45 jaar geleden, Jan Puimège met zijn hit Vrienden Van Het Laatste Glas.

Jan Puimège werd ontdekt in een uitzending van het BRT-programma Ontdek de ster in 1975, in de Koningin Elisabethzaal te Antwerpen, waarbij een vriend hem had ingeschreven.

In 1976 won hij de Grote Prijs Will Ferdy.

Puimèges liedjes hadden een zachte, poëtische inslag en werden met heldere articulatie gezongen.

Soms bevatten ze ook milde maatschappijkritiek.

Na amper zeven jaar carrière overleed hij op 22 mei 1982, op 26-jarige leeftijd, onverwacht aan een hartaanval toen hij in bad zat, vlak voordat zijn derde album op de markt kwam.

Diverse collega’s organiseerden een postume hulde aan Puimège op het album Jan Puimège (1983).

Onder anderen Wim De Craene, Will Ferdy, Zjef Vanuytsel en Ed Kooyman brachten op het album enkele van Puimèges nieuwe liedjes ten gehore die hijzelf nooit meer had kunnen opnemen.

Er is ook een prijs vernoemd naar de zanger: de Prijs Jan Puimège, die door onder meer Mira en De Nihilisten gewonnen is.

In de gemeente Wommelgem bij Antwerpen bracht Jan Puimège een groot deel van zijn jeugd door.

Hier werd als aandenken aan de zanger een culturele kring opgericht onder de naam Kulturele Kring Jan Puimège.

Folkmuzikant en -zanger Dirk Van Esbroeck was een neef van Puimège.

Vandaag 50 jaar geleden, tien jaar Ann Christy op de planken gevierd in Roosdaal

Op 8 oktober 1976 vierde Ann Christy haar tienjarig artiestenjubileum met een groot feest in dancing Roosdaal in Roosdaal.

Tien jaar daarvoor begon ze als verlegen schoenenverkoopster haar muzikale loopbaan, toen ze voor het eerst het podium betrad als zangeres bij het orkest The Adam’s.

In het decennium dat volgde, legde ze een lange en soms moeilijke weg af, waarbij ze zowel in binnen- als buitenland haar grote talent liet zien.

Ze werkte zich stap voor stap naar de top van de Vlaamse muziekwereld.

Ze stond erom bekend heel kieskeurig te zijn bij het kiezen van nieuw repertoire, vaak tot verbazing van haar platenproducenten.

Daarnaast was ze perfectionistisch ingesteld bij elk optreden en zette ze zich altijd met enorme werklust en toewijding in.

Over haar eerste tien jaar in het vak vertelde ze destijds dat de planken een harde leerschool waren geweest, maar tegelijk een geweldige ervaring.

Ze voelde zich gelukkig dat ze haar passie had kunnen blijven uitoefenen.

Vooral de warme steun van het Vlaamse publiek na de teleurstelling op het Eurovisiesongfestival deed haar veel deugd en gaf haar de moed om door te gaan.

Haar tienjarige jubileum vierde ze die avond in het gezelschap van haar bewonderaars en collega-artiesten, want ook John Terra, Dream Express en Connie Neefs waren te gast om het feest mee op te luisteren.

Vandaag 45 jaar geleden overleed liedjesleverancier Jud Strunk: het verhaal achter Conny Vandenbos en ‘Ome Arie’

Conny Vandenbos, geboren in Den Haag als Jacoba Adriana Hollestelle, groeide uit tot een van de meest geliefde en herkenbare stemmen van de Nederlandse lichte muziek en het chanson.

Ze kwam uit een muzikaal gezin en begon al op jonge leeftijd met zingen.

Haar artiestennaam Vandenbos ontleende ze aan haar eerste echtgenoot, Wim van den Bos; hoewel dat huwelijk na enkele jaren strandde, bleef ze die naam haar hele loopbaan trouw, aaneengeschreven als één geheel.

Haar landelijke doorbraak volgde in het begin van de jaren zestig, onder meer door haar deelname aan het Knokke-festival in 1964 en haar optreden namens Nederland op het Eurovisiesongfestival in 1965 met het ingetogen ’t Is genoeg’.

In de jaren zeventig beleefde ze het absolute hoogtepunt van haar populariteit. Met haar warme stemgeluid, feilloze dictie en het talent om een verhaal echt voelbaar te maken, scoorde ze grote klassiekers zoals ‘Ik ben gelukkig zonder jou’, ‘Een roosje, m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’.

Ze wist als geen ander het evenwicht te bewaren tussen luisterliedjes met diepgang en toegankelijke, verhalende popmuziek.

Naast haar zangcarrière was ze bovendien een gewaardeerde radiopresentatrice voor onder meer de KRO en Radio Noordzee Internationaal, waar ze met veel liefde het Nederlandstalige luisterlied en collega-artiesten onder de aandacht bracht.

Midden in die succesvolle jaren zeventig, in 1976, verscheen de single ‘Ome Arie’.

Het lied is een liefdevol en nostalgisch portret van een voormalige kermisatleet, Mister Martokari, ooit de sterkste man ter wereld. Zonder enige kapsones of bombarie woont hij nu in de buurt, waar zijn stoep een toevluchtsoord is voor alle kinderen uit de wijk.

Voor hen vertoont de ouder wordende acrobaat nog altijd zijn spierkracht door staven ijzer met blote handen te buigen, terwijl er limonade en een trommel snoep klaarstaan.

Wanneer een kind in de penarie zit, verdwijnen de zorgen bij hem als sneeuw voor de zon, waardoor de geuzennaam Ome Arie veel meer warmte en respect draagt dan een formeel meneer.

Het nummer roept op een vertederende manier de sfeer op van vroeger, toen zo’n goedhartige buurman het verschil maakte.

Met het kinderkoor van de Plesman-school uit Badhoevedorp op de achtergrond en een zwierig arrangement wist Conny Vandenbos deze vertederende kinderheld perfect tot leven te wekken.

‘Ome Arie’ is een bewerking van een Amerikaans origineel, getiteld ‘Jacob Brown’, geschreven en opgenomen door singer-songwriter Jud Strunk voor diens album Daisy a Day uit 1973.

Strunk was in de Verenigde Staten niet alleen actief als muzikant, maar genoot tevens bekendheid als humorist en verhalenverteller in het populaire televisieprogramma Rowan & Martin’s Laugh-In, waar zijn scherpe en rake karakteriseringen van markante dorpsfiguren een vaste plek kregen.

Het was niet de eerste keer dat Conny Vandenbos succes oogstte met zijn repertoire; ook haar hits ‘Een roosje m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’ vonden hun oorsprong in het werk van Strunk.

Het tragische lot van de Amerikaanse singer-songwriter werpt een melancholische schaduw over dit repertoire.

Op 5 oktober 1981 kwam Jud Strunk op 45-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Als fervent skiliefhebber en gediplomeerd piloot steeg hij die bewuste dag met zijn vintage, open-cockpit gevechtsvliegtuigje, een Fairchild PT-19, op vanaf een vliegveld in Carrabassett Valley in de staat Maine.

Vermoedelijk kreeg hij direct na de start een zware hartaanval, waarna het toestel neerstortte in de omliggende bossen; noch Strunk noch zijn passagier overleefde de crash.

De Nederlandse tekst voor ‘Ome Arie’ werd geschreven door Herman Pieter de Boer, terwijl Pieter Natte tekende voor het arrangement en Eric Boom de productie verzorgde.

Op de B-kant van het singletje prijkte het nummer ‘Moeder en Dochter’.

Het nummer opende in 1976 haar succesvolle studioalbum ‘Zo wil ik leven’, dat doordrong tot de top tien van de Nederlandse LP Top 50.

Aan het album werkten tal van gerenommeerde vakmensen mee.

Zo zijn als backing vocals Gerard Stellaard en Titia Dekker te horen, waarbij Stellaard bovendien tekende voor de arrangementen van de nummers ‘Ik Blijf Je Vrouw’ en ‘Toch Dichtbij’.

Ook arrangeur Dick Bakker verleende zijn muzikale medewerking aan het album.

In datzelfde jaar ontving Conny Vandenbos een Gouden Harp voor haar gehele oeuvre en verdiensten voor de Nederlandse muziek, gevolgd door een Edison voor het album ‘Zo wil ik leven’.

Ook als single deed het lied het bijzonder goed in het najaar van 1976. ‘Ome Arie’ kwam op 18 september 1976 binnen in de Nederlandse Top 40, verbleef er zeven weken en bereikte de elfde plaats, terwijl het in de Nationale Hitparade klom naar positie 16.

In Vlaanderen wist de single eveneens de hitlijsten te halen en bereikte het nummer de achtentwintigste plaats in de BRT Top 30.

Op 7 april 2002 overleed Conny Vandenbos op 65-jarige leeftijd in Amsterdam aan de gevolgen van longkanker, kort nadat de ziekte bij haar was vastgesteld.

Haar muzikale nalatenschap bleef echter springlevend, net als de herinnering aan de muzikale familie waaruit ze stamde.

Haar broer Peter Hollestelle bouwde immers eveneens een mooie carrière op in de muziekwereld.

Hij zong in diverse beat- en popformaties, werkte veelvuldig als sessiezanger en vormde eind jaren zeventig samen met Jody Pijper het duo Cashmere.

Met hun single ‘Love’s What You Want’, een bewerking van Leo Sayers’ nummer ‘Easy to Love’, scoorden zij in 1979 een grote hit.

Zo lieten broer en zus ieder op hun eigen manier een blijvende herinnering achter in het collectieve muziekgeheugen.

Thérèse Steinmetz: van Songfestivalpodium tot het schilderspenseel

Thérèse Steinmetz groeide op in een artistiek Amsterdams gezin; haar vader Jan Steinmetz was operazanger en haar moeder Henny Zwanenburgh pianiste.

Ze studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam en volgde de toneelschool, wat de basis legde voor haar veelzijdige podiumcarrière.

Haar bekendheid groeide snel, resulterend in een eigen televisieprogramma in 1966 onder de titel Thérèse.

In 1967 vertegenwoordigde ze Nederland op het Eurovisiesongfestival in Wenen met ‘Ring-dinge-ding’, geschreven door Gerrit den Braber en John Woodhouse.

Het nummer eindigde op een gedeelde veertiende plaats met slechts twee punten, maar hetzelfde jaar stond ze wel op de planken in de musical Waterproef.

Bovendien behaalde ze met de single ‘Speel het spel’ een notering in de Nederlandse Top 40.

Haar internationale doorbraak volgde in 1970, toen zij het Gouden Hert won op het Cerbul de Aur-festival, het Intervisie Songfestival in het Roemeense Brașov.

Deze overwinning maakte haar mateloos populair in Oost-Europa en leidde tot een omvangrijke internationale tournee en talrijke televisieoptredens.

Desondanks bleef ze in Nederland actief: in 1971 schitterde ze in de musical ’n Maagd op je dak.

Tussen 1976 en 1982 toerde Steinmetz langs de theaters met haar cabaret- en chansonprogramma’s Opus 1, 2 en 3, producties die later door de NCRV op televisie werden uitgezonden.

Binnen deze omroep werkte ze intensief samen met Ted de Braak.

In 1981 deelde ze het podium met André van den Heuvel in ‘Alleen op maandag’, gevolgd door de theatertournee De Nacht van de Balkan in 1982.

Hierin trad ze op met het Roemeense folkloreorkest van Andreï Serban en dansgroep Nitsanim.

Haar buitenlandse optredens reikten zelfs tot het Caraïbisch gebied, Cuba en Midden-Amerika.

Vanaf de jaren tachtig legde Steinmetz zich met succes toe op het kunstschilderen.

Ze opende een eigen galerie en exposeerde haar figuratieve doeken regelmatig.

Haar muzikale passie doofde echter niet.

In 2015 startte ze een theatertournee met de Franse chansonnier Philippe Elan, met wie ze samen met Nico van der Linden het tweetalige album Amsterdam-Parijs, heen en weer uitbracht.

Begin 2020 bundelden Steinmetz en Elan opnieuw hun krachten voor het theaterprogramma Over Grenzen.

Op persoonlijk vlak kende haar leven zowel passie als ingrijpend verlies.

Steinmetz was getrouwd met tenorzanger Arjan Blanken, maar verliet hem in 1966 voor tekstschrijver en televisieproducent Gerrit den Braber, met wie ze samenbleef tot zijn overlijden in 1997.

Een jaar daarvoor, in 1996, overleed haar enige dochter Ellis op 39-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Na het verlies van haar dochter en haar partner zocht Steinmetz rust aan de Côte d’Azur en vestigde zij zich in Cannes, waar ze bleef schilderen.

Inmiddels woont de 93-jarige Steinmetz in het Rosa Spier Huis in Laren, een befaamde woon- en werkgemeenschap voor kunstenaars en wetenschappers.

Daar richt zij zich vooral op haar schilderwerk en toont ze af en toe haar doeken tijdens exposities.

Reclame voor het album Another Side Of Me van Cees Veerman

Cees Veerman zag op 6 oktober 1943 het levenslicht in het Noord-Hollandse Volendam, waar zowat iedereen hem kende onder zijn bijnaam Poes.

Zijn muzikale verhaal begon bij plaatselijke groepjes zoals The Skyriders, tot hij begin jaren zestig mee aan de wieg stond van The Blue Cats, de formatie die niet veel later simpelweg als The Cats muziekgeschiedenis zou schrijven.

Binnen de groep ontpopte Cees zich tot een bijzonder veelzijdige pionier als slaggitarist, zanger en componist.

In de beginjaren nam hij steevast de leadzang voor zijn rekening op vroege hits zoals ‘What a Crazy Life’ ‘en ‘Sure He’s a Cat’.

Zelfs toen arrangeur Wim Jongbloed voor de typische weelderige orkestratie zorgde en Piet Veerman uitgroeide tot het uithangbord van de grote, dramatische ballads, bleef Cees een onmisbaar tegengewicht vormen.

Met zijn wat heesere, ritmische stemgeluid gaf hij kleur aan het meer op beat en pop geënte werk.

Daarnaast kroop hij regelmatig in de pen om nummers voor The Cats te componeren.

Met zijn wat heesere, ritmische stemgeluid gaf hij kleur aan het meer op beat en pop geënte werk. Daarnaast kroop hij regelmatig in de pen om nummers voor The Cats te componeren.

In 1972 kreeg Cees af te rekenen met stemproblemen.

Nadat hij een maand noodgedwongen aan de kant had gestaan en de arts bevestigde dat zijn stembanden genezen waren, bleef hij toch met zware twijfels en gepieker worstelen.

Hij besloot dan ook dat jaar de groep te verlaten en werd tijdelijk vervangen door Piet Keizer.

Platenfirma EMI gaf hem vervolgens de kans om op eigen benen te staan, wat in 1976 leidde tot zijn enige soloalbum, Another Side Of Me.

De muziekpers merkte meteen op dat de plaat een heel andere, meer melancholische en breekbare kant van Cees liet horen dan de bekende palingsound van de band.

Die sfeer sloot dan ook perfect aan bij de gekozen titel.

Cees schreef acht van de nummers helemaal zelf en oogstte daarmee veel lof bij recensenten.

Zij prezen zijn fijne talent als singer-songwriter, dat binnen de groepsdynamiek weleens overschaduwd raakte door het hitgeweld rond boegbeeld Piet Veerman.

De singles die van de plaat werden geplukt, ‘Sailor, sail on (Dreamer, dream on)’ en ‘Another Side Of Me’, passeerden wel over de radio, maar wisten uiteindelijk niet door te stoten naar de Top 40.

De single Sailor, sail on schopte het wel tot een mooie tiende stek in de Tipparade.

Het album mag er hoe dan ook wezen en is vandaag een absolute aanrader om via Spotify te herontdekken.

Zeker wie met wat heimwee terug wil naar de warme, authentieke sound van de jaren zeventig, zal hier moeiteloos zijn gading in vinden.

Vanaf 2011 bouwde Cees een nieuw bestaan op in Indonesië.

In de nacht van 14 op 15 maart 2014 overleed hij er stilletjes in zijn slaap, waarmee een einde kwam aan het leven van een van de absolute grondleggers van de legendarische Volendamse popgeschiedenis.

Het is inmiddels vijfenveertig jaar geleden dat Patricia Paay haar nummer ‘Who Let The Heartache In’ uitbracht.

Ik beken meteen maar eerlijk dat ik altijd al een zwak voor haar heb gehad.

Wel vind ik het vreemd dat er bij dit artikel een foto is geplaatst van haar album ‘The Lady Is A Champ’, dat al uit 1977 stamt.

Het nummer schreef Patricia samen met John van Katwijk. Ook de andere single ‘Saturday Nights’ uit het album ‘Playmate’ schreven ze samen.

Deze veelzijdige Nederlandse zanger, componist, arrangeur, producer en artiestenmanager werd op 8 augustus 1951 geboren in Rotterdam en begon zijn muzikale loopbaan als leadzanger van de band Christie Lane.

Toen het grote succes daarmee uitbleef, verlegde hij zijn koers: hij ging aan de slag als artiestenmanager en begon zelf nummers te schrijven.

Naast zijn werk met Patricia Paay werkte Van Katwijk veelvuldig samen met grote namen zoals René Froger en Anita Meyer, en in recentere jaren ook met Glennis Grace.

Op 16 januari 2025 kwam hij te overlijden.

Vandaag mag de Nederlandse zangeres Corry 75 kaarsjes uitblazen.

In 1968 werd de toen zeventienjarige Corry Konings ontdekt door Pierre Kartner.

Ze werkte op dat moment als kapster en zong daarnaast al twee jaar bij de groep De Mooks.

Het was een lokale platenhandelaar die haar hoorde zingen en haar introduceerde bij Kartner.

Hij koppelde de zangeres vervolgens aan het dansorkest De Rekels, dat bestond uit gitarist Jacques Wagtmans, bassist André de Jong, accordeonist Jos van Zundert, drummer Kees Dekkers en zanger Frans Biezen.

Die laatste werd door Corry vervangen en zou later onder de naam Frank Ashton een succesvolle solocarrière opbouwen.

De samenwerking wierp snel haar vruchten af.

In 1969 brachten Corry en de Rekels hun eerste single uit, ‘Vaarwel, ik zal geen traan om je laten’.

Dit nummer bereikte de 22e plaats in de Veronica Top 40 en schopte het in Vlaanderen zelfs tot de zesde plek.

Opvallend is dat de tweede stem op deze plaat werd ingezongen door Pierre Kartner, iets wat hij bij alle volgende singles van de formatie zou blijven doen.

Na de single ‘Mijn stil verdriet’ volgde in 1970 de definitieve doorbraak met het overbekende ‘Huilen is voor jou te laat’.

Deze hit bereikte de vijfde positie in de Top 40 en vestigde een record door maar liefst 41 weken in de lijst te blijven staan.

In de Hilversum 3 Top 30 noteerde het liedje 19 weken, waarbij het twee keer opnieuw binnenkwam.

In datzelfde succesvolle jaar werd drummer Kees Dekkers vervangen door Rob Kraak.

Het succes hield aan en Corry en de Rekels scoorden de ene hit na de andere met nummers als ‘Rozen die bloeien’, ‘Zonder het te weten’, de kerstsingle ‘Hoog daar aan de hemel’, ‘Igorowitsch’ en ‘Dagen en nachten’.

Toch besloot Corry in 1972 de band te verlaten om solo verder te gaan.

In 1976 werd Corry Konings, wereldberoemd in Vlaanderen en Nederland met het nummer ‘Ik Krijg Een Heel Apart Gevoel Van Binnen’

Het nummer was geschreven door de Brabantse liedjescomponist Sjef van der Velden, terwijl de muziek en productie in handen waren van Ad Kraamer.

De single was in Vlaanderen goed voor een negende plaats in de BRT Top 30 en in Nederland was het nummer goed voor een zesde plaats in de Nederlandse Top 40.

Tot 1988 trad ze op onder de naam Corry, waarna ze haar volledige naam Corry Konings ging gebruiken.

Toen Corry in 2004 haar 35-jarige jubileum vierde, organiseerde ze een reünie met De Rekels.

Ter gelegenheid hiervan brachten ze het album

Na 35 jaar uit, met splinternieuwe nummers van de hand van Pierre Kartner, Henk van Broekhoven en Jheron van der Heijden.

Ondanks het nieuwe materiaal was de herkenbare Rekelsound meteen weer hoorbaar.

In 2007 volgde nog een dvd vol met oude en nieuwe fragmenten uit zowel de periode met De Rekels als Corry’s solocarrière.

Ze woont in de provincie Noord-Brabant en is nog altijd volop actief in de muziekwereld.

Naast haar regelmatige optredens heeft ze deze maand nog een gloednieuwe zomersingle uitgebracht met de titel ‘Er hangt iets in de lucht (Amore)’.

Gisteren nog vandaag

50 jaar geleden floreert tragi-pop

In augustus 1976 floreerde de zogeheten tragi-pop of dooien-pop in de Nederlandse muziekwereld.

Magere Hein maakte toen overuren in de Nederpop, want het was de nieuwste mode van Nederlandse liedjesschrijvers om overleden verloofdes, vrouwen en vrienden in hun teksten te verwerken.

Zo moest het personage Rocky zijn vrouw missen, verloor Roek Williams zijn beste vriend en vernam zangeres Bonny ontsteld van dokter Bernhard dat haar grote liefde zijn laatste adem had uitgeblazen.

Hoewel sommige mensen dat specifieke nummer een giller vonden, nam Bonnie St. Claire haar hit zelf erg serieus.

Wel vond ze het onsmakelijk toen het televisieprogramma Toppop een skelet in de studio wilde zetten, waarna ze samen met haar begeleiders wegliep.

Later werd dit als een misverstand uitgesproken en zong men het lied alsnog, maar uiteraard zonder skelet.

Voor Bonny betekende Dr. Bernhard een opzienbarende comeback na een kleine winterslaap waarin ze zich had afgevraagd wat haar toekomst zou brengen.

Haar ontdekker en producer Peter Koelewijn bracht uitkomst met dit nummer.

Voor Bonny was een droevig repertoire trouwens niet nieuw, want ze vertolkte eerder al zulke nummers in het Engels.

Bij haar optredens werd ze al jarenlang begeleid door de groep Unit Gloria.

Hoewel ze bij de platenmaatschappij een contract voor soloplaten had, bleef ze de groep het liefst overal bij betrekken.

Dat gaf haar een beschermd gevoel en liet haar gemakkelijker bewegen en wennen.

Een belangrijke reden hiervoor was ook haar amoureuze relatie met bandlid Muis.

Ze woonden destijds al drie jaar samen in een schattig verbouwd dijkwerkershuisje op een kilometer afstand van Leerdam.

Getrouwd waren ze nog niet.

Dat zou eigenlijk in het najaar van 1974 gebeuren, maar een fotoreportage in Tunesië gooide roet in het eten.

De trouwerij werd uitgesteld en het stel besloot te wachten tot er kinderen zouden komen.

Bonny was een van de muzikale werktuigen in de gouden handen van Peter Koelewijn, die samen met zijn collega Wil Hoebee ook het geruchtmakende nummer Rocky produceerde.

Met dat nummer zong Don Mercedes zich naar de top van de hitparades.

Koelewijn bezat een fijne neus voor muziekjes waarvoor een groot publiek massaal de knip opentrok.

Voor Don Mercedes, die voorheen enkel Engels repertoire zong, betekende dit een grote overstap.

Hij dacht eerst lang na over het aanbod, maar greep de kans uiteindelijk met beide handen aan.

Wel bestond het gevaar dat hij door de platenmaatschappij werd gebruikt om snel veel geld te verdienen en dat hij daarna snel diep kon vallen.

Toch vertrouwde hij erop dat Koelewijn of Hoebee hun trucendoos binnenkort nog verder zouden openbreken en hem opnieuw zo’n hitsucces gunnen.

Ook zanger Roek Williams was als een kind zo blij met de triomfen die zijn dode vriend in de hitparade vierde.

Zijn vorige singletje, E 35, was ondanks de hulp van vele deejays de mist in gegaan, omdat het te moeilijk was voor de mensen.

Mijn beste vriend was veel toegankelijker voor een groot publiek.

Williams, die het nummer via een popjournalist had gekregen en het meteen te gek vond, zag er geen kwaad in.

Hij vond het niet gemeen, maar juist de herkenbare realiteit van het leven waarin iedereen wel eens vrienden ziet verdwijnen.

Hij was erg blij dat dit repertoire het ging maken, omdat je op deze manier een goede popproductie kon brengen die geschikt was voor een breed publiek.

Het fenomeen van het zogeheten rampenfonds of de dooienpop beleefde zijn eerste grote opleving met Manuela, geschreven door Pierre Kartner en vertolkt door Jacques Herb.

Van die single , waarin Manuela omkwam bij een auto-ongeluk, werden maar liefst 350.000 exemplaren verkocht.

De experts op muziekgebied stonden over het rampenfonds echter lijnrecht tegenover elkaar.

Radiomaker Lex Harding meende dat hij persoonlijk kotsmisselijk werd van dit valse sentiment.

Hij vond dat het niet spontaan was, maar bewust gecreëerd als een zielig lied om mensen te ontroeren, al zag hij de commerciële waarde er wel van in.

Producer Peter Koelewijn had een totaal andere mening en vond niets abnormaals aan het genre.

Zolang er muziek bestond, werd er volgens hem al gezongen over dit soort zaken.

Zowel Rocky als Dr. Bernhard waren bewerkingen van buitenlandse nummers die hem raakten toen hij ze beluisterde.

Koelewijn vergeleek popmuziek met opera’s, films en boeken zoals Love Story, West Side Story of Porgy & Bess.

Daarin kwamen eveneens driehoeksverhoudingen en sterfscènes op muziek voor om mensen te ontroeren en te laten ontspannen, en hij zag niet in waarom dat bij popmuziek niet op dezelfde manier kon werken.