35 jaar geleden, wie financierde de KP in België?

In september 1991 voltrok zich het geruisloze einde van de Vlaamse communistische partij, amper enkele dagen nadat de Communistische Partij van de Sovjet-Unie na de mislukte augustuscoup in Moskou feitelijk instortte.

Decennialang had de partij zich naar buiten toe gepresenteerd als een beweging die puur draaide op het engagement en het lidgeld van duizenden trouwe militanten, havenarbeiders en intellectuelen.

De werkelijkheid achter de schermen bleek echter volkomen anders. Toen de begrotingscijfers van 1980 uitlekten, werd duidelijk dat de rechtstreekse ledenbijdragen nauwelijks vijf procent van de partijinkomsten dekten.

Zelfs het afstaan van twee derde van het parlementaire loon door de eigen volksvertegenwoordigers stelde op het totale budget financieel nauwelijks iets voor.

Het grootste deel van de financiële middelen kwam uit de sector, zoals deze binnenskamers steevast werd genoemd.

Over de omvang en herkomst van die inkomsten heerste een strikte geheimhouding, die uitsluitend in handen was van nationaal voorzitter Louis Van Geyt en een uiterst select kransje vertrouwelingen binnen het Centraal Comité, onder wie Jacques Nagels en Boris Gordower.

Terwijl de partijuitgaven nauwgezet werden geregistreerd, bleven de inkomsten voor de overgrote meerderheid van de militanten en kaders een goed bewaard mysterie.

Zelfs na de federalisering van de partijstructuren aan het einde van de jaren tachtig kregen de Vlaamse en Waalse vleugels simpelweg jaarlijks een toelage toebedeeld, zonder enig inzicht in de totale reserves.

Ondanks de electoraal bescheiden positie, vooral in Vlaanderen, had de Kommunistische Partij van België na de Tweede Wereldoorlog nooit gebrek aan middelen gekend.

Die geldstroom was ook bittere noodzaak, want het partijapparaat was door de jaren heen topzwaar geworden en de eigen pers slorpte gigantische bedragen op.

Zo kostte het partijblad De Rode Vaan in de jaren tachtig ongeveer een miljoen Belgische frank per maand, met een redactie van elf betaalde krachten voor een lezerspubliek dat amper enkele duizenden abonnees telde.

Tussen 1970 en 1985 lag het totale jaarlijkse budget van de partij en haar nevenorganisaties naar schatting tussen de tachtig en honderd miljoen frank, een bedrag dat ruimschoots het dubbele was van wat een moderne parlementaire formatie als Agalev begin jaren negentig nodig had.

Tegelijkertijd ontstond binnen de partijkaders een systeem van niet-aangegeven vergoedingen en forfaits om de karige officiële lonen aan te vullen, wat door critici werd gezien als een vorm van zwart geld, maar door de leiding werd afgedaan als noodzakelijke onkostenregelingen.

Om deze omvangrijke werking te financieren, bouwde de communistische beweging een uitgebreid bedrijvennetwerk uit.

Het vastgoedbeheer werd ondergebracht in vennootschappen zoals Stimobel, die de federatiehuizen in steden als Antwerpen, Gent, Aalst, Kortrijk en Oostende, alsook het centrale partijgebouw aan de Brusselse Stalingradlaan beheerde.

Daarnaast waren er initiatieven zoals het reisbureau Belga-toerist, het gesubsidieerde Volkstoerisme, distributeur Progrès Films, uitgeverij Volksuitgaven en de Brusselse boekhandel Monde Entier, die een nagenoeg monopolie had op boeken en tijdschriften uit het Oostblok.

Hoewel deze activiteiten bedoeld waren om winst te genereren, bleken vele ervan door de jaren heen eerder een financiële molensteen, wat bij het wegvallen van politieke steun leidde tot faillissementen, zoals bij Belga-toerist in de loop van 1991.

De meest renderende poot binnen de communistische zakelijke belangen bleef echter decennialang buiten het zicht van de achterban.

Dat was de handelsmaatschappij Tracosa, in 1956 opgericht met medewerking van vooroorlogs kopstuk Xavier Relecom en later voortgezet door figuren als Boris Gordower.

Tracosa fungeerde als tussenpersoon voor invoer en uitvoer tussen westerse bedrijven en de planeconomieën in Midden- en Oost-Europa, inclusief de Sovjet-Unie en China.

Waar partijvoorzitter Van Geyt altijd staande hield dat de partij nooit rechtstreeks door Tracosa werd gesponsord, bevestigden zowel de Vlaamse partijvoorzitter Ludo Loose als buitenlandverantwoordelijke Jan Debrouwere dat er commissies en winstmarges uit deze handelstransacties naar de partijkas vloeiden.

De autoriteiten in Moskou en Oost-Berlijn beschouwden het bedrijf openlijk als het commerciële instrument van de Belgische communisten.

De invloed en financiering vanuit het Oostblok bleven overigens niet beperkt tot partijkassen en handelsvennootschappen; ze raakten ook direct aan de maatschappelijke mobilisatie.

Tijdens de massale betogingen tegen de plaatsing van Amerikaanse kruisraketten in het begin van de jaren tachtig, die gedragen werden door honderdduizenden oprechte en bezorgde burgers, bleken geheime diensten zoals de Stasi uit de DDR en structuren vanuit Moskou via de KPB invloed uit te oefenen.

Terwijl het Vlaamse actiecomité VAKA vooral wortelde in een brede, onafhankelijke sociale en christelijke beweging, had de partij via militanten en mantelorganisaties een stevige greep op het Franstalige CNAPD en op door het Oostblok gesteunde netwerken zoals de Wereldvredesraad.

Achter de schermen werd logistieke steun verleend in de vorm van goedkoop of gratis drukwerk uit Oost-Duitse staatsdrukkerijen, gefinancierde buitenlandse reizen en toelagen via partijkanalen.

Het doel van het Oostblok was niet een algemene ontwapening, maar het eenzijdig tegenhouden van de westerse raketten, terwijl het eigen arsenaal onaangeroerd bleef.

De duizenden betogers op straat handelden te goeder trouw, maar de partijtop fungeerde als een willig schakelstation in een geopolitiek schaakspel.

Toen het politieke en economische communistische systeem in het Oostblok tussen 1989 en 1991 definitief ineenstortte, verdween niet alleen die ideologische rugdekking, maar droogden tegelijk de levensnoodzakelijke handelscommissies, logistieke netwerken en indirecte financieringskanalen op, wat het definitieve einde van de partij onafwendbaar maakte.

Toch verdween niet alles na die politieke ondergang van de aardbodem.

Omdat het vastgoedpatrimonium destijds niet op naam van de politieke partij zelf stond, maar juridisch was ondergebracht in autonome vennootschappen en vzw’s zoals Stimobel, bleef een aanzienlijk deel van de bakstenen erfenis buiten schot.

Zelfs toen de partij electoraal ophield te bestaan en verschillende panden in provinciesteden over de jaren heen werden verkocht om lopende rekeningen, schulden en personeelslasten af te wikkelen, bleven bepaalde structuren en sleutelgebouwen overeind.

Onder het beheer van trouwe kaders en erfgenamen van de beweging is dat stenen patrimonium tot op de dag van vandaag niet volledig verdwenen, waardoor de restanten van de partij nog steeds enkele eigendommen in bezit hebben

Grace Jones mag vandaag 78 kaarsjes uitblazen.

45 jaar geleden, LP-bespreking Nightclubbing van Grace Jones (Joepie 24 mei 1981)

Gisteren nog vandaag

Nightclubbing uit 1981 markeert het moment waarop Grace Jones haar transformatie van disco-diva naar avant-garde-icoon voltooide.

De weg naar dit succes was bijzonder; Jones werkte zich op van een Jamaicaanse domineesdochter tot een veelzijdige wereldster.

Hoewel ze in Amerika de toneelschool bezocht, werd ze al snel ontdekt als topmodel.

Ze sierde de covers van bladen als Elle en Vogue, en verscheen zelfs op de voorzijde van het Duitse Der Stern.

Het album werd opgenomen in de beroemde Compass Point Studios op de Bahama’s, waar een uniek geluid werd gesmeed door de combinatie van reggae-ritmes, post-punkattitude en elektronische texturen.

Onder leiding van producenten Chris Blackwell en Alex Sadkin, en met de ritmesectie van Sly & Robbie, ontstond een lome, hypnotiserende sfeer die perfect de overgang van de glitter van de jaren zeventig naar de kille chic van de jaren tachtig ving.

Rond deze tijd ontwikkelde Jones haar kenmerkende androgynen look met kort haar en strakke pakken, wat haar een onvergetelijk icoon in zowel de muziek als de mode maakte.

De titeltrack kent een interessante oorsprong; het nummer werd geschreven door David Bowie en Iggy Pop en verscheen voor het eerst op het album The Idiot van Iggy Pop in 1977.

In de uitvoering van Jones krijgt het stuk echter een geheel nieuwe dimensie. Terwijl het origineel uit de Berlijnse periode van Bowie en Pop een zekere mate van decadente uitputting suggereerde, klinkt de versie van Jones als een triomftocht door een nachtelijk stedelijk landschap.

Haar voordracht is afstandelijk en bijna robotachtig, wat naadloos aansluit bij het hoekige, minimalistische arrangement.

Naast de titeltrack bevat het album meer indrukwekkende bewerkingen. Een van de absolute hoogtepunten is de single I’ve Seen That Face Before (Libertango).

Gisteren nog vandaag

Dit nummer is een bewerking van Libertango, een compositie van de Argentijnse componist en bandoneonist Astor Piazzolla.

De tekst van deze versie werd mede geschreven door Francine Canovas, beter bekend onder haar artiestennaam Nathalie Delon.

Zij was de moeder van de Frans-Amerikaanse acteur Anthony Delon en was van 1964 tot 1969 getrouwd met Alain Delon.

Later werd zij de vriendin van producent Chris Blackwell, wat leidde tot de samenwerking voor dit album. Nathalie Delon overleed helaas in 2021.

I’ve Seen That Face Before werd een gigantisch succes in de Lage Landen. In Vlaanderen stond de single maar liefst vijf weken lang op de eerste plaats in de hitlijsten, terwijl het in de Nederlandse Top 40 de tweede positie bereikte.

Ook van het nummer Demolition Man van Sting maakte ze een zeer krachtige en eigenzinnige cover die perfect paste binnen de vernieuwende sound van het album.

Het visuele aspect van Nightclubbing bleef onlosmakelijk verbonden met de muziek.

De iconische hoes, gefotografeerd door Jean-Paul Goude, toont Jones met haar kenmerkende blokkapsel en een strak gesneden Armani-jasje.

Deze verschijning versterkte de impact van nummers zoals Pull Up to the Bumper en Walking in the Rain.

Het album wordt tot op de dag van vandaag geprezen om de unieke persoonlijkheid van Grace Jones en blijft een essentieel referentiepunt voor artiesten die de grenzen tussen kunst, mode en commercie willen vervagen.

Op oudejaarsavond 1977 maakte de single La Vie En Rose haar debuut in de BRT Top 30, om twee weken later door te stoten naar de dertiende positie.

De tekst van dit wereldberoemde nummer werd oorspronkelijk geschreven door Edith Piaf, die de tekst destijds de titel Les Choses En Rose meegaf.

De bijbehorende muziek werd gecomponeerd door Louis Gugliemi, beter bekend onder zijn pseudoniem Louiguy.

Hoewel het chanson in 1945 voor het eerst werd opgenomen door Marianne Michel, een goede vriendin van Piaf, zorgde het grote succes van die uitvoering ervoor dat de schrijfster het nummer uiteindelijk ook zelf inzong.

In 1946 werd het haar allereerste grote hit.

In 1983 beleefde de cover van Grace Jones een heropleving en kwam deze terug in de hitlijsten, binnen op nummer 28, waarna deze uiteindelijk de zestiende plaats bereikte.

Grace Jones in de Humo van 31 juli 1980

Grace Jones in de Joepie van 1 december 1985

Gisteren nog vandaag

Grace Jones in de Muziek Expres van april 1982

Gisteren nog vandaag