Het album Dead Ringer van Meat Loaf en Jim Steinman, dat 45 jaar geleden verscheen

Doordat Meat Loaf zijn stem kwijt was door een combinatie van drugs, oververmoeidheid en een intensieve tournee, duurde het tot september 1981 voordat zijn tweede studioalbum Dead Ringer verscheen.

Net als bij het debuutalbum Bat out of Hell uit 1977 zijn alle nummers van het album geschreven door Jim Steinman.

Het album werd geproduceerd door Meat Loaf en Stephan Galfas, samen met Jimmy Iovine en Jim Steinman, met uitzondering van drie nummers.

Ondanks de bewuste poging om het album te voorzien van hetzelfde succesvolle recept als het debuut, viel het resultaat artistiek gezien tegen, en dat lag vooral aan de stem van Meat Loaf.

Als je eerst naar Bat out of Hell luistert en daarna naar Dead Ringer, dan lijkt het wel of je naar een compleet andere zanger zit te luisteren.

Van dit album kwamen vier singles uit: ‘Dead Ringer For Love’ (waaraan zangeres Cher haar muzikale medewerking verleende, hoewel zij vreemd genoeg niet op de hoes van de single vermeld stond), ‘I’m Gonna Love Her For Both Of Us’, ‘Read ‘Em And Weep’ en ‘Peel Out’.

Voor de videoclip van ‘Dead Ringer For Love’, waarin Meat Loaf samen met Cher te zien is, werd de regie verzorgd door Allan F. Nicholls.

Bij de release werd het album gemengd tot teleurstellend ontvangen door critici, die vonden dat het de ongekende genialiteit en de kenmerkende productie van Todd Rundgren miste die het debuutalbum zo sterk maakten.

Commercieel deed het album het in Groot-Brittannië uitstekend, waar het de eerste plaats in de hitlijsten bereikte, maar in de rest van Europa en Noord-Amerika waren zowel de singles als het album grotendeels een commerciële flop.

Jim Steinman bekende jaren later dat hij ook niet tevreden was over het album, en dit kwam opnieuw vooral door de vocale beperkingen en de stemproblemen van Meat Loaf destijds.

Het zou dan ook jaren duren voor een nieuwe samenwerking tussen beide heren, tot we in 1993 eindelijk een waardig vervolg kregen op Bat out of Hell, dat dan ook toepasselijk de titel Bat out of Hell 2 meekreeg.

Liever op eigen tempo: Everything but the Girl veertig jaar geleden met ‘Baby, The Stars Shine Bright’

Veertig jaar geleden kozen Everything but the Girl met hun derde album ‘Baby, The Stars Shine Bright’ en de knappe single ‘Come on Home’ voor een rustiger koers.

Tijdens de persvoorstelling van het album praatten ze nuchter over de aandacht die ze kregen.

Ze lachten dan ook hartelijk om het idee dat ze ooit op één zouden belanden en gaven meteen toe dat ze het op de hitparade nooit van Madonna zouden winnen.

Muzikaal sloegen ze met hun nieuwe album een heel andere weg in dan de sobere, jazzy indie van hun debuut ‘Eden’ of het maatschappijkritische ‘Love Not Money’.

Ze gingen voluit voor weidse, filmische ballades met een stevige fifties- en sixties-orkestratie: een weelderige strijkerssectie en een knipoog naar Dusty Springfield.

Dat strookte totaal niet met de synthetische sound die de hitlijsten in 1986 domineerde.

Het album bleef destijds dan ook een beetje onder de radar hangen, en recensenten liepen er niet bepaald wild van.

Pas jaren later kwam de kentering: de gewaagde productie en de ironische teksten, zoals in ‘Sugar Finney’, kregen alsnog de lof die ze verdienden. Vandaag geldt ook ‘Cross My Heart’ terecht als een echte klassieker van het duo.

Kort daarvoor waren ze in 1986 voor het eerst naar Amerika getrokken.

Veel potten hadden ze daar niet gebroken, maar ze voelden dat ze stilaan hun eigen stek in de muziekwereld vonden.

Ze wilden vooral op hun eigen tempo groeien; overweldigend succes hoefde er voor hen niet van vandaag op morgen te zijn.

Ben maakte tijdens de persvoorstelling een subtiele verwijzing naar Sade.

Hij zag hoe zij ten onder ging aan de loodzware druk die een plotse doorbraak op een privéleven legt. Het duo voelde geen greintje afgunst, alleen medelijden.

Rond 1985-1986 was de gekte rond Sade Adu en haar band amper nog bij te benen.

Na het triomfantelijke debuut ‘Diamond Life’ in 1984 schoot ook de opvolger ‘Promise’ eind 1985 recht naar de internationale toppen.

Die wereldroem eiste een zware tol: platenbazen zaten haar op de nek, tabloids en paparazzi gunden haar geen seconde rust, met kwalijke roddels over een relatiebreuk en psychische inzinkingen tot gevolg.

De slopende tournees, de niet-aflatende promotie en het totale gebrek aan privacy putten haar emotioneel en fysiek uit.

Sade trok aan de noodrem en verdween uit de schijnwerpers. Fans moesten tot 1988 wachten op ‘Stronger Than Pride’.

Die dolgedraaide showbizz lieten Ben en Tracey met plezier aan zich voorbijgaan.

Zij nestelden zich liever met hun tweetjes in een kalm hoekje van Londen.

Wilde feestjes en recepties waren aan hen niet besteed; een discotheek of nachtclub hadden ze naar eigen zeggen zelfs nog nooit van dichtbij gezien.

Zelfs in dat rustige leventje liep het niet altijd van een leien dakje.

Omdat ze vierentwintig uur per dag op elkaars lip zaten, maakten ze aan de lopende band ruzie en kibbelden ze over elk klein detail.

Om de vrede te bewaren stelden ze hun werkwijze bij.

Vroeger schreven ze nummers nog zij aan zij; voortaan deed ieder zijn eigen ding: Tracey de teksten, Ben de muziek.

Dat zorgde meteen voor veel minder wrevel.

De echte romantiek vonden ze terug in de studio.

Daar was de vonk ooit overgeslagen, toen ze allebei met een koptelefoon op stonden te zingen en elkaar recht in de ogen keken.

Die herinnering riepen ze bij elke opnamesessie weer op, en dat hoor je tot op vandaag in de zachte, zwoele sfeer van hun songs.

Ben Watt en Tracey Thorn waren niet alleen een muzikaal duo, maar ook een koppel.

Ze leerden elkaar in 1981 kennen aan de Universiteit van Hull. Al snel volgde een relatie die tot op de dag van vandaag standhoudt: ze kregen drie kinderen en stapten in 2009 in het huwelijk.

Ook muzikaal bleef hun verhaal in beweging.

In 2023 verscheen het goed ontvangen comebackalbum Fuse, hun eerste plaat in bijna vierentwintig jaar.

Na een pauze van vijfentwintig jaar keerden ze in 2025 bovendien terug op het podium.

Ze kozen opnieuw voor intimiteit: als kleinschalig akoestisch-elektronisch duo, aangekondigd onder hun eigen namen Ben Watt en Tracey Thorn, en bewust zonder festivalweides of arena’s.

In augustus 2026 volgde nog een nieuwe remix van ‘Run A Red Light’, een teken dat hun artistieke koers springlevend is.

Hun bandnaam Everything But The Girl komt van een slogan van meubelzaak Turner’s in Hull: for your bedroom needs, we sell everything but the girl.

Toen ze elkaar ontmoetten, waren zowel Thorn als Watt al solo onder contract bij Cherry Red: Thorn als lid van Marine Girls, een favoriet van Kurt Cobain, en Watt met zijn debuut North Marine Drive.

Hun eerste gezamenlijke plaat was een samba-achtige cover van Cole Porter’s ‘Night and Day’.

In 1992 werd een Amerikaanse tournee van Everything But The Girl afgelast toen Watt bijna stierf aan een zeldzame auto-immuunziekte; hij schreef daar later het boek Patient over.

Tracey zong ondertussen op Massive Attack’s ‘Protection’.

De grote doorbraak kwam met Todd Terry’s remix van ‘Missing’, die in 1995–1996 wereldwijd een hit werd en nummer 2 haalde in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

In Nederland bereikte de Todd Terry Club Mix in september 1995 de derde plaats in de Top 40; de single stond zeventien weken genoteerd.

Nadat het nummer in oktober 1995 uit de lijst verdween, kwam het door het Europese succes opnieuw in de belangstelling.

In maart 1996 keerde het terug in de Top 40, met een 24e plaats als piek.

In Vlaanderen speelde zich hetzelfde af: in 1995 haalde de single de twaalfde plaats in de Ultratop 50, in 1996 de tiende.

Alles bij elkaar bracht het duo elf studioalbums uit.

In het Verenigd Koninkrijk behaalden ze acht gouden en twee platina-albums; het album Amplified Heart wordt vaak als hun bestverkochte album genoemd, en alleen al in het VK en de VS zijn er honderdduizenden tot meer dan een miljoen exemplaren verkocht.

De single ‘Missing’ werd in het VK driedubbel platina.

Van hitgrossier tot tijdloze wereldster: het succesverhaal van Lionel Richie

In september 1986 had Lionel Richie zijn status als absolute superster definitief gevestigd.

Ooit had de in de Amerikaanse staat Alabama geboren zanger zijn zinnen op de advocatuur gezet, maar daar was niets van terechtgekomen.

Zijn muzikale loopbaan was daarentegen uitgegroeid tot een ongekend succesverhaal.

Gedurende de zestien jaar dat hij op dat moment in de muziekwereld meedraaide, regende het onderscheidingen en edelmetaal.

De basis daarvoor werd eind jaren zestig gelegd, toen hij begon als leadzanger en toetsenist van The Commodores, een van de absolute topacts uit de Motown-stal.

Met zelfgeschreven hits als ‘Three Times a Lady’ en ‘Sail On’ zette hij de groep op de kaart, tot hij de formatie in 1982 verliet.

Zijn overstap naar een solocarrière was al in 1980 voorzichtig begonnen.

Richie werkte destijds als producer voor andere artiesten en schreef de wereldhit ‘Lady’ voor Kenny Rogers.

Een jaar later volgde ‘Endless Love’, de titelsong van de gelijknamige film die hij samen met Diana Ross opnam.

In 1982 verscheen zijn eerste soloalbum, simpelweg getiteld Lionel Richie.

Hoewel hij zijn oude vrienden van The Commodores gedag had gezegd, bleef hij zijn platenlabel Motown trouw.

De stap naar een solobestaan bleek een schot in de roos.

Hij boekte succes na succes met romantische ballads als ‘Hello’, dansbare tracks zoals ‘All Night Long’ en ‘Dancing on the Ceiling’.

Andere grote wapenfeiten waren zijn spectaculaire optreden tijdens de slotceremonie van de Olympische Spelen in Los Angeles in 1984 en de megahit ‘We Are the World’ voor USA for Africa, die hij samen met Michael Jackson componeerde.

Zijn tweede plaat Can’t Slow Down uit 1984 groeide uit tot de bestverkochte Motown-elpee aller tijden en leverde tal van hitsingles op.

Zangeres Grace Slick van Starship merkte destijds op dat Richie de ene hit na de andere met het grootste gemak leek te produceren.

Hoewel zijn werkwijze in werkelijkheid heel wat tijdrovender was, gold hij in de Amerikaanse popgeschiedenis als een ware hitmachine.

Hij vestigde destijds een uniek record door negen jaar op rij minstens één nummer één-hit te scoren die aan zijn eigen pen was ontsproten.

In de zomer van 1986 verscheen zijn langverwachte derde soloplaat, Dancing on the Ceiling.

Het album kende een grote muzikale diversiteit met acht uiteenlopende nummers, variërend van de sfeervolle en rustige hit ‘Say You, Say Me’ tot energieke funk en reggae.

Voor dit project werkte hij opnieuw samen met producer James Anthony Carmichael.

Daarnaast schakelde hij Sheila E. in voor het slagwerk op Don’t Stop; zij had jaren voordien al in zijn begeleidingsband gespeeld voordat ze via Prince internationale faam verwierf als soloartieste.

Ook gitaarlegende Eric Clapton werkte mee en speelde op het nummer ‘Tonight Will Be Alright’.

De twee kenden elkaar al langer, en telkens wanneer ze elkaar ontmoetten, grapte Clapton dat hij eens met Richie wilde vissen.

Richie verzekerde hem dat hij een belabberde visser was, maar dat hij wél aardige liedjes kon schrijven.

Tijdens het benefietconcert Live Aid in de zomer van 1985 bood Clapton vervolgens spontaan aan om een bijdrage te leveren op de nieuwe plaat.

Het merendeel van de opnames voor Dancing on the Ceiling vond plaats in de vertrouwde Motown-studio’s in Los Angeles, al gaf Richie zelf steevast de voorkeur aan zijn eigen thuisstudio.

Hij werkte het liefst in een ontspannen, vertrouwde omgeving en maakte optimaal gebruik van de nieuwste opnametechnieken.

Zo nam hij ‘Say You, Say Me’ gewoon in zijn eigen woonkamer op.

Richie toonde zich een groot voorstander van digitaal opnemen en trad op als een fervent pleitbezorger van de compactdisc.

Hij zag de cd als een enorme vooruitgang voor songwriters, omdat artiesten op traditioneel vinyl gebonden waren aan de maximale speelduur van zo’n achttien tot twintig minuten per kant.

De cd bood onbeperkte vrijheid qua songlengte en garandeerde bovendien een sublieme geluidskwaliteit.

In zijn werk liet Richie zich vooral leiden door persoonlijke ervaringen uit het dagelijks leven.

Zo schreef hij het nummer ‘Ballerina Girl’ voor zijn destijds vierjarige geadopteerde dochtertje, dat hij voor het eerst in een balletstudio had gezien en dat hem diep had geraakt door haar puurheid en verwondering over de wereld om haar heen.

Wanneer dergelijke inspiratie toesloeg, wachtte hij nooit tot hij weer in zijn studio was.

Bij gebrek aan papier schreef hij zijn ideeën meteen neer op zijn eigen overhemd, een tafellaken of een servet, zelfs in chique etablissementen zoals The Ritz.

Die impulsieve kliederpartijen op linnengoed dwongen hem geregeld tot excuses en hij stuurde herhaaldelijk keurig gestoomde servetten terug naar veeleisende restauranthouders, terwijl zulke gesigneerde memorabilia met de eerste aanzet tot een wereldcompositie op veilingen juist grof geld waard waren.

Naast de release van zijn nieuwe langspeler keek Richie in september 1986 vol enthousiasme uit naar zijn plannen voor het podium.

Waar hij bij eerdere bezoeken aan Europa louter tijd had gehad voor promotieverplichtingen, bereidde hij zich nu voor op zijn allereerste grote Europese tournee, gepland voor april 1987.

Voorheen, in zijn tijd bij The Commodores, konden de verplichtingen nog onder zes bandleden worden verdeeld, maar als soloartiest vroeg alles aanzienlijk meer tijd.

Voordat hij naar Europa zou afreizen, stond er tussen september en december 1986 eerst een uitgebreide concertreeks in de Verenigde Staten op het programma, gevolgd door een korte winterpauze.

Daarbij hoopte hij gastmuzikanten zoals Eric Clapton en Sheila E. ook live aan zijn zijde te krijgen om het podium om te toveren tot een waar muzikaal spektakel.

Veertig jaar na die triomfantelijke periode is de op 20 juni 1949 geboren zanger op 77-jarige leeftijd nog altijd zeer actief in de muziekwereld.

Hoewel hij de afgelopen jaren geen albums met volledig nieuw studiomateriaal heeft uitgebracht – zijn laatste studioalbum Tuskegee dateert van 2012 – blijft hij zijn toonaangevende positie behouden, onder meer als vast jurylid bij het populaire televisieprogramma American Idol.

Gedurende zijn sololoopbaan verkocht Richie wereldwijd tussen de 100 en 125 miljoen platen.

Telt men daar de verkoopcijfers van The Commodores en grote projecten zoals We Are the World bij op, dan ligt dat aantal nog aanzienlijk hoger.

Richie staat nog altijd volop op de planken en reist momenteel rond met zijn Sing a Song All Night Long Tour, samen met Earth, Wind & Fire.

Wel zorgde zijn gezondheid recent voor enige bezorgdheid. Eind augustus 2026 werd hij tijdens het slotnummer van zijn concert in St. Louis in de staat Missouri onwel door vermoedelijke uitdroging, waarna hij uit voorzorg werd opgenomen in het ziekenhuis.

Het was de tweede keer in korte tijd dat zijn fysieke gestel opspeelde, nadat hij in juni 2026 in Minnesota al een optreden voortijdig moest afbreken wegens hevige duizeligheid.

Inmiddels stelt de zanger het weer goed en heeft hij het ziekenhuis verlaten.

De ingehaalde concerten in onder meer San Francisco, Chicago en Columbus staan gepland voor september en begin oktober 2026, waarna hij doorreist naar Las Vegas voor een vaste concertreeks in oktober en november 2026.

Een gepland optreden op 18 augustus 2026 in de Ta’ Qali Concert Area op Malta moest wegens onvoorziene omstandigheden worden uitgesteld naar 2027.

De exacte datum daarvan wordt uiterlijk eind oktober 2026 bekendgemaakt.

Hoewel zijn focus op dit moment volledig op de Noord-Amerikaanse tournee ligt, is de verwachting dat hij rondom het ingehaalde concert op Malta in 2027 extra Europese data zal aankondigen.

30 jaar geleden, Laura Pausini met haar nieuwe kunstwerkje Le Cose Che Vivi

In september 1996 verbleef Laura Pausini in Milaan om haar nieuwe album Le Cose Che Vivi te promoten.

Terwijl het buiten toen zomers warm was met temperaturen rond de vijfendertig graden, zocht zij verkoeling in een hotelkamer waar de airconditioning op volle toeren draaide om de pers te ontmoeten.

Een tolk stond haar bij, aangezien haar beheersing van het Engels destijds nog beperkt was.

Van haar debuutalbum met de doorbraakhit ‘La Solitudine’ waren wereldwijd zo’n twee miljoen exemplaren verkocht, en de opvolger Laura bereikte zelfs nog meer succes.

Toch bleef Pausini nuchter onder alle aandacht. Ze was dankbaar voor haar muzikale loopbaan, al grapte ze dat ze anders wellicht lerares keramiek was geworden, de kunstvorm waarin ze eerder was opgeleid.

In de voorafgaande twee jaar was het in Vlaanderen en Nederland wat stiller rond haar geweest, maar internationaal had ze een enorme ontwikkeling doorgemaakt.

Ze toerde intensief door Europa en Latijns-Amerika, waardoor ze de muziek steeds meer als een volwaardig beroep ging beschouwen.

Die reizen verbreedden haar blikveld aanzienlijk. Ze maakte kennis met uiteenlopende culturen en levensstijlen, wat haar inspireerde om verder te kijken dan het traditionele beeld van Italië.

Die artistieke groei klonk duidelijk door op Le Cose Che Vivi.

Waar haar eerdere werk vooral draaide om jeugdige onschuld en opgroeien, bracht haar nieuwe plaat een volwassener geluid.

Ze schuwde maatschappelijke thema’s niet langer, getuige een nummer als ‘Il Mondo Che Vorrei’, waarin ze pleitte voor solidariteit.

Om haar internationale publiek te bedienen, nam ze haar werk ook op in het Spaans en Portugees, en dacht ze na over Engelstalige versies.

Ook op muzikaal vlak zette ze in die periode flinke stappen.

Voor de opnames werkte ze samen met gerenommeerde sessiemuzikanten, onder wie bassist Nathan East en drummer Steve Ferrone.

Bovendien leerde Pausini beter met haar stem omgaan. In plaats van haar bereik te forceren, bouwde ze bewust rustdagen in om haar stembanden te sparen.

Haar privéleven en carrière waren in die nazomer van 1996 nauw met elkaar verweven via haar relatie met haar toenmalige manager en producer Alfredo Cerruti.

Hoewel ze toen vol liefde over hem sprak, hield ze de boot af wat betreft een huwelijk, omdat ze daar vanuit haar geloofsovertuiging uiterst weloverwogen mee wilde omgaan.

Voor Pausini markeerde september 1996 zo het moment waarop ze definitief uitgroeide van een jong Italiaans talent tot een zelfbewuste, volwassen wereldster.

Haar relatie met Cerruti eindigde rond 2002.

Sinds 2005 vond ze het geluk bij de Italiaanse gitarist en muziekproducent Paolo Carta.

Samen kregen zij in 2013 een dochter, Paola, en in maart 2023 stapten de twee officieel in het huwelijksbootje.

Met Io Canto 2 op zak: Laura Pausini klaar voor nieuwe wereldtournee

Vandaag is de inmiddels 52-jarige zangeres nog altijd volop actief in de internationale muziekwereld.

Zo bracht ze in februari 2026 een nieuw album uit onder de titel Io Canto 2, een maand later, op 13 maart 2026, gevolgd door de Spaanstalige editie.

Op dit album staat onder meer de klassieker ‘Por qué te vas?’, bekend van zangeres Jeanette uit 1975.

Dit nummer werd geschreven door José Luis Perales voor de film Cría cuervos van regisseur Carlos Saura.

In tegenstelling tot de melancholische pop van het origineel kreeg Pausini’s lezing een moderne productie met een subtiele eigentijdse drumbeat, vergezeld van een opvallende videoclip.

Op beide albums zingt ze daarnaast het duet ’16 Marzo’ samen met Achille Lauro.

Begin september 2026 verschenen bovendien ‘Siamo soli nell’immenso vuoto che c’è’ als single en video, een nummer dat eveneens op beide versies staat.

Dit nummer was oorspronkelijk een hit van de Italiaanse singer-songwriter Raf uit 1991.

Pausini, die al jarenlang bewondering koestert voor zijn werk, bracht deze bewerking uit als eerbetoon vlak voor de aftrap van haar nieuwe Europese tournee.

Op het Italiaanse album nam ze tevens een eigen versie op van Madonna’s ‘La Isla Bonita’.

Daarnaast staat haar diepe, jarenlange band met Brazilië centraal in het kader van haar wereldtournee.

Voor haar album bracht ze dan ook Ana Carolina en Ferrugem, twee sterren van verschillende generaties en genres, samen voor het nummer ‘Quem de nós dois’.

Ferrugem vertegenwoordigt de modernere generatie in het trio. Met zijn kenmerkende, soepele stem brengt hij een warme, typisch Braziliaanse sound in het duet, waardoor de ballad een unieke mix krijgt van Italiaanse dramatiek en Braziliaans gevoel.

Een andere single uit beide albums is het nummer ‘La mia storia tra le dita’, opnieuw een cover en dit keer van Gianluca Grignani uit 1994.

Hij bracht destijds zelf in 1995 een Spaanse versie uit onder de titel ‘Mi historia entre tus dedos’, wat in heel Latijns-Amerika en Spanje een gigantische hit werd.

Dit nummer bracht Pausini tevens uit in het Frans als ‘Mon histoire entre les doigts’ en in het Portugees als ‘Quem de nós dois’.

Het publiek in de Lage Landen krijgt binnenkort volop de gelegenheid om haar weer live aan het werk te zien.

Op zondag 25 oktober 2026 staat Laura Pausini op het podium van Vorst Nationaal in Brussel, en op woensdag 24 november 2027 geeft ze voor het eerst in vijftien jaar weer een concert in Nederland, in de Ziggo Dome in Amsterdam.

De single ‘Love’s Unkind’ van Donna Summer werd in de meeste Europese landen een bescheiden hit, met een top 30-notering in de Ultratop en Mega Chart en een top 20-positie in Duitsland en Oostenrijk.

In de Nederlandse Top 40 bleef de plaat steken op nummer 32, terwijl deze in de Vlaamse Ultratop 50 de 25e positie behaalde.

In de UK was het echter in maart 1978 een top 3-hit, na ‘I Feel Love’ haar grootste Britse singlesucces, en in Ierland bereikte de single zelfs een tweede plaats.

Hoewel de single in de Verenigde Staten nooit los is uitgebracht, bereikte deze daar wel de eerste plaats in de Billboard Dance Chart, omdat destijds het volledige album als één hitnotering telde.

Afhankelijk van het land waar de 7-inch single werd geperst, stond op de B-kant het nummer ‘Autumn Changes’ of ‘Black Lady’.

Ook bij deze opname zaten Giorgio Moroder en Pete Bellotte achter de knoppen.

Het vaste succesteam componeerde en produceerde de muziek, terwijl Donna Summer zelf de tekst schreef.

Het nummer is de tweede track op haar succesvolle conceptalbum ‘I Remember Yesterday’, waarop Love’s Unkind specifiek teruggreep naar de vrolijke girlgroup-sound en de sfeer van de jaren vijftig, maar dan verpakt in een strak discojasje.

De lp verscheen in de lente van 1977, amper 7 maanden na haar vorige album.

Voor het album ‘I Remember Yesterday’ valt er achter de schermen heel wat te ontdekken over de innovatieve werkwijze van Donna Summer en haar producers.

Het bijbehorende album is een van de meest invloedrijke platen uit het videotijdperk van de disco geworden.

Op een discobeat mijmert ze vooral over haar verleden, waarbij het overkoepelende muzikale concept letterlijk door de tijd reist. Donna Summer combineerde hierop moderne discobeats met muzikale stijlen uit eerdere decennia.

Het retroconcept van het album leverde opvallende momenten op.

Om de sfeer van de vroege decennia perfect te vangen, beperkte het team zich niet tot de instrumenten alleen.

Donna Summer paste haar zangtechniek per nummer aan en imiteerde bewust de zangstijlen en microfoontechnieken uit die specifieke tijdperken.

De nummers op de A-kant en het begin van de B-kant weerspiegelen verschillende decennia uit de muziekgeschiedenis en hebben telkens betrekking op een bepaalde periode.

De titelsong ‘I Remember Yesterday’ eert de jarenveertig-bigband-stijl, waarvoor ze zong met de theatrale dictie van een bigband-zangeres.

Vervolgens kijkt ‘Love’s Unkind’ naar de jaren vijftig.

Voor dit nummer liet ze haar stem veel lichter en jeugdiger klinken om de typische sound te evenaren.

De tekst is een herinnering aan de onschuldige perikelen van een schoolcrush, haar eerste verliefdheid op een klasgenootje en een liefdesdriehoek in de klas.

Het daaropvolgende nummer ‘Back in Love Again’ vertegenwoordigt daarna de jaren zestig met een herkenbare Motown-stijl.

Aan het einde van het album maakt Donna Summer de sprong naar de toekomst met de grensverleggende afsluiter ‘I Feel Love’, die destijds volledig met synthesizers werd gemaakt en de blauwdruk werd voor de moderne dancemuziek.

Dit futuristische slotnummer veranderde de popmuziek voorgoed, maar de opname ervan was een technisch hoogstandje.

Giorgio Moroder wilde een nummer maken dat volledig elektronisch was om de toekomst te symboliseren.

In 1977 was dat een enorme uitdaging, omdat synthesizers destijds snel ontstemden door de warmte in de studio.

De apparatuur moest elk uur opnieuw worden afgesteld om de typerende, strakke baslijn zuiver te houden.

De enige niet-elektronische bijdrage aan de hele track is de kickdrum, die live werd ingespeeld door drummer Keith Forsey, omdat een drumcomputer destijds nog niet krachtig genoeg klonk.

Toen David Bowie het nummer voor het eerst hoorde in een studio in Berlijn, rende hij naar Brian Eno en riep dat dit het geluid van de toekomst was dat de clubmuziek de komende twintig jaar zou gaan beheersen.

Wereldwijd werd het album een commercieel groot succes.

Het bereikte de top 10 in diverse Europese landen, waaronder Nederland, Oostenrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, terwijl de plaat in Italië en Spanje zelfs de eerste plaats wist te veroveren.

Er zijn miljoenen exemplaren van het album over de toonbank gegaan.

Alleen al in de Verenigde Staten was de verkoop goed voor meer dan een miljoen exemplaren, en ook in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk werden honderdduizenden platen verkocht.

55 jaar geleden, de verzamelaar Top Star Festival

In 1971 bracht een bijzonder erecomité een dwingende boodschap naar buiten om aandacht te vragen voor een wereldwijd probleem.

Het comité introduceerde de verzamelaar Top Star Festival, een uitzonderlijke artistieke prestatie die destijds met enthousiasme werd aanbevolen.

Het luistergenot van de kopers werd destijds vergroot door de wetenschap dat zij met hun aankoop tegelijkertijd de talloze vluchtelingen in de wereld hielpen, mensen die destijds veel minder bevoorrecht waren.

Grote artiesten verleenden destijds belangeloos hun medewerking aan dit album. Ook de grammofoonplatenindustrie, de Amerikaanse Federatie van Musici, componisten, tekstdichters en muziekuitgevers werkten in die periode intensief samen.

Zij maakten het destijds mogelijk om snel te reageren op een nobel en menslievend appèl.

Deze onbaatzuchtige inzet had destijds echter pas echt zin als het publiek de plaat kocht en aanbeval bij vrienden.

De leden van het erecomité van de Hoge Commissaris spraken destijds, namens de vluchtelingen over de gehele wereld, hun oprechte dank uit aan iedereen die aan het album meewerkte.

Onder de betrokkenen bevonden zich destijds bekende namen zoals Burt Bacharach, Dave Brubeck, Duke Ellington, David Frost en Paul Mauriat.

In die tijd werden vluchtelingen gedefinieerd als mensen die door angst voor vervolging gedwongen waren hun huis en vaderland te verlaten.

Om hen te beschermen en bij te staan, had de internationale volkerengemeenschap destijds de United Nations Relief and Works Agency opgericht, die zich specifiek richtte op Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten.

Alle overige vluchtelingen stonden destijds onder de hoede van de United Nations High Commissioner for Refugees.

De voornaamste taak van de UNHCR was destijds het bieden van internationale bescherming. In de toenmalige moderne wereld was een mens zonder land immers een mens zonder rechten.

Op verzoek van de gastlanden hielp de organisatie destijds in eerste instantie met minimale materiële bijstand om te overleven, om vervolgens te zoeken naar blijvende oplossingen.

Het uiteindelijke doel was destijds om te zorgen dat iemand geen vluchteling meer hoefde te zijn, bijvoorbeeld door vrijwillige terugkeer of door het aannemen van een nieuwe nationaliteit.

Destijds vielen naar schatting zo’n tweeënhalf miljoen vluchtelingen onder de bescherming van de organisatie.

De verdeling over de continenten liet in die periode een miljoen vluchtelingen in Afrika zien, honderdzestigduizend in Azië, zevenhonderdvijftigduizend in Europa en nog eens ruim zeshonderdvijfenzestigduizend elders.

Een groot deel van hen had destijds nog altijd acute materiële hulp nodig. Het succes van de UNHCR steunde in die tijd op een zuiver humanitaire, niet-politieke en pragmatische benadering.

Door vluchtelingen te helpen met hun vestiging, nam de organisatie destijds die bron van potentiële spanningen weg, wat direct bijdroeg aan de vrede en stabiliteit in de wereld.

Hoewel de schaal in de vroege jaren zeventig al aanzienlijk was, is de problematiek in de decennia daarna exponentieel gewijzigd door een samenspel van verschillende oorzaken.

Ter vergelijking: de UNHCR rapporteert dat er in 2026 wereldwijd naar schatting 120 miljoen mensen op de vlucht zijn of gedwongen zijn ontheemd, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en binnenlandse ontheemden.

Dit enorme verschil met 1971 laat zich deels verklaren door de groei van de wereldbevolking, waardoor conflicten grotere groepen mensen treffen.

Ook het karakter van conflicten is veranderd van kortstondige oorlogen tussen staten naar langdurige binnenlandse burgeroorlogen, waardoor terugkeer vaak onmogelijk blijft.

Daarnaast spelen tegenwoordig nieuwe factoren een grote rol, zoals klimaatverandering en extreme weersomstandigheden die gebieden onbewoonbaar maken.

Tot slot zorgen de moderne globalisering, betere transportnetwerken en een snellere toegang tot informatie ervoor dat grotere groepen mensen lange afstanden kunnen afleggen om aan uitzichtloze situaties te ontsnappen, wat ook leidt tot een hogere registratie van asielzoekers wereldwijd.

Het exacte aantal van rond de zevenhonderdvijftigduizend of ruim zeshonderdvijfenzestigduizend vluchtelingen en asielzoekers dat jaarlijks Europa binnenkomt, is de afgelopen jaren een constant gegeven in de statistieken van Eurostat en de UNHCR.

Zo werden er in 2025 in de hele Europese Unie bijvoorbeeld een kleine 670.000 eerste asielaanvragen geregistreerd.

Deze mensen komen uit verschillende delen van de wereld, waarbij enkele landen al jarenlang de grootste groep asielzoekers leveren vanwege aanhoudende oorlogen, politieke instabiliteit of economische crises.

De belangrijkste herkomstregio’s en landen zijn tegenwoordig het Midden-Oosten, waarbij Syrië al sinds 2013 de grootste leverancier van asielzoekers in Europa is, omdat mensen daar nog steeds de gevolgen van de slepende burgeroorlog en de repressie ontvluchten.

Daarnaast komen er aanzienlijke aantallen vluchtelingen uit Turkije, Irak en Jemen.

In Azië staat Afghanistan steevast in de top drie van herkomstlanden; sinds de machtsovername door de Taliban zoeken veel Afghanen een veilig heenkomen in Europese landen, met name in Duitsland.

Ook uit landen als Pakistan en Bangladesh reizen groepen mensen richting Europa.

Een zeer grote en opvallende stroom is afkomstig uit Zuid- en Midden-Amerika, met name uit Venezuela en Colombia.

Door de diepe economische en politieke crisis in Venezuela is een miljoenenstroom op gang gekomen, waarvan een aanzienlijk deel via Spanje Europa probeert binnen te komen, waardoor Venezolanen in recente Europese statistieken soms zelfs de grootste groep eerste aanvragers vormen.

Uit het Afrikaanse continent komen vluchtelingen hoofdzakelijk uit landen met dictatoriale regimes of interne conflicten, waarbij Eritrea en Somalië de bekendste voorbeelden zijn, maar er is ook instroom vanuit landen als Nigeria, Marokko, Algerije en Tunesië.

Daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat de miljoenen Oekraïners, die sinds de Russische inval in 2022 naar de Europese Unie zijn gevlucht, meestal buiten de reguliere asielstatistieken vallen. Dit komt omdat zij via een speciale Europese richtlijn direct een tijdelijke beschermingsstatus kregen, zonder de gewone asielprocedure te hoeven doorlopen.

In 1971 lag de situatie op het gebied van vluchtelingenstromen in Europa heel anders dan in 2026.

Het cijfer van zevenhonderdvijftigduizend vluchtelingen dat destijds werd genoemd, had een totaal andere achtergrond en de herkomstgebieden waren destijds niet te vergelijken met de huidige crisisgebieden.

In de vroege jaren zeventig kwamen grote groepen vluchtelingen binnen Europa inderdaad voor een heel belangrijk deel uit Oost-Europa en Centraal-Europa.

Door de Koude Oorlog en het IJzeren Gordijn ontvluchtten veel mensen het communistische regime in het Oostblok. Grote stromen kwamen destijds uit landen als Tsjecho-Slowakije, na het neerslaan van de Praagse Lente in 1968, en uit Polen en Hongarije om politiek asiel te zoeken in West-Europese landen.

Daarnaast was er in die specifieke periode rond 1971 een grote vluchtelingenstroom buiten Europa die indirect ook impact had, namelijk door de onafhankelijkheidsoorlog in Bangladesh (toen nog Oost-Pakistan), wat destijds miljoenen mensen op de vlucht joeg, al bleven de meesten daarvan in de regio zelf opgevangen.

Ook de politieke spanningen in het Midden-Oosten zorgden toen voor de eerste migratiestromen, maar de massale asielaanvragen uit landen als Syrië, Afghanistan of Venezuela, zoals we die nu kennen, bestonden toen nog niet.

Het cijfer is in de loop der jaren dus weliswaar in omvang soms vergelijkbaar gebleven, maar de geografische oorsprong en de politieke redenen achter de vluchtelingenstromen zijn tussen 1971 en 2026 compleet verschoven van de Europese binnengrenzen naar conflictgebieden ver daarbuiten.

Met de explosieve groei van het aantal vluchtelingen zijn uiteraard ook de benodigde budgetten en de internationale steun meegegroeid.

In 1971 beschikte de UNHCR over een regulier operationeel budget van ongeveer 7 miljoen dollar, al werd dat jaar door de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh ook nog eens ruim 115 miljoen dollar aan extra noodhulp ingezameld via speciale oproepen.

In die tijd zegden 74 overheden een financiële bijdrage toe.

In 2026 liggen de bedragen in een totaal andere orde van grootte, met een vastgestelde totale budgetbehoefte van ruim 8,5 miljard dollar.

Vrijwel alle lidstaten van de Verenigde Naties dragen tegenwoordig op een of andere manier bij, al komt de kern van de financiering van een vaste groep donorlanden en de Europese Unie.

De verhoudingen binnen deze internationale financiering zijn zeer scheef verdeeld, aangezien de UNHCR bijna volledig afhankelijk is van vrijwillige bijdragen.

Grote mogendheden zoals China en Rusland betalen weliswaar mee, maar hun aandelen zijn uiterst beperkt; China schenkt doorgaans minder dan 0,1 procent van het totale budget en Rusland schommelt vaak rond de 0,05 procent.

India hanteert een soortgelijk beleid en kiest voor een minimale rechtstreekse bijdrage van enkele honderdduizenden dollars, ondanks de vele vluchtelingen die het land zelf opvangt.

De regio Zuid-Amerika draagt via individuele landen zoals Brazilië, Chili en Colombia gezamenlijk voor minder dan 0,5 procent bij aan het wereldwijde budget, mede omdat veel landen daar zelf grote interne ontheemdenstromen moeten opvangen met steun van de organisatie.

De rijke olielanden in de Golfregio vormen een wisselende factor; zij dragen circa 1 tot 2 procent bij, maar doen dit bijna uitsluitend in de vorm van ad-hoc noodhulp die specifiek is geoormerkt voor crises binnen de Arabische of islamitische wereld.

Alles bij elkaar genomen vertegenwoordigen Rusland, China, India, Zuid-Amerika en de olielanden nog geen 3 procent van het geheel.

De resterende 97 procent van het miljardenbudget wordt opgebracht door de traditionele westerse partners, waarbij de rol van de belangrijkste lidstaten cruciaal blijft.

Soms kent de geschiedenis politieke verschuivingen, zoals begin 2026, toen de Amerikaanse regering een grootschalige terugtrekking aankondigde uit maar liefst 66 internationale organisaties en VN-organen, waaronder verschillende klimaat- en handelsorganisaties.

De Amerikaanse administratie maakte destijds echter een expliciete uitzondering voor een klein aantal organisaties die als cruciaal voor de veiligheid of humanitaire belangen worden gezien.

De VN-vluchtelingenorganisatie viel onder die uitzondering, waardoor de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag nog altijd lid zijn van de UNHCR en de werking ervan actief ondersteunen.

De Verenigde Staten zijn historisch gezien en ook nu nog altijd de absolute koploper en de grootste individuele financier en betaler van de UNHCR.

De Amerikaanse overheid maakt jaarlijks gigantische bedragen over die de basis vormen van het budget, met totale bijdragen die steevast ruim boven de 2 miljard dollar per jaar liggen en recent zelfs opliepen tot ruim 2,4 miljard dollar.

Er zijn geen andere individuele landen die nog meer betalen dan de Verenigde Staten.

Het internationale blok, namelijk de Europese Unie, is de enige speler die het Amerikaanse volume evenaart, omdat de Europese Commissie de individuele bijdragen van alle Europese lidstaten samenvoegt.

Binnen die westerse gemeenschap nemen ook Nederland en Vlaanderen hun verantwoordelijkheid.

Nederland behoort van oudsher tot de belangrijkste internationale donateurs en schenkt jaarlijks stabiele bedragen van rond de 90 tot 100 miljoen dollar.

Dit geld wordt bewust grotendeels flexibel en ongeoormerkt overgemaakt, waardoor Nederland stevig in de wereldwijde top tien van grootste overheidsdonateurs staat.

Vlaanderen draagt als regio binnen België onafhankelijk bij met gerichte projectsteun en bijdragen aan het noodhulpfonds.

De Vlaamse overheid maakt hiervoor jaarlijks bedragen vrij die variëren van enkele honderdduizenden tot 1 à 2 miljoen euro, terwijl de federale overheid van België daarnaast nog eens tientallen miljoenen euro’s aan de organisatie overmaakt.

De grootste vluchtelingenproblemen concentreerden zich in 1971 in Afrika en Azië.

Veel landen in deze werelddelen waren in die periode pas kort onafhankelijk en misten de nodige financiële middelen voor hun eigen nationale ontwikkeling. Hoe gastvrij deze jonge naties destijds ook waren met het verlenen van asiel en het toewijzen van land, er kon destijds niet van hen worden verwacht dat zij de enorme kosten van deze plotselinge vluchtelingenstromen alleen droegen.

Dat was het moment waarop de UNHCR te hulp schoot.

De vestiging van vluchtelingen in Afrika en Azië vereiste destijds die opbouw van compleet nieuwe gemeenschappen in dunbevolkte gebieden.

In die tijd moesten er wegen en bruggen worden aangelegd, bossen worden gekapt, moerassen worden drooggelegd en waterputten worden gegraven.

Ook de bouw van scholen, apotheken en de distributie van gereedschap, zaden en geneesmiddelen eisten destijds enorme investeringen.

Omdat de overheidssubsidies en particuliere giften in die periode niet toereikend waren, zocht de Hoge Commissaris destijds rechtstreeks steun bij het grote publiek.

Voor dat doel waren er destijds al drie eerdere elpees uitgebracht, waar Top Star Festival in 1971 aan werd toegevoegd.

De volledige netto-opbrengst van de verkoop van deze grammofoonplaten werd destijds door de UNHCR en de UNRWA uitsluitend gebruikt voor de directe bijstand aan vluchtelingen.

De muziek op de plaat werd destijds uitgebracht met officiële toestemming van verschillende internationale muziekuitgevers, die de rechten voor de nummers op kant een en kant twee voor dit goede doel beschikbaar stelden.

Vandaag is het ook al 15 jaar geleden dat Amy Winehouse is overleden.

Amy vormde op haar tiende al met haar vriendin Juliette het duo Sweet ‘n’ Sour dat vooral door Salt ‘n’ Pepa beïnvloed werd.

Op haar 14de schaft ze zich een gitaar aan en begint ze eigen liedjes te schrijven.

Nadat ze (wegens een neuspiercing) van de Sylvia Young Theatre School werd gegooid, zette Amy haar opleiding voort aan de befaamde BRIT School.

Dankzij de bevriende soulzanger Tyler James komen haar demo’s terecht bij Simon Fuller, de ex-manager van The Spice Girls.

Amy debuteert in 2003 met het album ‘Frank’.

De eerste single ‘Stronger Than Me’ levert haar in 2004 de Ivor Novello Award op. Dat is de prijs voor de beste song en compositie die jaarlijks in Groot-Brittannië wordt uitgereikt.

Datzelfde jaar staat ze op Glastonbury en het Montreal International Jazz Festival.

In tegenstelling tot het eerder jazzy ‘Frank’ kiest ze in 2007 voor de opvolger ‘Back In Black’ voor een combinatie van soul, rhythm ‘n’ blues en de 60s-pop van meidengroepen als The Ronettes en The Shirelles.

Ze huurt de befaamde Sharon Jones en haar Dap-Kings in als backinggroep.

In de lente van 2006 draait DJ/producer Mark Ronson de eerste demo’s in zijn programma op een Amerikaans radiostation.

Amy had een inventieve manier om haar songs te promoten.

Ze stak een cd in de taxi van haar vader Mitch, zodat veel mensen kennismaakten met haar muziek.

Het door Ronson geproduceerde ‘Back In Black’ is een doorslaand succes. Het wordt het best verkochte album van 2007 in Groot-Brittannië.

Op de uitreiking van de Grammy Awards wordt ze de eerste Britse zangeres die 5 Grammy’s wint.

Ze mag de prijs voor o.a. beste popalbum en beste song in ontvangst nemen en ze wordt genomineerd voor beste album.

De plaat levert 5 hitsingles op en gaat wereldwijd meer dan 13 miljoen keer over de toonbank.

Alleen al in de UK worden er 3,5 miljoen stuks van verkocht.

Het was gedurende een tijd de bestverkochte plaat van de 21ste eeuw, totdat ‘21’ van Adele in 2011 deze passeerde.

‘Valerie’, een cover van The Zutons, is in veel landen haar grootste hit.

Het nummer staat op ‘Version’, het tweede studioalbum van Mark Ronson.

In Nederland wordt het een n°1-hit, in Vlaanderen komt ze niet verder dan n°18.

Later wordt de single ook toegevoegd aan de deluxe-editie van de plaat. In de Ultratop 50 is ‘Rehab’ het succesvolst.

Het is bij ons haar enige top 10-hit.

De 3de single ‘Back To Black’ gaat over Amy’s tumultueuze relatie met Blake Fielder-Civil.

En vooral de nasleep van hun breuk nadat hij haar liet zitten voor een ander.

De term “back to black” verwijst naar haar terugval in een depressie en de bijbehorende drank- en drugsverslaving.

De single werd vooral een groot succes in de Duitstalige landen (top 10) en Griekenland, waar het een n°1-hit werd.

Amy kan het succes echter moeilijk plaatsen en verliest zich steeds meer in de drank. In relaties kent ze ook bitter weinig geluk.

Optredens moet ze meer en meer afzeggen of vroegtijdig stopzetten, omdat ze niet in staat is om op een podium te staan.

Ze komt dan ook steeds meer op een negatieve manier in het nieuws.

Plannen voor een nieuw album worden vanwege haar toestand steeds weer uitgesteld.

Totdat het licht definitief uitgaat op 23 juli 2011.

Er worden postuum nog twee singles uitgebracht, ‘Our Day Will Come’, een Amerikaanse n°1 voor Ruby & The Romantics, enkel in IJsland en Japan een hit, en ‘Body & Soul’, haar laatste opname en een duet met Tony Bennett.

Daarna volgt het postume album ‘Lioness: Hidden Treasures’ (n°3 in de Ultratop Album Top 100) met vroegere opnames, geselecteerd door Mark Ronson.

Tony Bennett en Amy Winehouse met hun nummer Body and Soul

Hun paden kruisten elkaar in maart 2011 in de beroemde Abbey Road Studios in Londen voor de opname van de klassieke jazzstandaard Body and Soul.

Dit legendarische nummer heeft zelf ook een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1930.

Het werd gecomponeerd door Johnny Green, met tekst van Edward Heyman, Robert Sour en Frank Eyton.

Oorspronkelijk werd het geschreven in Londen voor actrice Gertrude Lawrence, maar het groeide in de Verenigde Staten al snel uit tot een ware sensatie na de uitvoering door Libby Holman in de Broadway-revue Three’s a Crowd.

Al in de jaren dertig omarmde de jazzwereld het stuk gretig; grote namen als Louis Armstrong en het Benny Goodman Trio maakten er vroege opnames van.

De absolute mijlpaal voor het nummer kwam in 1939 met de legendarische instrumentale uitvoering van saxofonist Coleman Hawkins, die met zijn grensverleggende improvisaties de basis legde voor de moderne jazz en van Body and Soul de ultieme jazzklassieker maakte.

Deze samenwerking in 2011 bleek achteraf een historisch en emotioneel moment te zijn, aangezien het de allerlaatste studio-opname van Winehouse werd voor haar vroegtijdige overlijden in juli van datzelfde jaar.

Tijdens de sessie toonde Bennett zich een geduldige mentor, wat Winehouse hielp om haar zenuwen te overwinnen en een adembenemende prestatie neer te zetten.

De chemie tussen de ervaren veteraan en de jonge vocaliste was voelbaar in elke noot, waarbij hun stemmen naadloos samensmolten in een melancholische vertolking.

Het nummer werd uiteindelijk uitgebracht op het album Duets II van Bennett en won later een Grammy Award.

De opbrengst van de single ging naar de Amy Winehouse Foundation om jongeren te ondersteunen.

Body and Soul blijft hierdoor niet alleen een muzikaal hoogtepunt, maar ook een blijvend monument voor de verbinding tussen twee generaties topmuzikanten.

Een terugblik op de Canadese zanger Donny Gerrard en zijn titelloze debuutalbum van precies 50 jaar geleden.

Donny Gerrard, voluit Donald Bradford Gerrard, was een Canadese zanger die vooral bekend werd dankzij zijn indrukwekkende, soulvolle stem, waarmee hij zowel als frontman en als veelgevraagd achtergrondzanger een rijke carrière opbouwde.

Hij werd geboren op 19 maart 1946 in Vancouver en begon al als kind te zingen.

Zijn talent werd in 1961 opgemerkt tijdens een kerkelijk evenement, waarna hij als tiener zijn eerste groep oprichtte: Donny Gerrard and the Checkmates.

Na wat omzwervingen, waaronder een periode als bassist in de Night Train Revue en optredens in Las Vegas-lounges, zette hij zijn eerste grote stappen in de muziekwereld begin jaren zeventig als de leadzanger van de pop- en soulband Skylark.

Deze groep, waar ook de latere topproducer David Foster deel van uitmaakte, scoorde in 1973 een hit met het emotionele nummer Wildflower.

Het was vooral de loepzuivere en krachtige vocale prestatie van Gerrard die dit nummer tot een tijdloze klassieker maakte.

Na het uiteenvallen van Skylark halverwege de jaren zeventig, besloot hij zich te richten op een solocarrière.

In 1976 bracht hij op het platenlabel Greedy Records zijn titelloze debuutalbum Donny Gerrard uit.

De arrangementen voor deze plaat werden geschreven door Robert Louis Buchanan, die tevens de productie onder handen nam en dit samen met Henry Grumpo Marx.

Dit album is een prachtige weerspiegeling van zijn veelzijdigheid als zanger en mengt soepele soul, r&b en subtiele popinvloeden tot een elegant geheel.

Naast het grote succes van de single Words (Are Impossible) stonden er nog meer fantastische nummers op de tracklist die zijn bereik perfect benadrukten.

Luisteraars konden wegdromen bij sfeervolle nummers zoals ‘Peace For Us All’, ‘Stay Awhile With Me’, ‘Darlin’ en zijn cover ‘The Long And Winding Road’ van de Beatles, terwijl tracks als ‘Stand Up’ en ‘Greedy (For Your Love)’ juist zorgden voor een fijne, opzwepende energie.

Het geheel liet horen dat Gerrard moeiteloos kon schakelen tussen zwoele ballads en meer dynamische, soulvolle tracks.

De geschiedenis van het bekendste lied van dit album, Words (Are Impossible), begint in 1973 met de Italiaanse zanger Giampiero Anelli, beter bekend als Drupi, die het origineel uitbracht als Vado Via.

Dit werd een aanzienlijk succes in de Lage Landen: het bereikte in Vlaanderen de zeventiende plaats in de BRT Top 30 en werd in Nederland in september 1973 tot Alarmschijf verkozen, waarna het doorstootte naar de zevende plek in de Top 40.

Een jaar later, in 1974, bracht de Amerikaanse soulzangeres Margie Joseph de eerste Engelstalige versie uit, wat haar een hit opleverde in de Amerikaanse r&b-hitlijsten.

Twee jaar later, in 1976, was het de beurt aan Donny Gerrard om er zijn eigen, prachtige draai aan te geven.

Zijn uitvoering gaf zijn expressieve stembanden perfect de ruimte om te schitteren en leverde hem een bescheiden 87e plaats op in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

Hoewel zijn debuutalbum destijds door critici en muziekkenners zeer werd geprezen omwille van de vlekkeloze productie van Buchanan en Gerrards warme stemgeluid, bleef een gigantisch commercieel succes helaas uit.

Tegenwoordig wordt het echter door liefhebbers van zeventigerjaren-soul beschouwd als een vergeten pareltje dat absoluut de moeite waard is om te beluisteren.

Voor zijn tweede album, dat de titel The Romantic kreeg, moesten de fans overigens erg veel geduld hebben; dit verscheen namelijk pas in 1999.

Na zijn avontuur als soloartiest bouwde Gerrard een buitengewoon succesvolle carrière op als sessie- en achtergrondzanger.

Zijn stem was in de decennia die volgden te horen op talloze albums en tijdens optredens van absolute grootheden uit de muziekindustrie, waaronder Elton John, Bruce Springsteen, Bob Seger, Cher en Bette Midler.

Daarnaast dook hij in de jaren tachtig nog op bij bijzondere projecten.

Zo nam hij in 1985 met Amy Holland een duet op voor de soundtrack van de bekende film St. Elmo’s Fire en werkte hij in datzelfde jaar met een hele reeks bekende artiesten mee aan ‘Tears Are Not Enough’, een Canadese benefietsingle om geld in te zamelen voor de hongersnood in Ethiopië.

Bij beide projecten werkte hij overigens weer even samen met zijn oude Skylark-bandgenoot David Foster.

In de latere jaren van zijn leven was hij een onmisbare en vaste kracht in de band van gospel- en soullegende Mavis Staples.

Hij toerde wereldwijd met haar en zijn warme bariton vormde een prachtige aanvulling op haar kenmerkende rauwe stem, wat ook goed te horen is op haar succesvolle albums uit die periode.

Hij was tot aan zijn dood getrouwd met zijn vrouw Myra, met wie hij een zoon, Cooper, had.

Uit een eerdere relatie had hij ook nog een ander kind, namelijk Traie Payne.

Donny Gerrard bleef optreden en zingen tot zijn gezondheid het niet meer toeliet.

Hij overleed op 3 februari 2022 op 75-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker, terwijl hij in een hospice verbleef in zijn woonplaats Santa Fe in de Amerikaanse staat New Mexico.

45 jaar geleden, Making Movies: Mark Knopfler, de loodzware tour en de pijnlijke breuk met broer David

Na het sensationele debuutalbum met de klassieker ‘Sultans of Swing’ was het misschien niet zo vreemd dat de tweede plaat enigszins teleurstelde.

Met Making Movies had Knopfler, de centrale figuur in de band – zich echter ongelooflijk herpakt.

Het geluid bleef herkenbaar als Dire Straits, maar was nu verrijkt met verrassende loopjes, invallen en variaties die men van een muzikant als hij mocht verwachten.

Tijdens de opnames van het derde album Making Movies in New York liepen de spanningen tussen de broers echter hoog op.

Ze konden artistiek en persoonlijk niet meer door één deur.

Na heftige discussies verliet David de band.

Mark nam vervolgens alle gitaarpartijen van David opnieuw op en David werd niet eens vermeld op de hoes van het album.

Sinds het pijnlijke vertrek van David uit Dire Straits in 1980 spreken de twee broers elkaar niet meer.

David heeft in interviews aangegeven dat de situatie een zware schaduw over hun levens en families heeft geworpen.

Hij omschreef het destijds als een situatie waarin ze in de studio met hun ogen naar de vloer gericht liepen en er geen sprake meer van communicatie was.

De diepte van de breuk werd nogmaals pijnlijk duidelijk toen Dire Straits in 2018 werd opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame.

Mark Knopfler weigerde simpelweg te komen opdagen, mede om te voorkomen dat hij met zijn broer geconfronteerd zou worden.

David liet daarop via social media weten dat Mark de reünie en de fans had koudgesteld.

Tot vandaag is het conflict nooit bijgelegd; beide broers hebben hun eigen weg gekozen in de muziek en leven volledig langs elkaar heen.

Terwijl David zijn eigen weg zocht, ploegde Mark met zijn band door een loodzware tour.

Hij had, zoals hij zelf zei, “the road kills me” – en toch wilde hij niets anders.

Elke avond speelde hij alsof zijn leven ervan afhing, puur uit respect voor het publiek.

De fans betaalden immers flink voor een ticket, en een rockband die haar publiek serieus neemt, levert elke avond het beste wat ze in huis heeft.

Op de vraag of ‘Sultans of Swing’ niet begon te vervelen, antwoordde hij dat hij niet elke avond stond te popelen om het te spelen, maar dat het publiek het nummer nu eenmaal wilde horen.

Bovendien zag hij het als een uitdaging om zo’n klassieker elke avond opnieuw fris en levendig te laten klinken.

Tijdens een optreden moet een muzikant talloze, soms sterk uiteenlopende emoties uit zijn instrument en zijn lijf toveren.

Mark vertelde dat het nummer hem nog altijd raakte, omdat hij de intentie erachter kende: hij had het geschreven, erop gezweet, erom gehuild en gevloekt.

Die emoties kwamen terug zodra hij de nummers speelde.

Nummers als ‘Expresso Love’ en ‘Solid Rock’ waren pure krachtexplosies en snelheid.

Hij had geleerd dat je aan zulke songs niet te lang moet sleutelen, anders verlies je het momentum.

De langzamere nummers, zoals ‘Tunnel of Love’, kwamen voort uit een dieper deel van zijn wezen.

Daar had hij weken aan gewerkt, stap voor stap, op zoek naar perfectie – al gebruikte hij dat woord met enige aarzeling.

Zo’n energieverslindende tournee leek funest voor de creativiteit, maar volgens Mark viel dat reuze mee.

Ondanks te weinig slaap, constante geestelijke en lichamelijke ontwrichting en elk gevoel voor tijd en plaats kwijt, was hij voortdurend met muziek bezig: de show moest blijven vlammen, en daarnaast broedde hij al op ideeën voor het volgende album.

Die zou pas echt vorm krijgen zodra hij zijn normale ritme weer terug had.

Destijds was hij een voorstander van snel werken: een album in een week of zes opnemen, gevolgd door een week voor de eindmix. Perfect of niet, het was rock-’n-roll en dat moest vaart hebben.

Op de vraag of ‘Making Movies’ zo goed was geworden omdat de pers ‘Communiqué’ zo zwak vond, antwoordde Mark dat dat onbewust misschien een rol had gespeeld.

Hij had echter nooit gedacht dat ‘Communiqué’ het einde van Dire Straits zou betekenen.

Hooguit een kleine impasse, al was hij daar niet eens zeker van.

Men vergeleek alles altijd met zijn allerbeste nummer, wat hij onterecht vond.

Na het eerste album werd hij de hemel in geprezen, na de tweede onder het tapijt geveegd.

Hij geloofde niet dat het kwaliteitsverschil zo groot was.

Het voordeel was wel dat de derde plaat alleen maar kon meevallen – en volgens pers en publiek was dat in juli 1981 overduidelijk het geval.

Van het legendarische Making Movies (1980) gingen naar schatting 5 tot 7 miljoen exemplaren over de toonbank.

In hun thuisland behaalde de plaat dubbelplatina, goed voor meer dan 600.000 verkochte albums.

In de Verenigde Staten werd het album bekroond met de platinastatus (minstens 1 miljoen exemplaren), terwijl het in Italië in 1981 zelfs het bestverkochte album van het jaar was met meer dan 1 miljoen verkochte stuks.

Het succes van Dire Straits is dan ook indrukwekkend: wereldwijd verkocht de band tussen de 100 en 120 miljoen platen.

Hun absolute meesterwerk Brothers in Arms (1985) is met ruim 30 miljoen exemplaren een van de bestverkochte albums aller tijden.

Mark Knopfler zelf, die in 1949 werd geboren in Glasgow en op zijn zevende naar Newcastle verhuisde, heeft als soloartiest naar schatting 10 tot 15 miljoen albums verkocht, waarbij Sailing to Philadelphia (2000) met meer dan 2,5 miljoen stuks zijn commercieel meest succesvolle plaat is.

De inmiddels 76-jarige muzikant is nog altijd actief, al is hij definitief gestopt met live toeren.

Zijn meest recente soloalbum is One Deep River (2024).

Hij woont al tientallen jaren in Londen, nabij zijn eigen British Grove Studios in Chiswick, en bezit daarnaast een landelijk huis in de regio New Forest waar hij zich regelmatig terugtrekt.

Na zijn vertrek uit Dire Straits in 1980 heeft David Knopfler een constante en productieve solocarrière opgebouwd, waarin hij meer dan 15 soloalbums heeft uitgebracht.

Naast het maken van muziek is hij ook actief als dichter en auteur.

Hij treedt daarnaast sporadisch op en werkt nauw samen met zijn vaste producer en muzikant Harry Bogdanovs.

Deze maand, op 4 juli 2026, bracht hij de single Tell Me Something uit, een samenwerking met de Britse singer-songwriter Colin Goodger.

Dire Straits, als van ouds (Veronica, 15 juli 1981)

Het is inmiddels alweer 45 jaar geleden dat Elton John het nummer Nobody Wins uitbracht, afkomstig van zijn album The Fox uit 1981.

Voor zover ik weet, was het de eerste keer dat Elton zich waagde aan een Franstalige cover.

Het origineel, ‘J’veux d’la tendresse’, werd geschreven door Jean-Paul Dreau en destijds gezongen door de Franse zangeres Janic Prevost.

Op uitdrukkelijk aandringen van Elton voorzag zijn toenmalige schrijfpartner Gary Osborne de track van een Engelse tekst.

Het resultaat is een aangrijpend nummer dat de scheefgegroeide verhoudingen in het mislukte huwelijk van zijn ouders beschrijft, en de diepe impact die deze situatie op hem had.

Een leuk detail is dat Elton het nummer ook met de originele Franse tekst heeft opgenomen; deze versie werd uitsluitend in Frankrijk op single uitgebracht.

Het was overigens niet de eerste keer dat Elton John in het Frans zong.

Een jaar eerder, in 1980, scoorde hij in Frankrijk al een enorme hit met de Franstalige duetten ‘Les Aveux’ en ‘Donner Pour Donner’, samen met de Franse zangeres France Gall.

Die nummers waren destijds echter speciaal voor hen geschreven door Michel Berger en Bernie Taupin.

The Fox wordt vaak beschouwd als een minder commercieel en daardoor sterk ondergewaardeerd album in zijn repertoire.

Voor mij persoonlijk behoort het echter tot zijn absolute topwerk.

Dat kan ook haast niet anders, zeker met het prachtige eerbetoon aan ons land in de vorm van het nummer ‘Just like Belgium’, voor mij het absolute meesterwerk van de plaat.

Dit vrolijk klinkende popnummer is voorzien van een sterk nostalgische tekst van zijn vaste schrijfpartner Bernie Taupin over maatschappelijke buitenbeentjes die troost bij elkaar zoeken.

De tekst leest tegelijkertijd als een vluchtig, weemoedig reisverslag over de herinneringen aan een jeugdige, ietwat wilde trip naar Brussel. Taupin beschrijft heel specifieke beelden, zoals het rondhangen op de trappen van het museum als zorgeloze avonturiers, het kopen van souvenirs met de laatste paar franken, en de ruwere kant van het nachtleven met goedkope kroegen, straatprostituees en opstootjes in de rosse buurt.

In het nummer wordt die herinnering bovendien gebruikt als een metafoor.

De zanger bevindt zich in een situatie met een vrouw die afstandelijk, chaotisch of berekend overkomt, waardoor hij zingt dat haar gedrag hem precies doet denken aan dat rauwe België van toen.

Het is in de kern een lied over reisherinneringen, vervlogen jeugd en de prijs die je betaalt wanneer je een beetje buiten de lijntjes kleurt.

Wat de opname muzikaal extra interessant maakt, is dat de Franse actrice Colette Bertrand een gesproken stukje toevoegt en Jim Horn een opvallende saxofoonsolo speelt.

Hoewel het buiten de Verenigde Staten destijds als tweede single werd uitgebracht, wist het geen notering in de BRT Top 30 te bemachtigen. Trouwens, ook in Nederland bereikte de single de Top 40 niet.

Een mooi detail in de popgeschiedenis is nog dat het nummer eigenlijk was geschreven met Rod Stewart in gedachten.

Toen hij het echter afwees, besloot Elton John er zelf mee aan de slag te gaan.

Daarnaast staat het album vol met andere pareltjes.

Zo is er Carla/Etude, een schitterend klassiek instrumentaal stuk dat hij componeerde als eerbetoon aan zijn toenmalige vrouw Carla.

Deze compositie vloeit naadloos over in Chloe, een werkelijk heerlijke vocale ballad.

Tot slot is er Elton’s Song, een nummer met een zwaar strijkersarrangement.

Voor dit muzikaal briljante nummer schreef Elton de muziek, terwijl de tekst werd geleverd door de Britse zanger en bekende voorvechter van LGBTQ-rechten Tom Robinson.

Het nummer gaat over een tienerjongen die ontdekt dat hij homoseksueel is en in het geheim worstelt met een diepe verliefdheid op een oudere jongen bij hem op school.

De tekst beschrijft heel puur en kwetsbaar de verwarring, de eenzaamheid en het onbeantwoorde verlangen dat bij zo’n verborgen liefde komt kijken.

Omdat homoseksualiteit, en zeker de ontdekking daarvan door een jongere in een schoolomgeving, in die tijd nog een behoorlijk taboe was, bracht het nummer aanzienlijke controverse met zich mee.

Dit werd nog versterkt door de bijbehorende videoclip, geregisseerd door Russell Mulcahy.

Deze video bracht de verhaallijn van de tekst duidelijk in beeld, wat er destijds voor zorgde dat zenders zoals de BBC weigerden om de clip uit te zenden.

Ondanks deze censuur en het feit dat het geen commerciële hit werd, wordt het nummer vaak geprezen om de eerlijke, emotionele lading en de moedige keuze om dit onderwerp in het begin van de jaren tachtig zo openhartig aan te snijden.

30 jaar geleden: de Fugees, de impact van The Score en het ware verhaal achter Killing Me Softly

De Fugees vormden een invloedrijke Amerikaanse hiphopgroep die in de vroege jaren negentig werd opgericht in New Jersey.

Het trio bestond uit zangeres en rapper Lauryn Hill, rapper en producer Wyclef Jean en rapper Pras Michel.

De naam van de groep is afgeleid van het woord refugee, wat vluchteling betekent, een verwijzing naar de Haïtiaanse afkomst van Wyclef en Pras.

Hun unieke geluid was een vernieuwende mix van hiphop, soul, r&b en Caraïbische invloeden zoals reggae.

Hun muzikale reis begon met het debuutalbum Blunted on Reality uit 1994.

Hoewel dit album niet onmiddellijk voor een grote internationale doorbraak zorgde, legde het wel de basis voor hun kenmerkende stijl en trok het de aandacht van de underground hiphopscene.

De wereldwijde roem volgde twee jaar later met de release van The Score in 1996.

Dit album was een enorm commercieel en kritisch succes en wordt geprezen als een absoluut meesterwerk uit de jaren negentig. Hitsingles zoals ‘Killing Me Softly’, ‘Ready or Not’ en ‘Fu-Gee-La’ stonden wereldwijd bovenaan de hitlijsten en maakten van de groepsleden wereldsterren.

Hun cover van het nummer ‘Killing Me Softly With His Song’ was zowel in Vlaanderen als in Nederland goed voor de eerste plaats in de BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.

The Score won meerdere Grammy Awards en behoort tot de bestverkochte hiphopalbums aller tijden.

De oorsprong van hun grootste hit, ‘Killing Me Softly’, kent overigens een rijke geschiedenis.

Zangeres Lori Lieberman schreef het gedicht ‘Killing Me Softly With His Blues’ nadat ze een show van Don McLean had bijgewoond.

Tijdens dat optreden kreeg ze het gevoel alsof hij recht in haar ziel zong.

De schrijvers Gimbel en Fox maakten er vervolgens voor Lieberman een lied van en veranderden het in ‘Killing Me Softly’.

Tijdens het wachten op haar vlucht hoorde Roberta Flack het nummer in de luchthaven en ze was meteen verkocht.

Ze werkte drie maanden aan het nummer, maakte wat aanpassingen en scoorde er in 1973 een serieuze hit mee, ruim twintig jaar voordat de Fugees er wereldwijd de hitlijsten mee zouden aanvoeren.

Gimbels carrière begon bij muziekuitgevers David Blum en Edwin H. Morris.

Een van zijn vroege successen was de Engelse tekst voor het gekende nummer Sway, dat we kennen dankzij de uitvoering van Dean Martin in 1954 en later van Michael Bublé.

De muziek, geschreven door Luis Demetrio en Pablo Beltrán Ruiz in 1953, droeg toen de titel ‘Quien Será’ en werd voor het eerst uitgebracht door Nelson Pinedo con la Sonora Matancera.

Twee jaar later, in 1956, scoorde hij opnieuw met de liedjestekst voor ‘Canadian Sunset’, de hitsingle van Andy Williams.

Het meest bekend was hij voor zijn werk in de film- en televisiewereld.

Hij schreef de teksten voor onder meer ‘Laverne and Shirley’ ‘Wonder Woman’ en ‘HR Pufnstuf’.

Ook de begintune van de cultcomedyreeks ‘Happy Days’ is van zijn hand.

Lange tijd vormde Gimbel een duo met Charles Fox, wat hen in 1973 voor hun tekst van “Killing Me Softly” een Grammy Award opleverde.

Daarnaast schreef Gimbel ook de Engelse tekst voor verschillende Braziliaanse bossanova-artiesten.

Voor de Engelse versie van de klassieker ‘The Girl from Ipanema’, in 1964 ingezongen door Astrud Gilberto, won hij de Grammy voor beste nummer van het jaar.

Voor ‘It goes like it goes’ uit de film Norma Rae won Gimbel samen met David Shire een Oscar voor beste originele nummer.

In 1984 werd Gimbel opgenomen in de Songwriters Hall of Fame.

Norman Gimbel kwam te overlijden op 19 december 2018 op 91-jarige leeftijd.

Zijn toenmalige muzikale partner, de nu 85-jarige Charles Fox, is daarentegen nog altijd actief in de muziekwereld.

De documentaire over hem, met de toepasselijke naam Killing Me Softly with His Songs, ging in 2022 in première op filmfestivals en werd in april 2024 officieel digitaal en op Blu-ray uitgebracht.

Deze film is momenteel ook nog te bekijken via Amazon Prime.

Ondanks het gigantische succes van The Score begonnen onderlinge spanningen al snel hun tol te eisen.

Het trio besloot uit elkaar te gaan om zich te concentreren op soloprojecten, die aanvankelijk bijzonder succesvol waren.

Wyclef Jean bracht het geprezen album The Carnival uit, terwijl Lauryn Hill de muziekwereld veroverde met haar veelgeprezen soloalbum The Miseducation of Lauryn Hill, dat in 1998 verscheen.

Ze ontving hiervoor vijf Grammy’s en wereldwijd werden er negentien miljoen exemplaren van de plaat verkocht.

Pras Michel scoorde dan weer een grote wereldhit met ‘Ghetto Supastar’.

In de jaren die volgden, kwamen de leden van de groep nog enkele keren samen voor optredens en probeerden ze sporadisch nieuwe muziek op te nemen.

Een volledige en langdurige reünie vond echter niet plaats als gevolg van voortdurende meningsverschillen en latere juridische obstakels.

Desondanks blijft hun muzikale erfenis een onmisbare schakel in de popcultuur van de late twintigste eeuw.

Voor muziekliefhebbers en verzamelaars die terugkijken op de jaren negentig, blijft de unieke samenklank van dit trio een bepalend en onvergetelijk geluid.

Vandaag de dag bewandelen de drie leden heel uiteenlopende paden.

Wyclef Jean is nog altijd wereldwijd actief als muzikant, producer en activist.

Dit jaar verscheen hij onder meer op het podium tijdens de countdown-concerten voor het FIFA Wereldkampioenschap voetbal in Toronto.

Ook bracht hij recent de veelbesproken zevenledige albumreeks Quantum Leap uit.

Lauryn Hill blijft een invloedrijke stem binnen de muziek en wordt geregeld geëerd om haar nalatenschap.

Zo ontving zij in de zomer van 2026 de inaugurele Living Legend Icon Award bij de BET Awards.

Samen met Wyclef Jean treedt ze op onder de vlag van Diaspora Calling!, inclusief headliner-shows op festivals.

Eerder dat jaar verzorgde ze ook al een opvallend eerbetoon tijdens de Grammy Awards.

Haar persoonlijke pad ging echter niet altijd over rozen; zo zat Hill in 2013 een gevangenisstraf van drie maanden uit wegens belastingfraude.

Voor Pras Michel, de rapper en medeoprichter van de groep, nam het leven een andere wending.

Hij werd in 2023 schuldig bevonden aan betrokkenheid bij een illegale politieke beïnvloedingscampagne en witwaspraktijken.

Na zijn veroordeling heeft hij in mei 2026 zijn gevangenisstraf van veertien jaar in de Verenigde Staten aangevangen, al vecht zijn juridische team de uitspraak nog altijd in hoger beroep aan.

Alles wat je wilde weten over The Fugees

In memoriam Jim Morrison.

Morrison overleed op zevenentwintigjarige leeftijd in Parijs op 3 juli 1971.

Zijn dood is nog steeds met mysterie omweven. Hoewel velen dachten dat een overdosis drugs de oorzaak was, is dit nooit bewezen.

Het is een feit dat Jim niet afkerig stond tegenover verdovende middelen, maar de laatste jaren van zijn leven verving hij deze steeds vaker door de traditionele Amerikaanse opkikker, alcohol.

De waarheid ligt waarschijnlijk in het midden.

Morrison leefde extreem hard en sprong brutaal om met zijn lichaam.

Alcohol, drugs, slaapgebrek en een absoluut gebrek aan zelfmedelijden, gecombineerd met een superintense manier van leven, leidden tot een te vroeg einde.

De officiële doodsoorzaak werd vastgesteld als een hartstilstand, wat een logisch verdict lijkt.

Toch geloven veel overtuigde fans nog steeds dat hij leeft en niet op een Parijse begraafplaats ligt.

Het zou een door hemzelf opgezet spel kunnen zijn, en eigenlijk zou zoiets voor iemand als Morrison niet eens zo verrassend zijn.

Hij was exact het type man om een dergelijke show op te voeren en vervolgens rustig onder te duiken, bijvoorbeeld in Afrika, waar hij poëzie zou kunnen schrijven, de wereld zou kunnen uitlachen en iedereen in de waan zou laten dat hij echt was overleden.

Zijn grote droom was altijd om een vooraanstaand schrijver te worden.

In tegenstelling tot zijn schoolvrienden waren zijn idolen geen beroemde acteurs of rockzangers, maar schrijvers, dichters en journalisten.

Hij noemde Rimbaud, Keats en de Amerikaanse beatschrijver Jack Kerouac altijd als de belangrijkste invloeden uit zijn jeugd.

Hun levensstijl en vagebondstijl spraken hem aan. Hij leefde snel en speelde met het idee van een vroege, tragische en romantische dood, net als zijn helden.

Dat de Amerikaanse pers hem later onder andere de nieuwe James Dean doopte, was dan ook geen toeval.

Zelfs toen hij miljoenen verdiende, bleef hij deze levensstijl trouw.

Hij huurde liever een motel- of hotelkamer voor de nacht dan in een luxueus huis te wonen.

Zijn garderobe bestond meestal enkel uit de kleren die hij op dat moment droeg.

Als het ’s nachts koud was, haalde hij zijn creditcard boven om een jas te kopen, die hij de volgende dag bij warmer weer gewoon aan de eerste de beste vreemdeling weggaf.

Nadat zijn rijbewijs werd ingetrokken wegens het verzamelen van te veel processen, probeerde hij het nooit meer te vernieuwen.

Hij kocht dure, nieuwe auto’s die hij in de prak reed of na een dronken nacht ergens parkeerde en vergat.

Hij ging er zelden naar op zoek en gaf ze ook niet op als gestolen.

Hij stuurde zijn vrouw Pamela de wereld rond om kleren te verzamelen voor een boetiek die hij haar cadeau deed.

Dit kostte hem een fortuin en bracht enkel enorme schulden met zich mee, maar zolang Pamela gelukkig was, kon het hem weinig schelen.

Aan het einde van de jaren zestig waren The Doors een absolute supergroep.

Toetsenist Ray Manzarek, gitarist Robbie Krieger en drummer John Densmore waren uitstekende muzikanten die zorgden voor een perfecte balans met Jims extravagante persoonlijkheid.

Hun muziek was afwisselend melancholisch en dreigend, wat perfect aansloot bij de manier waarop Morrison in zijn teksten en podiumshows zijn sentimenten kon aftasten.

De band kwam samen in Los Angeles, repeteerde een half jaar en bouwde via optredens in de Whisky a Go Go een steeds groter wordende aanhang van bijna maniakale fans op.

Daar werden ze ontdekt door Jac Holzman, directeur van Elektra, en producer Paul Rothschild.

Hun debuutalbum verscheen in de memorabele hippiezomer van 1967.

Mede dankzij de grandioze hit “Light My Fire” stootten ze The Beatles met “Sergeant Pepper” van de eerste plaats in de Amerikaanse albumlijsten.

Vier maanden later stond die plaat nog steeds in de top tien, toen deze gezelschap kreeg van de opvolger Strange Days, eveneens een meesterwerk dat staat als een huis.

The Doors en vooral Morrison groeiden uit tot een mythe.

Hij was de droom van elk meisje dat zichzelf niet als toekomstig huismoedertje zag, een idool voor jongens die precies wilden zijn zoals hij, en een gevaarlijke nachtmerrie voor ouders die hem zagen als de duivel die met alle middelen bestreden moest worden.

Tijdens liveoptredens zorgden The Doors steevast voor sensatie en relletjes, wat uiteindelijk leidde tot zoveel arrestaties en veroordelingen dat Morrison er zelf bijna bang van werd en het toeren beperkte.

Er speelden ook andere redenen mee.

De groep was een monsterorganisatie geworden met contracten en verplichtingen die hem absoluut niet lagen.

Hij wilde eruit, en na het voltooien van het verplichte aantal albums en een afgezwakte tournee, kondigde hij eind 1970 aan dat het tijd was voor een uitgebreide vakantie, iets wat ze verdiend hadden.

Hun zevende album, L.A. Woman, was inmiddels opgenomen en zou, net als de andere platen, met goud bekroond worden, een prestatie die nog geen enkele Amerikaanse groep destijds had behaald.

Morrison liet weten dat hij met Pamela in Parijs ging wonen om te reizen, poëzie te schrijven en wellicht een toneelstuk te maken.

Hij wist het nog niet zeker, maar zocht vooral een manier om te zwerven, ook in geestelijke zin.

Over de toekomst van The Doors zou na zijn terugkeer misschien nog weleens gesproken worden.

Zonder veel spijt verliet hij Los Angeles, in de hoop ergens anders helemaal opnieuw te kunnen beginnen.

Hoewel dokters hem hadden aangeraden het rustiger aan te doen, was Morrison daar simpelweg niet voor geboren.

Ook in Parijs bleef zijn verlangen naar sensaties, ervaringen en experimenten niet te stuiten.

Hij bleef balanceren op de rand van het mes, trouw aan zijn eigen gezongen woorden: “I want the world, and I want it now,” en hij was niet van plan om zich door iemand te laten belemmeren.

Op 3 juli 1971 vond hij rust, maar daarmee verdween de legende allerminst.

De drie overgebleven bandleden maakten nog enkele muzikaal uitstekende albums zonder hem, die echter pijnlijk duidelijk maakten welke enorme leemte hij had achtergelaten.

Ook in de jaren daarna bleef zijn invloed onverminderd groot, wat bleek uit langdurige hitnoteringen voor hun verzamelalbums, de onverbiddelijke bestseller-status van de biografie No One Here Gets Out Alive, en de plannen voor een film over zijn leven.

Op de begraafplaats Père-Lachaise nabij Parijs, de laatste rustplaats van vele grote kunstenaars, worden bovendien nog altijd dagelijks verse bloemen op het graf van James Douglas Morrison aangevoerd.

Wie echter door een verzameling tijdschriften en kranten uit die specifieke periode bladert, zal iets heel opvallends merken.

Het is bevreemdend hoe weinig aandacht hij direct na zijn dood kreeg in de pers.

Dat in de Muziek Expres van augustus 1971 bijvoorbeeld alleen een foto stond met een in memoriam van amper enkele zinnen, vormt een scherp contrast met zijn latere grote status.

Dit heeft een paar duidelijke en praktische oorzaken.

Ten eerste werd het overlijden van Morrison aanvankelijk strikt stilgehouden door zijn intieme kring in Parijs.

Het grote publiek en de pers kregen het nieuws pas dagen later te horen, op 9 juli, toen hij al in besloten kring was begraven op het Parijse kerkhof.

Deze geheimzinnigheid zorgde voor enorm veel onzekerheid en scepsis op de nieuwsredacties.

Omdat Morrison vaker met het idee van een in scène gezette dood had gespeeld, dachten velen in eerste instantie dat het om een zoveelste vreemde grap van de zanger ging en waren journalisten terughoudend om uitgebreide necrologieën te publiceren zonder harde bewijzen.

Bovendien werkten muziektijdschriften en maandbladen in die tijd met zeer lange aanlooptijden voor de drukpersen.

Tegen de tijd dat het nieuws over zijn dood eindelijk met zekerheid werd bevestigd, was de augustus-editie van bladen zoals Muziek Expres al drukklaar en ingepland.

Redacties hadden simpelweg de tijd en ruimte niet meer om de hele lay-out om te gooien voor een uitgebreid artikel, waardoor ze zich noodgedwongen moesten beperken tot een snelle foto en een korte toegevoegde tekst net voor het drukken.

Tot slot was Morrison in de zomer van 1971, na zijn fysieke achteruitgang en zijn vertrek uit Amerika, al enigszins naar de achtergrond van de toenmalige, snel evoluerende popwereld verdwenen.

De echte mythevorming rond zijn persoon, gestuwd door boeken en films die van hem een onsterfelijke held zouden maken, kwam pas eind jaren zeventig en in de jaren tachtig echt wereldwijd op gang.

In de zomer van 1971 was hij voor de toenmalige pers vooral een uitgedoofde rockster, en nog niet de legende die hij naderhand is geworden

Op 9 februari 1970 brachten The Doors hun vijfde studioalbum uit, getiteld Morrison Hotel. Deze plaat markeerde een stevige terugkeer naar hun rauwe, oorspronkelijke bluesrockstijl.

Hun vorige album, The Soft Parade, bevatte veel koperblazers en strijkers en was mede daardoor een stuk minder succesvol bij het grote publiek en de critici.

Met Morrison Hotel wilden ze terug naar de basis. De lp kreeg een opvallende indeling: de A-kant werd Hard Rock Café gedoopt en de B-kant kreeg de naam Morrison Hotel.

Hoewel er slechts één single van de plaat werd uitgebracht, de dubbele A-kant ‘You Make Me Real’ en ‘Roadhouse Blues’, staat het album vol met onvervalste klassiekers zoals ‘Peace Frog’ en ‘Waiting for the Sun’.

Een opvallend detail over het nummer “Waiting for the Sun” is dat het eigenlijk al geschreven was voor hun gelijknamige derde album uit 1968, maar destijds de uiteindelijke selectie net niet haalde.

In de nummers The Spy en Queen of the Highway geeft zanger Jim Morrison een erg persoonlijk inkijkje in zijn complexe en turbulente relatie met zijn vriendin Pamela Courson.

De beroemde albumhoes kent een bijzonder en ietwat brutaal ontstaansverhaal.

De gerenommeerde rockfotograaf Henry Diltz nam de foto van de band in de etalage van het bestaande Morrison Hotel in Los Angeles.

Ze hadden hiervoor echter geen toestemming gekregen van de eigenaar. Toen de receptionist heel even zijn post verliet, stormde de band naar binnen voor een snelle fotosessie en maakten ze zich snel weer uit de voeten.

Op de achterzijde van de hoes prijkt een foto van het Hard Rock Café, toentertijd een bescheiden eettentje in Los Angeles.

Een leuk weetje is dat de oprichters van de wereldwijde restaurantketen Hard Rock Cafe zich lieten inspireren door deze achterkant van de lp voor hun immens populaire naam.

Tijdens de opnames in de studio, onder leiding van hun vaste producer Paul A. Rothchild en technicus Bruce Botnick, kregen The Doors hulp van een aantal bijzondere gastmuzikanten.

Omdat de band zelf geen vaste bassist had, nam sessiemuzikant Ray Neapolitan de meeste baspartijen op Morrison Hotel voor zijn rekening.

Voor het stevige ‘Roadhouse Blues’ en ‘Maggie M’Gill’ werd echter gitaarlegende Lonnie Mack opgetrommeld om de basgitaar te bespelen.

Een andere opvallende gast op Roadhouse Blues was John Sebastian, de frontman van The Lovin’ Spoonful.

Omdat hij vanwege contractuele redenen eigenlijk niet mocht meewerken aan een album van een andere platenmaatschappij, speelde hij de mondharmonica in onder het pseudoniem G. Puglese.

Mede door deze ongedwongen, spontane samenwerkingen wordt dit album gezien als een van de meest authentieke platen uit de geschiedenis van de band.

De Parijse vlucht en zijn mysterieuze dood

Jim Morrison werd geboren als de zoon van George Stephen Morrison, een admiraal die als vlootcommandant betrokken was bij het Tonkin-incident in 1964, wat de aanleiding vormde voor de Amerikaanse deelname aan de Vietnamoorlog.

In plaats van een militaire carrière na te streven, ging Morrison naar de filmacademie in Los Angeles, Californië.

Daar leerde hij Ray Manzarek kennen, met wie hij The Doors oprichtte. Deze bandnaam was ontleend aan ‘The Doors of Perception’, de titel van een boek van Aldous Huxley.

Huxley had deze frase op zijn beurt weer ontleend aan een gedicht van William Blake, die schreef: “If the doors of perception were cleansed every thing would appear to man as it is, infinite”.

Voor veel jongeren in die dagen was Morrison een onmetelijk groot idool. Hij leefde zeer intens en gebruikte vele soorten verslavende genotsmiddelen, waarbij met name zijn enorme drankgebruik exemplarisch was.

Ondanks deze roerige levensstijl was hij diep gefascineerd door literatuur.

Hij las enorm veel en schreef fanatiek poëzie.

Zijn teksten waren vaak zeer filosofisch en dichterlijk van aard, en zijn muziek toont duidelijke invloeden van jazz en blues.

Van hem is in de loop der tijd ook een aantal dichtbundels uitgegeven, zoals ‘The Lords & The New Creatures’, ‘Wilderness’ en ‘The American Night’.

Hoewel de muziek van Jim Morrison wereldwijd en ook in ons taalgebied mateloos populair is gebleven, zijn zijn gedichtenbundels helaas nooit officieel in het Nederlands vertaald uitgegeven.

Wie de diepere, literaire ziel van de zanger wil doorgronden, is daardoor aangewezen op de Engelstalige edities die nog steeds volop te vinden zijn, al circuleren er onder bewonderaars weleens losse, zelfgemaakte vertalingen van individuele gedichten.

In de laatste periode van zijn leven verruilde Jim Morrison de overweldigende roem in Amerika voor een rustiger bestaan in Parijs.

Onder zijn doopnaam James Douglas leefde hij daar tamelijk anoniem, wat hem bijzonder goed beviel.

Hoewel hij de Franse taal niet machtig was, dompelde hij zich onder in de lokale cultuur; hij bezocht veel theatervoorstellingen en was vaak te vinden op de filmsets van diverse beroemde Franse regisseurs.

Over zijn productiviteit in deze periode lopen de meningen uiteen.

Waar sommigen beweren dat hij juist in Parijs veel schreef, menen anderen dat hij zwaar te lijden had van een schrijversblok.

Hoewel de officiële overlijdensakte een hartaanval als doodsoorzaak vermeldt, nadat hij liggend in een badkuip zou zijn aangetroffen, wordt algemeen aangenomen dat een overdosis drugs hem fataal is geworden.

Door deze voortijdige dood trad hij toe tot de beruchte 27 Club, samen met muzikanten als Janis Joplin, Jimi Hendrix en Brian Jones. Later zijn ook de namen van Kurt Cobain en Amy Winehouse door velen aan deze ledenlijst toegevoegd, omdat zij toevalligerwijs eveneens op 27-jarige leeftijd stierven.

Tijdens de bescheiden begrafenis van Jim Morrison las zijn partner Pamela Courson de laatste paragraaf voor uit Celebration of the Lizard, iets wat hij volgens de laatste biografie zelf had gewild.

Hoewel zij nooit getrouwd waren, had hij in zijn testament zijn volledige erfenis, inclusief de uiterst lucratieve muziekrechten, aan Pamela nagelaten.

Deze situatie kreeg echter een tragische wending toen zij in 1974 eveneens aan een overdosis overleed, zonder zelf een testament te hebben opgemaakt.

Haar bezittingen vielen automatisch toe aan haar ouders, wat leidde tot een bittere juridische strijd met de ouders van Jim Morrison, met wie de zanger altijd een zeer moeizame relatie had onderhouden.

Na een lang en slepend conflict schikten de twee families uiteindelijk door de nalatenschap en alle toekomstige inkomsten exact in tweeën te delen.

Zijn laatste rustplaats vond hij op de beroemde begraafplaats Père-Lachaise, een plek die tot op de dag van vandaag enorm veel bezoekers trekt.

Op zijn graf prijkt de Griekse tekst κατα τον δαιμονα εαυτου, oftewel kata ton daimona eautou.

In het Oudgrieks laat de strekking hiervan zich vertalen als trouw aan zijn ziel, terwijl de Nieuwgriekse vertaling neerkomt op je eigen demon volgen.

Volgens de Thelema wordt hierbij met een demon een externe geest of spirituele gids bedoeld, in tegenstelling tot het woord spirit dat duidt op een interne geest.

Het graf heeft in de loop der jaren de nodige visuele veranderingen ondergaan. Precies tien jaar na zijn dood, in 1981, creëerde de Kroatische kunstenaar Mladen Mikulin als herdenking een borstbeeld van Morrison dat op het graf werd geplaatst.

Dit kunstwerk werd in 1988 gestolen, waarna de familie aangaf geen nieuw beeld te willen.

Ruim dertig jaar later, in mei 2025, werd het gestolen borstbeeld echter per toeval teruggevonden in Parijs tijdens een huiszoeking in verband met een fraudezaak.

De erfenis van Jim Morrison is na al die decennia nog steeds springlevend.

Hij was een groot idool voor velen en wordt nog altijd enorm bewonderd; dagelijks luisteren tienduizenden mensen naar zijn muziek.

Daarnaast vormt zijn leven een onuitputtelijke bron van inspiratie voor schrijvers.

Er zijn talloze boeken over hem verschenen, waaronder de in 2004 uitgebrachte biografie Jim Morrison door Stephen Davis en de biografische grafische roman Dichter van de chaos uit 2012.

Ook ‘No One Here Gets Out Alive’ van Jerry Hopkins en Danny Sugerman is een zeer gewaardeerde biografie, die doorspekt is met persoonlijke ervaringen en waarvan wereldwijd meer dan twee miljoen exemplaren werden verkocht.

Bovendien boekstaafden al zijn voormalige bandleden hun herinneringen: toetsenist Ray Manzarek schreef ‘Light My Fire’, gitarist Robby Krieger bracht ‘Set the Night on Fire’ uit en drummer John Densmore publiceerde de autobiografie ‘Riders On The Storm’.

Delen uit het boek van Densmore werden door regisseur Oliver Stone gebruikt voor het scenario van The Doors, de succesvolle film uit 1991.

Daarin zette Val Kilmer een uiterst overtuigende Morrison neer met een wonderwel gelijkend stemgeluid, vergezeld door Meg Ryan in de rol van Pamela Courson.

Ook in modernere media blijft zijn verhaal verteld worden, zoals in de film ‘When You’re Strange’ uit 2010 van Tom Dicillo, die is voorzien van gesproken commentaar door fan en acteur Johnny Depp.

Zelfs in de Nederlandse popcultuur liet de zanger zijn sporen na; zo was hij het onderwerp in een aflevering van de satireserie Jiskefet, waarin onder meer zijn befaamde graf op Père-Lachaise in beeld werd gebracht.

Vandaag is het precies 55 jaar geleden dat Carole King een indrukwekkende mijlpaal bereikte.

Op deze dag in 1971 behaalde haar legendarische tweede soloalbum Tapestry de gouden status in Amerika.

Dit meesterwerk, dat begin 1971 werd opgenomen in de beroemde A&M Recording Studios, groeide uit tot een van de meest succesvolle en invloedrijke albums aller tijden.

Vanaf juni van dat jaar domineerde het album maar liefst vijftien weken lang de eerste plaats van de Amerikaanse Billboard-hitparade.

Het succes was werkelijk overweldigend, want binnen twee jaar tijd gingen er in de Verenigde Staten al meer dan twaalf miljoen exemplaren van over de toonbank.

Inmiddels staat de wereldwijde teller zelfs op meer dan dertig miljoen verkochte platen.

Wat Tapestry zo bijzonder maakt, is de diepe persoonlijke stempel van Carole King, die aan elk nummer op het album meeschreef.

Voordat ze doorbrak als soloartiest, was ze in de jaren zestig al een ongelooflijk succesvolle songwriter in het befaamde Brill Building in New York.

Ze schreef daar destijds talloze hits voor anderen, vaak samen met haar toenmalige echtgenoot Gerry Goffin.

Voor de nummers ‘It’s too late’ en ‘Where you lead’ werkte ze op Tapestry samen met Toni Stern, terwijl absolute klassiekers als ‘Will you love me tomorrow’ en ‘(You make me feel like) a natural woman’ voortkwamen uit haar partnerschap met Gerry Goffin.

Voor dat laatste nummer leverde ook producer Jerry Wexler een bijdrage aan de tekst.

Hoewel sommige van deze liedjes al eerder wereldberoemd waren geworden in de uitvoeringen van respectievelijk The Shirelles en Aretha Franklin, kregen ze op Tapestry een geheel eigen, intiem karakter.

King nam de nummers op met een minimalistische bezetting, waarbij haar eigen pianospel en warme, kwetsbare stem centraal stonden.

Een leuk detail is dat de albumhoes, waarop King met haar kat naast haar bij het raam zit, werd gefotografeerd in haar eigen huiskamer in Laurel Canyon, de creatieve broedplaats van de toenmalige folkrockscene.

De kat op de voorgrond heette trouwens Telemachus.

De invloed van het album reikte destijds veel verder dan Kings eigen vertolkingen.

Haar goede vriend James Taylor, die ook meespeelde en zong op Tapestry, scoorde in diezelfde periode een gigantische nummer 1-hit met zijn eigen versie van ‘You’ve got a friend’.

Ook Barbra Streisand behaalde succes met haar vertolking van ‘Where You Lead’.

Deze ongekende muzikale en culturele impact werd in 1972 groots bekroond tijdens de Grammy Awards.

Carole King schreef geschiedenis door als eerste vrouw vier grote Grammy’s op één avond in de wacht te slepen, waaronder de prestigieuze prijzen voor Album of the Year en Record of the Year voor ‘It’s too late’

Ook James Taylor viel die avond in de prijzen en ontving een Grammy voor zijn prachtige uitvoering van haar compositie.

Met Tapestry vestigde Carole King zich definitief als de koningin van de singer-songwriters, en het album blijft tot op de dag van vandaag een tijdloos monument in de popgeschiedenis.

Tori Amos met haar nieuwe single “Shush”.

De Amerikaanse zangeres Tori Amos is een klassiek geschoolde pianiste die al op jonge leeftijd haar eigen muzikale koers koos.

Als dochter van een methodistendominee met een Ierse en Cherokee-achtergrond speelde religie van kinds af aan een grote rol in haar leven.

Al op driejarige leeftijd begon ze met het componeren van eigen liedjes, wat haar als vijfjarige een plek opleverde als jongste student ooit aan het Peabody Conservatorium.

Hoewel een toekomst als concertpianiste voor haar was uitgestippeld, verliet ze op haar elfde de opleiding vanwege haar opstandige aard en haar weerstand tegen het strikt lezen van bladmuziek.

In plaats daarvan gaf ze de voorkeur aan eigen interpretaties van klassieke meesters en begon ze al op dertienjarige leeftijd op te treden in bars en lounges in Washington.

Eind jaren tachtig verhuisde ze naar Los Angeles en nam ze de naam Tori aan.

Met haar band Y Kant Tori Read bracht ze in 1988 een album uit dat commercieel flopte en haar presenteerde in een stijl waar ze zich later van zou distantiëren.

Ondanks deze moeizame start vond ze haar weg terug naar de piano en schreef ze de nummers voor haar eigenlijke solodebuut Little Earthquakes.

Haar platenmaatschappij zag meer kansen op de Europese markt, waarna ze naar Londen vertrok om in een klein appartement haar werk te voltooien.

Dit album werd een groot succes door de ongekende openhartigheid over thema’s als religie, schuld en haar persoonlijke ervaring met seksueel geweld in nummers als ‘Me and a Gun’ en ‘Crucify’.

Haar debuut vestigde direct haar reputatie als een melodieus en tekstueel gelaagd talent.

In het voorjaar van 2026 laat ze opnieuw van zich horen met de singles ‘Stronger Together’ en ‘Shush’, die respectievelijk in februari en maart zijn verschenen.

Deze nummers kondigen de komst aan van haar achttiende studioalbum In Times of Dragons, dat op 1 mei 2026 verschijnt.

Ter ondersteuning van dit nieuwe werk reist de 62-jarige Tori in april door Europa met haar grootste tournee in tien jaar tijd.

Tijdens deze reeks concerten staat ze op 24 en 25 april in Carré in Amsterdam, om vervolgens op maandag 27 april 2026 naar België te komen voor een optreden in het Koninklijk Circus in Brussel.