Engeland met zijn single Journey.

Op het RAK-label verschijnt in 1973 nog een solo-elpee (Duncan Brown), voordat hij naar Parijs vertrekt.

Daar ontmoet hij in 1973 Peter Godwin, die vanaf zijn veertiende gitaar speelt, zingt, schrijft en reist.

Bij dit duo voegt zich in 1975 Sean Lyons en twee jaar later verschijnt het debuutalbum Metro.

De stijl wordt omschreven als iets tussen Engelse rock, Johan S. Bach, Lou Reed en Jacques Brel in. Criminal World, een single, is een op zichzelf staand meesterwerkje, maar zowel het album als de single doen verder iets.

Metro treedt nooit op en valt terug in de vergetelheid, terwijl Duncan breekt met de twee anderen.

90% van het Metro-album is van hem en als Brown op de ingeslagen weg verder wil, willen zijn partners een hardere rockrichting op.

Zij verschijnen uiteindelijk met een vernieuwde Metro en een nieuwe elpee New Love.

Browne is dan zijn eigen overgang te boven en komt opnieuw op zijn oude uitgangspunt terecht, als solist, met het album The Wild Places.

Van dit succesvolle album wordt het titelnummer in Vlaanderen en Nederland een grote hit.

The Wild Places haalt op 14 april 1979 de twaalfde plaats in de BRT Top 30 en in Nederland bereikt het nummer zelfs de zevende plaats in de Nederlandse Top 40.

In augustus 1991 wordt het nummer weer uitgebracht, maar is dan na drie weken alweer uit de hitlijsten verdwenen.

Als relatief kort na The Wild Places zijn nieuwe album Streets Of Fire verschijnt heeft Duncan Browne zijn muzikale koers uitgezet, maar een hit opvolger voor The Wild Places zit er niet in.

Sindsdien wordt er van hem niet veel meer vernomen, op een sporadisch optreden na.

Duncan Browne is op 28 mei 1993 op 46 jaar leeftijd overleden.

Vandaag is het precies 40 jaar geleden dat de single Somebody’s Watching Me van Rockwell op een negende plaats binnenkwam in de BRT Top 30.

Dit nummer was de grootste hit van Rockwell, de artiestennaam van Kennedy Gordy, de zoon van Motown-oprichter Berry Gordy.

Het nummer werd geschreven door Rockwell zelf en mede geproduceerd door Curtis Anthony Nolen.

Het nummer viel op door de achtergrondzang van Michael Jackson en Jermaine Jackson, die bevriend waren met Rockwell.

De videoclip van het nummer is geïnspireerd door de film Psycho en laat Rockwell zien als een paranoïde man die denkt dat hij overal bespied wordt.

In Amerika Bereikte de single de tweede plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

In Vlaanderen bereikte het nummer op 31 maart 1984 de eerste plaats in de BRT Top 30.

In Nederland was de single goed voor een tweede plaats in de Top 40.

Rockwell werd geboren in 1964 in Detroit en groeide op in een muzikale familie.

Zijn ouders waren Berry Gordy en Margaret Norton. Kort na zijn geboorte, eindigde de kortstondige relatie (Volgens Berry niet meer dan een affaire. Berry Gordy heeft trouwens acht kinderen bij zes vrouwen, waarvan hij met drie trouwde)

Gordy vernoemt zijn zoon naar president John F. Kennedy en zanger William Smokey Robinson.

Rockwell wilde zijn eigen muzikale carrière opbouwen zonder te leunen op zijn vader’s invloed.

Hij koos voor de naam Rockwell omdat hij zich een rots in de branding voelde.

Het verhaal is dan ook dat hij zijn contract bij Motown geregeld had zonder dat zijn vader daarvan op de hoogte was.

Het album bevatte naast de titeltrack ook de drie andere single Obscene Phone Caller, Taxman en Knife.

Na zijn succesvolle debuut bracht Rockwell nog twee albums uit: Captured (1985) en The Genie (1986).

Deze albums waren echter minder succesvol en kregen weinig aandacht.

Rockwell verliet Motown in 1987 en verdween uit de muziekwereld.

Hij had ook te kampen met persoonlijke problemen, zoals een drugsverslaving en een echtscheiding.

In 2016 werd hij gearresteerd voor huiselijk geweld tegen zijn toenmalige vriendin.

Rockwell leeft nu teruggetrokken in Los Angeles en houdt zich niet meer bezig met muziek.

Hij heeft geen contact meer met zijn vader of zijn halfbroers en halfzussen, waaronder zanger Redfoo (Stefan Kendal Gordy) van LMFAO en zangeres Rhonda Ross Kendrick, de oudste dochter van Diana Ross.

Hij heeft wel nog steeds de rechten op zijn muziek, die regelmatig gebruikt wordt in films, reclames en tv-shows.

Gisteren nog vandaag

Deze week, 45 jaar geleden, komt de single Lay Your Love on Me van de Britse groep Racey binnen in de Brt Top 30.

Het nummer werd geschreven door Nicky Chinn en Mike Chapman, geproduceerd door Mickie Most en uitgebracht in 1978 op het RAK Records label.

Het was hun eerste hit, die nummer 3 bereikte in het VK Singles Chart en nummer 2 in Ierland in december 1978.

In Vlaanderen was het nummer goed voor een derde plaats in de Brt Top 30.

In Nederland bereikte de single zelfs de eerste plaats in de Top 40.

Het nummer werd ook een hit in andere landen, waaronder Australië, Nieuw-Zeeland, Duitsland, Zweden en Zuid-Afrika.

Ook de opvolger Some Girls was een grote hit in Vlaanderen en Nederland.

Hun nummer “Kitty” uit 1979 werd in 1981 een internationale hit voor Toni Basil toen ze het omwerkte tot “Mickey”.

Racey werd opgericht in 1976, in Weston-super-Mare, Somerset, Engeland, door Clive Wilson en Phil Fursdon.

De groep bestond verder uit Richard Gower en Pete Miller.

Richard Gower verliet de groep in 1985 en vormde zijn eigen versie van Racey.

Clive Wilson en Phil Fursdon gingen door met Pete Miller.

Bassist Pete Miller overleed in 2003

Beide versies van Racey treden nog steeds op in het Verenigd Koninkrijk en Europa.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 35 jaar geleden, bereiken de Confetti’s de achtste plaats in de Brt Top 30.

In Frankrijk bereikte het nummer de zevende plaats en In Nederland bereikte het nummer niet de hitparade.

Het nummer C in China werd geschreven door Serge Ramaekers en Dominic Sas, die ook de producers waren van de Vlaamse new beat-groep Confetti’s.

Het nummer verscheen op het album 92… Our First Album, dat in 1989 uitkwam.

Confetti’s was oorspronkelijk de naam van een discotheek in Brasschaat, waar Peter Renkens als ober werkte.

Hij werd later de zanger en het gezicht van de groep, samen met enkele danseressen.

De groep scoorde een grote hit met The Sound of C dat bedoeld was als een reclamestunt voor de discotheek.

Het nummer werd vooral populair in Frankrijk, waar het bijna 300.000 keer verkocht werd.

De groep kreeg ook de steun van Pepsi, die hun kerstsingle Circling Stars sponsorde.

De groep bleef succesvol tot ongeveer 1991, toen het new beat-genre al over zijn hoogtepunt heen was (Joepie 22 januari 1989).

Vandaag 45 jaar geleden, komt de single Late Night Show van de Nederlandse groep Tiffany binnen in de Brt Top 30.

De single was toen een bescheiden hit en bereikte in Vlaanderen de drieëntwintigste plaats in de Brt Top 30.

In Nederland kwam het nummer niet verder dan de dertigste plaats in de hitparade.

Het is de eerste single onder de naam van Tiffany, daarvoor kende we de groep onder de naam Black & White.

Tiffany bestaat uit Saskia van Enk, Sena Carol en Stan Sidney. Het is de eerste single onder de naam van Tiffany.

In dit nummer is de stem van Bruce Parsons, een Canadese presentator bij Radio Nederland Wereldomroep, te horen als de diskjockey Lovable Larry.

Op de B-kant van Late Night Show staat Nobody’s Fool.

Beide nummers zijn geschreven door Rob en Ferdi Bolland, die ook de producers zijn.

De arrangementen zijn van Gerard Stellaard.