Deze week, vijftig jaar geleden, maakte de single All by Myself van Eric Carmen zijn debuut in de BRT Top 30.

Hoewel Carmen het nummer zelf schreef, baseerde hij de herkenbare melodie direct op het Adagio sostenuto uit het tweede pianoconcert van Sergej Rachmaninov.

De aanduiding Adagio sostenuto staat voor een zeer traag en gedragen tempo, wat de melancholische sfeer van het nummer verklaart.

De Russische componist schreef dit meesterwerk tussen 1900 en 1901, vlak nadat hij uit een diepe depressie was gekropen.

Die sombere periode was het gevolg van de vernietigende kritieken op zijn eerste symfonie, waardoor hij drie jaar lang geen noot meer op papier kreeg.

Hulp kwam er in de persoon van Nikolaj Dahl, een Moskouse neuroloog en psychiater die gespecialiseerd was in hypnotherapie.

Dahl was zelf een verdienstelijk amateurmusicus en speelde altviool, waardoor hij een sterke band met Rachmaninov kon opbouwen.

Van januari tot april 1900 behandelde hij de componist dagelijks.

Terwijl Rachmaninov in een halfslaap verkeerde, herhaalde Dahl voortdurend positieve suggesties als een drieluik: je zult je concert schrijven, je zult met groot gemak werken en het concert zal van uitmuntende kwaliteit zijn.

Deze aanpak bleek de sleutel tot zijn herstel, en uit dankbaarheid droeg de componist het volledige tweede pianoconcert officieel aan zijn arts op.

Toen Eric Carmen het nummer in 1975 uitbracht, verkeerde hij in de veronderstelling dat de muziek wereldwijd vrij van rechten was.

In de Verenigde Staten was dat destijds ook het geval, omdat de bescherming daar verliep na 75 jaar vanaf de publicatiedatum in 1901.

In Europa gold echter de regel dat auteursrechten tot zeventig jaar na het overlijden van de componist van kracht bleven.

Omdat Rachmaninov in 1943 was overleden, was zijn werk hier nog tot 2013 beschermd.

Na contact met de erfgenamen werd er een regeling getroffen waarbij Carmen twaalf procent van de royalty’s aan de familie afdroeg.

In de Vlaamse hitlijsten schopte de single het destijds tot een twaalfde positie, terwijl deze in de Nederlandse Top 40 een zevende plaats wist te veroveren.

Twintig jaar na de oorspronkelijke release bracht Céline Dion een succesvolle cover uit.

Tegen die tijd was de juridische situatie volledig opgehelderd, waardoor de verdeling van de royalty’s tussen Carmen en de erfgenamen van Rachmaninov automatisch werd toegepast op haar versie.

Haar uitvoering behaalde de veertiende plek in de Vlaamse Ultratop 50 en bleef in de Nederlandse Top 40 steken op nummer twintig.

Een opvallend detail is dat de muziek van Rachmaninov vaker de weg naar de popmuziek vond, aangezien ook Frank Sinatra in 1946 voor zijn hit Full Moon and Empty Arms uit hetzelfde pianoconcert putte.

Karel Miry: de Gentse componist van de Vlaamse Leeuw en wegbereider van het Nederlandstalig muziektheater

Karel Miry werd op 23 maart 1823 in Gent geboren als Carel Franciscus Leopoldus Stepman, de onwettige zoon van Francisca Stepman.

Pas twee jaar later, bij het huwelijk van zijn ouders Francisca en François Xaverius Miry in 1825, werd hij officieel erkend en kreeg hij de familienaam Miry.

Hij kreeg zijn eerste muziek- en vioollessen van zijn oom, Pieter Jan Miry, waarna hij vanaf 1835 studeerde aan het Toonkundig Conservatorium in Gent.

Gedurende zijn leven hanteerde hij verschillende varianten van zijn voornamen, zoals Carolus Franciscus Leopoldus en de Franstalige versie Charles François Léopold.

Hij trad in het huwelijk met Stephanie Joanna Elisa De Clercq en bouwde een indrukwekkende loopbaan op die hem uiteindelijk de onderscheiding van officier in de Leopoldsorde opleverde.

Binnen het Gentse muziekleven speelde hij een centrale rol als veelzijdig musicus die zowel als violist, dirigent en docent actief was.

Hoewel hij in 1840 als tweede violist solliciteerde bij het operaorkest van Gent, werd hij aanvankelijk als slagwerker aangenomen.

Pas in 1843 werd hij tweede violist en klom daarna op tot tweede concertmeester in 1849.

Van 1855 tot 1870 was hij concertmeester in het grote theater van Gent. Dit Grand Théâtre, de huidige Opera Gent, was destijds het prestigieuze centrum van het culturele leven voor de burgerij en fungeerde als een Franstalig bastion.

In 1857 werd hij door de gemeenteraad benoemd tot dirigent van de concerten en docent van de orkestklas, harmonieleer en compositie aan het Koninklijk Conservatorium Gent, waar hij in 1871 onderdirecteur werd.

Tot zijn leerlingen behoorden bekende namen als Florimond Van Duyse, Dorsan Pierre Norbert Van Reysschoot, Karel Roels, Hendrik Waelput, Jozef Van der Meulen en Leo Van Gheluwe.

Verder was hij muziekleraar in het Sint-Barbaracollege en inspecteur van het muziekonderwijs in de stadsscholen.

Zijn oeuvre is omvangrijk en omvat ruim 1000 werken in alle genres.

Een belangrijk instrumentaal werk is zijn Symfonie in sol-groot uit 1854, die vaak de Gentse symfonie wordt genoemd omdat hij het stuk opdroeg aan de magistraten van de Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in zijn geboortestad.

Miry was een van de eerste Belgische componisten die opera’s schreef op Nederlandstalige libretto’s.

Al in 1841 componeerde hij de muziek voor Keizer Karel en de Berchemse Boer op tekst van Hippoliet Van Peene, mogelijk het eerste Nederlandstalige zangspel na 1830.

Hij won diverse prijzen, waaronder medailles van de Gentse Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in 1849 en 1850.

Na een verblijf in Parijs tussen 1850 en 1852 won hij bij zijn terugkeer opnieuw prijzen van het Nederduitsch Taelverbond voor drie koorwerken.

Zijn stijl sloot nauw aan bij de romantische traditie, waarbij hij vaak putte uit lokale thema’s en volksverhalen.

Hiermee droeg hij aanzienlijk bij aan de emancipatie van de Nederlandstalige muziek in een tijd waarin het Frans domineerde.

Vandaag is hij bij het grote publiek vooral bekend als de componist van De Vlaamse Leeuw, waarvoor hij de muziek schreef in 1847 op een tekst van Hippoliet Van Peene.

Als eerbetoon aan hun samenwerking bevinden zich aan de Vlaamsekaai in Gent de naast elkaar gelegen Villa Karel Miry en Villa H. Van Peene.

Aan zijn voormalige woning in de Twaalfkamerenstraat is een gedenkplaat aangebracht.

Op het Casinoplein staat bovendien een monument van de hand van Hippolyte Leroy.

Dit gedenkteken bestaat uit een hoge witstenen zuil met zingende kinderen in halfverheven beeldhouwwerk en een Vlaamse leeuw die de vlag verdedigt aan de voet.

Bovenop staat het borstbeeld van Miry, die glimlachend naar het publiek kijkt.

Zijn beeltenis is eveneens vastgelegd op een olieverfschilderij van Gustave Vanaise in het Museum voor Schone Kunsten Gent.

De naam van de componist leeft voort in de Karel Miryzaal van het Gentse conservatorium aan de Hoogpoort en in een vergaderzaal in het Virginie Lovelinggebouw.

Ook buiten Gent wordt hij geëerd met straatnamen in Brugge, Antwerpen en Edegem.

Gisteren nog vandaag

Nieuwe instrumentale cd van Steef Verwée en Eddy Aelbrecht brengt Griekse filosofie tot leven in de tuin van Epicurus.

Steef Verwée, geboren in 1951, groeide op in een familie waar het Oudenaards de voertaal was.

Zijn familiewortels in de regio gaan terug tot het midden van de zestiende eeuw, met een brief uit 1730 als oudste getuigenis.

Al op achttienjarige leeftijd schreef hij zijn eerste Oudenaardse liederen waarmee hij lokaal optrad.

Na zijn studies aan het Koninklijk Conservatorium in Gent, die hij in 1973 afrondde met specialisaties in gitaar, zang en musicologie, begon zijn carrière in de musical- en theaterwereld bij gezelschappen als NTG, Arca en Theater Poëzien.

Om zijn eigen creaties te perfectioneren, volgde hij aanvullende opleidingen in scriptschrijven en lichtontwerp in Londen, New York en Amsterdam.

Zijn succesvolle producties, waaronder Claus on the Rocks, leidden tot een periode als artistiek begeleider bij het KNTV. In die tijd richtte hij zijn eigen uitgeverij De Cirkel op, tegenwoordig bekend als Circle Productions Gent.

Na een periode bij Theater Arena startte hij Applied Promotions Intermed nv, een bedrijf dat cultuur promoot binnen de bedrijfswereld.

Ondertussen bleef hij onafgebroken eigen werk creëren, met als een van de hoogtepunten de première van The Erotic Opera in de Stadsschouwburg van Amsterdam in 1985.

Ook zijn vriendschap met Hugo Claus had een grote invloed op zijn creatieve ontwikkeling, wat onder meer leidde tot veertig liederen op poëzie van Claus.

In 1992 produceerde hij voor de Wereldtentoonstelling in Sevilla en de Olympische Spelen in Barcelona de cd Belgium, a Century of Music, een officieel geschenk van het Ministerie van Buitenlandse Handel.

Verwee werkte bovendien intensief samen met de BRT en de BRT Big Band en was als muziekdirecteur en lichtontwerper betrokken bij tal van grote operaproducties zoals Nabucco en La Traviata.

In 2012 werd hij voor de tentoonstelling Beatles, Bombardons en Buuneklakkers gevraagd om zijn Oudenaardse liedjes uit de jaren zestig opnieuw uit te voeren.

Dit trok de aandacht van het stadsbestuur en resulteerde in 2014 in de cd ‘Oudenaarde, een hymne’, een drieluik met twintig liederen. Tijdens de release in CC De Woeker werd hij benoemd tot Ambassadeur van het Oudenaards Dialect.

Dit alles resulteerde in 2022 in de cd en theatercreatie Oudenaarde een Idioticon, geïnspireerd op het Zuid-Oostvlaandersch Idioticon van Isidoor Teirlinck uit 1905.

Op deze uitgave brengt hij oude woorden en lokale geschiedenis tot leven, waarbij zijn goede vriend Marijn Devalck schitterde in de videoclip ‘Largootje voor mijn prinsesje’.

Om het erfgoed van de regio en het Pays des Collines levend te houden, bracht hij in mei 2024 samen met het stadsbestuur van Ronse de cd ‘Ronse in ’t Roonsies’ uit, die te koop is bij de plaatselijke Dienst Toerisme.

Op basis van deze cd creëerde Steef een audiovisueel Tour de Chant-programma dat onlangs zijn première kende in het CC De Ververij te Ronse.

Dit deed hij in samenwerking met Veronique De Tier, vooraanstaand dialectologe van de Universiteit Gent, met wie hij in totaal bijna honderd liederen schreef ter bevordering van de Vlaamse streektalen.

Recent bracht hij samen met pianist Eddy Aelbrecht een nieuwe cd uit met tweeëntwintig instrumentale composities voor klassieke gitaar en piano.

Eddy Aelbrecht genoot zijn opleiding aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel, waar hij orgel, muziekgeschiedenis en harmonie studeerde.

Aan het conservatorium van Antwerpen voltooide hij zijn studies pedagogie en pianobegeleiding

Van 1985 tot 2024 was hij onafgebroken actief als fulltime begeleider en docent muziektheorie en harmonie aan Studio Herman Teirlinck en later aan het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen.

Hij was tevens een veelgevraagd pianist en docent aan de drama-afdeling van het conservatorium in Gent.

Naast zijn onderwijstaken begeleidde hij vrijwel alle bekende Belgische artiesten en vele internationale namen.

Als geliefd studiomuzikant en pianist was hij vier jaar lang verbonden aan het Casino van Knokke en trad hij wereldwijd op, van Europa tot in Dubai, Abu Dhabi en Pakistan.

Dit gezamenlijke album is geïnspireerd op de filosofie van oude Griekse denkers zoals Plato, Socrates en Epicurus.

De aanleiding hiervoor waren de colleges van de hedendaagse filosoof Johan Braeckman, die Verwée aanzetten om thema’s als ataraxia, deugd en kalmte muzikaal te vertalen.

Elk muziekstuk is opgebouwd vanuit een filosofisch citaat en gekoppeld aan een plant die mogelijk in de tuin van Epicurus groeide.

Het album is beschikbaar via streamingplatformen en als Digifile-cd in boekvorm.

Deze uitgave wordt in de BeNeLux en internationaal verdeeld bij alle boekhandels en muziekzaken, en is tevens bestelbaar via Bol.com, zijn site steefverwee.be of de FB-pagina Steef Verwée Epicurus’garden.

Steef trekt momenteel rond met deze muziek, waarbij hij tussen zijn gitaarcomposities door vertelt en citeert uit het werk van deze oud-Griekse filosofen.

Vandaag zou de wereldberoemde tenor Luciano Pavarotti 90 jaar geworden zijn.

Vijfendertig jaar geleden, in oktober 1990, had deze muzikale legende een opmerkelijke link met onze regio, want hij was te gast bij de Belgische ondernemer Leon Melchior in Limburg.

De carrière van Luciano Pavarotti begon bescheiden in een kerkkoor. Hoewel zijn stem hem wereldroem zou bezorgen, had hij als jongeman een even grote passie voor voetbal.

Ook stond hij bekend als een levensgenieter en een groot liefhebber van lekker eten.

Popster Sting, een van de vele artiesten met wie hij samenwerkte, vertelde ooit hoe hij Pavarotti in zijn eentje twee volledige kippen zag verorberen.

Zijn professionele leven bracht hem naar de top van de operawereld.

Pavarotti werkte met de meest vooraanstaande dirigenten, zoals Herbert von Karajan en Claudio Abbado, en zong hoofdrollen in alle grote operahuizen ter wereld. Later zocht hij een breder publiek op met optredens in concertzalen en indrukwekkende openluchtarena’s.

De rondborstige tenor was niet bang om buiten de lijnen van de klassieke muziek te kleuren.

In 1995 nam hij samen met Bono van U2 het lied “Miss Sarajevo” op. Daarnaast organiseerde hij tien benefietconcerten onder de noemer “Pavarotti and Friends”, waarmee hij geld inzamelde voor goede doelen in onder meer Bosnië, Kosovo, Liberia, Afghanistan en Irak.

Zijn laatste publieke optreden vond plaats in 2006, tijdens de openingsceremonie van de Olympische Winterspelen in zijn thuisland, in Turijn.

Er werd achteraf gefluisterd dat hij die avond geplaybackt zou hebben.

Een jaar later, op 6 september 2007, overleed Luciano Pavarotti op 71-jarige leeftijd aan de gevolgen van pancreaskanker.

Zijn gastheer van destijds in Limburg, Leon Melchior, had een al even opmerkelijk, zij het controversieel, leven.

Hij groeide op in Maastricht als zoon van een Duitse vader en een Nederlandse moeder.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam hij in een moeilijke positie terecht.

Als veertienjarige werd hij lid van de Hitlerjugend en op zeventienjarige leeftijd, in 1943, meldde hij zich aan bij de Waffen-SS en vocht aan het oostfront.

Later volgde hij een opleiding tot SS-officier. Na de bevrijding werd hij gearresteerd en veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertien maanden.

Ook werd zijn Nederlandse nationaliteit hem ontnomen.

Na deze donkere periode bouwde Melchior een succesvol zakenimperium op en vestigde hij zich in Lanaken, op Domein Zangersheide, waar hij zijn wereldberoemde stoeterij Studbook Zangersheide oprichtte.

In 1974 verkreeg hij de Belgische nationaliteit.

Voor zijn verdiensten ontving hij later diverse onderscheidingen: hij werd officier in de Leopoldsorde, kreeg het Ereteken van Verdienste van de stad Maastricht, was ereburger van Lanaken en erevoorzitter van voetbalclub MVV.

Zijn passie voor de paardensport werd doorgegeven aan zijn dochter, Judy-Ann Melchior, die een professioneel ruiter werd.

Leon Melchior overleed op 11 november 2015 op 88-jarige leeftijd.

Twee markante figuren, een wereldster uit de opera en een ondernemer met een beladen verleden, wiens paden 35 jaar geleden kort kruisten in Limburg.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 93 jaar geleden, overleed Gentenaar Pierre De Geyter en componist van het strijdlied “De Internationale” te Saint-Denis.

Zijn vader Adrien (Adrianus) werd op 10 april 1818 in Gent geboren en zijn moeder Rosa (Rosalia Julia) Verbauwen was afkomstig uit Menen. Zij werkten in de textielindustrie en hun zoon Pierre werd geboren in de Kanunnikstraat.

De levensomstandigheden van het Gentse arbeidersgezin waren niet bepaald rooskleurig te noemen. Armoede, honger, overbevolking en infectieziekten eisten een zware tol in de Vlaamse arbeidersbuurten van het midden van de 19e eeuw.

Toen dan ook nog eens de Vlaamse textiel- en metaalnijverheid in crisis geraakte door de industrialisering, raakten vele kostwinnaars hun baan kwijt. Hopend op betere economische omstandigheden verhuisde de familie De Geyter in 1855, zoals zovele andere Vlaamse textielarbeiders, naar het Noorden van Frankrijk, dat in die periode ook wel ‘Petit Belgique’ werd genoemd.

Al op jonge leeftijd begon Pierre in Rijsel te werken in de locomotieffabriek Fives.

Ondanks het zwaar werk volgde hij aan de avondschool voor arbeiders lessen in lezen en schrijven. Vanaf zijn zestiende kreeg hij ook tekenlessen in de academie van Rijsel, waardoor hij op de sociale ladder kon stijgen tot modelmaker in hout.

Bronnen over zijn muzikale opleiding zijn schaars, maar waarschijnlijk volgde hij vanaf 1864 muziekles aan de muziekschool van Rijsel, waar hij in 1868 een eerste prijs behaalde voor blaasinstrumenten.

Hij speelde onder meer saxofoon en werd in 1887 dirigent van het pas opgerichte socialistische koor ‘La Lyre des Travailleurs’. Zijn eerste composities situeerden zich vooral in het lichte genre, maar De Geyter stelde zijn muzikaal talent ook ter beschikking van de ontluikende arbeidersbeweging, onder andere bij stakingen.

Gustave Delory, een socialist die ‘La Lyre des Travailleurs’ had opgericht en later burgemeester van Rijsel zou worden, zocht De Geyter aan om een strijdlied te componeren voor de Rijselse afdeling van de jonge ‘Parti Ouvrier’.

De tekst die op muziek moest gezet worden was geschreven door Eugène Pottier tijdens de Commune van Parijs (1871).

In juli 1888 werd De Geyters L’Internationale voor het eerst gezongen en verder verspreid via ‘vliegende blaadjes’ die de lokale partijkas spijsden. Als auteur werd enkel de achternaam Degeyter vermeld.

Dit gebeurde om repressie tegen zijn persoon te vermijden, want zowel patronaat als overheid hielden alle uitingen van opstandig gedrag scherp in de gaten.

Deze tactische overwegingen mochten echter niet baten: De Geyter werd ‘herkend’ als componist en werd ontslagen. Intussen kende de Internationale een steeds groeiende populariteit en in 1896 kwam het startschot voor de wereldwijde verspreiding, toen het ‘XIVe Congrès du Parti Ouvrier Français’ het als lijf- en strijdlied adopteerde.

Door zijn ontslag kreeg De Geyter financiële problemen en in 1901 verhuisde hij met zijn gezin naar Saint-Denis, een voorstad van Parijs. Daarnaast ontstond er ook in zijn familie een conflict over wie nu de auteur was van de Internationale: Pierre, of zijn jongere broer Adolphe.

Uit tactische overwegingen was immers enkel De Geyter als componist vermeld en dit gaf Gustave Delory de gelegenheid om te beweren dat Adolphe – die door zijn geboorteplaats Fransman was en voor de gemeentediensten van Rijsel werkte – de componist was geweest.

Delory beweerde ook dat Adolphe de rechten had overgedragen aan de ‘Imprimerie ouvrière de Lille’, de drukkerij van de socialistische partij. Delory zette Adolphe zo zwaar onder druk dat deze inderdaad zo’n verklaring aflegde.

Pierre kon zich hiertegen niet verdedigen en zei de socialistische partij vaarwel.

In 1904 spande hij dan toch een proces aan tegen zijn broer om zijn rechten als componist af te dwingen. Pas na 10 jaar kwam er een uitspraak, die Adolphe in het gelijk stelde.

De Geyter had zich hierbij neer te leggen, maar door een dramatische ‘plotwending’ kreeg het verhaal toch nog een vervolg.

In 1916 pleegde Adolphe De Geyter immers zelfmoord.

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg Pierre een brief van zijn broer in handen, die dateerde van 1915. Hierin schreef Adolphe klaar en duidelijk dat niet hij, maar Pierre de componist was van de Internationale: “Voilà: je n’ai jamais fait de musique, encore moins l’Internationale.” Adolphe gaf in de brief ook aan dat hij zwaar onder druk was gezet om de Internationale als zijn werk te claimen.

In 1922 bevestigde een rechtbank in Parijs het auteurschap van Pierre De Geyter, die ondertussen lid was geworden van de jonge communistische partij.

Door die politieke keuze viel hij buiten de kring van het respectabel geworden socialisme, en zijn muziek raakte in Frankrijk in de vergetelheid.

De Geyter leefde voort in relatieve anonimiteit en werkte bij de gemeente Saint-Denis als lantaarnopsteker.

Enkele jaren voor De Geyters dood merkte een werknemer van de Parijse ambassade van de Sovjet-Unie op dat de componist van de Internationale nog in leven was (op dat moment was de Internationale de nationale hymne van de Sovjet-Unie).

De Geyter werd in 1927 uitgenodigd om in Moskou als eregast de plechtigheden mee te vieren die plaatsvonden naar aanleiding van 10 jaar Oktoberrevolutie.

De Sovjet-Unie zorgde ervoor dat De Geyter aan het einde van zijn leven toch enkele vruchten plukte van zijn werk: hij kreeg een Russisch staatspensioen en de gemeente Saint-Denis gaf hem de beschikking over een woning.

Naast de Internationale componeerde De Geyter vooral amusementsmuziek en strijdliederen, waarvan een groot deel in de stadsbibliotheek van Rijsel bewaard is gebleven.

Zijn standbeeld staat bij het Industriemuseum te Gent. (Diverse bronnen, Wikipedia, De Post en Annelies Focquaert)

Gisteren nog vandaag

Vandaag, op 1 juni 1835 opende het Koninklijk Conservatorium in Gent zijn deuren, precies 190 jaar geleden.

Het conservatorium werd opgericht door Joseph-Martin Mengal, een componist van nationalistische liederen, romances en opera’s, en een bekend hoornspecialist.

Aanvankelijk telde de school 300 leerlingen, een aantal dat snel steeg tot 800.

Vanaf tien jaar oud was iedereen welkom.

In de 20e eeuw groeide het conservatorium uit tot een hogere kunstopleiding van academisch niveau, toegankelijk voor studenten met een middelbareschooldiploma.

Het studieaanbod werd uitgebreid met jazz, popmuziek, muziekproductie en instrumentenbouw.

Sinds 2011 vormt het Koninklijk Conservatorium samen met de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten van Hogeschool Gent de School of Arts.

Vandaag, 2 februari 2025, vieren we de 125ste verjaardag van de première van de opera Louise van de Franse componist Gustave Charpentier.

De opera zag voor het eerst het levenslicht in de Opéra-Comique te Parijs op 2 februari 1900.

Het leven van Gustave Charpentier (1860-1956) leest als een sprookje.

Geboren als zoon van een arme bakker in Dieuze, een klein stadje in Lotharingen, kon hij enkel dankzij financiële steun van de gemeente zijn muzikale talenten ontwikkelen.

Deze steun was cruciaal, want het stelde hem in staat om te studeren aan het prestigieuze Parijse conservatorium.

Daar kreeg hij les van onder andere Jules Massenet, de productiefste en artistiek zowel als commercieel succesrijkste Franse operacomponist van zijn tijd, de periode tussen 1870/71 en de Eerste Wereldoorlog, die we ook wel kennen als de belle époque van de Derde Franse Republiek.

Het is interessant om te weten dat Charpentier in zijn vroege jaren Massenets assistent was.

Zijn talent bleef niet onopgemerkt, want in 1887 won hij de prestigieuze Prix de Rome met zijn cantate-scène lyrique Didon.

Deze prijs, een beurs voor kunstenaars, stelde hem in staat om vier jaar in Rome te studeren en te werken in de beroemde Villa Medici.

Het hoogtepunt in zijn carrière was ongetwijfeld de première van zijn opera Louise in 1900.

Deze opera, een “roman musical” (muzikale roman) in vier bedrijven en vijf tonelen, was meteen een overweldigend succes, zowel in Frankrijk als in de rest van de wereld.

De opera, die het verhaal vertelt van een jonge Parijse naaister die verliefd wordt op een kunstenaar, viel in de smaak vanwege het realistische en sociale karakter, dat destijds als vernieuwend werd beschouwd.

De aria “Depuis le jour”, gezongen door Louise, is nog steeds een van de meest geliefde sopraanaria’s.

Leopold III, koning der Belgen, was een grote bewonderaar van het werk.

Het succes van Louise kon Charpentier helaas niet herhalen met zijn latere werk.

Zijn vervolgopera, Julien, ou La vie du poète (1913), een lyrisch drama dat wordt beschouwd als het symbolische en filosofische vervolg op Louise, bleef ver achter bij de verwachtingen.

Het werk wordt als moeilijk en minder toegankelijk ervaren.

Na Julien componeerde Charpentier nog maar weinig.

Sommigen beweren dat dit kwam door een gebrek aan inspiratie, anderen dat hij teleurgesteld was in de muzikale wereld.

In de latere jaren van zijn leven wijdde Charpentier zich aan liefdadigheid.

Hij was de oprichter van het Conservatoire populaire Mimi Pinson, een gratis muziekschool voor jonge meisjes uit de arbeidersklasse.

Hij wilde hen de kansen geven die hij zelf had gekregen.

Mimi Pinson was een figuur uit die tijd, de heldin uit de roman Scènes de la bohème van Henri Murger en een personage in opera’s van zowel Giacomo Puccini als Ruggero Leoncavallo.

Zij symboliseerde de vrije en onafhankelijke jonge vrouw uit de Parijse arbeidersklasse.

Gustave Charpentier stierf op 18 februari 1956 op de respectabele leeftijd van zesennegentig jaar.

Hij ligt begraven op de begraafplaats van Père-Lachaise in Parijs, naast andere grootheden uit de Franse cultuur (foto’s uit De Post van 12 maart 1950)

Vandaag 100 jaar geleden, de Franse dirigent Rhené-Baton te gast voor twee conserten in het Conservatorium in Brussel (19 maart 1924)

René-Emmanuel Baton, ook bekend als Rhené-Baton werd geboren op 5 september 1879 in Courseulles-sur-Mer, Normandië, en stierf op 23 september 1940 in Le Mans.

Rhené-Baton studeerde piano aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs en muziektheorie bij André Gedalge.

Hij begon zijn carrière als chef de chant bij de Opéra-Comique in 1907.

Hij was vervolgens muzikaal directeur van verschillende orkestrale groepen, waaronder de Society of Saint Cecilia in Bordeaux en Angers Société populaire (1910-1912).

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Rhené-Baton chef-dirigent van de Koninklijke Nederlandse Opera (1916-1918) in Amsterdam en dirigeerde ook de zomerconcerten van het Residentie Orkest in het Scheveningse Kurhaus (1914-1919).

In 1918 gaf Serge Sandberg hem de leiding over de Concerts Pasdeloup in Parijs.

De dirigent bekleedde deze functie tot 1932 en bleef daarna aan het orkest verbonden.

Hij heeft grote verdiensten gehad in de zogenoemde democratisering van de muziek in de concertzalen, omdat hij aan het begin van een concert voor de uitgevoerde werken een inleiding gaf en ervoor zorgde dat er goedkopere plaatsen waren.

Als componist schreef Rhené-Baton stukken voor orkest, kamermuziek en een groot aantal pianowerken.

Veel van zijn composities drukken zijn liefde voor de regio Bretagne uit, waar hij op 19-jarige leeftijd naar terugkeerde.

Hij had ook nauwe relaties met componisten van de Bretonse culturele renaissance, zoals Guy Ropartz, Paul Le Flem, Paul Ladmirault en Louis Aubert.

Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat de beroemde operazangeres Maria Callas werd geboren.

Haar echte naam was Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos en ze kwam ter wereld in New York, als dochter van arme Griekse immigranten.

Haar ouders scheidden toen ze jong was en ze had een moeizame relatie met haar moeder, die haar streng en ambitieus opvoedde.

In 1937 verhuisde ze met haar moeder terug naar Griekenland, waar ze haar eerste zangopleiding kreeg in Athene.

Ze maakte haar debuut in 1941 en bouwde al snel een internationale carrière op, met optredens in de belangrijkste operahuizen van Europa en Amerika.

Haar stem, die zowel dramatisch als lyrisch was, stelde haar in staat om een breed repertoire te zingen, van belcanto tot verismo.

Ze stond ook bekend om haar acteertalent en haar interpretatie van complexe personages.

Ze trouwde in 1949 met de rijke industrieel Giovanni Battista Meneghini, die haar manager werd, maar scheidde van hem in 1959 na een affaire met de Griekse scheepsmagnaat Aristoteles Onassis.

Deze relatie duurde tot 1968, toen Onassis haar verliet voor Jacqueline Kennedy, de weduwe van de Amerikaanse president.

Callas had geen kinderen, hoewel er geruchten waren dat ze een miskraam had gehad of een kind had afgestaan.

Ze stierf op 16 september 1977 in Parijs, op 53-jarige leeftijd, aan een hartaanval.

Op haar begrafenis waren tienduizenden mensen naar Parijs gekomen

De dienst werd gehouden in de Grieks-orthodoxe kerk aan de Rue Georges Bizet in Parijs.

Daarna werd haar lichaam gecremeerd en werd haar as in het columbarium geplaatst op de Parijse begraafplaats Père Lachaise.

Daar werd op dezelfde dag haar as gestolen en gelukkig twee dagen later teruggevonden.

In 1979, conform haar eigen wens, werd de as uitgestrooid voor het eiland Skorpios in de Ionische Zee.

Vandaag is het ook al vijf jaar geleden dat de Spaanse operazangeres Montserrat Caballé is overleden.

Ze werd in 1933 geboren in een arm gezin in Barcelona. Hoewel ze vernoemd is naar de Catalaanse patroonheilige, voelde ze zich even Catalaans als Spaans.

Nadat ze in 1956 was opgevallen aan de opera van Bazel, begon haar grote zegetocht.

Ze zong in alle vooraanstaande operahuizen ter wereld en hield die carrière als zestiger vol, zonder dat haar stem minder werd.

Al wilde ze nog weleens een concert op het laatste moment afzeggen – je bent een diva of je bent het niet.

Haar stemgeluid? Puur. Kernachtig door een solide luchtstroom, maar toch met een etherisch randje.

Gisteren nog vandaag

Als iemand de klank kon laten stromen, was zij het: als een meanderend beekje in het belcanto-repertoire, als de Rijn in Wagner.

Hoor haar in Mi chiamano Mimì uit Puccini’s La bohème: onmogelijk dat je niet aan haar lippen hangt. Critici waren er ook. Bij Caballé ging toonvorming boven tekstuitdrukking.

Ze zou zelfs weleens fantasielettergrepen zingen als de medeklinkers de muziek in de weg zaten.

Ze zong meer dan honderd rollen, bijzonder veel voor een operazanger.

Zeker naar de huidige maatstaven – minutieus carrièremanagement is de norm.

Gisteren nog vandaag

Als actrice was ze minder begaafd, maar wie maakte dat iets uit als ze haar mond opentrok.

Bovendien dwong ze met haar charismatische verschijning, haar donkere haar en ogen wel degelijk de aandacht af.

Caballé werd geplaagd door ziektes, onder meer een hartaanval en een hersentumor in 1985, waaraan ze zich niet liet opereren: een operatie zou het einde kunnen betekenen van haar zangcarrière.

In 2014 kwam ze in het nieuws wegens belastingontduiking.

Ze overleed in een ziekenhuis in de stad waarmee ze het meest werd geassocieerd. (overleden zaterdag 6 oktober 2018 op 85-jarige leeftijd)

Gisteren nog vandaag

De Vlaamse componist François Glorieux kwam vandaag te overlijden tijdens zijn slaap in de nacht van vrijdag op zaterdag.

Na studies voor piano bij Marcel Gazelle aan het Koninklijk Conservatorium van Gent en bij Yves Nat te Parijs vatte hij een internationale loopbaan aan.

Hij speelde overal ter wereld als solist met diverse orkesten en dirigenten, waaronder André Cluytens.

Sinds 1977 doceert hij kamermuziek aan het Koninklijk Conservatorium van Gent.

Eveneens is hij gastprofessor aan de Yale-universiteit in de Verenigde Staten en directeur van de Internationale Piano Meesterclass in Antwerpen.

Hij stichtte diverse ensembles, waaronder in 1979 het François Glorieux Brass and Percussion Orchestra, en het Revivat Scaldis Chamber Orchestra.

Opmerkelijk is dat hij zich hoofdzakelijk op muziek voor koperblazers en slagwerk toelegt, overigens zonder de piano te verwaarlozen.

Een reeks van zijn Panoply for Brass werd door het Britse gezelschap Locke Brass Consort opgenomen.

Zijn Movements werd in 1962 voor het Ballet van de XXste Eeuw in opdracht van Maurice Béjart gecomponeerd.

Twee jaar later werd de integrale versie uitgevoerd door het Nationaal Orkest van België onder leiding van André Cluytens in het Paleis voor Schone Kunsten, met de componist aan de piano.

In dit werk voor piano, koperblazers en uitgebreide slagwerksectie heeft de componist aan alle uitvoerders een even belangrijke rol toebedeeld.

Naast het Ballet van de XXste Eeuw werkte hij ook samen met onder andere het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, het Nederlands Danstheater uit Den Haag en Het Nationale Ballet uit Amsterdam.

In 1989 vertrekt Glorieux naar Los Angeles voor een ontmoeting met Michael Jackson waar hij o.a. zijn klassieke opnames van MJ-hits ten gehore brengt.

Jackson signeert een foto die later de platenhoes zal worden.

Hoewel men Glorieux 2 minuten gesprekstijd met Jackson gunt, wordt het een meer dan 2 uur durend gesprek over muziek. (Bron: Artikel verscheen in “Dag Allemaal”, Belgisch weekblad)

Hij dirigeert een groot aantal orkesten uit de hele wereld, zoals Stan Kenton Band in de VS, het Locke Brass Consort of London, het National Symphony Orchestra van het Verenigd Koninkrijk, het BBC Radio Orchestra, de New Tokyo Symphony, het Kiev Chamber Orchestra (Oekraïne) en het Mainzer Kammerorchester (Duitsland).

Als pianosolist werkte hij onder andere samen met het Orkest van Rias Berlijn, Münchner Rundfunkorchester, Hamburger Symphoniker, Orchestre Colonne (Parijs) en Orchestre de la Suisse Romande (Genève).

Zijn oeuvre omvat meer dan 300 werken (Diverse bronnen, Wikipedia, Dag Allemaal en De Post 9 april 1972)

60 jaar geleden, de beroemde Italiaanse operazangeres Renata Tebaldi

Sopraan Tebaldi was een van de grote naoorlogse diva’s.

Ze werd bewonderd vanwege de schoonheid en de puurheid van haar stem en haar elegante podiumverschijning.

Op haar derde kreeg Tebaldi polio.

Deelnemen aan uitputtende activiteiten was niet mogelijk en ze ontwikkelde een interesse in muziek.

In haar vroege tienerjaren begon Tebaldi aan een studie aan het conservatorium van Parma.

Op haar 22e maakte zij haar debuut.

Haar grote doorbraak kwam in 1946 toen ze in Milaan auditie deed voor .

In 1963 verscheen Renata Tebaldials herboren na een ingrijpende vermageringskuur.

Blozend van vreugde trok zij naar recepties en modeshows.

Maar haar eerstvolgende optreden als zangeres in New York was een ramp.

Want samen met het vet, was ook haar stem verdwenen.

Voor het jaar 1963 werden dan ook al haar contracten afgezegd.

Daardoor kreeg ze terug de tijd om te verdikken en zodoende haar stem terug te vinden.

Tebaldi trok zich terug van het toneel in 1973 en van het concertpodium in 1976.

Gehuwd is ze nooit geweest, en de schandaalpers haalde ze alleen als haar grote rivale, de Grieks-Amerikaanse diva Maria Callas, weer eens meende allerlei uitspraken over haar te moeten doen.

Tebaldi behield in deze tweestrijd altijd haar waardigheid.

Ze stierf op 19 december 2004.

Op 7 juni 2014 werd in het Noord-Italiaanse stadje Busseto het “Museo Renata Tebaldi” geopend.(Diverse bronnen, De Post 16 december 1962 en Wikipedia)


Vandaag mag de Belgisch componist, pianist en dirigent François Glorieux 90 kaarsjes uitblazen.

Na studies voor piano bij Marcel Gazelle aan het Koninklijk Conservatorium van Gent en bij Yves Nat te Parijs vatte hij een internationale loopbaan aan.

Hij speelde overal ter wereld als solist met diverse orkesten en dirigenten, waaronder André Cluytens.

Sinds 1977 doceert hij kamermuziek aan het Koninklijk Conservatorium van Gent.

Eveneens is hij gastprofessor aan de Yale-universiteit in de Verenigde Staten en directeur van de Internationale Piano Meesterclass in Antwerpen.

Hij stichtte diverse ensembles waaronder in 1979 het François Glorieux Brass and Percussion Orchestra, en het Revivat Scaldis Chamber Orchestra.

Opmerkelijk is dat hij zich hoofdzakelijk op muziek voor koperblazers en slagwerk toelegt, overigens zonder de piano te verwaarlozen.

Een reeks van zijn Panoply for Brass werd door het Britse gezelschap Locke Brass Consort opgenomen.

Zijn Movements werd in 1962 voor het Ballet van de XXste Eeuw in opdracht van Maurice Béjart gecomponeerd.

Twee jaar later werd de integrale versie uitgevoerd door het Nationaal Orkest van België onder leiding van André Cluytens in het Paleis voor Schone Kunsten, met de componist aan het piano.

In dit werk voor piano, koperblazers en uitgebreide slagwerksectie heeft de componist aan alle uitvoerders een even belangrijke rol toebedeeld.

Naast het Ballet van de XXste Eeuw werkte hij ook samen met onder andere het Koninklijk Ballet van Vlaanderen, het Nederlands Danstheater uit Den Haag en Het Nationale Ballet uit Amsterdam.

In 1989 vertrekt Glorieux naar Los Angeles voor een ontmoeting met Michael Jackson waar hij o.a. zijn klassieke opnames van MJ-hits ten gehore brengt.

Jackson signeert een foto die later de platenhoes zal worden.

Hoewel men Glorieux 2 minuten gesprekstijd met Jackson gunt, wordt het een meer dan 2 uur durend gesprek over muziek. (Bron: Artikel verscheen in “Dag Allemaal”, Belgisch weekblad)

Hij dirigeert een groot aantal orkesten uit de hele wereld, zoals Stan Kenton Band in de VS, het Locke Brass Consort of London, het National Symphony Orchestra van het Verenigd Koninkrijk, het BBC Radio Orchestra, de New Tokyo Symphony, het Kiev Chamber Orchestra (Oekraïne) en het Mainzer Kammerorchester (Duitsland).

Als pianosolist werkte hij onder andere samen met het Orkest van Rias Berlijn, Münchner Rundfunkorchester, Hamburger Symphoniker, Orchestre Colonne (Parijs) en Orchestre de la Suisse Romande (Genève).

Zijn oeuvre omvat meer dan 300 werken (Diverse bronnen, Wikipedia, Dag Allemaal en De Post 9 april 1972)

François Glorieux

François Glorieux

François Glorieux
François Glorieux

François Glorieux (oktober 1981)

Vandaag is het ook al dertig jaar geleden dat de Franse componist, organist en pianist Olivier Messiaen is overleden.(27 april 1992)

Zijn moeder was de dichteres Cécile Sauvage.

Zijn vader Pierre Messiaen, docent Engels en was afkomstig uit Zuid-Wervik.

Zijn jongere broer Alain Messiaen werd dichter.

Olivier Messiaen begon jong met componeren en ging op elfjarige leeftijd aan het Conservatoire de Paris studeren bij onder anderen Maurice Emmanuel, Charles-Marie Widor, Marcel Dupré en Paul Dukas.

In 1931 werd hij op 22-jarige leeftijd aangesteld als organist-titularis van de Église de la Sainte-Trinité te Parijs, een post die hij tot aan zijn zou dood bekleden.

Hij had er de beschikking over een drie-klaviersorgel, gebouwd door Aristide Cavaillé-Coll.

In 1936 was hij met onder anderen André Jolivet medeoprichter van de muziekbeweging La Jeune France.

In 1940 werd hij bij Verdun krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers.

In het gevangenkamp te Görlitz schreef hij voor enkele toevallig aanwezige professionele instrumentalisten (een violist, een cellist en een klarinettist, met hemzelf als pianist) het introspectieve Quatuor pour la fin du temps, dat een van zijn meestgespeelde werken werd.

Messiaen was een overtuigde rooms-katholiek van West-Vlaamse afkomst.

Zijn grootste inspiratiebron was de schoonheid van Gods schepping en dan met name het gezang van vogels.

Dit verklaart ook zijn affiniteit met de heilige Franciscus van Assisi, aan wiens persoon hij de omvangrijke opera Saint François d’Assise heeft gewijd.

Messiaen trok regelmatig de natuur in om opnames te maken van vogelzang.

In veel van zijn composities heeft hij die vogelzang verwerkt.

Titels als Abîme des Oiseaux (uit het ‘Quatuor pour la fin du temps’) en Oiseaux exotiques spreken voor zich.

Hij heeft ook de zang van een groot aantal vogels getoonzet voor piano (Catalogue d’oiseaux).

Ook in een van zijn laatste orkestwerken (Éclairs sur L’Au-delà…) zijn geluiden van vooral Australische vogelsoorten verwerkt.

Messiaen ontwikkelde een persoonlijke muzikale taal, die hij uiteenzette in zijn Traité de mon langage musical.

Daarin zijn vooral melodische en ritmische vernieuwingen te onderscheiden.

Melodisch staan de modes à transpositions limitées (beperkt transponeerbare modi) centraal.

Dat zijn toonreeksen die zichzelf overlappen als ze minder dan een octaaf getransponeerd worden.

Op het gebied van het ritme introduceerde hij ingewikkelde structuren uit Griekenland, India en het Verre Oosten, en hanteerde hij diverse eigen innovaties.

Belangrijk zijn de valeur ajoutée (toegevoegde waarde) en de rythmes non-rétrogradables.

Hij kende aan elke letter van het alfabet een toonhoogte en lengte toe. Het geheel noemde hij zijn langage communicable.

Hij had een bijzondere voorkeur voor de ondes-Martenot, een elektronisch muziekinstrument, een vroege vorm van de synthesizer.

Jeanne Loriod, de zuster van Messiaens tweede echtgenote Yvonne Loriod, was een van de bekendste bespelers van dit instrument.

Messiaen heeft vaak gecomponeerd voor groot orkest.

Een van zijn belangrijkste werken is de Turangalîla-symfonie (1947-1949), een meditatie over de vreugde van de liefde.

De naam komt uit het Sanskriet en betekent zoveel als ‘liefdeslied en hymne van vreugde, tijd, beweging, ritme, leven en dood’.

Het van levensvreugde overlopende, tiendelige stuk is geschreven voor een orkest uitgebreid met solopiano en ondes-Martenot (die beide een aantal opvallende cadensen spelen), en vereist 8 à 11 slagwerkers.

Het oratorium La Transfiguration de Notre Seigneur Jésus-Christ (1965-1969) wordt uitgevoerd door een zeer groot gemengd koor, circa 100 zangers, zeven instrumentale solisten en een orkest van meer dan honderd man.

Nog omvangrijker is de enige opera die Messiaen geschreven heeft Saint-François d’Assise (1975-1983), die door negen solisten wordt uitgevoerd, begeleid door een honderdkoppig koor en een zeer groot orkest, met als ongewone elementen drie piccolo’s, een basklarinet, contrabasklarinet en contrabasfagot, contrabastuba, en drie ondes-Martenot.

De rijk van gevarieerde instrumenten voorziene slagwerksectie bestaat uit vijf spelers.

De opera behandelt het leven van Franciscus van Assisi na diens bekering.

In de structuur zijn twee belangrijke elementen te herkennen: het door Richard Wagner geïntroduceerde Leitmotiv en aan de andere kant de vogelzang, altijd prominent bij Messiaen aanwezig.

In 1942 werd Messiaen benoemd tot docent compositie aan het Conservatoire de Paris, waar hij meer dan veertig jaar les gaf.

Hij was een geliefde docent, die in zijn muziekanalyseklas studenten uit vele landen onderwees.

Tot zijn leerlingen behoorden Pierre Boulez, Iannis Xenakis, Karlheinz Stockhausen, Witold Lutosławski, George Benjamin, Kent Nagano, Toru Takemitsu en Ton de Leeuw.

In 1971 werd aan Messiaen de Erasmusprijs uitgereikt.

Hij was commandeur van het Franse Legioen van Eer. (Diverse bronnen, Paris Match 24 maart 1962 en Wikipedia)