Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Het nummer ‘Cry Me A River’ werd in 1953 geschreven door Arthur Hamilton.
Hij schreef het oorspronkelijk voor een film van regisseur Jack Webb, de toenmalige echtgenoot van zangeres Julie London, die Hamilton nog kende van de middelbare school.
Het was de bedoeling dat Ella Fitzgerald het bluesy nummer zou zingen in de film Pete Kelly’s Blues, maar uiteindelijk werd het liedje uit de film geknipt.
Na haar scheiding van Webb leerde Julie London de jazzpianist Bobby Troup kennen, de componist achter de klassieker ‘Route 66’.
Hij werd haar tweede echtgenoot en overtuigde haar om een LP met jazzstandards op te nemen voor Liberty Records. ‘Cry Me A River’ was het enige nieuwe nummer op dit album, getiteld Julie Is Her Name.
Het werd als single uitgebracht en groeide uit tot de eerste grote hit voor het platenlabel, met een negende plaats in de Billboard-hitparade.
Julie London zong het nummer ook in de film The Girl Can’t Help It en bracht in 1960 een nieuwe versie uit.
Bobby Troup overleed in 1999 op 81-jarige leeftijd. Een jaar later, in oktober 2000, overleed Julie London op 74-jarige leeftijd.
Barry Manilow, geboren als Barry Picus en zoon van Joodse immigranten, groeide uit tot ‘The king of soft rock’.
Een van zijn onsterfelijke hits is ‘Copacabana (at the Copa)’, met die onvergetelijke openingszin: ‘Her name was Lola/ She was a showgirl’.
Hoewel Manilow de vrolijke melodie schreef, kwam de tekst van de hand van Jack Feldman en Bruce Sussman.
De Lola in het lied was geen verzinsel; haar personage was gebaseerd op Lola Falana, een succesvolle Amerikaanse zangeres en danseres met de bijnaam ‘Black Venus’.
Haar talent werd in 1975 erkend met een nominatie voor de Tony Award voor Beste Actrice in een Musical, voor haar rol als Edna Mae Sheridan in ‘Doctor Jazz’.
Ze werd hiermee de tweede beroemde Lola in de muziekgeschiedenis, na het gelijknamige nummer van The Kinks.
Terwijl in ‘Copacabana’ op bloederige wijze om Lola’s hand wordt gevochten, was het liefdesleven van de echte Lola ook turbulent.
Haar geheime relatie met de op dat moment getrouwde Sammy Davis jr. bleef niet lang verborgen en was voor zijn echtgenote May Britt de reden om te scheiden.
Later was Falana nog kortstondig getrouwd met Butch Tavares van de band Tavares.
In 1978, hetzelfde jaar dat de wereld zong over Lola’s fictieve liefdesleven, onderging Manilows eigen amoureuze leven een cruciale wending.
Hij ontmoette Garry Kief, die niet alleen zijn manager, maar ook zijn levenspartner zou worden.
Dit stond in schril contrast met zijn korte, mislukte huwelijk met jeugdliefde Susan in 1964.
De langdurige, geheime relatie met Kief zou, naar eigen zeggen, zijn leven redden.
‘Mijn carrière explodeerde in die tijd’, vertelde Manilow in The Guardian. ‘Het was een gekkenhuis. Avond na avond thuiskomen in een lege hotelkamer, daar komen vanzelf problemen van.
Omdat ik Garry had, was er iemand in die hotelkamer om mee te huilen en om plezier mee te hebben.’
Pas in 2017, in een groot interview met People getiteld ‘My untold story’, kwam Manilow publiekelijk uit de kast.
Hij was toen al drie jaar met Kief getrouwd. De zanger had altijd gevreesd dat openlijke homoseksualiteit zijn carrière zou schaden, maar het nieuws deed amper stof opwaaien; het leek een publiek geheim.
Vandaag de dag, op 82-jarige leeftijd, is Manilow nog steeds actief.
Hij is een vaste waarde in het Westgate International Theater in Las Vegas.
Dat is een zaal met een rijke geschiedenis: niemand minder dan Elvis Presley stond er tussen 1969 en 1976 maar liefst 636 keer op het podium.
Het is een mijlpaal die Manilow inmiddels ruimschoots heeft overtroffen.
Daarnaast trekt hij in de lente van 2026 door andere Amerikaanse steden met zijn “The Last Concerts” tour. Ook een optreden in Londen staat gepland in juni 2026.
Twee weken geleden, op 23 september, bracht Manilow zelf een nieuwe single uit met als titel “Once Before I Go”. Het is een cover van een nummer dat Peter Allen samen met Dean Pitchford schreef in 1983, en dat terug te vinden is op zijn album “Not The Boy Next Door”
William Clarence Eckstein werd op 8 juli 1914 geboren in Pittsburgh, Pennsylvania, als zoon van een chauffeur en een naaister.
Het gezin verhuisde naar Washington, waar hij klusjes deed voor Ethel Waters in het Howard Theater.
Met het zakgeld dat hij zo verdiende, kon hij deelnemen aan een talentenjacht, die hij in 1932 won.
Hij verliet de school, sloot zich aan bij de Tommy Miles Band en leerde trompet spelen om zijn zang te ondersteunen.
Al vroeg in zijn carrière veranderde hij zijn achternaam in Eckstine, nadat een clubeigenaar de oorspronkelijke spelling ‘te joods’ vond.
Zijn talent bleef niet onopgemerkt, bandleider Earl Hines hoorde hem in de De Lizza Club en nam hem op in zijn band.
Met hen nam hij ‘Skylark’ op, een versie die beter verkocht dan die van Glenn Miller.
Samen met Hines componeerde hij ook de ‘Stormy Monday Blues’.
Dankzij zijn groeiende succes kon Eckstine zijn eigen club openen op 52nd Street in New York, maar die moest hij uiteindelijk sluiten vanwegete hoge onkosten.
Daarna ging hij op tournee met zijn eigen, historische band.
Samen met zijn muzikaal arrangeur John Birks ‘Dizzy’ Gillespie hielp hij de weg vrijmaken voor de bebop en de moderne jazz.
Deze band was een broedplaats voor talent en Eckstine was zo mede verantwoordelijk voor de doorbraak van vele grootheden, zoals Miles Davis, Charlie Parker, Dexter Gordon, Art Blakey en Sarah Vaughan.
In oktober 1945 scoorde hij met ‘A Cottage for Sale’ zijn eerste van in totaal 28 hits in de Amerikaanse Billboard hitparade.
In 1947 kreeg hij een platencontract bij het nieuw opgerichte MGM Records.
Nog datzelfde jaar had hij een hit met ‘Everything I Have is Yours’.
Tot zijn grote successen behoren verder opnamen als ‘Caravan’, ‘I Apologize’, ‘No One But You’ en ‘Gigi’.
Daarnaast componeerde hij zelf de bluesklassieker ‘Jelly, Jelly’.
Bekend om zijn rijke, bijna opera-achtige bas-baritonstem, zette Eckstine ook modetrends met zijn stijlvolle pakken, een imago dat hem gedurende zijn hele solocarrière van pas zou komen.
Zijn invloed reikte ook tot in Europa. Zo scoorde P.J. Proby in 1965 een hit met een cover van ‘I Apologize’ en zijn duet ‘Passing Strangers’ met Sarah Vaughan haalde tweemaal de Engelse hitlijst, in 1957 en 1969.
Zijn laatste album, ‘Billy Eckstine Sings with Benny Carter’, werd in 1986 genomineerd voor een Grammy Award.
Voor zijn bijdragen aan de muziek werd Eckstine ook onderscheiden met een ster op de Hollywood Walk of Fame.
Billy Eckstine overleed op 8 maart 1993 op 78-jarige leeftijd.
In de Joepie van 16 april 1975, waren Engelbert Humperdinck en Tom Jones nog vrienden.
Er zijn verschillende geruchten en verklaringen over de oorzaak van hun vete.
Zo gaan er al lang geruchten dat Engelbert Humperdinck avances zou hebben gemaakt naar Charlotte Laws, die destijds, in 1979, een relatie had met Tom Jones.
Laws zelf heeft in interviews bevestigd dat Humperdinck inderdaad ongepaste acties heeft ondernomen in haar bijzijn.
Hoewel ze stelt dat de vete al voor dit incident bestond, kan het de relatie zeker geen goed hebben gedaan.
Tom Jones heeft in het verleden zeer onvriendelijke dingen over Engelbert Humperdinck gezegd in interviews, hem onder andere een “klootzak” noemend. Engelbert Humperdinck reageert over het algemeen milder in het openbaar, maar de vijandigheid lijkt wederzijds.
Engelbert Humperdinck heeft zelf in interviews gesuggereerd dat de werkelijke reden van hun breuk iets anders was dan wat in de media wordt gespeculeerd, maar hij wilde er niet in detail over uitweiden.
Ondanks dat Engelbert Humperdinck in het verleden heeft aangegeven de strijdbijl te willen begraven en zelfs zijn medeleven betuigde toen zijn vouw Linda Woodward van Tom Jones in 2016 overleed, is er zeker geen sprake van een hereniging.
Tom Jones heeft herhaaldelijk duidelijk gemaakt dat hij geen interesse heeft in een vriendschap met Humperdinck.
Het Billy Williams Quartet werd opgericht in 1950.
De leden waren:
Billy Williams (leadzanger)
Eugene Dixon (bas)
Claude Riddick (bariton)
John Ball (tenor)
Billy Williams was eerder de leadzanger van de populaire vocale groep The Charioteers.
Het kwartet genoot vooral succes in de vroege jaren 50.
Ze waren vaste gasten in de radioshow van Bing Crosby en verschenen meer dan 160 keer in de tv-show “Your Show of Shows” met Sid Caesar. Ook werkte ze samen met Frank Sinatra.
Hun grootste hit was “(It’s No) Sin” in 1951, die meer dan een miljoen exemplaren verkocht en de derde plaats bereikte in de Amerikaanse hitlijsten.
Andere bekende nummers waren “I Won’t Cry Anymore”, “The Gaucho Serenade”, “Busy Line” en “I’ll Never Fail You”.
Na het kwartet zette Billy Williams zijn solocarrière voort.
Na twee huwelijken en twee dochters, ging het helaas minder met hem.
Midden de jaren zestig leefde hij in een gekraakte pand dat daarvoor een hotel was.
Want door diabetes verloor hij zijn stem.
Op straat leerde hij Eerwaarde Clarence Cobbs kennen die hem kon overtuigen om bij hem te komen wonen.
Die kon hem overtuigen om zijn studie aan de De Paul University af te ronden.
Daardoor kon hij aan de slag gaan als medewerker in een stadsproject om straatloze alcoholisten te helpen.
Billy Williams overleed op 12 oktober 1972 en dit 61-jarige leeftijd.
Paul Robi werd geboren op 20 augustus 1931 en begon zijn carrière als zanger in verschillende gospelkoren.
Hij sloot zich aan bij The Platters in 1954, nadat hij ontdekt was door hun manager Buck Ram.
Samen met Tony Williams, Zola Taylor, David Lynch en Wilbert Reed vormde hij de klassieke bezetting van de groep, die hits scoorde als Only You, The Great Pretender, My Prayer, Twilight Time en Smoke Gets In Your Eyes.
Paul Robi had een warme baritonstem en zong vaak de tweede stem of de lead in sommige nummers.
Hij bleef bij The Platters tot 1960, toen hij de groep verliet na een juridisch conflict met Buck Ram over de rechten op de naam.
Hij vormde zijn eigen versie van The Platters en bleef optreden tot zijn dood in 1989.
White Christmas werd geschreven door Irving Berlin in 1939 en voor het eerst gezongen door Bing Crosby op de radio op 25 december 1941.
Het was meteen een groot succes en werd een symbool van hoop voor de Amerikaanse soldaten die in de Tweede Wereldoorlog vochten.
In 1942 verscheen het lied in de film Holiday Inn, waar Bing Crosby het duetteerde met Marjorie Reynolds.
De single bereikte de eerste plaats in de hitlijsten en won een Oscar voor beste originele lied.
Omdat de originele opname versleten raakte, nam Bing Crosby het lied opnieuw op in 1947, met hetzelfde orkest en koor als de eerste keer.
Deze versie is de meest bekende en is ook te horen in de film The Polar Express uit 2004.
In 1954 kwam er nog een film uit met de titel White Christmas, waar Bing Crosby het lied twee keer zong: een keer solo en een keer met Danny Kaye, Rosemary Clooney, Vera-Ellen en een koor.
Deze film was ook een groot succes en maakte het lied nog populairder.
In 1975 werd het lied gebruikt als codewoord om de Amerikaanse soldaten te laten weten dat ze Saigon moesten verlaten tijdens de Vietnamoorlog.
White Christmas is een van de beste verkochte singles aller tijden, met meer dan 50 miljoen exemplaren.