Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Aretha Franklin zag op 25 maart 1942 het levenslicht in Memphis als dochter van een baptistenpredikant.
Ze groeide op in Detroit, waar haar muzikale talent al op zeer jonge leeftijd tot bloei kwam in het kerkkoor van haar vaders New Bethel Baptist Church.
Haar jeugd werd echter gekenmerkt door een snelle opeenvolging van ingrijpende gebeurtenissen.
Op veertienjarige leeftijd werd ze al voor het eerst moeder van een zoon, Clarence, vernoemd naar zijn vader.
Slechts een jaar later schonk ze het leven aan haar tweede zoon, Edward, van een andere vader.
Omdat Franklin haar zangcarrière verder moest uitbouwen, nam haar grootmoeder de dagelijkse zorg voor de twee jongens op zich.
Met de volle steun van haar vader verhuisde ze in 1960 naar New York.
Een demoband belandde op het bureau van John Hammond, de vermaarde ontdekker van Billie Holiday, die haar meteen een platencontract bezorgde bij Columbia Records.
Nog datzelfde jaar verscheen haar debuutsingle ‘Today I Sing the Blues’, een jaar later gevolgd door het album ‘Aretha’.
In de vroege jaren zestig boekte ze bescheiden successen met nummers zoals ‘Rock-a-bye Your Baby with a Dixie Melody’ en ‘Operation Heartbreak’.
Hoewel de grote hitstream toen nog uitbleef, doopte een radiodj in Chicago haar in die periode al om tot ‘The New Queen of Soul’.
Op persoonlijk vlak koos ze in 1961 voor een huwelijk met Ted White, wat tegen de wil van haar vader in ging.
White nam de rol van manager over van haar vader, en in 1964 verwelkomden ze hun zoon Ted Junior.
Achter de schermen ging het er stormachtig aan toe; volgens intimi werd Franklin door haar echtgenoot fysiek mishandeld.
In 1966 dwong White haar om Columbia Records te verlaten en te tekenen bij Atlantic Records.
Deze overstap luidde haar definitieve doorbraak in.
In april 1967 bracht ze bij haar nieuwe label de single ‘Respect’ uit, een bewerking van een nummer van Otis Redding.
Het album groeide niet alleen uit tot een gigantische hit, maar ook tot het officieuze volkslied van de Civil Rights Movement.
Franklin werd de stem van zwart Amerika genoemd.
Hoewel ze zelden meeliep in protestmarsen, gebruikte ze haar bekendheid om grote menigten te trekken, geholpen door de hechte vriendschap tussen haar vader en Martin Luther King.
In 1968 verzilverde ze twee Grammy Awards voor ‘Respect’ en veroverde ze de hitlijsten met de feministische klassieker ‘Think’.
Ze schreef geschiedenis door als tweede zwarte beroemdheid ooit, na Martin Luther King, de cover van Time Magazine te sieren.
Privé bleef het echter roerig.
Haar huwelijk met Ted White liep definitief op de klippen, wat eind 1968 leidde tot een scheiding.
Daarna kreeg ze een knipperlichtrelatie met haar roadmanager Ken Cunningham.
Uit deze relatie werd hun zoon Kecalf geboren, een naam gevormd door de initialen van beide ouders.
Vanaf 1976 raakte haar carrière tijdelijk in een slop.
Voor het eerst in acht jaar greep ze naast de Grammy’s, haar verkoopcijfers bij Atlantic Records zakten in en het album ‘Sweet Passion’ werd een commerciële en artistieke tegenvaller.
Na twaalf jaar beëindigde ze haar samenwerking met Atlantic en stapte ze over naar Arista Records.
Haar grote terugkeer kwam er in 1980 dankzij een geslaagde cover van ‘What a Fool Believes’ van The Doobie Brothers, kort daarna gevolgd door een iconische rol in de filmklassieker ‘The Blues Brothers’.
Toch werd ze opnieuw geconfronteerd met tegenslagen.
Het overlijden van haar vader en een traumatisch vliegtuigongeval, dat resulteerde in een hardnekkige vliegangst en agorafobie, (mensen met agorafobie ervaren intense angst of paniek in situaties buiten hun vertrouwde thuisomgeving), dwongen haar om zich tijdelijk uit het openbare leven terug te trekken.
In 1985 maakte ze een sterke comeback met de plaat ‘Who’s Zoomin’ Who?.
Op dat succesvolle album blonk ook haar krachtige samenwerking met Eurythmics uit.
Het feministische duet ‘Sisters Doin’ It for Themselves’, opgenomen met Annie Lennox, groeide uit tot een wereldwijde pop- en R&B-hit die de kracht van beide zangeressen perfect bundelde.
Ook op persoonlijk vlak kreeg ze terug zware klappen te verwerken: haar tweede huwelijk met acteur Glynn Turman strandde officieel in 1984, na een scheiding van tafel en bed in 1982.
Daarnaast verloor ze haar naaste familieleden aan de gevolgen van kanker; haar jongere zus Carolyn overleed in 1988 op 43-jarige leeftijd aan borstkanker, haar broer Cecil, die tevens haar manager was, overleed in 1989 op 49-jarige leeftijd, en haar oudere zus Erma overleed in 2002 op 64-jarige leeftijd aan keelkanker.
Een van de meest opvallende hoogtepunten uit deze periode was haar samenwerking met George Michael.
In januari 1987 brachten ze het ijzersterke duet ‘I Knew You Were Waiting (For Me)’ uit.
Voor George Michael, die net de groep Wham! had verlaten, was het een droom die uitkwam om met zijn idool te zingen.
Het nummer werd een wereldwijd succes en veroverde de eerste plaats in zowel de Amerikaanse Billboard Hot 100 als de Britse hitlijsten.
Het leverde Franklin haar allereerste Britse nummer 1-hit op en de twee mochten er in 1988 zelfs een Grammy Award voor Best R&B Performance by a Duo or Group mee in ontvangst nemen.
Ondanks alle persoonlijke beproevingen bleef de erkenning voor haar muzikale oeuvre gigantisch.
Naast een indrukwekkende reeks Grammy Awards voor beste r&b-zangeres, werd ze geëerd met een Grammy Legend Award (1991) en een Lifetime Achievement Award (1994).
In 1997 schreef ze geschiedenis als de eerste vrouw die werd opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.
Twee jaar later ontving ze de National Medal of Arts, de hoogste artistieke onderscheiding in de Verenigde Staten.
Een absoluut hoogtepunt in haar latere carrière was haar optreden tijdens de inauguratie van president Barack Obama in 2009.
Eind 2010 werd bekend dat er alvleesklierkanker bij haar was vastgesteld.
Na langdurige speculaties in de media liet de zangeres weten dat ze de ziekte had overwonnen en zich weer volledig op haar muziek wilde richten.
Dat onderstreepte ze met het album ‘A Woman Falling Out of Love’ in 2011.
In 2014 volgde ‘Aretha Franklin Sings the Great Diva Classics’, waarop haar krachtige versie van Adeles ‘Rolling in the Deep’ hoge ogen gooide.
In 2017 kondigde ze haar pensioen aan, niet lang na het uitbrengen van het album ‘A Brand New Me’ met The Royal Philharmonic Orchestra.
Een geplande reeks afscheidsconcerten moest ze helaas grotendeels afzeggen vanwege haar broze gezondheid.
Want de kanker stak opnieuw de kop op.
Na een periode waarin ze thuis door haar naasten werd verzorgd, overleed Aretha Franklin op 16 augustus 2018 op 76-jarige leeftijd in haar woning in Detroit, omringd door haar familie en vrienden.
Met haar overlijden kwam er een einde aan het leven van een van de allergrootste en meest invloedrijke stemmen uit de muziekgeschiedenis.
Naast haar indrukwekkende levensloop zijn er heel wat bijzondere weetjes die de unieke persoonlijkheid van de Queen of Soul illustreren.
Zo stond Franklin bekend als een buitengewoon begenadigd pianiste, een talent dat ze zichzelf grotendeels op het gehoor aanleerde zonder formeel noten te leren lezen.
Haar iconische status werd na haar overlijden nogmaals bevestigd toen het prestigieuze tijdschrift Rolling Stone haar uitriep tot de allerbeste zangeres aller tijden.
Ook haar extreme vliegangst zorgde voor opmerkelijke situaties; vanaf de jaren tachtig weigerde ze absoluut om nog in een vliegtuig te stappen, waardoor ze al haar tournees aflegde in een speciaal aangepaste, luxueuze touringcar en optredens buiten Noord-Amerika zo goed als uitgesloten waren.
Haar legendarische optreden op de begrafenis van Martin Luther King in 1968 onderstreepte haar diepe verbondenheid met de burgerrechtenbeweging, terwijl haar muzikale veelzijdigheid op briljante wijze bleek toen ze tijdens de Grammy Awards van 1998 op het allerlaatste moment inviel voor de zieke Luciano Pavarotti en moeiteloos het klassieke operastuk ‘Nessun Dorma’ ten gehore bracht.
Tot slot bezat ze een heel eigenzinnige gewoonte tijdens concerten: vanwege slechte ervaringen in haar beginjaren eiste ze steevast dat ze voor elk optreden contant werd uitbetaald, waarna ze haar goedgevulde handtas gedurende het hele concert op of naast de vleugel liet staan
De meidengroep Bananarama werd in 1980 opgericht door Keren Woodward, Sara Dallin en Siobhan Fahey.
Hun eerste single was de cover Aie-a-mwana, die ze in 1981 uitbrachten.
Dit nummer verscheen oorspronkelijk in 1971 op het album Le Monde Fabuleux Des Yamasuki van het Belgische project Yamasuki’s.
In 1975 werd het in Vlaanderen een hitje voor de groep Black Blood.
Het werd geschreven door Daniel Vangarde, de vader van Thomas Bangalter van Daft Punk, en zijn landgenoot Jean Kluger.
In de studio kregen de dames hulp van Steve Jones en Paul Cook van The Sex Pistols, waarna het nummer een kleine hit werd in Engeland.
De grote doorbraak kwam al vroeg in de jaren tachtig na een succesvolle samenwerking met Terry Hall en zijn groep Fun Boy Three.
Samen namen ze ‘It Ain’t What You Do It’s the Way That You Do It’ op, een swingend jazznummer uit 1939 dat oorspronkelijk werd gezongen door Jimmie Lunceford and His Orchestra.
Het nummer werd een grote hit in Europa en gaf Bananarama de kans om aan hun eerste album te werken.
Dat debuutalbum, getiteld Deep Sea Skiving, bevatte onder meer ‘Really Saying Something’, een cover van een Motown-nummer uit 1964 van The Velvelettes dat ze eveneens samen met de Fun Boy Three zongen.
De derde single van de plaat was ‘Shy Boy’, een nummer dat geschreven en geproduceerd werd door Steve Jolley en Tony Swain, die ook bekend waren van hun werk met Imagination en Alison Moyet.
Bananarama schreef daarnaast zelf nummers voor het album, zoals ‘Young at Heart’, dat ze samen met Robert Hodgens maakten.
Hodgens zou later met zijn band The Bluebells een eigen versie van het nummer uitbrengen en daar eveneens een grote hit mee scoren.
Niet veel later veroverden ze ook internationaal de hitlijsten met aanstekelijke popnummers zoals ‘Cruel Summer’ en ‘Robert De Niro’s Waiting’.
In het midden van de jaren tachtig ging Bananarama een samenwerking aan met het beroemde producerstrio Stock Aitken Waterman, een stap die hun muzikale carrière naar een absolute piek bracht.
Met een vernieuwde, energiekere dancepopsound scoorden ze wereldhit na wereldhit, waaronder hun beroemde cover van Venus, evenals ‘Love in the First Degree’ en ‘I Heard a Rumour’.
Na het grote succes van het album Wow! besloot Siobhan Fahey in 1988 de groep te verlaten om te trouwen met David Stewart van de Eurythmics en een solocarrière te beginnen.
Fahey richtte later het succesvolle Shakespeare’s Sister op.
Ze werd kortstondig vervangen door Jacquie O’Sullivan, geboren als Jacqueline Michelle O’Sullivan, die tot 1991 bij de band bleef.
Vanaf dat moment besloten Sara Dallin en Keren Woodward als duo door te gaan.
In 1996 kregen ze een eervolle vermelding in het Guinness Book of Records als de meest succesvolle vrouwelijke groep ooit en als de meidengroep met de meeste hitnoteringen in de Britse hitparade.
Hoewel de oorspronkelijke driemansformatie in 2017 en 2018 een eenmalige en zeer succesvolle reünietournee deed, is de vaste bezetting een duo gebleven.
Sara Dallin, geboren op 17 december 1961 en inmiddels 64 jaar, en Keren Woodward, geboren op 2 april 1961 en 65 jaar, zijn nog altijd ontzettend actief op de bühne.
Ze treden regelmatig op tijdens festivals, retro-events zoals Rewind Festival en geven eigen optredens in Groot-Brittannië en daarbuiten.
Ook nieuw werk blijft een vast onderdeel van hun plannen.
Na hun succesvolle studioalbums In Stereo uit 2019 en Masquerade uit 2022 brachten ze in het voorjaar van 2024 de verzamelaar Glorious: The Ultimate Collection uit, waarop ook een paar gloednieuwe nummers stonden.
Ze schrijven en nemen in hun eigen tempo nog steeds nieuwe muziek op via hun eigen label, dus nieuw materiaal valt in de toekomst zeker te verwachten.
Dat het duo hun rijke discografie actief blijft vieren, bleek opnieuw toen hun album Now Or Never op 15 mei 2026 in een geremasterde en uitgebreide versie opnieuw werd uitgebracht op de digitale platforms.
Dit album verscheen oorspronkelijk in september 2012 ter gelegenheid van hun dertigjarig bestaan en een Amerikaanse tournee.
De vernieuwde digitale uitgave telt zes nummers, waaronder de titeltrack ‘Now Or Never’, ‘La La Love’, hun cover van Maroon 5 en Christina Aguilera, namelijk ‘Moves Like Jagger’, en een heropgenomen versie van de jarennegentigtrack ‘Movin’ On’, aangevuld met nieuwe mixes van Ian Masterson.
Op 30 juni 2026 brachten Sara Dallin en Keren Woodward opnieuw een speciale release uit, ditmaal rond hun iconische hit Venus.
Deze release bevat de geremasterde originele versie, zeldzame 12-inchmixen, instrumentale tracks en niet eerder digitaal beschikbare dancemixes die destijds in 1986 op de maxi-single verschenen.
Hiermee zetten ze de legendarische track, die ze oorspronkelijk overnamen van Shocking Blue en waarmee ze de eerste plek in de Amerikaanse Billboard Hot 100 veroverden, opnieuw in de schijnwerpers.
Met een carrière die inmiddels meer dan vier decennia overspant, blijven Sara en Keren wereldwijd optreden en nieuwe muziek maken, waarmee hun status als iconen van de popmuziek definitief vaststaat.
In de Nederlandse Top 40 bleef de plaat steken op nummer 32, terwijl deze in de Vlaamse Ultratop 50 de 25e positie behaalde.
In de UK was het echter in maart 1978 een top 3-hit, na ‘I Feel Love’ haar grootste Britse singlesucces, en in Ierland bereikte de single zelfs een tweede plaats.
Hoewel de single in de Verenigde Staten nooit los is uitgebracht, bereikte deze daar wel de eerste plaats in de Billboard Dance Chart, omdat destijds het volledige album als één hitnotering telde.
Afhankelijk van het land waar de 7-inch single werd geperst, stond op de B-kant het nummer ‘Autumn Changes’ of ‘Black Lady’.
Ook bij deze opname zaten Giorgio Moroder en Pete Bellotte achter de knoppen.
Het vaste succesteam componeerde en produceerde de muziek, terwijl Donna Summer zelf de tekst schreef.
Het nummer is de tweede track op haar succesvolle conceptalbum ‘I Remember Yesterday’, waarop Love’s Unkind specifiek teruggreep naar de vrolijke girlgroup-sound en de sfeer van de jaren vijftig, maar dan verpakt in een strak discojasje.
De lp verscheen in de lente van 1977, amper 7 maanden na haar vorige album.
Voor het album ‘I Remember Yesterday’ valt er achter de schermen heel wat te ontdekken over de innovatieve werkwijze van Donna Summer en haar producers.
Het bijbehorende album is een van de meest invloedrijke platen uit het videotijdperk van de disco geworden.
Op een discobeat mijmert ze vooral over haar verleden, waarbij het overkoepelende muzikale concept letterlijk door de tijd reist. Donna Summer combineerde hierop moderne discobeats met muzikale stijlen uit eerdere decennia.
Het retroconcept van het album leverde opvallende momenten op.
Om de sfeer van de vroege decennia perfect te vangen, beperkte het team zich niet tot de instrumenten alleen.
Donna Summer paste haar zangtechniek per nummer aan en imiteerde bewust de zangstijlen en microfoontechnieken uit die specifieke tijdperken.
De nummers op de A-kant en het begin van de B-kant weerspiegelen verschillende decennia uit de muziekgeschiedenis en hebben telkens betrekking op een bepaalde periode.
De titelsong ‘I Remember Yesterday’ eert de jarenveertig-bigband-stijl, waarvoor ze zong met de theatrale dictie van een bigband-zangeres.
Vervolgens kijkt ‘Love’s Unkind’ naar de jaren vijftig.
Voor dit nummer liet ze haar stem veel lichter en jeugdiger klinken om de typische sound te evenaren.
De tekst is een herinnering aan de onschuldige perikelen van een schoolcrush, haar eerste verliefdheid op een klasgenootje en een liefdesdriehoek in de klas.
Het daaropvolgende nummer ‘Back in Love Again’ vertegenwoordigt daarna de jaren zestig met een herkenbare Motown-stijl.
Aan het einde van het album maakt Donna Summer de sprong naar de toekomst met de grensverleggende afsluiter ‘I Feel Love’, die destijds volledig met synthesizers werd gemaakt en de blauwdruk werd voor de moderne dancemuziek.
Dit futuristische slotnummer veranderde de popmuziek voorgoed, maar de opname ervan was een technisch hoogstandje.
Giorgio Moroder wilde een nummer maken dat volledig elektronisch was om de toekomst te symboliseren.
In 1977 was dat een enorme uitdaging, omdat synthesizers destijds snel ontstemden door de warmte in de studio.
De apparatuur moest elk uur opnieuw worden afgesteld om de typerende, strakke baslijn zuiver te houden.
De enige niet-elektronische bijdrage aan de hele track is de kickdrum, die live werd ingespeeld door drummer Keith Forsey, omdat een drumcomputer destijds nog niet krachtig genoeg klonk.
Toen David Bowie het nummer voor het eerst hoorde in een studio in Berlijn, rende hij naar Brian Eno en riep dat dit het geluid van de toekomst was dat de clubmuziek de komende twintig jaar zou gaan beheersen.
Wereldwijd werd het album een commercieel groot succes.
Het bereikte de top 10 in diverse Europese landen, waaronder Nederland, Oostenrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, terwijl de plaat in Italië en Spanje zelfs de eerste plaats wist te veroveren.
Er zijn miljoenen exemplaren van het album over de toonbank gegaan.
Alleen al in de Verenigde Staten was de verkoop goed voor meer dan een miljoen exemplaren, en ook in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk werden honderdduizenden platen verkocht.
Amy vormde op haar tiende al met haar vriendin Juliette het duo Sweet ‘n’ Sour dat vooral door Salt ‘n’ Pepa beïnvloed werd.
Op haar 14de schaft ze zich een gitaar aan en begint ze eigen liedjes te schrijven.
Nadat ze (wegens een neuspiercing) van de Sylvia Young Theatre School werd gegooid, zette Amy haar opleiding voort aan de befaamde BRIT School.
Dankzij de bevriende soulzanger Tyler James komen haar demo’s terecht bij Simon Fuller, de ex-manager van The Spice Girls.
Amy debuteert in 2003 met het album ‘Frank’.
De eerste single ‘Stronger Than Me’ levert haar in 2004 de Ivor Novello Award op. Dat is de prijs voor de beste song en compositie die jaarlijks in Groot-Brittannië wordt uitgereikt.
Datzelfde jaar staat ze op Glastonbury en het Montreal International Jazz Festival.
In tegenstelling tot het eerder jazzy ‘Frank’ kiest ze in 2007 voor de opvolger ‘Back In Black’ voor een combinatie van soul, rhythm ‘n’ blues en de 60s-pop van meidengroepen als The Ronettes en The Shirelles.
Ze huurt de befaamde Sharon Jones en haar Dap-Kings in als backinggroep.
In de lente van 2006 draait DJ/producer Mark Ronson de eerste demo’s in zijn programma op een Amerikaans radiostation.
Amy had een inventieve manier om haar songs te promoten.
Ze stak een cd in de taxi van haar vader Mitch, zodat veel mensen kennismaakten met haar muziek.
Het door Ronson geproduceerde ‘Back In Black’ is een doorslaand succes. Het wordt het best verkochte album van 2007 in Groot-Brittannië.
Op de uitreiking van de Grammy Awards wordt ze de eerste Britse zangeres die 5 Grammy’s wint.
Ze mag de prijs voor o.a. beste popalbum en beste song in ontvangst nemen en ze wordt genomineerd voor beste album.
De plaat levert 5 hitsingles op en gaat wereldwijd meer dan 13 miljoen keer over de toonbank.
Alleen al in de UK worden er 3,5 miljoen stuks van verkocht.
Het was gedurende een tijd de bestverkochte plaat van de 21ste eeuw, totdat ‘21’ van Adele in 2011 deze passeerde.
‘Valerie’, een cover van The Zutons, is in veel landen haar grootste hit.
Het nummer staat op ‘Version’, het tweede studioalbum van Mark Ronson.
In Nederland wordt het een n°1-hit, in Vlaanderen komt ze niet verder dan n°18.
Later wordt de single ook toegevoegd aan de deluxe-editie van de plaat. In de Ultratop 50 is ‘Rehab’ het succesvolst.
Het is bij ons haar enige top 10-hit.
De 3de single ‘Back To Black’ gaat over Amy’s tumultueuze relatie met Blake Fielder-Civil.
En vooral de nasleep van hun breuk nadat hij haar liet zitten voor een ander.
De term “back to black” verwijst naar haar terugval in een depressie en de bijbehorende drank- en drugsverslaving.
De single werd vooral een groot succes in de Duitstalige landen (top 10) en Griekenland, waar het een n°1-hit werd.
Amy kan het succes echter moeilijk plaatsen en verliest zich steeds meer in de drank. In relaties kent ze ook bitter weinig geluk.
Optredens moet ze meer en meer afzeggen of vroegtijdig stopzetten, omdat ze niet in staat is om op een podium te staan.
Ze komt dan ook steeds meer op een negatieve manier in het nieuws.
Plannen voor een nieuw album worden vanwege haar toestand steeds weer uitgesteld.
Totdat het licht definitief uitgaat op 23 juli 2011.
Er worden postuum nog twee singles uitgebracht, ‘Our Day Will Come’, een Amerikaanse n°1 voor Ruby & The Romantics, enkel in IJsland en Japan een hit, en ‘Body & Soul’, haar laatste opname en een duet met Tony Bennett.
Daarna volgt het postume album ‘Lioness: Hidden Treasures’ (n°3 in de Ultratop Album Top 100) met vroegere opnames, geselecteerd door Mark Ronson.
Tony Bennett en Amy Winehouse met hun nummer Body and Soul
Hun paden kruisten elkaar in maart 2011 in de beroemde Abbey Road Studios in Londen voor de opname van de klassieke jazzstandaard Body and Soul.
Dit legendarische nummer heeft zelf ook een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1930.
Het werd gecomponeerd door Johnny Green, met tekst van Edward Heyman, Robert Sour en Frank Eyton.
Oorspronkelijk werd het geschreven in Londen voor actrice Gertrude Lawrence, maar het groeide in de Verenigde Staten al snel uit tot een ware sensatie na de uitvoering door Libby Holman in de Broadway-revue Three’s a Crowd.
Al in de jaren dertig omarmde de jazzwereld het stuk gretig; grote namen als Louis Armstrong en het Benny Goodman Trio maakten er vroege opnames van.
De absolute mijlpaal voor het nummer kwam in 1939 met de legendarische instrumentale uitvoering van saxofonist Coleman Hawkins, die met zijn grensverleggende improvisaties de basis legde voor de moderne jazz en van Body and Soul de ultieme jazzklassieker maakte.
Deze samenwerking in 2011 bleek achteraf een historisch en emotioneel moment te zijn, aangezien het de allerlaatste studio-opname van Winehouse werd voor haar vroegtijdige overlijden in juli van datzelfde jaar.
Tijdens de sessie toonde Bennett zich een geduldige mentor, wat Winehouse hielp om haar zenuwen te overwinnen en een adembenemende prestatie neer te zetten.
De chemie tussen de ervaren veteraan en de jonge vocaliste was voelbaar in elke noot, waarbij hun stemmen naadloos samensmolten in een melancholische vertolking.
Het nummer werd uiteindelijk uitgebracht op het album Duets II van Bennett en won later een Grammy Award.
De opbrengst van de single ging naar de Amy Winehouse Foundation om jongeren te ondersteunen.
Body and Soul blijft hierdoor niet alleen een muzikaal hoogtepunt, maar ook een blijvend monument voor de verbinding tussen twee generaties topmuzikanten.
In 1981 werd de stem van Kim Carnes in Amerika omschreven als een geluid dat tegelijkertijd zoet en schor was, vergelijkbaar met gekarameliseerde suiker.
Ze kon destijds inderdaad zeemzoet overkomen, om dan plots rauw uit te pakken.
Dat was destijds goed te horen op Bette Davis Eyes, haar eerste hit in onze hitlijsten.
Kim Carnes weigerde eerst om het nummer op te nemen, maar gelukkig voor haar en voor ons veranderde ze van mening na het horen van de nieuwe arrangementen die geschreven waren door Bill Cuomo.
Het nummer was destijds geschreven door Jackie DeShannon en Donna Weiss en was oorspronkelijk terug te vinden op het album New Arrangements van Jackie DeShannon uit 1975.
De single kwam op 28 maart 1981 de Billboard Hot 100 binnen en stond vanaf 16 mei 1981 negen weken op de eerste plaats.
In Vlaanderen bereikte de single de vijfde plaats in de hitlijst, terwijl de single in Nederland niet verder kwam dan de zeventiende plaats in de Top 40.
Hiermee bereikte de kleine blonde dame destijds eindelijk wat haar jaren daarvoor al was voorspeld.
Collega-muzikanten en journalisten waren het er toen immers al roerend over eens dat ze in de wieg was gelegd voor de status van superster, en met die felbegeerde eerste plaats in de Amerikaanse hitlijsten had ze dat doel op dat moment ook helemaal waargemaakt.
De eerste grote stap werd ruim een jaar daarvoor gezet met de hit ‘Don’t fall in love with a dreamer’, een duet van Kim met Kenny Rogers.
Dat liedje had ze destijds samen met haar echtgenoot Dave Ellingson geschreven.
Kim kende Kenny Rogers trouwens al lang, aangezien ze ooit samen lid waren van de groep The New Christy Minstrels.
Kenny Rogers was daar toen niet de zanger, maar speelde er gedurende een kleine twee jaar contrabas.
Deze groep had een sterk wisselende bezetting.
Andere bekende oud-leden zijn Barry McGuire, die na zijn vertrek in 1965 een wereldwijde hit scoorde met Eve of Destruction, Jerry Yester, die later bij The Lovin’ Spoonful speelde, Gene Clark, die later deel uitmaakte van The Byrds, en Larry Ramos, die later zanger en lid werd van The Association.
Haar eerste solo-hit in Amerika was geen eigen compositie, maar ‘More Love’ van Smokey Robinson.
Uit dezelfde eerdere elpee Romance Dance kwam destijds ook een eigen versie van ‘Cry like a baby’ van de Box Tops.
Grote namen zoals Barbra Streisand, Anne Murray en Rita Coolidge hadden haar nummers toen al vertolkt.
Barbra Streisand heeft zelfs drie verschillende nummers gezongen die door Kim Carnes zijn geschreven: ‘Love Comes from Unexpected Places’, dat Streisand opnam voor haar succesvolle album ‘Superman’ uit 1977,
‘Stay Away’, dat door Streisand werd gecoverd op haar album ‘Songbird’ uit 1978, en later het nummer ‘Make No Mistake, He’s Mine’, wat een bijzonder geval is, omdat dit nummer in 1984 werd uitgebracht als een duet tussen Barbra Streisand en Kim Carnes en terug te vinden is op Streisands album ‘Emotion’.
Anne Murray coverde ‘You’re a Part of Me’, een nummer dat oorspronkelijk door Kim Carnes werd geschreven en uitgebracht op haar titelloze album uit 1975.
Ook Rita Coolidge coverde datzelfde nummer ‘You’re a Part of Me’.
Daarnaast coverden ook grotere namen zoals Don Williams, Engelbert Humperdinck, Kenny Rogers en Tim McGraw nummers van haar hand.
Zelfs Frank Sinatra had al met haar werk te maken gehad; zij en haar echtgenoot herbewerkten en schreven destijds de tekst voor zijn nummer ‘You Turned My World Around’, een compositie van Bert Kaempfert en Herbert Rehbein die Sinatra in 1974 uitbracht als single en die ook te horen is op zijn album Some Nice Things I’ve Missed.
Kim Carnes heeft in haar carrière naar schatting tussen de 10 en 15 miljoen platen verkocht, waarbij albums en singles zijn meegeteld.
Ze heeft 2 Grammy Awards gewonnen uit haar in totaal 8 persoonlijke nominaties.
Tegenwoordig leidt ze samen met haar man een rustig leven in Nashville. Achter de schermen is ze nog altijd actief als songwriter, en ze brengt af en toe nog nieuw werk of een remix uit.
Zo verscheen haar laatste single “If I Was an Angel” in 2023, en bracht ze dit jaar een nieuwe versie van haar klassieker Bette Davis Eyes uit op Spotify.
Over drie dagen, op 20 juli, viert ze haar verjaardag en mag ze 81 kaarsjes uitblazen
Donny Gerrard, voluit Donald Bradford Gerrard, was een Canadese zanger die vooral bekend werd dankzij zijn indrukwekkende, soulvolle stem, waarmee hij zowel als frontman en als veelgevraagd achtergrondzanger een rijke carrière opbouwde.
Hij werd geboren op 19 maart 1946 in Vancouver en begon al als kind te zingen.
Zijn talent werd in 1961 opgemerkt tijdens een kerkelijk evenement, waarna hij als tiener zijn eerste groep oprichtte: Donny Gerrard and the Checkmates.
Na wat omzwervingen, waaronder een periode als bassist in de Night Train Revue en optredens in Las Vegas-lounges, zette hij zijn eerste grote stappen in de muziekwereld begin jaren zeventig als de leadzanger van de pop- en soulband Skylark.
Deze groep, waar ook de latere topproducer David Foster deel van uitmaakte, scoorde in 1973 een hit met het emotionele nummer Wildflower.
Het was vooral de loepzuivere en krachtige vocale prestatie van Gerrard die dit nummer tot een tijdloze klassieker maakte.
Na het uiteenvallen van Skylark halverwege de jaren zeventig, besloot hij zich te richten op een solocarrière.
In 1976 bracht hij op het platenlabel Greedy Records zijn titelloze debuutalbum Donny Gerrard uit.
De arrangementen voor deze plaat werden geschreven door Robert Louis Buchanan, die tevens de productie onder handen nam en dit samen met Henry Grumpo Marx.
Dit album is een prachtige weerspiegeling van zijn veelzijdigheid als zanger en mengt soepele soul, r&b en subtiele popinvloeden tot een elegant geheel.
Naast het grote succes van de single Words (Are Impossible) stonden er nog meer fantastische nummers op de tracklist die zijn bereik perfect benadrukten.
Luisteraars konden wegdromen bij sfeervolle nummers zoals ‘Peace For Us All’, ‘Stay Awhile With Me’, ‘Darlin’ en zijn cover ‘The Long And Winding Road’ van de Beatles, terwijl tracks als ‘Stand Up’ en ‘Greedy (For Your Love)’ juist zorgden voor een fijne, opzwepende energie.
Het geheel liet horen dat Gerrard moeiteloos kon schakelen tussen zwoele ballads en meer dynamische, soulvolle tracks.
De geschiedenis van het bekendste lied van dit album, Words (Are Impossible), begint in 1973 met de Italiaanse zanger Giampiero Anelli, beter bekend als Drupi, die het origineel uitbracht als Vado Via.
Dit werd een aanzienlijk succes in de Lage Landen: het bereikte in Vlaanderen de zeventiende plaats in de BRT Top 30 en werd in Nederland in september 1973 tot Alarmschijf verkozen, waarna het doorstootte naar de zevende plek in de Top 40.
Een jaar later, in 1974, bracht de Amerikaanse soulzangeres Margie Joseph de eerste Engelstalige versie uit, wat haar een hit opleverde in de Amerikaanse r&b-hitlijsten.
Twee jaar later, in 1976, was het de beurt aan Donny Gerrard om er zijn eigen, prachtige draai aan te geven.
Zijn uitvoering gaf zijn expressieve stembanden perfect de ruimte om te schitteren en leverde hem een bescheiden 87e plaats op in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Hoewel zijn debuutalbum destijds door critici en muziekkenners zeer werd geprezen omwille van de vlekkeloze productie van Buchanan en Gerrards warme stemgeluid, bleef een gigantisch commercieel succes helaas uit.
Tegenwoordig wordt het echter door liefhebbers van zeventigerjaren-soul beschouwd als een vergeten pareltje dat absoluut de moeite waard is om te beluisteren.
Voor zijn tweede album, dat de titel The Romantic kreeg, moesten de fans overigens erg veel geduld hebben; dit verscheen namelijk pas in 1999.
Na zijn avontuur als soloartiest bouwde Gerrard een buitengewoon succesvolle carrière op als sessie- en achtergrondzanger.
Zijn stem was in de decennia die volgden te horen op talloze albums en tijdens optredens van absolute grootheden uit de muziekindustrie, waaronder Elton John, Bruce Springsteen, Bob Seger, Cher en Bette Midler.
Daarnaast dook hij in de jaren tachtig nog op bij bijzondere projecten.
Zo nam hij in 1985 met Amy Holland een duet op voor de soundtrack van de bekende film St. Elmo’s Fire en werkte hij in datzelfde jaar met een hele reeks bekende artiesten mee aan ‘Tears Are Not Enough’, een Canadese benefietsingle om geld in te zamelen voor de hongersnood in Ethiopië.
Bij beide projecten werkte hij overigens weer even samen met zijn oude Skylark-bandgenoot David Foster.
In de latere jaren van zijn leven was hij een onmisbare en vaste kracht in de band van gospel- en soullegende Mavis Staples.
Hij toerde wereldwijd met haar en zijn warme bariton vormde een prachtige aanvulling op haar kenmerkende rauwe stem, wat ook goed te horen is op haar succesvolle albums uit die periode.
Hij was tot aan zijn dood getrouwd met zijn vrouw Myra, met wie hij een zoon, Cooper, had.
Uit een eerdere relatie had hij ook nog een ander kind, namelijk Traie Payne.
Donny Gerrard bleef optreden en zingen tot zijn gezondheid het niet meer toeliet.
Hij overleed op 3 februari 2022 op 75-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker, terwijl hij in een hospice verbleef in zijn woonplaats Santa Fe in de Amerikaanse staat New Mexico.
Na het sensationele debuutalbum met de klassieker ‘Sultans of Swing’ was het misschien niet zo vreemd dat de tweede plaat enigszins teleurstelde.
Met Making Movies had Knopfler, de centrale figuur in de band – zich echter ongelooflijk herpakt.
Het geluid bleef herkenbaar als Dire Straits, maar was nu verrijkt met verrassende loopjes, invallen en variaties die men van een muzikant als hij mocht verwachten.
Tijdens de opnames van het derde album Making Movies in New York liepen de spanningen tussen de broers echter hoog op.
Ze konden artistiek en persoonlijk niet meer door één deur.
Na heftige discussies verliet David de band.
Mark nam vervolgens alle gitaarpartijen van David opnieuw op en David werd niet eens vermeld op de hoes van het album.
Sinds het pijnlijke vertrek van David uit Dire Straits in 1980 spreken de twee broers elkaar niet meer.
David heeft in interviews aangegeven dat de situatie een zware schaduw over hun levens en families heeft geworpen.
Hij omschreef het destijds als een situatie waarin ze in de studio met hun ogen naar de vloer gericht liepen en er geen sprake meer van communicatie was.
De diepte van de breuk werd nogmaals pijnlijk duidelijk toen Dire Straits in 2018 werd opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.
Mark Knopfler weigerde simpelweg te komen opdagen, mede om te voorkomen dat hij met zijn broer geconfronteerd zou worden.
David liet daarop via social media weten dat Mark de reünie en de fans had koudgesteld.
Tot vandaag is het conflict nooit bijgelegd; beide broers hebben hun eigen weg gekozen in de muziek en leven volledig langs elkaar heen.
Terwijl David zijn eigen weg zocht, ploegde Mark met zijn band door een loodzware tour.
Hij had, zoals hij zelf zei, “the road kills me” – en toch wilde hij niets anders.
Elke avond speelde hij alsof zijn leven ervan afhing, puur uit respect voor het publiek.
De fans betaalden immers flink voor een ticket, en een rockband die haar publiek serieus neemt, levert elke avond het beste wat ze in huis heeft.
Op de vraag of ‘Sultans of Swing’ niet begon te vervelen, antwoordde hij dat hij niet elke avond stond te popelen om het te spelen, maar dat het publiek het nummer nu eenmaal wilde horen.
Bovendien zag hij het als een uitdaging om zo’n klassieker elke avond opnieuw fris en levendig te laten klinken.
Tijdens een optreden moet een muzikant talloze, soms sterk uiteenlopende emoties uit zijn instrument en zijn lijf toveren.
Mark vertelde dat het nummer hem nog altijd raakte, omdat hij de intentie erachter kende: hij had het geschreven, erop gezweet, erom gehuild en gevloekt.
Die emoties kwamen terug zodra hij de nummers speelde.
Nummers als ‘Expresso Love’ en ‘Solid Rock’ waren pure krachtexplosies en snelheid.
Hij had geleerd dat je aan zulke songs niet te lang moet sleutelen, anders verlies je het momentum.
De langzamere nummers, zoals ‘Tunnel of Love’, kwamen voort uit een dieper deel van zijn wezen.
Daar had hij weken aan gewerkt, stap voor stap, op zoek naar perfectie – al gebruikte hij dat woord met enige aarzeling.
Zo’n energieverslindende tournee leek funest voor de creativiteit, maar volgens Mark viel dat reuze mee.
Ondanks te weinig slaap, constante geestelijke en lichamelijke ontwrichting en elk gevoel voor tijd en plaats kwijt, was hij voortdurend met muziek bezig: de show moest blijven vlammen, en daarnaast broedde hij al op ideeën voor het volgende album.
Die zou pas echt vorm krijgen zodra hij zijn normale ritme weer terug had.
Destijds was hij een voorstander van snel werken: een album in een week of zes opnemen, gevolgd door een week voor de eindmix. Perfect of niet, het was rock-’n-roll en dat moest vaart hebben.
Op de vraag of ‘Making Movies’ zo goed was geworden omdat de pers ‘Communiqué’ zo zwak vond, antwoordde Mark dat dat onbewust misschien een rol had gespeeld.
Hij had echter nooit gedacht dat ‘Communiqué’ het einde van Dire Straits zou betekenen.
Hooguit een kleine impasse, al was hij daar niet eens zeker van.
Men vergeleek alles altijd met zijn allerbeste nummer, wat hij onterecht vond.
Na het eerste album werd hij de hemel in geprezen, na de tweede onder het tapijt geveegd.
Hij geloofde niet dat het kwaliteitsverschil zo groot was.
Het voordeel was wel dat de derde plaat alleen maar kon meevallen – en volgens pers en publiek was dat in juli 1981 overduidelijk het geval.
Van het legendarische Making Movies (1980) gingen naar schatting 5 tot 7 miljoen exemplaren over de toonbank.
In hun thuisland behaalde de plaat dubbelplatina, goed voor meer dan 600.000 verkochte albums.
In de Verenigde Staten werd het album bekroond met de platinastatus (minstens 1 miljoen exemplaren), terwijl het in Italië in 1981 zelfs het bestverkochte album van het jaar was met meer dan 1 miljoen verkochte stuks.
Het succes van Dire Straits is dan ook indrukwekkend: wereldwijd verkocht de band tussen de 100 en 120 miljoen platen.
Hun absolute meesterwerk Brothers in Arms (1985) is met ruim 30 miljoen exemplaren een van de bestverkochte albums aller tijden.
Mark Knopfler zelf, die in 1949 werd geboren in Glasgow en op zijn zevende naar Newcastle verhuisde, heeft als soloartiest naar schatting 10 tot 15 miljoen albums verkocht, waarbij Sailing to Philadelphia (2000) met meer dan 2,5 miljoen stuks zijn commercieel meest succesvolle plaat is.
De inmiddels 76-jarige muzikant is nog altijd actief, al is hij definitief gestopt met live toeren.
Zijn meest recente soloalbum is One Deep River (2024).
Hij woont al tientallen jaren in Londen, nabij zijn eigen British Grove Studios in Chiswick, en bezit daarnaast een landelijk huis in de regio New Forest waar hij zich regelmatig terugtrekt.
Na zijn vertrek uit Dire Straits in 1980 heeft David Knopfler een constante en productieve solocarrière opgebouwd, waarin hij meer dan 15 soloalbums heeft uitgebracht.
Naast het maken van muziek is hij ook actief als dichter en auteur.
Hij treedt daarnaast sporadisch op en werkt nauw samen met zijn vaste producer en muzikant Harry Bogdanovs.
Deze maand, op 4 juli 2026, bracht hij de single Tell Me Something uit, een samenwerking met de Britse singer-songwriter Colin Goodger.
Dire Straits, als van ouds (Veronica, 15 juli 1981)
Voor zover ik weet, was het de eerste keer dat Elton zich waagde aan een Franstalige cover.
Het origineel, ‘J’veux d’la tendresse’, werd geschreven door Jean-Paul Dreau en destijds gezongen door de Franse zangeres Janic Prevost.
Op uitdrukkelijk aandringen van Elton voorzag zijn toenmalige schrijfpartner Gary Osborne de track van een Engelse tekst.
Het resultaat is een aangrijpend nummer dat de scheefgegroeide verhoudingen in het mislukte huwelijk van zijn ouders beschrijft, en de diepe impact die deze situatie op hem had.
Een leuk detail is dat Elton het nummer ook met de originele Franse tekst heeft opgenomen; deze versie werd uitsluitend in Frankrijk op single uitgebracht.
Het was overigens niet de eerste keer dat Elton John in het Frans zong.
Een jaar eerder, in 1980, scoorde hij in Frankrijk al een enorme hit met de Franstalige duetten ‘Les Aveux’ en ‘Donner Pour Donner’, samen met de Franse zangeres France Gall.
Die nummers waren destijds echter speciaal voor hen geschreven door Michel Berger en Bernie Taupin.
The Fox wordt vaak beschouwd als een minder commercieel en daardoor sterk ondergewaardeerd album in zijn repertoire.
Voor mij persoonlijk behoort het echter tot zijn absolute topwerk.
Dat kan ook haast niet anders, zeker met het prachtige eerbetoon aan ons land in de vorm van het nummer ‘Just like Belgium’, voor mij het absolute meesterwerk van de plaat.
Dit vrolijk klinkende popnummer is voorzien van een sterk nostalgische tekst van zijn vaste schrijfpartner Bernie Taupin over maatschappelijke buitenbeentjes die troost bij elkaar zoeken.
De tekst leest tegelijkertijd als een vluchtig, weemoedig reisverslag over de herinneringen aan een jeugdige, ietwat wilde trip naar Brussel. Taupin beschrijft heel specifieke beelden, zoals het rondhangen op de trappen van het museum als zorgeloze avonturiers, het kopen van souvenirs met de laatste paar franken, en de ruwere kant van het nachtleven met goedkope kroegen, straatprostituees en opstootjes in de rosse buurt.
In het nummer wordt die herinnering bovendien gebruikt als een metafoor.
De zanger bevindt zich in een situatie met een vrouw die afstandelijk, chaotisch of berekend overkomt, waardoor hij zingt dat haar gedrag hem precies doet denken aan dat rauwe België van toen.
Het is in de kern een lied over reisherinneringen, vervlogen jeugd en de prijs die je betaalt wanneer je een beetje buiten de lijntjes kleurt.
Wat de opname muzikaal extra interessant maakt, is dat de Franse actrice Colette Bertrand een gesproken stukje toevoegt en Jim Horn een opvallende saxofoonsolo speelt.
Hoewel het buiten de Verenigde Staten destijds als tweede single werd uitgebracht, wist het geen notering in de BRT Top 30 te bemachtigen. Trouwens, ook in Nederland bereikte de single de Top 40 niet.
Een mooi detail in de popgeschiedenis is nog dat het nummer eigenlijk was geschreven met Rod Stewart in gedachten.
Toen hij het echter afwees, besloot Elton John er zelf mee aan de slag te gaan.
Daarnaast staat het album vol met andere pareltjes.
Zo is er Carla/Etude, een schitterend klassiek instrumentaal stuk dat hij componeerde als eerbetoon aan zijn toenmalige vrouw Carla.
Deze compositie vloeit naadloos over in Chloe, een werkelijk heerlijke vocale ballad.
Tot slot is er Elton’s Song, een nummer met een zwaar strijkersarrangement.
Voor dit muzikaal briljante nummer schreef Elton de muziek, terwijl de tekst werd geleverd door de Britse zanger en bekende voorvechter van LGBTQ-rechten Tom Robinson.
Het nummer gaat over een tienerjongen die ontdekt dat hij homoseksueel is en in het geheim worstelt met een diepe verliefdheid op een oudere jongen bij hem op school.
De tekst beschrijft heel puur en kwetsbaar de verwarring, de eenzaamheid en het onbeantwoorde verlangen dat bij zo’n verborgen liefde komt kijken.
Omdat homoseksualiteit, en zeker de ontdekking daarvan door een jongere in een schoolomgeving, in die tijd nog een behoorlijk taboe was, bracht het nummer aanzienlijke controverse met zich mee.
Dit werd nog versterkt door de bijbehorende videoclip, geregisseerd door Russell Mulcahy.
Deze video bracht de verhaallijn van de tekst duidelijk in beeld, wat er destijds voor zorgde dat zenders zoals de BBC weigerden om de clip uit te zenden.
Ondanks deze censuur en het feit dat het geen commerciële hit werd, wordt het nummer vaak geprezen om de eerlijke, emotionele lading en de moedige keuze om dit onderwerp in het begin van de jaren tachtig zo openhartig aan te snijden.
De Fugees vormden een invloedrijke Amerikaanse hiphopgroep die in de vroege jaren negentig werd opgericht in New Jersey.
Het trio bestond uit zangeres en rapper Lauryn Hill, rapper en producer Wyclef Jean en rapper Pras Michel.
De naam van de groep is afgeleid van het woord refugee, wat vluchteling betekent, een verwijzing naar de Haïtiaanse afkomst van Wyclef en Pras.
Hun unieke geluid was een vernieuwende mix van hiphop, soul, r&b en Caraïbische invloeden zoals reggae.
Hun muzikale reis begon met het debuutalbum Blunted on Reality uit 1994.
Hoewel dit album niet onmiddellijk voor een grote internationale doorbraak zorgde, legde het wel de basis voor hun kenmerkende stijl en trok het de aandacht van de underground hiphopscene.
De wereldwijde roem volgde twee jaar later met de release van The Score in 1996.
Dit album was een enorm commercieel en kritisch succes en wordt geprezen als een absoluut meesterwerk uit de jaren negentig. Hitsingles zoals ‘Killing Me Softly’, ‘Ready or Not’ en ‘Fu-Gee-La’ stonden wereldwijd bovenaan de hitlijsten en maakten van de groepsleden wereldsterren.
Hun cover van het nummer ‘Killing Me Softly With His Song’ was zowel in Vlaanderen als in Nederland goed voor de eerste plaats in de BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.
The Score won meerdere Grammy Awards en behoort tot de bestverkochte hiphopalbums aller tijden.
De oorsprong van hun grootste hit, ‘Killing Me Softly’, kent overigens een rijke geschiedenis.
Zangeres Lori Lieberman schreef het gedicht ‘Killing Me Softly With His Blues’ nadat ze een show van Don McLean had bijgewoond.
Tijdens dat optreden kreeg ze het gevoel alsof hij recht in haar ziel zong.
De schrijvers Gimbel en Fox maakten er vervolgens voor Lieberman een lied van en veranderden het in ‘Killing Me Softly’.
Tijdens het wachten op haar vlucht hoorde Roberta Flack het nummer in de luchthaven en ze was meteen verkocht.
Ze werkte drie maanden aan het nummer, maakte wat aanpassingen en scoorde er in 1973 een serieuze hit mee, ruim twintig jaar voordat de Fugees er wereldwijd de hitlijsten mee zouden aanvoeren.
Gimbels carrière begon bij muziekuitgevers David Blum en Edwin H. Morris.
Een van zijn vroege successen was de Engelse tekst voor het gekende nummer Sway, dat we kennen dankzij de uitvoering van Dean Martin in 1954 en later van Michael Bublé.
De muziek, geschreven door Luis Demetrio en Pablo Beltrán Ruiz in 1953, droeg toen de titel ‘Quien Será’ en werd voor het eerst uitgebracht door Nelson Pinedo con la Sonora Matancera.
Twee jaar later, in 1956, scoorde hij opnieuw met de liedjestekst voor ‘Canadian Sunset’, de hitsingle van Andy Williams.
Het meest bekend was hij voor zijn werk in de film- en televisiewereld.
Hij schreef de teksten voor onder meer ‘Laverne and Shirley’ ‘Wonder Woman’ en ‘HR Pufnstuf’.
Ook de begintune van de cultcomedyreeks ‘Happy Days’ is van zijn hand.
Lange tijd vormde Gimbel een duo met Charles Fox, wat hen in 1973 voor hun tekst van “Killing Me Softly” een Grammy Award opleverde.
Daarnaast schreef Gimbel ook de Engelse tekst voor verschillende Braziliaanse bossanova-artiesten.
Voor de Engelse versie van de klassieker ‘The Girl from Ipanema’, in 1964 ingezongen door Astrud Gilberto, won hij de Grammy voor beste nummer van het jaar.
Voor ‘It goes like it goes’ uit de film Norma Rae won Gimbel samen met David Shire een Oscar voor beste originele nummer.
In 1984 werd Gimbel opgenomen in de Songwriters Hall of Fame.
Norman Gimbel kwam te overlijden op 19 december 2018 op 91-jarige leeftijd.
Zijn toenmalige muzikale partner, de nu 85-jarige Charles Fox, is daarentegen nog altijd actief in de muziekwereld.
De documentaire over hem, met de toepasselijke naam Killing Me Softly with His Songs, ging in 2022 in première op filmfestivals en werd in april 2024 officieel digitaal en op Blu-ray uitgebracht.
Deze film is momenteel ook nog te bekijken via Amazon Prime.
Ondanks het gigantische succes van The Score begonnen onderlinge spanningen al snel hun tol te eisen.
Het trio besloot uit elkaar te gaan om zich te concentreren op soloprojecten, die aanvankelijk bijzonder succesvol waren.
Wyclef Jean bracht het geprezen album The Carnival uit, terwijl Lauryn Hill de muziekwereld veroverde met haar veelgeprezen soloalbum The Miseducation of Lauryn Hill, dat in 1998 verscheen.
Ze ontving hiervoor vijf Grammy’s en wereldwijd werden er negentien miljoen exemplaren van de plaat verkocht.
Pras Michel scoorde dan weer een grote wereldhit met ‘Ghetto Supastar’.
In de jaren die volgden, kwamen de leden van de groep nog enkele keren samen voor optredens en probeerden ze sporadisch nieuwe muziek op te nemen.
Een volledige en langdurige reünie vond echter niet plaats als gevolg van voortdurende meningsverschillen en latere juridische obstakels.
Desondanks blijft hun muzikale erfenis een onmisbare schakel in de popcultuur van de late twintigste eeuw.
Voor muziekliefhebbers en verzamelaars die terugkijken op de jaren negentig, blijft de unieke samenklank van dit trio een bepalend en onvergetelijk geluid.
Vandaag de dag bewandelen de drie leden heel uiteenlopende paden.
Wyclef Jean is nog altijd wereldwijd actief als muzikant, producer en activist.
Dit jaar verscheen hij onder meer op het podium tijdens de countdown-concerten voor het FIFA Wereldkampioenschap voetbal in Toronto.
Ook bracht hij recent de veelbesproken zevenledige albumreeks Quantum Leap uit.
Lauryn Hill blijft een invloedrijke stem binnen de muziek en wordt geregeld geëerd om haar nalatenschap.
Zo ontving zij in de zomer van 2026 de inaugurele Living Legend Icon Award bij de BET Awards.
Samen met Wyclef Jean treedt ze op onder de vlag van Diaspora Calling!, inclusief headliner-shows op festivals.
Eerder dat jaar verzorgde ze ook al een opvallend eerbetoon tijdens de Grammy Awards.
Haar persoonlijke pad ging echter niet altijd over rozen; zo zat Hill in 2013 een gevangenisstraf van drie maanden uit wegens belastingfraude.
Voor Pras Michel, de rapper en medeoprichter van de groep, nam het leven een andere wending.
Hij werd in 2023 schuldig bevonden aan betrokkenheid bij een illegale politieke beïnvloedingscampagne en witwaspraktijken.
Na zijn veroordeling heeft hij in mei 2026 zijn gevangenisstraf van veertien jaar in de Verenigde Staten aangevangen, al vecht zijn juridische team de uitspraak nog altijd in hoger beroep aan.
Morrison overleed op zevenentwintigjarige leeftijd in Parijs op 3 juli 1971.
Zijn dood is nog steeds met mysterie omweven. Hoewel velen dachten dat een overdosis drugs de oorzaak was, is dit nooit bewezen.
Het is een feit dat Jim niet afkerig stond tegenover verdovende middelen, maar de laatste jaren van zijn leven verving hij deze steeds vaker door de traditionele Amerikaanse opkikker, alcohol.
De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.
Morrison leefde extreem hard en sprong brutaal om met zijn lichaam.
Alcohol, drugs, slaapgebrek en een absoluut gebrek aan zelfmedelijden, gecombineerd met een superintense manier van leven, leidden tot een te vroeg einde.
De officiële doodsoorzaak werd vastgesteld als een hartstilstand, wat een logisch verdict lijkt.
Toch geloven veel overtuigde fans nog steeds dat hij leeft en niet op een Parijse begraafplaats ligt.
Het zou een door hemzelf opgezet spel kunnen zijn, en eigenlijk zou zoiets voor iemand als Morrison niet eens zo verrassend zijn.
Hij was exact het type man om een dergelijke show op te voeren en vervolgens rustig onder te duiken, bijvoorbeeld in Afrika, waar hij poëzie zou kunnen schrijven, de wereld zou kunnen uitlachen en iedereen in de waan zou laten dat hij echt was overleden.
Zijn grote droom was altijd om een vooraanstaand schrijver te worden.
In tegenstelling tot zijn schoolvrienden waren zijn idolen geen beroemde acteurs of rockzangers, maar schrijvers, dichters en journalisten.
Hij noemde Rimbaud, Keats en de Amerikaanse beatschrijver Jack Kerouac altijd als de belangrijkste invloeden uit zijn jeugd.
Hun levensstijl en vagebondstijl spraken hem aan. Hij leefde snel en speelde met het idee van een vroege, tragische en romantische dood, net als zijn helden.
Dat de Amerikaanse pers hem later onder andere de nieuwe James Dean doopte, was dan ook geen toeval.
Zelfs toen hij miljoenen verdiende, bleef hij deze levensstijl trouw.
Hij huurde liever een motel- of hotelkamer voor de nacht dan in een luxueus huis te wonen.
Zijn garderobe bestond meestal enkel uit de kleren die hij op dat moment droeg.
Als het ’s nachts koud was, haalde hij zijn creditcard boven om een jas te kopen, die hij de volgende dag bij warmer weer gewoon aan de eerste de beste vreemdeling weggaf.
Nadat zijn rijbewijs werd ingetrokken wegens het verzamelen van te veel processen, probeerde hij het nooit meer te vernieuwen.
Hij kocht dure, nieuwe auto’s die hij in de prak reed of na een dronken nacht ergens parkeerde en vergat.
Hij ging er zelden naar op zoek en gaf ze ook niet op als gestolen.
Hij stuurde zijn vrouw Pamela de wereld rond om kleren te verzamelen voor een boetiek die hij haar cadeau deed.
Dit kostte hem een fortuin en bracht enkel enorme schulden met zich mee, maar zolang Pamela gelukkig was, kon het hem weinig schelen.
Aan het einde van de jaren zestig waren The Doors een absolute supergroep.
Toetsenist Ray Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore waren uitstekende muzikanten die zorgden voor een perfecte balans met Jims extravagante persoonlijkheid.
Hun muziek was afwisselend melancholisch en dreigend, wat perfect aansloot bij de manier waarop Morrison in zijn teksten en podiumshows zijn sentimenten kon aftasten.
De band kwam samen in Los Angeles, repeteerde een half jaar en bouwde via optredens in de Whisky a Go Go een steeds groter wordende aanhang van bijna maniakale fans op.
Daar werden ze ontdekt door Jac Holzman, directeur van Elektra, en producer Paul Rothschild.
Hun debuutalbum verscheen in de memorabele hippiezomer van 1967.
Mede dankzij de grandioze hit “Light My Fire” stootten ze The Beatles met “Sergeant Pepper” van de eerste plaats in de Amerikaanse albumlijsten.
Vier maanden later stond die plaat nog steeds in de top tien, toen deze gezelschap kreeg van de opvolger Strange Days, eveneens een meesterwerk dat staat als een huis.
The Doors en vooral Morrison groeiden uit tot een mythe.
Hij was de droom van elk meisje dat zichzelf niet als toekomstig huismoedertje zag, een idool voor jongens die precies wilden zijn zoals hij, en een gevaarlijke nachtmerrie voor ouders die hem zagen als de duivel die met alle middelen bestreden moest worden.
Tijdens liveoptredens zorgden The Doors steevast voor sensatie en relletjes, wat uiteindelijk leidde tot zoveel arrestaties en veroordelingen dat Morrison er zelf bijna bang van werd en het toeren beperkte.
Er speelden ook andere redenen mee.
De groep was een monsterorganisatie geworden met contracten en verplichtingen die hem absoluut niet lagen.
Hij wilde eruit, en na het voltooien van het verplichte aantal albums en een afgezwakte tournee, kondigde hij eind 1970 aan dat het tijd was voor een uitgebreide vakantie, iets wat ze verdiend hadden.
Hun zevende album, L.A. Woman, was inmiddels opgenomen en zou, net als de andere platen, met goud bekroond worden, een prestatie die nog geen enkele Amerikaanse groep destijds had behaald.
Morrison liet weten dat hij met Pamela in Parijs ging wonen om te reizen, poëzie te schrijven en wellicht een toneelstuk te maken.
Hij wist het nog niet zeker, maar zocht vooral een manier om te zwerven, ook in geestelijke zin.
Over de toekomst van The Doors zou na zijn terugkeer misschien nog weleens gesproken worden.
Zonder veel spijt verliet hij Los Angeles, in de hoop ergens anders helemaal opnieuw te kunnen beginnen.
Hoewel dokters hem hadden aangeraden het rustiger aan te doen, was Morrison daar simpelweg niet voor geboren.
Ook in Parijs bleef zijn verlangen naar sensaties, ervaringen en experimenten niet te stuiten.
Hij bleef balanceren op de rand van het mes, trouw aan zijn eigen gezongen woorden: “I want the world, and I want it now,” en hij was niet van plan om zich door iemand te laten belemmeren.
Op 3 juli 1971 vond hij rust, maar daarmee verdween de legende allerminst.
De drie overgebleven bandleden maakten nog enkele muzikaal uitstekende albums zonder hem, die echter pijnlijk duidelijk maakten welke enorme leemte hij had achtergelaten.
Ook in de jaren daarna bleef zijn invloed onverminderd groot, wat bleek uit langdurige hitnoteringen voor hun verzamelalbums, de onverbiddelijke bestseller-status van de biografie No One Here Gets Out Alive, en de plannen voor een film over zijn leven.
Op de begraafplaats Père-Lachaise nabij Parijs, de laatste rustplaats van vele grote kunstenaars, worden bovendien nog altijd dagelijks verse bloemen op het graf van James Douglas Morrison aangevoerd.
Wie echter door een verzameling tijdschriften en kranten uit die specifieke periode bladert, zal iets heel opvallends merken.
Het is bevreemdend hoe weinig aandacht hij direct na zijn dood kreeg in de pers.
Dat in de Muziek Expres van augustus 1971 bijvoorbeeld alleen een foto stond met een in memoriam van amper enkele zinnen, vormt een scherp contrast met zijn latere grote status.
Dit heeft een paar duidelijke en praktische oorzaken.
Ten eerste werd het overlijden van Morrison aanvankelijk strikt stilgehouden door zijn intieme kring in Parijs.
Het grote publiek en de pers kregen het nieuws pas dagen later te horen, op 9 juli, toen hij al in besloten kring was begraven op het Parijse kerkhof.
Deze geheimzinnigheid zorgde voor enorm veel onzekerheid en scepsis op de nieuwsredacties.
Omdat Morrison vaker met het idee van een in scène gezette dood had gespeeld, dachten velen in eerste instantie dat het om een zoveelste vreemde grap van de zanger ging en waren journalisten terughoudend om uitgebreide necrologieën te publiceren zonder harde bewijzen.
Bovendien werkten muziektijdschriften en maandbladen in die tijd met zeer lange aanlooptijden voor de drukpersen.
Tegen de tijd dat het nieuws over zijn dood eindelijk met zekerheid werd bevestigd, was de augustus-editie van bladen zoals Muziek Expres al drukklaar en ingepland.
Redacties hadden simpelweg de tijd en ruimte niet meer om de hele lay-out om te gooien voor een uitgebreid artikel, waardoor ze zich noodgedwongen moesten beperken tot een snelle foto en een korte toegevoegde tekst net voor het drukken.
Tot slot was Morrison in de zomer van 1971, na zijn fysieke achteruitgang en zijn vertrek uit Amerika, al enigszins naar de achtergrond van de toenmalige, snel evoluerende popwereld verdwenen.
De echte mythevorming rond zijn persoon, gestuwd door boeken en films die van hem een onsterfelijke held zouden maken, kwam pas eind jaren zeventig en in de jaren tachtig echt wereldwijd op gang.
In de zomer van 1971 was hij voor de toenmalige pers vooral een uitgedoofde rockster, en nog niet de legende die hij naderhand is geworden
Op 9 februari 1970 brachten The Doors hun vijfde studioalbum uit, getiteld Morrison Hotel. Deze plaat markeerde een stevige terugkeer naar hun rauwe, oorspronkelijke bluesrockstijl.
Hun vorige album, The Soft Parade, bevatte veel koperblazers en strijkers en was mede daardoor een stuk minder succesvol bij het grote publiek en de critici.
Met Morrison Hotel wilden ze terug naar de basis. De lp kreeg een opvallende indeling: de A-kant werd Hard Rock Café gedoopt en de B-kant kreeg de naam Morrison Hotel.
Hoewel er slechts één single van de plaat werd uitgebracht, de dubbele A-kant ‘You Make Me Real’ en ‘Roadhouse Blues’, staat het album vol met onvervalste klassiekers zoals ‘Peace Frog’ en ‘Waiting for the Sun’.
Een opvallend detail over het nummer “Waiting for the Sun” is dat het eigenlijk al geschreven was voor hun gelijknamige derde album uit 1968, maar destijds de uiteindelijke selectie net niet haalde.
In de nummers The Spy en Queen of the Highway geeft zanger Jim Morrison een erg persoonlijk inkijkje in zijn complexe en turbulente relatie met zijn vriendin Pamela Courson.
De beroemde albumhoes kent een bijzonder en ietwat brutaal ontstaansverhaal.
De gerenommeerde rockfotograaf Henry Diltz nam de foto van de band in de etalage van het bestaande Morrison Hotel in Los Angeles.
Ze hadden hiervoor echter geen toestemming gekregen van de eigenaar. Toen de receptionist heel even zijn post verliet, stormde de band naar binnen voor een snelle fotosessie en maakten ze zich snel weer uit de voeten.
Op de achterzijde van de hoes prijkt een foto van het Hard Rock Café, toentertijd een bescheiden eettentje in Los Angeles.
Een leuk weetje is dat de oprichters van de wereldwijde restaurantketen Hard Rock Cafe zich lieten inspireren door deze achterkant van de lp voor hun immens populaire naam.
Tijdens de opnames in de studio, onder leiding van hun vaste producer Paul A. Rothchild en technicus Bruce Botnick, kregen The Doors hulp van een aantal bijzondere gastmuzikanten.
Omdat de band zelf geen vaste bassist had, nam sessiemuzikant Ray Neapolitan de meeste baspartijen op Morrison Hotel voor zijn rekening.
Voor het stevige ‘Roadhouse Blues’ en ‘Maggie M’Gill’ werd echter gitaarlegende Lonnie Mack opgetrommeld om de basgitaar te bespelen.
Een andere opvallende gast op Roadhouse Blues was John Sebastian, de frontman van The Lovin’ Spoonful.
Omdat hij vanwege contractuele redenen eigenlijk niet mocht meewerken aan een album van een andere platenmaatschappij, speelde hij de mondharmonica in onder het pseudoniem G. Puglese.
Mede door deze ongedwongen, spontane samenwerkingen wordt dit album gezien als een van de meest authentieke platen uit de geschiedenis van de band.
De Parijse vlucht en zijn mysterieuze dood
Jim Morrison werd geboren als de zoon van George Stephen Morrison, een admiraal die als vlootcommandant betrokken was bij het Tonkin-incident in 1964, wat de aanleiding vormde voor de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog.
In plaats van een militaire carrière na te streven, ging Morrison naar de filmacademie in Los Angeles, Californië.
Daar leerde hij Ray Manzarek kennen, met wie hij The Doors oprichtte. Deze bandnaam was ontleend aan ‘The Doors of Perception’, de titel van een boek van Aldous Huxley.
Huxley had deze frase op zijn beurt weer ontleend aan een gedicht van William Blake, die schreef: “If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite”.
Voor veel jongeren in die dagen was Morrison een onmetelijk groot idool. Hij leefde zeer intens en gebruikte vele soorten verslavende genotsmiddelen, waarbij met name zijn enorme drankgebruik exemplarisch was.
Ondanks deze roerige levensstijl was hij diep gefascineerd door literatuur.
Hij las enorm veel en schreef fanatiek poëzie.
Zijn teksten waren vaak zeer filosofisch en dichterlijk van aard, en zijn muziek toont duidelijke invloeden van jazz en blues.
Van hem is in de loop der tijd ook een aantal dichtbundels uitgegeven, zoals ‘The Lords & The New Creatures’, ‘Wilderness’ en ‘The American Night’.
Hoewel de muziek van Jim Morrison wereldwijd en ook in ons taalgebied mateloos populair is gebleven, zijn zijn gedichtenbundels helaas nooit officieel in het Nederlands vertaald uitgegeven.
Wie de diepere, literaire ziel van de zanger wil doorgronden, is daardoor aangewezen op de Engelstalige edities die nog steeds volop te vinden zijn, al circuleren er onder bewonderaars weleens losse, zelfgemaakte vertalingen van individuele gedichten.
In de laatste periode van zijn leven verruilde Jim Morrison de overweldigende roem in Amerika voor een rustiger bestaan in Parijs.
Onder zijn doopnaam James Douglas leefde hij daar tamelijk anoniem, wat hem bijzonder goed beviel.
Hoewel hij de Franse taal niet machtig was, dompelde hij zich onder in de lokale cultuur; hij bezocht veel theatervoorstellingen en was vaak te vinden op de filmsets van diverse beroemde Franse regisseurs.
Over zijn productiviteit in deze periode lopen de meningen uiteen.
Waar sommigen beweren dat hij juist in Parijs veel schreef, menen anderen dat hij zwaar te lijden had van een schrijversblok.
Hoewel de officiële overlijdensakte een hartaanval als doodsoorzaak vermeldt, nadat hij liggend in een badkuip zou zijn aangetroffen, wordt algemeen aangenomen dat een overdosis drugs hem fataal is geworden.
Door deze voortijdige dood trad hij toe tot de beruchte 27 Club, samen met muzikanten als Janis Joplin, Jimi Hendrix en Brian Jones. Later zijn ook de namen van Kurt Cobain en Amy Winehouse door velen aan deze ledenlijst toegevoegd, omdat zij toevalligerwijs eveneens op 27-jarige leeftijd stierven.
Tijdens de bescheiden begrafenis van Jim Morrison las zijn partner Pamela Courson de laatste paragraaf voor uit Celebration of the Lizard, iets wat hij volgens de laatste biografie zelf had gewild.
Hoewel zij nooit getrouwd waren, had hij in zijn testament zijn volledige erfenis, inclusief de uiterst lucratieve muziekrechten, aan Pamela nagelaten.
Deze situatie kreeg echter een tragische wending toen zij in 1974 eveneens aan een overdosis overleed, zonder zelf een testament te hebben opgemaakt.
Haar bezittingen vielen automatisch toe aan haar ouders, wat leidde tot een bittere juridische strijd met de ouders van Jim Morrison, met wie de zanger altijd een zeer moeizame relatie had onderhouden.
Na een lang en slepend conflict schikten de twee families uiteindelijk door de nalatenschap en alle toekomstige inkomsten exact in tweeën te delen.
Zijn laatste rustplaats vond hij op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, een plek die tot op de dag van vandaag enorm veel bezoekers trekt.
Op zijn graf prijkt de Griekse tekst κατα τον δαιμονα εαυτου, oftewel kata ton daimona eautou.
In het Oudgrieks laat de strekking hiervan zich vertalen als trouw aan zijn ziel, terwijl de Nieuwgriekse vertaling neerkomt op je eigen demon volgen.
Volgens de Thelema wordt hierbij met een demon een externe geest of spirituele gids bedoeld, in tegenstelling tot het woord spirit dat duidt op een interne geest.
Het graf heeft in de loop der jaren de nodige visuele veranderingen ondergaan. Precies tien jaar na zijn dood, in 1981, creëerde de Kroatische kunstenaar Mladen Mikulin als herdenking een borstbeeld van Morrison dat op het graf werd geplaatst.
Dit kunstwerk werd in 1988 gestolen, waarna de familie aangaf geen nieuw beeld te willen.
Ruim dertig jaar later, in mei 2025, werd het gestolen borstbeeld echter per toeval teruggevonden in Parijs tijdens een huiszoeking in verband met een fraudezaak.
De erfenis van Jim Morrison is na al die decennia nog steeds springlevend.
Hij was een groot idool voor velen en wordt nog altijd enorm bewonderd; dagelijks luisteren tienduizenden mensen naar zijn muziek.
Daarnaast vormt zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers.
Er zijn talloze boeken over hem verschenen, waaronder de in 2004 uitgebrachte biografie Jim Morrison door Stephen Davis en de biografische grafische roman Dichter van de chaos uit 2012.
Ook ‘No One Here Gets Out Alive’ van Jerry Hopkins en Danny Sugerman is een zeer gewaardeerde biografie, die doorspekt is met persoonlijke ervaringen en waarvan wereldwijd meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.
Bovendien boekstaafden al zijn voormalige bandleden hun herinneringen: toetsenist Ray Manzarek schreef ‘Light My Fire’, gitarist Robby Krieger bracht ‘Set the Night on Fire’ uit en drummer John Densmore publiceerde de autobiografie ‘Riders On The Storm’.
Delen uit het boek van Densmore werden door regisseur Oliver Stone gebruikt voor het scenario van The Doors, de succesvolle film uit 1991.
Daarin zette Val Kilmer een uiterst overtuigende Morrison neer met een wonderwel gelijkend stemgeluid, vergezeld door Meg Ryan in de rol van Pamela Courson.
Ook in modernere media blijft zijn verhaal verteld worden, zoals in de film ‘When You’re Strange’ uit 2010 van Tom Dicillo, die is voorzien van gesproken commentaar door fan en acteur Johnny Depp.
Zelfs in de Nederlandse popcultuur liet de zanger zijn sporen na; zo was hij het onderwerp in een aflevering van de satireserie Jiskefet, waarin onder meer zijn befaamde graf op Père-Lachaise in beeld werd gebracht.
Op deze dag in 1971 behaalde haar legendarische tweede soloalbum Tapestry de gouden status in Amerika.
Dit meesterwerk, dat begin 1971 werd opgenomen in de beroemde A&M Recording Studios, groeide uit tot een van de meest succesvolle en invloedrijke albums aller tijden.
Vanaf juni van dat jaar domineerde het album maar liefst vijftien weken lang de eerste plaats van de Amerikaanse Billboard-hitparade.
Het succes was werkelijk overweldigend, want binnen twee jaar tijd gingen er in de Verenigde Staten al meer dan twaalf miljoen exemplaren van over de toonbank.
Inmiddels staat de wereldwijde teller zelfs op meer dan dertig miljoen verkochte platen.
Wat Tapestry zo bijzonder maakt, is de diepe persoonlijke stempel van Carole King, die aan elk nummer op het album meeschreef.
Voordat ze doorbrak als soloartiest, was ze in de jaren zestig al een ongelooflijk succesvolle songwriter in het befaamde Brill Building in New York.
Ze schreef daar destijds talloze hits voor anderen, vaak samen met haar toenmalige echtgenoot Gerry Goffin.
Voor de nummers ‘It’s too late’ en ‘Where you lead’ werkte ze op Tapestry samen met Toni Stern, terwijl absolute klassiekers als ‘Will you love me tomorrow’ en ‘(You make me feel like) a natural woman’ voortkwamen uit haar partnerschap met Gerry Goffin.
Voor dat laatste nummer leverde ook producer Jerry Wexler een bijdrage aan de tekst.
Hoewel sommige van deze liedjes al eerder wereldberoemd waren geworden in de uitvoeringen van respectievelijk The Shirelles en Aretha Franklin, kregen ze op Tapestry een geheel eigen, intiem karakter.
King nam de nummers op met een minimalistische bezetting, waarbij haar eigen pianospel en warme, kwetsbare stem centraal stonden.
Een leuk detail is dat de albumhoes, waarop King met haar kat naast haar bij het raam zit, werd gefotografeerd in haar eigen huiskamer in Laurel Canyon, de creatieve broedplaats van de toenmalige folkrockscene.
De kat op de voorgrond heette trouwens Telemachus.
De invloed van het album reikte destijds veel verder dan Kings eigen vertolkingen.
Haar goede vriend James Taylor, die ook meespeelde en zong op Tapestry, scoorde in diezelfde periode een gigantische nummer 1-hit met zijn eigen versie van ‘You’ve got a friend’.
Ook Barbra Streisand behaalde succes met haar vertolking van ‘Where You Lead’.
Deze ongekende muzikale en culturele impact werd in 1972 groots bekroond tijdens de Grammy Awards.
Carole King schreef geschiedenis door als eerste vrouw vier grote Grammy’s op één avond in de wacht te slepen, waaronder de prestigieuze prijzen voor Album of the Year en Record of the Year voor ‘It’s too late’
Ook James Taylor viel die avond in de prijzen en ontving een Grammy voor zijn prachtige uitvoering van haar compositie.
Met Tapestry vestigde Carole King zich definitief als de koningin van de singer-songwriters, en het album blijft tot op de dag van vandaag een tijdloos monument in de popgeschiedenis.
Een mooi moment om stil te staan bij zijn klassieker Verdronken vlinder.
Het nummer verscheen begin 1967 in eerste instantie als de B-kant van de single ‘Onder ons’, de opvolger van zijn grote hit ‘Het Land van Maas en Waal’.
Twee jaar later, in 1969, kreeg het lied alsnog een hoofdrol toen het werd uitgebracht als A-kant, met ‘Beneden alle peil’ als achterkant.
Beide nummers zijn geschreven door Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh, met een arrangement van Bert Paige.
In Verdronken vlinder verlangt de schrijver naar het vrije leven van een vlinder.
Gaandeweg beseft hij echter dat ook dat bestaan een schaduwzijde heeft, zoals een tragisch einde op een plas water.
Uiteindelijk kiest hij er dan ook voor om gewoon mens te zijn, met de troostende gedachte dat hij geen vlinder hoeft te wezen om echt te leven.
De andere kant van de single, ‘Beneden alle peil’, bezingt een onbeantwoorde liefde.
De zanger vindt de vrouw in kwestie geweldig, maar omdat zij alleen oog heeft voor zichzelf, vindt hij haar gedrag beneden alle peil.
Het nummer Verdronken vlinder bleek door de jaren heen een grote inspiratiebron voor andere artiesten.
In 1993 scoorden Erik Van Neygen en Sanne er een grote hit mee in Vlaanderen.
Daarnaast werd het lied in de loop der tijd ook succesvol gecoverd door uiteenlopende namen als Mama’s Jasje, Josee Koning, de cast van LikeMe en zelfs de indierockband Bettie Serveert.
Reclame voor het album Het Beste van Boudewijn de Groot (juli 1977)
Gisteren nog vandaag
De comeback van Boudewijn De Groot (Joepie 13 november 1973).
Het bekende nummer Testament is gecomponeerd door Boudewijn de Groot, terwijl Bert Paige tekende voor de arrangementen en Tony Vos de productie voor zijn rekening nam.
De tekst is grotendeels geschreven door Lennaert Nijgh, die in het lied via een fictief testament terugblikt op zijn jeugdjaren.
In deze nalatenschap deelt hij milde snerpen uit aan zijn familie, die hij beticht van valse getuigenissen, aan stelende vrienden en aan een bedrieglijke ex-vriendin.
Toch is het nummer niet louter bitter; Nijgh koestert tegelijkertijd de mooie herinneringen en reflecteert op verloren idealen.
Omdat Boudewijn de Groot een specifiek deel van de oorspronkelijke tekst niet goed bij zichzelf vond passen, nam hij zelf de pen ter hand voor het couplet dat begint met de regel over het fotoalbum van zijn ouders.
Testament verscheen op het succesvolle album Voor de overlevenden en deed daarnaast dienst als de B-kant van de hitsingle Het Land van Maas en Waal.
Gisteren nog vandaag
Boudewijn de Groot in de Muziek Expres van december 1979
Gisteren nog vandaag
Na een stilte van vijf jaar maakte Boudewijn de Groot in 1973 zijn comeback met het album Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser.
De titel van de plaat is ontleend aan het bekende nummer Jimmy, dat hij vernoemde naar zijn zoon Jim. Vader en zoon schitteren samen op de albumhoes.
Naast Jimmy bevat het album nummers zoals Terug van weggeweest, Wat geweest is, is geweest, Onderweg, Het Spaarne, Kindermeidslied (Nurse’s Song), Tante Julia, Ik zal je iets vertellen, Parijs, Berlijn, Madrid, De kleine schoorsteenveger en De reiziger.
Voor de teksten werkte De Groot opnieuw samen met Lennaert Nijgh en met zijn toenmalige zwager Ruud Engelander.
Bovendien zijn twee nummers vertalingen van gedichten van William Blake.
Muzikaal kreeg hij ondersteuning van sologitarist Eelco Gelling, met wie hij al eerder samenwerkte op Nacht en ontij, en violiste Vera Beths, die een gastbijdrage leverde op het nummer’ ‘De reiziger’.
Bang dat het publiek hem in de tussentijd was vergeten, was De Groot niet.
Tijdens zijn afwezigheid deden zijn verzamelalbums het namelijk buitengewoon goed. Vooral de dubbel-lp Vijf Jaar Hits was een groot succes, snel gevolgd door een eveneens goed verkopend tweede deel.
Dit bewees dat zijn populariteit en bekendheid alleen maar waren gegroeid, waardoor het grote succes van Hoe Sterk Is De Eenzame Fietser niet als een complete verrassing kwam.
Het album werd een enorme hit, bereikte de eerste plaats in de albumlijst en hield het daar twintig weken vol.
Dit leverde De Groot een gouden en een platina plaat op, evenals zijn derde Edison.
Het succes kreeg begin 1974 nog een vrolijk staartje toen er een carnavalsversie van het nummer Tante Julia op single verscheen, opgenomen als duet met Nico Haak.
45 jaar geleden, LP-bespreking Nightclubbing van Grace Jones (Joepie 24 mei 1981)
Gisteren nog vandaag
Nightclubbing uit 1981 markeert het moment waarop Grace Jones haar transformatie van disco-diva naar avant-garde-icoon voltooide.
De weg naar dit succes was bijzonder; Jones werkte zich op van een Jamaicaanse domineesdochter tot een veelzijdige wereldster.
Hoewel ze in Amerika de toneelschool bezocht, werd ze al snel ontdekt als topmodel.
Ze sierde de covers van bladen als Elle en Vogue, en verscheen zelfs op de voorzijde van het Duitse Der Stern.
Het album werd opgenomen in de beroemde Compass Point Studios op de Bahama’s, waar een uniek geluid werd gesmeed door de combinatie van reggae-ritmes, post-punkattitude en elektronische texturen.
Onder leiding van producenten Chris Blackwell en Alex Sadkin, en met de ritmesectie van Sly & Robbie, ontstond een lome, hypnotiserende sfeer die perfect de overgang van de glitter van de jaren zeventig naar de kille chic van de jaren tachtig ving.
Rond deze tijd ontwikkelde Jones haar kenmerkende androgynen look met kort haar en strakke pakken, wat haar een onvergetelijk icoon in zowel de muziek als de mode maakte.
De titeltrack kent een interessante oorsprong; het nummer werd geschreven door David Bowie en Iggy Pop en verscheen voor het eerst op het album The Idiot van Iggy Pop in 1977.
In de uitvoering van Jones krijgt het stuk echter een geheel nieuwe dimensie. Terwijl het origineel uit de Berlijnse periode van Bowie en Pop een zekere mate van decadente uitputting suggereerde, klinkt de versie van Jones als een triomftocht door een nachtelijk stedelijk landschap.
Haar voordracht is afstandelijk en bijna robotachtig, wat naadloos aansluit bij het hoekige, minimalistische arrangement.
Naast de titeltrack bevat het album meer indrukwekkende bewerkingen. Een van de absolute hoogtepunten is de single I’ve Seen That Face Before (Libertango).
Gisteren nog vandaag
Dit nummer is een bewerking van Libertango, een compositie van de Argentijnse componist en bandoneonist Astor Piazzolla.
De tekst van deze versie werd mede geschreven door Francine Canovas, beter bekend onder haar artiestennaam Nathalie Delon.
Zij was de moeder van de Frans-Amerikaanse acteur Anthony Delon en was van 1964 tot 1969 getrouwd met Alain Delon.
Later werd zij de vriendin van producent Chris Blackwell, wat leidde tot de samenwerking voor dit album. Nathalie Delon overleed helaas in 2021.
I’ve Seen That Face Before werd een gigantisch succes in de Lage Landen. In Vlaanderen stond de single maar liefst vijf weken lang op de eerste plaats in de hitlijsten, terwijl het in de Nederlandse Top 40 de tweede positie bereikte.
Ook van het nummer Demolition Man van Sting maakte ze een zeer krachtige en eigenzinnige cover die perfect paste binnen de vernieuwende sound van het album.
Het visuele aspect van Nightclubbing bleef onlosmakelijk verbonden met de muziek.
De iconische hoes, gefotografeerd door Jean-Paul Goude, toont Jones met haar kenmerkende blokkapsel en een strak gesneden Armani-jasje.
Deze verschijning versterkte de impact van nummers zoals Pull Up to the Bumper en Walking in the Rain.
Het album wordt tot op de dag van vandaag geprezen om de unieke persoonlijkheid van Grace Jones en blijft een essentieel referentiepunt voor artiesten die de grenzen tussen kunst, mode en commercie willen vervagen.
Op oudejaarsavond 1977 maakte de single La Vie En Rose haar debuut in de BRT Top 30, om twee weken later door te stoten naar de dertiende positie.
De tekst van dit wereldberoemde nummer werd oorspronkelijk geschreven door Edith Piaf, die de tekst destijds de titel Les Choses En Rose meegaf.
De bijbehorende muziek werd gecomponeerd door Louis Gugliemi, beter bekend onder zijn pseudoniem Louiguy.
Hoewel het chanson in 1945 voor het eerst werd opgenomen door Marianne Michel, een goede vriendin van Piaf, zorgde het grote succes van die uitvoering ervoor dat de schrijfster het nummer uiteindelijk ook zelf inzong.
In 1946 werd het haar allereerste grote hit.
In 1983 beleefde de cover van Grace Jones een heropleving en kwam deze terug in de hitlijsten, binnen op nummer 28, waarna deze uiteindelijk de zestiende plaats bereikte.
De zanger had destijds met Georgia On My Mind een enorme hit te pakken, een nummer dat decennia eerder door Hoagy Carmichael was geschreven en al successen had gekend in de uitvoeringen van Louis Armstrong en Nat Gonella.
Hoewel veel Europese liefhebbers destijds nog niet de kans hadden gehad om hem live te zien, spraken Amerikaanse critici vol lof over zijn veelzijdige talenten.
De toen bekende jazzcriticus, Francis Newton vergeleek in het tijdschrift New Statesman het luisteren naar zijn platen met het kijken naar een tijger in een dierentuin; je zag de vorm, maar de ware kracht werd pas duidelijk tijdens een optreden.
Zijn concerten werden omschreven als bijna religieuze bijeenkomsten.
De sfeer raakte geladen met elektriciteit zodra hij achter zijn piano plaatsnam en zijn liedjes met een intense, bezielde stem de zaal in stuurde, terwijl het publiek ritmisch meewiegde.
Voor dergelijke optredens ontving hij destijds duizend dollar per voorstelling, een bedrag dat omgerekend naar de huidige waarde in 2026 neerkomt op ongeveer 11.000 dollar.
In 1961 was dit een uitzonderlijk hoog inkomen voor één avond, aangezien een gemiddeld gezin toen nog geen zesduizend dollar per jaar verdiende.
De single Georgia On My Mind was de voorbode van het album The Genius Hits The Road, waarvoor Sid Feller opnieuw als producer optrad.
Feller was een trompettist, orkestleider en arrangeur wiens dertigjarige samenwerking met Ray Charles weelderig gearrangeerde hits voortbracht zoals ‘I Can’t Stop Loving You’.
Als hoofdarrangeur voor Capitol Records en later ABC Records werkte Feller ook samen met grootheden als Peggy Lee, Mel Torme, Paul Anka, Steve Lawrence en Eydie Gormé
De arrangementen voor dit specifieke album werden echter verzorgd door Ralph Burns, een klassiek geschoolde musicus die aan het New England Conservatory of Music had gestudeerd.
Burns was bijna vijftien jaar lang een drijvende kracht achter het orkest van Woody Herman, de Amerikaanse jazzklarinettist en bigbandleider die zijn loopbaan al tijdens zijn middelbare schooltijd in Milwaukee was begonnen.
Na omzwervingen bij orkesten van onder meer Tom Gerun, Harry Sosnik en Isham Jones, richtte Herman in 1936 zijn eigen legendarische formatie op, waar hij tot het einde van zijn leven trouw aan bleef.
Ralph Burns zou later in zijn carrière, in 1972, een Academy Award winnen voor Cabaret en muziek arrangeren voor films als Lenny, New York, New York en All That Jazz.
Op het album The Genius Hits The Road reisden we door Amerika en kwamen we onder meer terecht in Alabamy Bound, Georgia On My Mind, Basin Street Blues, Mississippi Mud, Moonlight In Vermont, New York’s My Home, California, Here I Come, Moon over Miami, Deep In The Heart Of Texas, Carry Me Back To Old Virginny, Blue Hawaii en Chattanooga Choo-Choo.
Alleen in Virginny ontmoette hij op deze reis zijn Raelettes.
Deze groep, in 1958 voortgekomen uit The Cookies, bestond rond die tijd uit Gwen Berry, Margie Hendricks, Pat Lyles en Darlene McCrea.
Vooral de krachtige stem van Margie Hendricks gaf nummers als Hit the Road Jack hun onvergetelijke karakter.
Hoewel er binnen de muziekindustrie destijds veel werd gefluisterd over de persoonlijke verhoudingen tussen Charles en zijn zangeressen, was hun muzikale invloed onomstreden.
De Raelettes traden niet alleen op als ondersteuning; ze brachten later ook eigen werk en albums uit, zoals Yesterday… Today… Tomorrow uit 1972, en bleven in wisselende bezettingen tot aan zijn overlijden in 2004 met hem verbonden.
Ondanks dat het album uit 1961 een verzameling popnummers was, bewees Charles hiermee dat hij zelfs van eenvoudige liedjes zoals Deep In The Heart Of Texas iets muzikaals interessants kon maken.
Dit album is dan ook een aanrader voor mensen die graag luisteren naar bigbandmuziek en lichte jazz en is vandaag de dag nog steeds eenvoudig te beluisteren via diensten als Spotify en YouTube.