Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De twaalfde IJzerbedevaart vond plaats op drieëntwintig augustus 1931 in Diksmuide.
Een jaar na de plechtige inwijding van de eerste IJzertoren in 1930 kwamen opnieuw tienduizenden Vlaamse pelgrims, veteranen en sympathisanten samen aan de oevers van de IJzer.
Deze jaarlijkse bijeenkomst stond in het teken van de herdenking van de Vlaamse soldaten die waren gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog.
De editie van 1931 versterkte de rol van het IJzermonument als centraal symbool voor het Vlaams-nationale bewustzijn en de Vlaamse cultuureisen.
Gedragen door de bekende leuzen ‘Alles voor Vlaanderen’, ‘Vlaanderen voor Christus’ en ‘Nooit meer Oorlog’, verbond het evenement de roep om Vlaamse ontvoogding met pacificatiedrang en christelijke waarden.
De bijeenkomst kenmerkte zich door toespraken, gezangen en vlaggenhuldes, en verankerde de IJzerbedevaart definitief als een van de meest bepalende massamanifestaties van het interbellum in Vlaanderen.
Het absolute hoogtepunt van deze twaalfde bedevaart was de onthulling van het imposante monumentale standbeeld ter ere van de Vlaamse soldaat Renaat De Rudder.
Dit imposante werk werd geplaatst als een van de hoekpijlers aan de voet van de IJzertoren en was het eerste van een reeks monumentale hoekbeelden die het Vlaamse IJzerleed moesten symboliseren.
Het standbeeld werd ontworpen door de Vlaamsgezinde beeldhouwer Karel Aubroeck.
Aubroeck, geboren in Temse in 1894, was een expressionistisch kunstenaar en oud-frontsoldaat die bekendstond om zijn monumentale constructivistische stijl en het gebruik van robuuste materialen.
Voor het beeld van De Rudder maakte hij gebruik van een vernieuwende en technisch uitdagende techniek waarbij een mozaïek van keien en gietbeton werd gecombineerd. Aubroecks gestileerde vormgeving gaf het figuur een krachtige expressie.
De Rudder werd afgebeeld met geboeide handen die ondanks de ketenen vlugschriften omklemden en naar boven reikten, als verbeelding van het idee dat het ideaal stijgt boven de lichamelijke geknevelijkheid.
Het beeld bracht een eerbetoon aan Renaat De Rudder, een jonge oorlogsvrijwilliger uit Oostakker die studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo.
Aan het front sloot De Rudder zich aan bij de Vlaamsgezinde Frontbeweging, richtte hij het frontblad ‘De IJzerkerels’ op en verspreidde hij Vlaamsgezinde vlugschriften.
In december 1917 kwam hij op twintigjarige leeftijd om het leven na een incident tijdens een verkenningstocht in niemandsland.
Na de oorlog groeide hij uit tot een van de grote IJzersymbolen en werd zijn nagedachtenis een symbool voor het strijdbare Vlaams-nationalisme.
Het was in de nacht van 12 op 13 augustus 1961 dat de belangrijkste man in de DDR, Walter Ulbricht, in samenspraak met de Sovjet-Unie besloot om een blokkade op te werpen in de stad Berlijn.
Ulbricht was op dat moment nog hondstrouw aan het regime in Moskou, dus hij zal zich ongetwijfeld vrijwel kritiekloos hebben geschaard achter het idee van Nikita Chroesjtsjov.
De reden dat de muur nodig werd gevonden, lag in het feit dat veel inwoners van Oost-Duitsland de overtocht maakten naar de Bondsrepubliek in het westen.
Veel mensen wilden namelijk het communistische bewind ontvluchten. Al aan het begin van de jaren 50 werd de grens tussen de DDR en de Bondsrepubliek streng beveiligd, maar in Berlijn was de grens tot aan 1961 nog open.
Gisteren nog vandaag
De muur moest daar een einde aan maken.
De controle bij de muur was immens.
Er was prikkeldraad en voortdurende beveiliging door zwaarbewapende beveiligers.
Zij hadden toestemming om mensen die probeerden te ontsnappen neer te schieten.
Wie een vluchtpoging overleefde, kon rekenen op een zware straf.
Gisteren nog vandaag
Gelukkig valt de roep om vrijheid uiteindelijk niet te negeren.
Toch hebben de inwoners van Oost-Berlijn bijna dertig jaar onder dit zware juk moeten lijden.
Maar toen het op die beroemde dag in 1989 eindelijk zover was, was Berlijn weer één.
Enkele jaren later zou heel Duitsland onder leiding van bondskanselier Helmut Kohl weer herenigd worden.
Van de Berlijnse Muur zijn nog slechts wat resten en veel boze herinneringen over.
Haar jeugd kende een veelbelovende start; tot haar dertiende kreeg zij privélessen Frans, Duits en Engels.
Het tij keerde echter snel. Na het faillissement van haar vader in 1889 scheidden haar ouders, en in 1891 overleed haar moeder.
Margaretha verhuisde daarop naar een oom in Den Haag, waar ze een opleiding tot kleuterleidster volgde.
In 1894 reageerde de toen achttienjarige Margaretha op een huwelijksadvertentie in Het Nieuws van den Dag.
Ze trouwde met de twintig jaar oudere militair Rudolph MacLeod, maar het huwelijk werd een regelrechte hel.
Hij beschuldigde haar van flirten met zijn mede-officieren, terwijl zij stelde dat hij haar had besmet met syfilis.
Hun zoontje overleed op jonge leeftijd, mogelijk door een behandeling met kwik tegen deze ziekte.
Een bitter gevecht om hun dochter Nonnie volgde.
Na de vechtscheiding zorgde de familie MacLeod er definitief voor dat Margaretha haar dochter nooit meer te zien kreeg. Margaretha deed later nog een ultieme poging om contact te leggen.
Gisteren nog vandaag
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vroeg ze een Duitse officier om brieven en een broche die ze ooit van haar ex-man had gekregen, aan haar dochter te geven.
Zo zou Nonnie althans nog een aandenken aan haar moeder hebben.
De broche bereikte haar echter nooit.
Nonnie overleed in 1919 op 21-jarige leeftijd onverwacht in haar slaap.
Net als bij haar broertje bleef de precieze doodsoorzaak onbekend.
Haar vader Rudolph was toen al voor de derde keer getrouwd.
Na de scheiding trok Margaretha naar Parijs, waar zij vanaf 1905 het uitgaansleven veroverde als de exotische danseres Mata Hari, wat Maleis is voor oog van de dag.
Ze trad zelfs op in het gerenommeerde La Scala in Milaan.
In 1914 kreeg ze een aanbod voor een halfjaarlijks optreden in het Metropol-theater in Berlijn, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar danscarrière doordat alle theaters moesten sluiten.
Mata Hari keerde kort terug naar Nederland.
Voordat ze weer naar Parijs reisde, werd ze benaderd door de Duitse geheime dienst: voor 20.000 franc wilde men dat ze in Frankrijk zou spioneren.
Ze nam het geld aan, maar was nooit van plan om ook daadwerkelijk voor de Duitsers te werken.
De Franse en Britse geheime diensten wisten echter van dit contact.
Bovendien paste Mata Hari perfect in het profiel van een spionne, omdat ze veel reisde, haar talen sprak en voortdurend in de cirkels van hooggeplaatste mannen verkeerde.
In Frankrijk werd ze vervolgens gevraagd om te spioneren voor de Franse regering.
In ruil voor een grote som geld bracht ze verslag uit over haar contacten met de Duitsers.
Hoewel ze de Duitsers om de tuin leidde, was ze niet van plan de Fransen te bedonderen.
Gisteren nog vandaag
Des te opmerkelijker was haar arrestatie door zes politieagenten in haar Parijse hotel op 13 februari 1917.
Hoewel er geen sluitend bewijs was voor haar schuld, werd ze op 15 juli van datzelfde jaar ter dood veroordeeld.
Op 15 oktober 1917 werd Mata Hari door een executiepeloton om het leven gebracht.
Ze weigerde een blinddoek, hoefde niet geboeid te worden en accepteerde moedig haar lot.
Volgens sommige bronnen wierp ze het peloton zelfs nog een handkus toe.
Waarom ze precies door de Fransen werd veroordeeld, blijft onduidelijk.
Theorieën lopen uiteen: werd ze in de val gelokt, had ze simpelweg alle schijn tegen, of wilden de Fransen het moreel tijdens de oorlog hooghouden door een zondebok te executeren?
Gisteren nog vandaag
Later werd het doodvonnis heftig bekritiseerd, ook vanuit Nederland.
Onder meer doordat de publiciteit over Mata Hari en haar tragische einde ook na 1917 doorging, heeft haar naam over de hele wereld bekendheid gekregen.
Toch bleef de tragiek haar ook na haar dood achtervolgen.
Het lichaam van Mata Hari werd gebruikt als dissectiemateriaal voor Parijse geneeskundestudenten.
Haar hoofd werd bewaard in het Museum voor Anatomie, tot twintig jaar geleden werd ontdekt dat het spoorloos verdwenen was, vermoedelijk gestolen.
Haar mythe leefde voort in de populaire cultuur.
Zo verscheen er een Amerikaanse film over haar leven met Greta Garbo in de hoofdrol, een van haar zeldzame rollen als koude, berekenende femme fatale.
De film werd internationaal een doorslaand succes en wordt tot op de dag van vandaag gerekend tot de beste prestaties van de Zweedse actrice.
Friedrich Wilhelm Karl Walter von Oertzen werd geboren op 5 oktober 1898 in Breslau en was een Duitse journalist, publicist en schrijver die actief was tijdens de turbulente periode van de Weimarrepubliek en het naziregime.
Hij stamde uit een adellijke, militaire familie en was de zoon van luitenant-generaal Fritz Ludwig Karl Hugo von Oertzen.
Net als zijn vader nam hij dienst in het leger en vocht hij als luitenant in de Eerste Wereldoorlog, een strijd waarin zijn twee broers om het leven kwamen.
Na de oorlog sloot hij zich aan bij de rechtse Freikorpsen.
In januari 1919 kreeg hij van minister Gustav Noske de opdracht om links-radicale politici in de gaten te houden.
Von Oertzen luisterde de privételefoon af van communistenleider Gustav Noske en droeg hierdoor direct bij aan diens arrestatie.
Korte tijd later was hij getuige toen Liebknecht en Rosa Luxemburg door militairen werden vermoord.
In 1921 nam hij bovendien deel aan de gevechten tegen Poolse opstandelingen in Opper-Silezië.
Na een rechtenstudie rolde von Oertzen de journalistiek in.
Hij begon zijn carrière bij de Lippische Tageszeitung en stapte eind 1924 over naar de redactie van de Vossische Zeitung, waar hij de militaire zaken, de ontwikkelingen in Oost-Europa en de Volkenbond behandelde.
Tijdens deze periode raakte hij bevriend met de journalist Hans Zehrer, die hem introduceerde bij het invloedrijke, nationaal-conservatieve tijdschrift Die Tat.
In dit blad publiceerde hij veel over de positie van het Duitse leger binnen de staat.
Door zijn uitstekende contacten fungeerde hij begin jaren dertig als een belangrijke schakel tussen de legertop en de journalisten van de zogeheten Tat-kring.
Van medio 1932 tot de zomer van 1933 was hij tevens hoofdredacteur van de Tägliche Rundschau.
In zijn journalistieke werk toonde von Oertzen zich zeer kritisch en sceptisch over de Volkenbond.
Als overtuigd nationalist beschouwde hij deze internationale organisatie vooral als een instrument van Frankrijk en Groot-Brittannië om de machtsverhoudingen van het onrechtvaardige Verdrag van Versailles in stand te houden.
Hij zag de Volkenbond niet als een neutrale vredesstichter, maar als een instituut dat was ontworpen om Duitsland militair en politiek zwak te houden.
Hij uitte scherpe kritiek op de hypocrisie van de ontwapeningsonderhandelingen in Genève, waarbij de omringende landen eisten dat Duitsland ontwapend bleef, terwijl zijzelf weigerden hun legers te verkleinen.
Daarnaast verweet hij de organisatie dat ze systematisch faalde in het beschermen van de rechten van Duitstalige minderheden in Oost-Europa, een onderwerp dat hem door zijn verleden in Opper-Silezië zeer na aan het hart lag.
Voor hem bood het pacifistische ideaal van de Volkenbond geen enkele werkelijke veiligheid.
In plaats van te vertrouwen op zwakke internationale verdragen, pleitte hij consequent voor een sterke, soevereine Duitse staat en de heropbouw van een krachtig nationaal leger.
Deze visie komt scherp naar voren in zijn artikel uit 1941, getiteld Volkenbond? Gemeenschap der naties!
Wat vandaag onmogelijk is, zal in de toekomst mogelijk zijn.
Dit propagandastuk illustreert perfect hoe von Oertzen zijn eerdere kritiek integreerde in de retoriek van het Derde Rijk.
Hij opent het artikel met de anekdote uit 1932 over een zitting in Genève, waar Duitse klachten over het Litouwse beheer van het Memelgebied werden besproken.
Door het beeld te schetsen van een verveeld gezelschap met een afwezige Franse voorzitter en een slapende Chinese afgevaardigde, zet hij de Volkenbond direct neer als een tandeloze en hypocriete instelling.
De bond hinkte volgens hem op twee onverenigbare gedachten: het pacifistische ideaal botste fundamenteel met de wens van de overwinnaars om Duitsland permanent te onderdrukken.
Een zwaarwegend punt in zijn betoog is het absolute gebrek aan uitvoerende macht. Omdat besluiten met algemene stemmen moesten worden aangenomen en een eigen leger van de Volkenbond ontbrak, veranderde Genève volgens von Oertzen in een internationale politieke beurs voor achterkamerdeals en onverantwoordelijke journalistiek.
Zelfs op neutrale gebieden zoals de internationale drugshandel bleven besluiten steken in theorie, omdat soevereine staten weigerden de bijbehorende verdragen te ratificeren.
Na de vlucht van het secretariaat van de Volkenbond naar de Verenigde Staten in 1939 verklaart hij de organisatie in zijn artikel definitief dood.
Hij gebruikt deze reële, historisch breed gedeelde kritiek vervolgens handig om de weg vrij te maken voor de zogeheten nieuwe Europese orde.
Hij pleit voor een verenigd Europa, bevrijd van Britse invloed en het falende democratische individualisme, onder de strikte militaire leiding en bescherming van de Asmogendheden.
Op deze manier presenteerde hij de militaire overheersing door nazi-Duitsland listig als de enige logische en werkbare oplossing om de stabiliteit af te dwingen die de Volkenbond nooit kon waarmaken.
Wat in dit artikel wordt afgeschilderd als een krachtige, nieuwe gemeenschap van Europese naties, was in de realiteit de dictatuur van de Nieuwe Orde.
Het stuk probeert de brute militaire overmacht van nazi-Duitsland en zijn bondgenoten te verkopen als de broodnodige tanden die de besluiteloze Volkenbond miste.
Dit is een klassieke manipulatietechniek: het volledig afbreken van een haperend democratisch systeem om een totalitair en gewelddadig alternatief als de logische en organische redding te presenteren.
Vandaag, in 2026, lezen we dit soort artikelen met de volledige kennis van de gruwelijke uitkomst van die beloofde orde.
Wanneer oude tijdschriften en publicaties worden bestudeerd om het verleden tot leven te brengen, vormen dit soort documenten een fascinerende, zij het donkere, spiegel van hun tijd.
Ze laten heel tastbaar zien hoe gedrukte media structureel werden geïnstrumentaliseerd om de publieke opinie te kneden.
Hoewel de kritiek op de onmacht van internationale organisaties soms verrassend actueel kan aanvoelen wanneer we naar hedendaagse conflicten kijken, dient de propagandistische en biografische context van Signal als een permanente waarschuwing.
Het toont hoe de roep om snelle oplossingen en sterke leiders in tijden van internationale crisis in absolute duisternis kan ontsporen.
Toen de Gentenaars in 1452 ten strijde trokken tegen hertog Filips de Goede, zetten ze volgens de legende een indrukwekkend kanon in bij het beleg van Oudenaarde.
De Gentenaars verloren de strijd echter, waardoor het monster van Gent als zegeteken in Oudenaarde achterbleef.
Pas op 25 februari 1578 wist kapitein Rockelfing het wapen te heroveren.
Op 8 maart van dat jaar kwam de Dulle Griete, ook wel de Rode Duivel genoemd, aan bij het Cuupgat bij de Minderbroeders.
Hoewel er vermoedelijk plannen waren om het kanon te slopen, besloten de Gentse schepenen anders.
Op 15 april werd het per boot naar het einde van de Langemunte gebracht om op rollen te worden geplaatst bij Wannekens aard, een plek die vernoemd was naar de nabijgelegen brouwerij Wannekin.
Vanaf 1812 kreeg deze locatie de officiële naam Bij ’t Groot Kanon.
De afwezigheid van dergelijke zware wapens in de stad had een historische reden.
Na de Gentse Opstand tussen 1537 en 1540 voerde keizer Karel V een strikt verbod op vuurwapens in en liet hij de stadswallen slopen om toekomstige rebellie te voorkomen.
Tijdens het calvinistische bewind aan het eind van de zestiende eeuw werd dit gebrek aan defensie pijnlijk duidelijk, wat de herovering van het kanon extra betekenis gaf.
De naam Dulle Griet kent verschillende verklaringen.
Een bekende theorie verwijst naar gravin Margaretha van Constantinopel, die vanwege haar felle karakter door het volk de booze of dulle Griet werd genoemd.
Een andere verklaring legt de link met het schilderij van Pieter Bruegel de Oude, waarop een toornige vrouw te zien is die zo dapper is dat zij zelfs voor de poorten van de hel durft te roven.
Zij personifieert daarmee kwaad, oorlog en vernieling. In de loop der tijd veranderde de symboliek echter van een teken van verwoesting naar een icoon van vergane glorie en nationale trots.
Margaretha van Constantinopel, vaak aangeduid als Zwarte of Dulle Griet, leidde een roerig bewind dat werd gekenmerkt door de bittere strijd tussen haar kinderen uit twee huwelijken.
Uit haar eerste verbintenis met Bouchard van Avesnes kwamen Jan en Boudewijn voort, terwijl haar tweede huwelijk met Willem van Dampierre de zonen Willem en Gwijde voortbracht.
Deze familievete leidde uiteindelijk tot de splitsing van Vlaanderen en Henegouwen, waarbij de nazaten van Avesnes Henegouwen behielden en de Dampierres Vlaanderen kregen.
Hoewel Willem van Dampierre vanaf het Verdrag van Parijs in 1246 de titel van graaf droeg, bleef hij tot zijn dood in 1251 onder het gezag van zijn moeder.
Margaretha bleef immers tot aan haar eigen overlijden in 1279 de feitelijke heerser over het verenigde rijk.
Pas na haar troonsafstand werd haar zoon Gwijde van Dampierre de onbetwiste alleenheerser over Vlaanderen.
Op enkele schouwen en ventilatieschachten na verraadt niets de aanwezigheid van dit ondergrondse complex, waarvan de ingang verborgen zit in een onopvallend chalet van de groendienst.
De naam van het park verwijst naar de citadel die hier begin negentiende eeuw onder het toenmalige Nederlandse bewind werd opgetrokken.
Dit fort diende als onderdeel van de grensverdediging van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
De locatie was niet toevallig gekozen: het verheven terrein ten zuiden van Gent, ingeklemd tussen de Schelde en de Leie, bood een uitstekend en vrij zicht op de wijde omgeving.
Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 verloor het fort zijn strategische functie en deed het nog een tijdlang dienst als kazerne, tot het tegen 1913 vrijwel volledig werd gesloopt.
Enkel een poortgebouw en enkele kazematten bleven bewaard.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, in 1938, kregen alle Belgische provinciehoofdsteden de opdracht om een ondergrondse commandopost in te richten.
Gent koos voor de voormalige citadelterreinen en integreerde een van de oude, overgebleven kazematten in het nieuwe bouwwerk.
De werkzaamheden startten in 1939 en het robuuste complex, uitgerust met betonnen muren van 1,30 meter dik en een plafond van maar liefst 3 meter dik, werd een jaar later al in gebruik genomen.
De hoofdingang werd extra beveiligd door een volledig sas-systeem dat uit drie opeenvolgende deuren bestaat.
De eerste is een loodzware, gepantserde deur die opgebouwd is uit twee delen, vergelijkbaar met een paardendeur.
Dit ingenieuze ontwerp hield rekening met mogelijke bombardementen: mocht er na een inslag puin de onderste helft van de deur blokkeren, dan kon het bovenste deel nog steeds geopend worden.
Vanwege het gigantische gewicht was het onmogelijk om deze deur in haar geheel in de structuur te plaatsen.
Daarom werden de buitenplaten, die voor eventuele aanvallers bereikbaar waren, onlosmakelijk bevestigd met klinknagels.
Aan de binnenzijde werden de platen en tussenprofielen met bouten dwars door de structuur heen gemonteerd.
Hierdoor kon men de deur in kleinere, handzamere stukken naar binnen brengen en ter plekke in de bunker monteren.
Als men de moeren aan de binnenzijde losmaakte, kon de deur weliswaar gedemonteerd worden, maar voor een aanvaller aan de buitenkant bleef het een volledig gesloten, ondoordringbaar oppervlak vol klinknagels dat onmogelijk met een moersleutel te forceren was.
Omdat deze eerste zware deur niet gasdicht was, werd de toegang verder afgesloten door een dubbel beveiligd toegangssas, bestaande uit twee zwaar gepantserde deuren die elk voorzien waren van een zespuntsslot.
Bij het sluiten verankerden deze deuren zich met één haak naar boven, één naar beneden en twee aan elke zijkant.
De zijhaken grepen bovendien direct vast in de scharnieren, waardoor de deur zelfs zonder de overige vier haken muurvast geklemd zat.
Dergelijke deursystemen zijn tegenwoordig uiterst zeldzaam. Internationale experts reizen dan ook speciaal af om ze te bestuderen, aangezien ze nagenoeg uniek zijn, zeker in zo’n intacte staat.
Toen de Duitse troepen in mei 1940 België binnenvielen, namen ze de gloednieuwe commandopost al snel in beslag.
Hun eerste grote ingreep bestond uit het aanleggen van sanitair, een belangrijk detail dat de Belgen bij de bouw domweg vergeten waren.
Aan het einde van de oorlog, in augustus 1944, staken de vluchtende Duitsers de bunker in brand.
Pas drie jaar later werd de commandopost grondig gerenoveerd en in gebruik genomen door de Civiele Bescherming.
In diezelfde periode werd het complex uitgebreid en ondergronds verbonden met een andere oude kazemat van de historische citadel.
Met het einde van de Koude Oorlog verloor de bunker definitief zijn nut.
De Civiele Bescherming ontruimde het bouwwerk in 1993 en droeg het over aan de Stad Gent.
Sindsdien is het erg stil geworden rond de commandopost.
In 2001 kreeg de bunker nog even een tijdelijke invulling als tentoonstellingsruimte voor het SMAK, en in 2011 konden bezoekers tijdens Open Monumentendag een allerlaatste keer een kijkje nemen.
Vandaag de dag gebruikt de groendienst nog steeds het chalet bovengronds, maar diep onder de aarde blijft de bunker gehuld in stilte (Wikipedia, Alexander Dumarey, bunkergordel en diverse andere bronnen)
Veronica zag in RNI een geduchte concurrent en had de eigenaren Meister en Bollier eerder al een aanzienlijk bedrag geboden om te stoppen met hun uitzendingen, vooral met de Nederlandstalige programmering.
Toen dat niet hielp, escaleerde het conflict.
Op zaterdag 15 mei 1971 ontplofte er een brandbom aan boord van het zendschip de Mebo II.
Hoewel het de bedoeling was om de olieleiding in de machinekamer te raken, werd de waterleiding getroffen.
Gisteren nog vandaag
Er ontstond een felle brand op het achterschip. Dj Alan West was op dat moment live in de lucht met een Engelstalig programma en draaide net de plaat Melting Pot van Blue Mink toen de explosie hem opschrikte.
Terwijl hij poolshoogte ging nemen, zag hij nog net een kleine motorboot wegvaren.
In paniek keerde hij terug naar de studio om een dringende noodoproep uit te zenden, waarbij hij herhaaldelijk Mayday en SOS riep. Later herhaalde de Nederlandse kapitein deze roep om hulp.
Dankzij de snelle inzet van blusboten was de brand vlot onder controle.
Hoewel het station tijdelijk uit de lucht ging, vielen er gelukkig geen gewonden.
Gisteren nog vandaag
De schade bleef relatief beperkt tot een afgebrand achterdek en het bovenste deel van de kombuis, waardoor de zender de volgende dag alweer operationeel was.
Aanvankelijk circuleerden er geruchten in de pers dat de BVD achter de aanslag zat.
Men vermoedde dat de eigenaren banden hadden met de DDR of Libië en de kortegolfzender gebruikten voor spionage.
De waarheid was echter anders: drie opgepakte duikers bekenden dat zij door Radio Veronica waren betaald met een bedrag van 100.000 gulden.
Gisteren nog vandaag
Foto: Tom V.D.L één van de duikers die de aanslag uitvoerde
Het doel was om de Mebo II naar de kust te dwingen, zodat er beslag op het schip gelegd kon worden vanwege een vermeende contractbreuk.
De aanslag pakte voor Veronica volledig verkeerd uit.
Radio Noordzee kreeg massale sympathie van het publiek en de populariteit van het station nam enorm toe.
Tegelijkertijd was dit incident voor de Nederlandse overheid de druppel om definitief wetgeving tegen zeezenders in te voeren.
De betrokkenen, waaronder de duikers, aandeelhouder Norbert Jürgens en Bull Verweij van de directie van Veronica, werden uiteindelijk veroordeeld tot gevangenisstraffen
De legertop trof destijds vergaande voorbereidingen voor een militaire operatie, een plan waar ook minister van Oorlog Alting von Geusau volledig van op de hoogte was.
De aanleiding voor deze agressieve houding lag in de enorme spanningen tussen de buurlanden na de Grote Oorlog.
België wilde de eigen grenzen beter kunnen verdedigen en claimde daarom Zeeuws-Vlaanderen, om de controle over de Schelde te verkrijgen, en delen van Limburg voor een betere bewaking van de Duitse grens.
Zowel de Nederlandse legerleiding als de minister hielden serieus rekening met een Belgische annexatie.
Om de zuiderburen voor te zijn en te voorkomen dat de geallieerden de Belgische eisen zouden steunen in het Verdrag van Versailles, broedde de legertop op een preventieve bliksemactie.
Volgens Bijkerk, die zich baseert op correspondentie uit geheime defensiearchieven, wilde de militaire top drie van de vier Nederlandse legerdivisies in Noord-Brabant samentrekken.
Van daaruit moest een aanval worden ingezet op het Belgische hart, met Antwerpen en Brussel als hoofddoelen.
Een cruciaal bewijsstuk is een memorandum van 16 september 1919 van generaal Burger aan de waarnemend opperbevelhebber, generaal Pop.
Burger stelde hierin onomwonden dat het leger niet gedemobiliseerd mocht worden, maar de volle aandacht op het zuiden moest richten om België met maximale kracht en snelheid een slag toe te brengen.
Pop reageerde enkele dagen later instemmend op dit aanvalsplan.
Uit aantekeningen in de kantlijn van deze documenten blijkt dat diverse defensieafdelingen nauw betrokken waren bij de invasieplannen.
Er lagen zelfs al gedetailleerde schema’s klaar voor de inzet van de cavalerie en wielrijders; alleen de exacte marsroutes moesten nog worden ingevuld.
Dat minister Alting von Geusau de plannen steunde, bleek onder meer uit zijn strijdbare taal in de Tweede Kamer, waar hij verklaarde dat Nederland zich niet als een schaap van de vacht zou laten ontdoen.
Ondertussen probeerde de Belgische politicus Hymans de geallieerde grootmachten te overtuigen van de Belgische eisen.
Aanvankelijk leek hij succes te boeken toen er een commissie werd opgericht om de grensherzieningen te onderzoeken.
De diplomatieke strijd tussen België en Nederland ontaardde echter in een bittere ruzie, waarna de grote mogendheden in juni 1919 ingrepen.
Er kwam een nieuwe commissie die de oude verdragen mocht herzien, maar met één harde voorwaarde: van gebiedsuitbreiding kon geen sprake meer zijn.
Hoewel België op diplomatiek vlak verloor, bleven de spanningen aanhouden.
De Belgen probeerden alsnog invloed te krijgen op de militaire verdediging van de Maas en de Schelde en droomden zelfs van een volksraadpleging in de betwiste gebieden.
Uiteindelijk kwam het nooit tot een gewapende confrontatie, vooral omdat Engeland en Frankrijk zich openlijk tegen de Belgische territoriale claims keerden.
België moest uiteindelijk genoegen nemen met Eupen-Malmedy en een protectoraat in Afrika, terwijl de Nederlandse aanvalsplannen definitief in de archiefkast verdwenen (Diverse bronnen, Trouw, persconferentie 14 april 1996)
Deze vrouw, voluit Irma Elisa Swertwaeger, kwam op 9 februari 1904 ter wereld in het West-Vlaamse polderdorp Schore.
Over haar vroege jaren is weinig bekend, maar op twintigjarige leeftijd trouwde ze met Henri Laplasse.
Het echtpaar vestigde zich op een boerderij in Oostduinkerke en kreeg twee kinderen.
Vanaf het begin van de jaren dertig raakte Henri Laplasse in de ban van het nationaalsocialisme.
Hij sloot zich aan bij het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en trad in 1941 zelfs toe tot de Vlaamse Wacht, een paramilitaire organisatie die openlijk met de Duitse bezetter samenwerkte.
Hoewel Irma zelf geen politieke ambities had, werd haar hele gezin door de dorpsgemeenschap met de nek aangekeken
Dat werd alleen maar erger toen zoon Frederik bij de Vlaamse Fabriekswacht ging en dochter Angèle een leidende rol op zich nam binnen de Dietsche Meisjesscharen.
De situatie escaleerde in september 1944, toen de bevrijding nabij was.
Terwijl Canadese troepen Diksmuide innamen en het Duitse garnizoen zich terugtrok richting Groenendijk, begon het lokale verzet met het arresteren van collaborateurs.
Ook Frederik Laplasse werd opgepakt en samen met enkele Duitse soldaten opgesloten in de gemeenteschool van Oostduinkerke.
Irma vreesde voor het leven van haar zoon en deed een wanhopig beroep op de Duitse commandant in Groenendijk om de gevangenen te bevrijden.
De daaropvolgende Duitse inval bij de school liep uit op een bloedbad: drie verzetsleden sneuvelden in het vuurgevecht en vier anderen werden direct na hun gevangenname geëxecuteerd.
Kort na deze tragische gebeurtenissen werd Irma Laplasse gearresteerd op beschuldiging van verraad.
Tijdens het proces voor de militaire rechtbank eiste krijgsauditeur Jean Vossen de zwaarste straf.
De rechtbank volgde die eis en op 21 december 1944 werd ze ter dood veroordeeld.
Ondanks een verzoek om gratie en een procedure in beroep, werd ze op 30 mei 1945 geëxecuteerd in de gevangenis van Brugge.
Haar terechtstelling bleef decennialang een bron van bittere discussie, vooral in Vlaamsgezinde kringen, waar men de zaak zag als een symbool van de harde naoorlogse repressie.
Historici zoals de jezuïet Karel van Isacker uitten grote twijfels over de rechtmatigheid van het proces.
Deze aanhoudende druk leidde er uiteindelijk toe dat minister van Justitie Melchior Wathelet in de jaren negentig toestemming gaf voor een herziening.
Op 30 mei 1995, exact vijftig jaar na haar dood, werd het oorspronkelijke vonnis door het Krijgshof in Brussel vernietigd.
Er volgde een nieuw proces, maar de uitkomst bleef nagenoeg gelijk.
Op 14 februari 1996 werd Irma Laplasse opnieuw schuldig bevonden aan de feiten.
Haar straf werd postuum omgezet van de doodstraf naar levenslange hechtenis en een blijvende ontzetting uit haar burgerrechten.
Toen een laatste beroep twee jaar later werd afgewezen, kwam er definitief een einde aan deze slepende juridische geschiedenis.
Frederik Laplasse, de zoon om wie het destijds allemaal begon, overleefde de woelige oorlogsjaren en de daaropvolgende repressie.
Hij overleed in 2013 op 88-jarige leeftijd in zijn vertrouwde Oostduinkerke.
Na zijn studies aan de normaalschool in Lier begon Fritz Francken in 1913 als onderwijzer.
Zijn loopbaan werd echter al snel onderbroken door de Eerste Wereldoorlog. Aan het IJzerfront klom hij als soldaat op in de rangen van korporaal en sergeant tot adjudant.
Tijdens de oorlogsjaren was Francken tegelijkertijd zeer actief in het literaire leven achter de frontlinie.
Hij was een regelmatige bezoeker van ‘Swiss Cottage’, de kunstenaarsvilla van Marie-Elisabeth Belpaire, en werd redactielid van haar tijdschrift Dietsche Warande en Belfort.
Uit zijn briefwisseling met Belpaire blijkt hun gedeelde, strenge veroordeling van de collaboratie met de Duitsers.
Hoewel Francken een voorstander was van Vlaams zelfbestuur, wees hij samenwerking met de bezetter resoluut af als middel om dat doel te bereiken.
Dit standpunt verwoordde hij scherp in een brief aan Lode Baekelmans in 1919: ‘In princiep keuren we de meeste veranderingen door de activisten tijdens de oorlog uitgevoerd goed.
Maar wat we veroordelen: ze hadden de bescherming van de vijand niet mogen inroepen om hun programma op te dringen.’ Ondanks deze duidelijke afwijzing van het activisme, groeide na de oorlog zijn sympathie voor Vlaams zelfbestuur.
Francken engageerde zich voor het Vlaams-nationalistische tijdschrift De Schelde en het radicaal flamingantische uitgeversfonds De Regenboog.
Deze geleidelijke radicalisering kwam hem in liberale kringen op het verwijt te staan een ‘politieke springer’ te zijn.
Zijn bekendste literaire werk ontstond aan het front. Net voor de oorlog was hij gedebuteerd met de dichtbundel ‘Festijnen uit een Bruidsgetij’.
In 1918 verscheen zijn tweede bundel, ‘Het heilige schrijn’, gevolgd door ‘De vijf glorierijke wonden’ en ‘De blijde kruisvaart’ in 1919.
Kenmerkend voor zijn frontgedichten is de opvallend lichte en opgewekte toon die door de sombere oorlogsthematiek heen schemert.
Na de oorlog verschoof zijn focus van poëzie naar het korte verhaal, al bleef de oorlog een belangrijk thema in werken als ‘De Antwerpsche volksjongen op het oorlogspad’ (1937) en de roman ‘De Bonnefoy’s trouwen uit’ (1939).
Zelfs in 1959 blikte hij terug met ‘Met de Ransel op de Rug’, een verzameling gedichten uit de loopgraven.
Na de demobilisatie keerde Francken niet terug naar het onderwijs. Hij vond werk in de Stedelijke Volksbibliotheek in Antwerpen, schreef een monografie over Pol de Mont en werkte mee aan dagbladen als De Schelde en De Volksgazet.
Onder zijn echte naam, Frederik Edward Clijmans, publiceerde hij diverse gidsen over Antwerpen, wat in 1934 leidde tot zijn aanstelling als hoofd van de Dienst voor propaganda en toerisme.
Fritz Francken overleed op 15 augustus 1969 en werd begraven op de begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen.
Het is een dag om stil te staan bij de talloze slachtoffers. Op deze dag deel ik graag een foto die voor mijn familie een heel persoonlijke betekenis heeft.
Dit is Maurice Stepman. Hij was de broer van Jozef Stepman, de man die later de vader van mijn ‘marraine’ zou worden.
De foto is genomen op 20 juni 1913. De locatie, is het Kamp van Beverlo.
Dit enorme militaire oefenterrein ten oosten van Leopoldsburg was (en is) met 55 km² het grootste van België.
Het lot van Maurice werd bezegeld door deze oorlog.
Hij is namelijk gesneuveld, 10 dagen na het begin van de gevechten tijdens die Grote Oorlog die we vandaag herdenken.
Op 12 oktober 1914 marcheerden Duitse troepen Gent binnen.
De stad werd de hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen besloeg.
Hierdoor kwam Gent onder een direct militair bestuur te staan, wat een bezettingsregime met zich meebracht dat nog harder was dan in de rest van België.
Het leven in de stad veranderde drastisch. Contact met andere delen van het land werd zo goed als onmogelijk gemaakt.
De pers en de post stonden onder strenge censuur en elke vorm van politieke berichtgeving was verboden.
Het dagelijkse leven werd gedomineerd door voortdurende opeisingen door de bezetter.
In het stadscentrum namen de Duitsers steeds meer gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.
De Kouter werd de centrale uitvalsbasis waar onder andere de Kommandantur en de Pass-Zentrale gevestigd waren.
Veel gebouwen kregen een nieuwe, militaire functie: het Gravensteen diende als opslagplaats en herstelplaats voor wapens, in het Groot Vleeshuis werden bier en wijn gestockeerd en Het Pand werd een groentendepot.
Soldaten konden revalideren in hotels, scholen en het Casino aan de Coupure, terwijl het Belfort dienstdeed als uitkijkpost voor piloten.
Het omvangrijke wagenpark van het leger vond onderdak in loodsen in de haven.
Met ongeveer 12.000 militairen was de Duitse aanwezigheid overweldigend en zeer zichtbaar in het straatbeeld.
Duitse vlaggen wapperden aan de gevels, Duitse bewegwijzering hing aan muren en bomen, en cafés kregen Duitse namen.
Het station Gent Sint-Pieters groeide uit tot het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.
De controle over de bevolking werd aangescherpt door de invoering van de identiteitskaart met foto.
Aanvankelijk was dit document enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, maar vanaf 1916 werd iedere inwoner verplicht er een te bezitten en bij zich te dragen.
Vier jaar lang was de bewegingsvrijheid van de Belgen beperkt tot hun eigen gemeentegrens, tenzij ze de nodige papieren konden voorleggen.
De productie van al deze identiteitskaarten stelde fotografen voor een praktisch probleem.
Door een tekort aan fotopapier namen ze vaak hun toevlucht tot een creatieve oplossing: ze maakten een groepsfoto en sneden vervolgens de individuele gezichten uit om op de identiteitskaarten te kleven.
Het grootste probleem vanaf het begin van de oorlog was echter de voedselbevoorrading.
De binnenlandse productie was ontoereikend, de Britse maritieme blokkade verhinderde de invoer van levensmiddelen en de talrijke Duitse opeisingen maakten de situatie nog nijpender.
De Stad Gent reageerde snel en richtte al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op dat gratis soep en brood uitdeelde.
Tegen het najaar werd de voedselsituatie echter kritiek.
Op 23 oktober 1914 werd in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht dat de spil zou worden van de nationale hulpverlening.
Voedsel werd in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.
De distributie in België zelf werd door het Nationaal Comité georganiseerd via een netwerk van provinciale en lokale comités.
Het voedsel werd gerantsoeneerd en verkocht in speciale ‘Amerikaanse’ winkels.
In 1916 waren meer dan 60.000 Gentenaars afhankelijk van deze voedselhulp.
Naarmate de oorlog vorderde, nam het Comité steeds meer taken op zich, zoals het organiseren van soepkeukens, melk- en schoolmaaltijden, het uitdelen van kleding, werklozensteun en het versturen van pakjes naar krijgsgevangenen.
Naast dit nationale initiatief waren er in Gent nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief.
Deze georganiseerde hulp was echter maar één kant van het verhaal. Schaarste leidde onvermijdelijk ook tot hamsteren, een bloeiende zwarte markt en woekerprijzen.
Nieuwe rijken, die profiteerden van de tekorten, kregen de smalende bijnaam ‘baron Zeep’, een verwijzing naar de bijzonder winstgevende productie van ersatzzeep.
De afkorting ‘RIF’ op deze zeepblokken werd door de bevolking verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘Reines Jüdisches Fett’, wat de gruwelijke misvatting voedde dat er menselijk vet in verwerkt zat.
In werkelijkheid stond de afkorting voor ‘Reichsstelle für industrielle Fette’, het rijksbureau voor de bevoorrading van industrieel vet, en bevatte de zeep geen menselijk vet.
De Belgische atleet Etienne Gailly is de geschiedenis ingegaan met zijn marathondebuut op de Olympische Spelen van Londen.
Op 7 augustus 1948 betrad hij als eerste het Wembley Stadion, op weg naar goud.
In de laatste honderden meters kreeg hij echter een plotselinge inzinking. Hij wankelde over de piste en werd in de laatste meters nog ingehaald door de Argentijn Delfo Cabrera en de Brit Thomas Richards.
Uiteindelijk finishte hij als derde in een tijd van 2:35.34. Gailly kon zich later enkel herinneren dat hij ‘buiten deze wereld’ was en kon nooit een verklaring voor zijn instorting vinden.
Een tweede olympische kans zou hij nooit krijgen, want hij diende als vrijwilliger in de Koreaanse Oorlog, waar in 1952 een mijn een van zijn voeten verminkte, net voor de Spelen in Helsinki.
Op 21 oktober 1971 werd de 48-jarige veteraan in Genval aangereden door een auto en overleed.
Ter ere van Gailly, die luitenant bij de paracommando’s was, organiseert Defensie jaarlijks de ‘Challenge Gailly’ in Eupen, waarvan de recentste editie op 28 mei 2025 plaatsvond.
Samuel De Vriendt, telg van een oud en roemrijk kunstenaarsgeslacht, was de tweede zoon van de grote meester Juliaan De Vriendt en een neef van de bekende kunstschilder Albert De Vriendt.
Zijn grootvader was een vooraanstaande decorateur in Gent, terwijl zijn broer Stefaan als beeldhouwer en decorateur carrière maakte in Amerika.
Zijn moeder, een telg van een Brusselse bankiersfamilie, was diep geïnteresseerd in kunst en letteren.
De aristocratische uitstraling van zijn moeder en de diepe artistieke gevoeligheid van zijn vader kwamen samen in Samuel.
Zijn werken weerspiegelen zijn diepe christelijke overtuiging.
In september 1920 organiseerde hij samen met Frans Daels de eerste IJzerbedevaart naar het graf van zijn vriend Joe English in Steenkerke.
Gisteren nog vandaag
Hij was voorzitter van het Comité voor de Bedevaarten naar de Graven van de IJzer totdat Daels hem opvolgde.
Later werd De Vriendt voorzitter van de Vlaamse Oudstrijders (VOS).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1941 schepen van Schone Kunsten en later burgemeester ad interim van de stad Brugge.
Het is grotendeels aan zijn onderhandelingen met de Duitse bevelvoerende officier in september 1944 te danken dat Brugge zonder verwoestende gevechten werd ontruimd en de kunstschatten van de stad ongeschonden bleven.
Gisteren nog vandaag
Hoewel hij ook mensen hielp onderduiken voor de bezetter, werd hij na de bevrijding veroordeeld tot twee jaar cel wegens collaboratie.
Rond 1950 vestigde De Vriendt zich opnieuw in het ouderlijk huis in Schaarbeek.
Hij legde zich daar vooral toe op gekleurde tekeningen van typische Brusselse straathoekjes en kerkinterieurs.
Gisteren nog vandaag
Daarnaast schreef hij diverse artikelen, voornamelijk over zijn herinneringen aan de oorlog van 1914-1918, voor het tijdschrift ‘De Vlaamsche Oudstrijder’.
Vijf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, in 1950, zaten er nog steeds 300.000 mensen vast in Duitse vluchtelingenkampen.
.
Dit waren de laatste van de miljoenen ‘Displaced Persons’ (DP’s), een term van de geallieerden voor burgers die door de oorlog ontheemd waren geraakt.
Direct na de bevrijding in 1945 was een immense repatriëring op gang gekomen. Burgers uit West-Europese landen waren relatief snel weer thuis.
Maar voor de miljoenen ontheemden uit Oost-Europa lag de situatie veel gecompliceerder.
Hun terugkeer werd een politiek schaakspel.
De Sovjet-Unie controleerde de doorgangsroutes en vertraagde het proces.
Tegelijkertijd wilden velen niet terug naar hun vaderland, dat nu achter het IJzeren Gordijn lag.
Ze vreesden de nieuwe communistische regimes.
Voor Sovjet-burgers was die angst existentieel: wie terugkeerde, liep het risico om als collaborateur te worden vervolgd en zelfs geëxecuteerd door het Stalin-regime.
Zo bleef een grote groep ontheemden achter in de kampen, bestempeld als ‘niet-repatrieerbaar’.
Pas in 1951 werd de officiële internationale hulp stopgezet en werd de zorg voor de laatste tienduizenden overgedragen aan Duitsland, als een laatste, stille getuige van de chaos die de oorlog had achtergelaten.