Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De Franse artiest onthulde daar destijds met trots de 2.618e ster.
Voor de aanwezige fotografen en enthousiaste fans poseerde de zanger en acteur uitgebreid voor zijn kersverse tegel in het voetpad.
In een korte toespraak verwees de in 1924 in Parijs geboren zoon van Armeense immigranten naar zijn afkomst.
Hij gaf aan dat hij het fantastisch vond om twee culturen met zich mee te dragen.
Hij benadrukte daarbij dat Frans zijn werktaal was, maar dat Armeens altijd zijn moedertaal zou blijven.
Met een knipoog voegde hij eraan toe dat hij dankzij zijn ster nu ook een klein beetje Californiër was geworden, een staat waar bovendien een van zijn dochters en enkele kleinkinderen woonden.
De internationale ster, die wereldfaam verwierf met klassiekers als La bohème, She, Emmenez-moi en Mes emmerdes, componeerde in zijn ruim zeventig jaar beslaande carrière meer dan duizend nummers.
Daarnaast maakte hij furore als acteur in talloze films, waarin hij werkte met gerenommeerde regisseurs zoals François Truffaut, Claude Chabrol en Volker Schlöndorff.
Een jaar later, op 1 oktober 2018, overleed Charles Aznavour op 94-jarige leeftijd.
Op vrijdag 5 oktober 2018 organiseerde de Franse overheid een officiële nationale hommage op het terrein van Les Invalides in Parijs.
Zijn kist was bedekt met de Franse vlag en werd geflankeerd door een bloemenkrans in de kleuren van de Armeense vlag.
Onder de klanken van de duduk, een traditioneel Armeens blaasinstrument, werd de kist binnengedragen.
De plechtigheid werd bijgewoond door de Franse president Emmanuel Macron, de Armeense premier Nikol Pasjinjan, voormalige presidenten zoals Nicolas Sarkozy en François Hollande, en bekende Franse beroemdheden waaronder Eddy Mitchell, Dany Brillant, Mireille Dumas, Michel Leeb en zijn beste vriend Jean-Paul Belmondo.
In zijn toespraak noemde Macron de zanger een van de gezichten van Frankrijk. Bij het verlaten van de binnenplaats speelde de militaire kapel van de Garde Républicaine zijn wereldberoemde hit Emmenez-moi.
De daadwerkelijke begrafenis vond de volgende dag plaats in strikt besloten kring.
Voor familie en naaste vrienden werd er eerst een religieuze ceremonie gehouden in de Armeens-Apostolische Kathedraal van Johannes de Doper in Parijs.
Na deze dienst trok de begrafenisstoet naar Montfort-l’Amaury, een middeleeuws stadje zo’n 45 tot 50 kilometer ten zuidwesten van Parijs.
Daar werd Aznavour bijgezet in het marmeren mausoleum van de familie Aznavourian-Garvarentz, aan de zijde van zijn ouders en zijn zoon Patrick, die in 1981 op 25-jarige leeftijd overleed.
In Armenië werd de dag van zijn begrafenis uitgeroepen tot een officiële dag van nationale rouw.
De vriendschap tussen Charles Aznavour en acteur Jean-Paul Belmondo was een van de meest bijzondere, langdurige en oprechte vriendschappen binnen de Franse culturele geschiedenis.
Hun band ontstond in de jaren zestig, toen beiden op het hoogtepunt van hun roem stonden.
Ze steunden elkaar onvoorwaardelijk bij artistieke projecten, premières en concerten.
Aznavour noemde Belmondo publiekelijk zijn ami de toujours, oftewel vriend voor altijd.
Ze stonden erom bekend dat ze samen genoten van het goede Franse leven, gekenmerkt door humor, loyaliteit en wederzijdse bewondering.
Slechts een week voor het onverwachte overlijden van Aznavour, op 25 september 2018, kwamen de twee vrienden nog samen voor een uitgebreide lunch in een van hun favoriete Parijse cafés.
Tijdens deze lunch lieten zij een vrolijke foto samen maken. Belmondo deelde deze foto later op sociale media, wat achteraf de allerlaatste publieke foto van Charles Aznavour bleek te zijn.
Ze namen afscheid met de belofte elkaar snel weer te zien.
In plaats van een gezellig weerzien moest Jean-Paul Belmondo op 5 oktober 2018 aanschuiven bij het nationale eerbetoon in Parijs om definitief afscheid te nemen van zijn vriend.
Belmondo, die destijds zelf al fysiek zeer broos en verzwakt was, was zichtbaar diep emotioneel aangedaan tijdens de ceremonie.
Zijn aanwezigheid werd door de Franse media gezien als een van de meest aangrijpende momenten van de herdenking.
Drie jaar later overleed Jean-Paul Belmondo op 6 september 2021 op 88-jarige leeftijd.
Federico García Lorca werd in 1898 geboren in het Spaanse dorpje Fuente Vaqueros, dicht bij Granada.
Al op jonge leeftijd bleek zijn grote creativiteit, die zich aanvankelijk vooral uitte in zijn passie voor muziek en piano.
Toen hij in 1919 naar Madrid verhuisde om te gaan wonen in de beroemde studentenresidentie, kwam hij terecht in het bruisende hart van de Spaanse avant-garde.
Daar sloot hij hechte vriendschappen met kunstenaars als de schilder Salvador Dalí en de filmmaker Luis Buñuel. Buñuel, die later uitgroeide tot een van de meest baanbrekende en spraakmakende surrealistische regisseurs uit de filmgeschiedenis, deelde in die tijd een intense artistieke en intellectuele band met Lorca.
Hoewel hun artistieke visies later soms schuurden, beïnvloedden de ideeën van Buñuel over droomsymboliek en de scherpe maatschappijkritiek Lorca’s eigen zoektocht naar vernieuwing binnen de literaire wereld.
Deze inspirerende omgeving vormde de basis voor zijn doorbraak als een van de belangrijkste stemmen van de ‘Generación del 27’.
Deze Generación del 27 was een invloedrijke groep Spaanse dichters en kunstenaars die rond 1927 opkwam, het jaar waarin zij de driehonderdste sterfdag van de barokdichter Luis de Góngora eerden.
De beweging kenmerkte zich door een vernieuwende zoektocht naar een balans tussen de traditionele Spaanse volkspoëzie en de avant-gardistische stromingen van die tijd, zoals het surrealisme en het symbolisme.
In zijn literaire werk bracht Lorca de aloude volkstradities en folklore van zijn geliefde Andalusië samen met vernieuwende, moderne vormen.
Zijn dichtbundel ‘Romancero gitano’ uit 1928 maakte hem op slag beroemd.
Daarin vlocht hij hartstocht, verlangen, de maan en het noodlot naadloos aan elkaar. Een reis naar de Verenigde Staten inspireerde hem later tot het schrijven van ‘Poeta en Nueva York’, een veel duisterder werk waarin hij de kille mechanisering en het kapitalisme van de grote stad aan de kaak stelde.
Lorca was echter niet alleen dichter, maar ook een gedreven vernieuwer van het Spaanse theater.
Met zijn reizende toneelgezelschap ‘La Barraca’ trok hij langs dorpen op het platteland om klassieke Spaanse stukken toegankelijk te maken voor het gewone volk.
Later schreef hij zelf beroemde toneelstukken zoals ‘Bloedbruiloft’, ‘Yerma’ en ‘Het huis van Bernarda Alba’.
In deze drama’s stonden thema’s als maatschappelijke onderdrukking, onbeantwoorde liefde en de beklemmende rol van de vrouw centraal.
Het leven van Lorca eindigde tragisch op veel te jonge leeftijd.
Aan het begin van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 werd hij in Granada gearresteerd door aanhangers van generaal Franco.
Vanwege zijn maatschappijkritische geest, zijn progressieve sympathieën en zijn openlijke homoseksualiteit werd hij als een gevaar voor het regime gezien.
Op achtendertigjarige leeftijd werd hij neergeschoten bij Víznar. Veel historici en biografen gaan uit van de nacht van 17 op 18 augustus of de vroege ochtend van 18 augustus 1936.
In andere bronnen en officiële documenten wordt vaak 19 augustus genoemd als de datum waarop zijn dood werd aangenomen.
Hoewel zijn werk tijdens de daaropvolgende dictatuur lang werd verboden, leeft zijn stem voort als een universeel symbool voor artistieke vrijheid.
Ter gelegenheid van de negentigjarige herdenking van zijn overlijden in 2026 worden in Spanje, en met name in Granada, diverse grootschalige culturele herdenkingen georganiseerd.
Een van de hoogtepunten is het stadsbrede artistieke project ‘Réquiem por Lorca’, waarin poëzie, muziek en voorstellingen samenkomen op historische locaties zoals de kathedraal van Granada en het Alhambra.
Daarnaast bewaart Spanje talloze fysieke sporen van de dichter.
In Granada zijn zijn geboortehuis ‘Museo Casa Natal’ in Fuente Vaqueros en zijn zomerhuis ‘Huerta de San Vicente’ ingericht als museum met originele meubels en manuscripten.
Het ‘Centro Federico García Lorca’ in het stadscentrum fungeert als modern archief en expositieruimte.
Ook in het straatbeeld is hij aanwezig, onder meer met een bronzen standbeeld op de Plaza de Santa Ana in Madrid en een ontspannen zitbeeld in Granada, terwijl het stiltepark tussen Víznar en Alfacar de plek markeert nabij waar hij in 1936 het leven liet.
Het idee voor deze foto is afkomstig van een bekende foto van Jayne Mansfield.
Buiten zangeres, actrice en zakenvrouw schreef Madonna 20 jaar geleden geschiedenis door haar eerste kinderboek ‘De Engelse rozen’ uit te brengen.
Twee jaar later, in 2005, bracht ze al haar vijfde boek ‘Lotsa De Casha (Heel Veel Geld)’ uit.
De Portugese kunstenaar Rui Paes illustreerde het boek.
In Lotsa De Casha vertelt Madonna het verhaal van de rijkste man ter wereld.
Die raakt alles kwijt, maar hij krijgt er een echte vriend voor terug.
Lotsa De Casha is bedoeld voor kinderen van 6 jaar en ouder.
Het boek benadrukt de eeuwenoude moraal dat geld niet gelukkig maakt.
Ilene Cooper, de recensente van The American Library Association, vindt dat Madonna dezelfde fout maakt als andere sterren die aan het schrijven zijn geslagen.
‘Zij denken dat zij kunnen schrijven, maar wat zij doen is vreselijk, echt vreselijk‘.
Ondanks deze kritiek gaan Madonna’s boeken als warme broodjes over de toonbank.
Haar uitgever laat weten dat meer dan twee miljoen exemplaren van de reeks zijn verkocht.
De boeken zijn in veertig talen vertaald en in meer dan honderd landen te koop.
Hoewel de officiële doodsoorzaak van Elvis Presley na zijn overlijden op 16 augustus 1977 werd vastgesteld op hartfalen, werpt zijn voormalige huisarts een ander licht op de zaak.
Elvis werd destijds dood op het toilet aangetroffen en de arts die hem probeerde te reanimeren, dokter Nichopoulos, stelt in zijn boek ‘The King and Doctor Nick’ dat de zanger gered had kunnen worden als hij een operatie niet had geweigerd.
Nichopoulos, die de laatste twaalf jaar van Elvis’ leven deel uitmaakte van zijn entourage, onthult daarin schokkende details over de werkelijke gezondheidstoestand van de King.
Volgens de arts leed Elvis aan een erfelijke darmverlamming die leidde tot een extreme vorm van constipatie.
Zijn dikke darm had een abnormale diameter van vijftien tot achttien centimeter, wat aanzienlijk groter is dan de normale zes tot negen centimeter.
Nichopoulos schrijft dat de doodsoorzaak aanvankelijk onzeker was, maar dat nieuw onderzoek de puzzelstukjes uiteindelijk in elkaar heeft doen vallen.
In de darmen van Elvis werd stoelgang aangetroffen die daar al vier tot vijf maanden vastzat.
Deze aandoening verklaart volgens de dokter ook het beruchte overgewicht van de zanger; dit kwam niet door te veel of te vet eten, maar was een direct gevolg van de ernstige verstopping.
De ziekte had een enorme impact op het leven van de zanger.
Elvis schaamde zich er diep voor en had soms zelfs ongelukjes op het podium, waardoor hij zich tijdens optredens halsoverkop moest omkleden.
Omdat constipatie in de jaren zestig en zeventig nog in de taboesfeer zat en nauwelijks bespreekbaar was, zocht hij onvoldoende hulp, hoewel de behandelingen intussen sterk zijn geëvolueerd.
Nichopoulos is er dan ook van overtuigd dat Elvis wellicht nog in leven had kunnen zijn als hij destijds de nodige darmoperatie had ondergaan.
Op de plaats waar Graceland staat, stond oorspronkelijk een boerderij die eigendom was van Stephen C. Toof, de oprichter van S.C. Toof & Co., een commerciële drukkerij in Memphis.
Het landgoed werd vernoemd naar Toofs dochter, Grace, die de boerderij later erfde.
Spoedig daarna kreeg dit gedeelte van het land de naam Graceland.
In 1939 bouwde Grace Toofs nichtje, Ruth Moore, samen met haar echtgenoot dr. Thomas Moore een landhuis in koloniale stijl op het terrein.
Het landhuis telt drieëntwintig kamers, waaronder acht slaapkamers en badkamers.
De badkamer waar het levenloze lichaam van Elvis werd gevonden, bevindt zich pal boven de entree.
Deze ingang wordt ondersteund door vier grote pilaren, en bij het portiek waken aan weerszijden twee grote leeuwen.
Toen Elvis Graceland kocht, liet hij ingrijpende aanpassingen uitvoeren.
Zo kwamen er een stenen muur rondom het terrein, een smeedijzeren poort met een muziekthema, een zwembad, een tennisbaan en de beroemde Jungle Room, die voorzien is van een overdekte waterval.
In februari en oktober 1976 werd deze Jungle Room omgebouwd tot een opnamestudio.
Hier nam Elvis bijna alle nummers op voor zijn laatste twee studioalbums, ‘From Elvis Presley Boulevard’, ‘Memphis, Tennessee’ en ‘Moody Blue’.
Dit waren zijn laatst bekende opnamen in een studio-omgeving.
Om tot rust te kunnen komen, liet Elvis in de tuin de Meditation Garden aanleggen.
Hij bleef op het landgoed wonen tot aan zijn overlijden op 16 augustus 1977.
Na zijn dood werd Elvis begraven in deze Meditation Garden, net als zijn ouders Gladys en Vernon en zijn grootmoeder.
Ook ligt er een gedenksteen voor Elvis’ tweelingbroer Jesse Garon, die tijdens de geboorte overleed.
De Meditation Garden werd al in 1978 opengesteld voor het publiek, en op 7 juni 1982 opende Graceland officieel de deuren als museum.
Inmiddels is het landgoed uitgegroeid tot een waar bedevaartsoord en vormt het, naast de muziek, de grootste bron van inkomsten voor zijn nabestaanden.
Met jaarlijks zo’n 600.000 tot 700.000 bezoekers is het landhuis in Memphis, Tennessee, het op één na meest bezochte woonhuismuseum van de Verenigde Staten, na het Witte Huis.
Een ticket kost afhankelijk van het gekozen type rondleiding tussen de 53 en 148 dollar voor volwassenen (ongeveer 48 tot 134 euro)
Sinds de openstelling voor publiek op 7 juni 1982 tot aan 2026 hebben in totaal ruim 23 miljoen bezoekers een bezoek gebracht aan Graceland.
De zanger zette in de zomer van 1976 zijn vijfentwintigste jubileumjaar als zanger-componist zeer succesvol in met de hit “Mes Emmerdes”.
Alhoewel hij destijds over de ganse wereld als supervedette gekend stond, had hij een erg hard en vaak arm leven achter de rug.
Gevraagd naar zijn prilste jeugdherinneringen vertelde Charles Aznavour toen dat hij was opgegroeid in een sfeer van muziek, liefde en armoede.
Zijn ouders, die Armeniërs waren, baatten een klein restaurant uit en werkten hard om bijna niets te verdienen.
Zijn vader ging liedjes zingen om nog enkele stuivers bij te verdienen en zijn moeder nam allerlei rolletjes aan als actrice om haar kinderen van kledij en eten te kunnen voorzien.
Het opmerkelijke was dat, alhoewel het gezin zelf nauwelijks voldoende voedsel had, zijn ouders altijd de eersten waren om lotsgenoten te helpen.
Tragedie en tederheid zijn kenmerkende elementen van het befaamde repertoire van Aznavour.
Amper negen jaar oud wilde de kleine Charles ook al een beetje bijspringen om de huishoudkas wat aan te dikken.
Hij deed een auditie als Kozakkendansers, wat hem een rolletje als soldaat opleverde.
Zo begon de uiterst bescheiden toneelcarrière van deze veelzijdige ster.
Toen de oorlog kwam, was het meteen gedaan met het restaurantje van zijn ouders.
Zijn vader ging bij het leger en Charles werd krantenventer.
In die tijd begon hij ook liedjes te schrijven, gewoon voor de lol, die hij dan zong voor zijn collega’s in de Music Hall-club.
Daar ontmoette hij Pierre Roche, met wie hij de komende jaren vele liedjes zou schrijven.
Aznavour en Roche werden al gauw bekend als succesvolle schrijvers, in een tijd waarin er nog geen sprake was van hits, nadat heel Frankrijk nummers als “J’ai bu” meezong.
Mensen als Maurice Chevalier, Edith Piaf en Mistinguett kwamen bij hem aankloppen voor nieuwe liedjes.
Het was juist Edith Piaf die hem aanraadde om zelf te gaan zingen.
Aznavour dacht erover na en nam uiteindelijk het risico.
In 1950 brak hij met Pierre Roche om voortaan als zanger-componist door het leven te gaan.
Wanneer hij het over een risico had, wist hij goed wat hij bedoelde, want hij moest zo’n negen jaar wachten om als zanger erkend te worden.
Pas in 1959 trad hij voor het eerst als ster op in het Parijse Alhambra en het volgende jaar begon zijn loopbaan als een trein te bollen.
Men bood hem zelfs rollen aan in muzikale films, maar daar voelde Aznavour niet erg veel voor, omdat hij liever had dat de mensen hem live aan het werk hoorden op de scène en hij niet van foefjes hield.
Enkele jaren later trad hij niettemin op in gewone speelfilms zoals “August in Parijs” met Susan-Fleur Hampshire, “Journey on the Rhine” en “Three Fables” met topdanseres Leslie Caron.
Amerika kwam in 1963 aan de beurt.
In een oogwenk was heel New York veroverd nadat Charles daar in de Carnegie Hall had gezongen, wat wordt beschouwd als een van de belangrijkste gebeurtenissen van dat jaar voor de New Yorkers.
Over zijn liedjes vertelde hij dat hij als een fotograaf te werk ging.
Hij schiep zelf geen toestanden, maar benaderde de menselijke ziel en maakte er een portret van.
Als hij iets of iemand interessant vond, maakte hij er een liedje van.
Meestal schreef hij over de mensen en hun problemen, soms ook over de liefde, maar dan zonder zoeterig te willen zijn.
“Mes Emmerdes” ging bijvoorbeeld over zijn hele leven, inclusief alle problemen en situaties, zowel mooi als lelijk.
In dat rijke oeuvre van liefdesliedjes paste ook het nummer “Par gourmandise”, dat zoals gewoonlijk door Charles Aznavour zelf werd geschreven en terug te vinden was op zijn album Voilà que tu reviens en uitgebracht in 1976.
In dit sensuele en poëtische lied vergeleek Aznavour de liefde en het verlangen naar zijn partner met culinaire hoogstandjes en zoete zonden.
Het nummer gebruikte dan ook smaakvolle metaforen waarin de geliefde werd omschreven als een “péché mignon”, snoepgoed, een verboden vrucht en zelfs een “petit pain au chocolat”.
Tijdens live-optredens leidde hij het nummer vaak in met een monoloog over hoe moeilijk het is voor een songwriter om steeds weer nieuwe, originele manieren te vinden om “ik hou van jou” te zeggen zonder in clichés te vervallen.
Charles Aznavour zong dit nummer overigens ook in het Engels onder de titel “You Make Me Hungry For Your Loving”.
Na tien jaar had men in Frankrijk door dat Charles Aznavour enorm veel talent bezat.
Men geraakte snel in extase over de nieuwe Franse superster, zodat hij bijvoorbeeld in 1967 niet minder dan 67 voorstellingen moest geven van zijn One Man Show in de Parijse showtempel Olympia.
Aznavour was zonder meer een doorzetter.
Zo liep hij in 1973 een beenbreuk op tijdens het skiën, maar hij wilde ondanks veel pijn en narigheid absoluut zijn optredens afwerken.
Optredens waren immers erg belangrijk voor hem.
Hij gaf toe niet te weten hoe je een hit moest schrijven, maar wel te weten wat je op de planken moest brengen.
Hoewel hij dacht niet te weten hoe je een succesliedje schrijft, heeft hij in de loop der jaren toch een enorme stapel hits geproduceerd.
De verzamel-cd “Les Plus Belles Chansons”, uitgebracht in 2025, stond er vol van, met klassiekers als “La Mamma”, “Que c’est triste Venise”, “She”, “The Old Fashioned Way”, “Yesterday When I Was Young” en “Mes Emmerdes”
De geruchten dat ze een travestiet zou zijn, probeerde ze in diezelfde periode te ontkrachten door te poseren voor Playboy, maar de speculaties stopten hiermee niet.
Zelfs vijftien jaar geleden, in 2011, laaide de controverse weer op toen een Italiaanse krant een geboorteakte publiceerde van een zekere Alain Tap, geboren in 1939.
Dit was veel vroeger dan de late jaren veertig die altijd als Lears geboorteperiode werden aangenomen, al hing er rond haar ware leeftijd sowieso altijd al een zweem van geheimzinnigheid.
De krant toonde bovendien een foto van een jonge Tap die sprekend op haar leek.
Lear zelf bleef er nuchter onder en vertelde tijdens een bezoek aan Brugge in 2009 dat ze net als iedereen in de showbizz altijd moet acteren.
Al die mysteries deden haar muzikale succes destijds in elk geval geen kwaad.
Samen met producer Anthony Monn groeide ze uit tot de blanke queen of disco.
Ze brak in 1978 wereldwijd door met het nummer ‘Follow me’, waarna de successen elkaar snel opvolgden.
Haar single ‘Queen of China-Town’ was oorspronkelijk al in 1977 uitgebracht, maar werd door haar immense populariteit in 1978 opnieuw uitgebracht.
Ook andere nummers zoals ‘Enigma (Give a bit of mmmh to me)’, ‘Gold’, ‘The Sphinx ‘en ‘Fashion Pack’ groeiden uit tot grote hits.
In 2011 leende zangeres Katy Perry haar stem aan de iconische Smurfin in de live-action animatiefilm The Smurfs.
Als de enige vrouwelijke bewoner van het Smurfendorp bracht ze het geliefde personage tot leven voor een heel nieuw en wereldwijd publiek.
Tijdens de auditieperiode luisterden de makers blijkbaar blind naar verschillende stemopnames zonder de namen van de artiesten te weten, en ze kozen juist haar vanwege de unieke, speelse en herkenbare klank van haar stem.
Perry stak enorm veel energie in het project, deed actief mee aan de internationale promotiecampagne en trok op de première in New York alle aandacht in een opvallende jurk met een afbeelding van Smurfin erop, inclusief bijpassende blonde lokken.
Het succes beviel zo goed dat ze in 2013 opnieuw in de opnamecabine kroop om de rol te herhalen voor het vervolg The Smurfs 2.
De film zelf kent ook een paar leuke achtergrondfeiten.
Zo is het verhaal rondom Smurfin vrij bijzonder binnen de Smurfenwereld, omdat ze oorspronkelijk door de boze tovenaar Gargamel werd geschapen om onrust te stoken in het dorp, waarna Grote Smurf haar met zijn magie veranderde in een echte, liefdevolle Smurf.
Daarnaast was het maken van de film een gigantische productie.
Om New York te laten samensmelten met de animatiewereld, moesten de visuele effectenmakers maandelijks honderden uren rekenkracht inzetten om elke blauwe smurf naadloos in de live-actionbeelden te passen.
De film werd een gigantisch commercieel succes en bracht wereldwijd meer dan een half miljard dollar op, wat bewees dat de klassieke Belgische stripfiguren van Peyo na al die decennia nog steeds een enorme aantrekkingskracht hebben op jong en oud.
De meidengroep Bananarama werd in 1980 opgericht door Keren Woodward, Sara Dallin en Siobhan Fahey.
Hun eerste single was de cover Aie-a-mwana, die ze in 1981 uitbrachten.
Dit nummer verscheen oorspronkelijk in 1971 op het album Le Monde Fabuleux Des Yamasuki van het Belgische project Yamasuki’s.
In 1975 werd het in Vlaanderen een hitje voor de groep Black Blood.
Het werd geschreven door Daniel Vangarde, de vader van Thomas Bangalter van Daft Punk, en zijn landgenoot Jean Kluger.
In de studio kregen de dames hulp van Steve Jones en Paul Cook van The Sex Pistols, waarna het nummer een kleine hit werd in Engeland.
De grote doorbraak kwam al vroeg in de jaren tachtig na een succesvolle samenwerking met Terry Hall en zijn groep Fun Boy Three.
Samen namen ze ‘It Ain’t What You Do It’s the Way That You Do It’ op, een swingend jazznummer uit 1939 dat oorspronkelijk werd gezongen door Jimmie Lunceford and His Orchestra.
Het nummer werd een grote hit in Europa en gaf Bananarama de kans om aan hun eerste album te werken.
Dat debuutalbum, getiteld Deep Sea Skiving, bevatte onder meer ‘Really Saying Something’, een cover van een Motown-nummer uit 1964 van The Velvelettes dat ze eveneens samen met de Fun Boy Three zongen.
De derde single van de plaat was ‘Shy Boy’, een nummer dat geschreven en geproduceerd werd door Steve Jolley en Tony Swain, die ook bekend waren van hun werk met Imagination en Alison Moyet.
Bananarama schreef daarnaast zelf nummers voor het album, zoals ‘Young at Heart’, dat ze samen met Robert Hodgens maakten.
Hodgens zou later met zijn band The Bluebells een eigen versie van het nummer uitbrengen en daar eveneens een grote hit mee scoren.
Niet veel later veroverden ze ook internationaal de hitlijsten met aanstekelijke popnummers zoals ‘Cruel Summer’ en ‘Robert De Niro’s Waiting’.
In het midden van de jaren tachtig ging Bananarama een samenwerking aan met het beroemde producerstrio Stock Aitken Waterman, een stap die hun muzikale carrière naar een absolute piek bracht.
Met een vernieuwde, energiekere dancepopsound scoorden ze wereldhit na wereldhit, waaronder hun beroemde cover van Venus, evenals ‘Love in the First Degree’ en ‘I Heard a Rumour’.
Na het grote succes van het album Wow! besloot Siobhan Fahey in 1988 de groep te verlaten om te trouwen met David Stewart van de Eurythmics en een solocarrière te beginnen.
Fahey richtte later het succesvolle Shakespeare’s Sister op.
Ze werd kortstondig vervangen door Jacquie O’Sullivan, geboren als Jacqueline Michelle O’Sullivan, die tot 1991 bij de band bleef.
Vanaf dat moment besloten Sara Dallin en Keren Woodward als duo door te gaan.
In 1996 kregen ze een eervolle vermelding in het Guinness Book of Records als de meest succesvolle vrouwelijke groep ooit en als de meidengroep met de meeste hitnoteringen in de Britse hitparade.
Hoewel de oorspronkelijke driemansformatie in 2017 en 2018 een eenmalige en zeer succesvolle reünietournee deed, is de vaste bezetting een duo gebleven.
Sara Dallin, geboren op 17 december 1961 en inmiddels 64 jaar, en Keren Woodward, geboren op 2 april 1961 en 65 jaar, zijn nog altijd ontzettend actief op de bühne.
Ze treden regelmatig op tijdens festivals, retro-events zoals Rewind Festival en geven eigen optredens in Groot-Brittannië en daarbuiten.
Ook nieuw werk blijft een vast onderdeel van hun plannen.
Na hun succesvolle studioalbums In Stereo uit 2019 en Masquerade uit 2022 brachten ze in het voorjaar van 2024 de verzamelaar Glorious: The Ultimate Collection uit, waarop ook een paar gloednieuwe nummers stonden.
Ze schrijven en nemen in hun eigen tempo nog steeds nieuwe muziek op via hun eigen label, dus nieuw materiaal valt in de toekomst zeker te verwachten.
Dat het duo hun rijke discografie actief blijft vieren, bleek opnieuw toen hun album Now Or Never op 15 mei 2026 in een geremasterde en uitgebreide versie opnieuw werd uitgebracht op de digitale platforms.
Dit album verscheen oorspronkelijk in september 2012 ter gelegenheid van hun dertigjarig bestaan en een Amerikaanse tournee.
De vernieuwde digitale uitgave telt zes nummers, waaronder de titeltrack ‘Now Or Never’, ‘La La Love’, hun cover van Maroon 5 en Christina Aguilera, namelijk ‘Moves Like Jagger’, en een heropgenomen versie van de jarennegentigtrack ‘Movin’ On’, aangevuld met nieuwe mixes van Ian Masterson.
Op 30 juni 2026 brachten Sara Dallin en Keren Woodward opnieuw een speciale release uit, ditmaal rond hun iconische hit Venus.
Deze release bevat de geremasterde originele versie, zeldzame 12-inchmixen, instrumentale tracks en niet eerder digitaal beschikbare dancemixes die destijds in 1986 op de maxi-single verschenen.
Hiermee zetten ze de legendarische track, die ze oorspronkelijk overnamen van Shocking Blue en waarmee ze de eerste plek in de Amerikaanse Billboard Hot 100 veroverden, opnieuw in de schijnwerpers.
Met een carrière die inmiddels meer dan vier decennia overspant, blijven Sara en Keren wereldwijd optreden en nieuwe muziek maken, waarmee hun status als iconen van de popmuziek definitief vaststaat.
Haar jeugd kende een veelbelovende start; tot haar dertiende kreeg zij privélessen Frans, Duits en Engels.
Het tij keerde echter snel. Na het faillissement van haar vader in 1889 scheidden haar ouders, en in 1891 overleed haar moeder.
Margaretha verhuisde daarop naar een oom in Den Haag, waar ze een opleiding tot kleuterleidster volgde.
In 1894 reageerde de toen achttienjarige Margaretha op een huwelijksadvertentie in Het Nieuws van den Dag.
Ze trouwde met de twintig jaar oudere militair Rudolph MacLeod, maar het huwelijk werd een regelrechte hel.
Hij beschuldigde haar van flirten met zijn mede-officieren, terwijl zij stelde dat hij haar had besmet met syfilis.
Hun zoontje overleed op jonge leeftijd, mogelijk door een behandeling met kwik tegen deze ziekte.
Een bitter gevecht om hun dochter Nonnie volgde.
Na de vechtscheiding zorgde de familie MacLeod er definitief voor dat Margaretha haar dochter nooit meer te zien kreeg. Margaretha deed later nog een ultieme poging om contact te leggen.
Gisteren nog vandaag
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vroeg ze een Duitse officier om brieven en een broche die ze ooit van haar ex-man had gekregen, aan haar dochter te geven.
Zo zou Nonnie althans nog een aandenken aan haar moeder hebben.
De broche bereikte haar echter nooit.
Nonnie overleed in 1919 op 21-jarige leeftijd onverwacht in haar slaap.
Net als bij haar broertje bleef de precieze doodsoorzaak onbekend.
Haar vader Rudolph was toen al voor de derde keer getrouwd.
Na de scheiding trok Margaretha naar Parijs, waar zij vanaf 1905 het uitgaansleven veroverde als de exotische danseres Mata Hari, wat Maleis is voor oog van de dag.
Ze trad zelfs op in het gerenommeerde La Scala in Milaan.
In 1914 kreeg ze een aanbod voor een halfjaarlijks optreden in het Metropol-theater in Berlijn, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar danscarrière doordat alle theaters moesten sluiten.
Mata Hari keerde kort terug naar Nederland.
Voordat ze weer naar Parijs reisde, werd ze benaderd door de Duitse geheime dienst: voor 20.000 franc wilde men dat ze in Frankrijk zou spioneren.
Ze nam het geld aan, maar was nooit van plan om ook daadwerkelijk voor de Duitsers te werken.
De Franse en Britse geheime diensten wisten echter van dit contact.
Bovendien paste Mata Hari perfect in het profiel van een spionne, omdat ze veel reisde, haar talen sprak en voortdurend in de cirkels van hooggeplaatste mannen verkeerde.
In Frankrijk werd ze vervolgens gevraagd om te spioneren voor de Franse regering.
In ruil voor een grote som geld bracht ze verslag uit over haar contacten met de Duitsers.
Hoewel ze de Duitsers om de tuin leidde, was ze niet van plan de Fransen te bedonderen.
Gisteren nog vandaag
Des te opmerkelijker was haar arrestatie door zes politieagenten in haar Parijse hotel op 13 februari 1917.
Hoewel er geen sluitend bewijs was voor haar schuld, werd ze op 15 juli van datzelfde jaar ter dood veroordeeld.
Op 15 oktober 1917 werd Mata Hari door een executiepeloton om het leven gebracht.
Ze weigerde een blinddoek, hoefde niet geboeid te worden en accepteerde moedig haar lot.
Volgens sommige bronnen wierp ze het peloton zelfs nog een handkus toe.
Waarom ze precies door de Fransen werd veroordeeld, blijft onduidelijk.
Theorieën lopen uiteen: werd ze in de val gelokt, had ze simpelweg alle schijn tegen, of wilden de Fransen het moreel tijdens de oorlog hooghouden door een zondebok te executeren?
Gisteren nog vandaag
Later werd het doodvonnis heftig bekritiseerd, ook vanuit Nederland.
Onder meer doordat de publiciteit over Mata Hari en haar tragische einde ook na 1917 doorging, heeft haar naam over de hele wereld bekendheid gekregen.
Toch bleef de tragiek haar ook na haar dood achtervolgen.
Het lichaam van Mata Hari werd gebruikt als dissectiemateriaal voor Parijse geneeskundestudenten.
Haar hoofd werd bewaard in het Museum voor Anatomie, tot twintig jaar geleden werd ontdekt dat het spoorloos verdwenen was, vermoedelijk gestolen.
Haar mythe leefde voort in de populaire cultuur.
Zo verscheen er een Amerikaanse film over haar leven met Greta Garbo in de hoofdrol, een van haar zeldzame rollen als koude, berekenende femme fatale.
De film werd internationaal een doorslaand succes en wordt tot op de dag van vandaag gerekend tot de beste prestaties van de Zweedse actrice.
Harry Haag James was een van de invloedrijkste en meest virtuoze trompettisten uit het swing- en bigbandtijdperk.
Dit jaar is het precies 110 jaar geleden dat hij werd geboren. Opgegroeid in het circus als zoon van een kapelmeester en een trapeze-artieste, stond hij als kind al op het podium.
Bij reizende gezelschappen zoals het Mighty Haag Circus en het Christy Brothers Circus begon zijn carrière op een heel bijzondere manier: als vierjarige werkte hij er als slangenmens onder de artiestennaam ‘the Human Eel’ (de Menselijke Aal), en als zevenjarige viel hij al in als drummer van de circusband.
Toen hij door een medische ingreep moest stoppen met acrobatiek, leerde hij onder de uiterst strenge leiding van zijn vader trompet spelen.
Dat bleek zijn ware roeping.
Op twaalfjarige leeftijd leidde hij in het circus al de tweede band van de show.
Dit zware circusleven gaf hem niet alleen een ijzersterke longinhoud en een feilloze techniek op de trompet, maar vormde ook de basis voor zijn unieke podiumuitstraling.
James speelde niet zomaar muziek; hij wist hoe hij een zaal moest inpalmen.
Met zijn rijke, uitgesproken vibrato, explosieve hoge noten en een doordringende, warme toon trok hij direct alle aandacht naar zich toe.
Hij combineerde een weergaloze virtuositeit met flair, dramatische dynamiek en een glamoureuze podiumaanwezigheid die het publiek betoverde.
Zijn stijl was niet ingetogen of schroomvallig, maar groots, meeslepend en gemaakt voor het vermaak van massa’s.
Zijn echte doorbraak kwam in 1936, toen hij toetrad tot het beroemde orkest van Benny Goodman.
Met zijn krachtige geluid en podiumuitstraling werd hij al snel een van de absolute blikvangers van het swingtijdperk.
In datzelfde jaar trouwde hij met de jazzzangeres Louise Tobin. Het huwelijk eindigde in 1943
In 1939 besloot James voor zichzelf te beginnen en richtte hij zijn eigen bigband op.
Dat bleek een gouden greep, want in datzelfde jaar ontdekte hij een nog onbekende 23-jarige zanger genaamd Frank Sinatra.
Samen namen ze nummers op als ‘All or Nothing at All’, wat een paar jaar later uitgroeide tot een gigantische hit.
Hoewel hij de swing toen niet volledig achter zich liet, werd zijn stijl geleidelijk commerciëler.
Virtuoze hoogstandjes als ‘Ciribiribin’ en ‘The Flight Of The Bumble Bee’ hielden hem nog een hele poos populair, en zijn technische vaardigheid dwong steevast respect af.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog beleefde Harry James zijn absolute commerciële hoogtepunt.
Met romantische en meeslepende krakers als ‘You Made Me Love You’ en ‘Sleepy Lagoon’ groeide zijn orkest uit tot de populairste band van Amerika.
Zijn status als superster werd nog verder versterkt door zijn privéleven en glamour.
In 1943 trouwde hij met Hollywood-icoon en pin-up Betty Grable, waarmee ze een van de beroemdste celebritykoppels van hun tijd vormden.
Ze hadden elkaar ontmoet tijdens de opnames van de muzikale film ‘Springtime in the Rockies’ (1942).
Het paar was een absolute publieksfavoriet en een geliefd onderwerp in de roddelbladen.
Onder de Amerikaanse soldaten tijdens de Tweede Wereldoorlog ontstond zelfs de bekende slogan: “I want a girl just like the girl that married Harry James”.
Samen kregen ze twee dochters, Victoria en Jessica.
Het huwelijk bleef uiteindelijk 22 jaar duren, maar was verre van een sprookje achter de schermen.
Het stel deelde grote passies buiten de muziek en film om; zo waren ze allebei verknocht aan paardenraces.
Ze bezaten hun eigen ranch in Calabasas en een stal met succesvolle volbloedracepaarden die diverse grote races wonnen.
Achter de schermen kampten ze echter allebei met overmatig alcoholgebruik, gokverslavingen en wederzijdse ontrouw.
In 1965 kwam er definitief een einde aan hun huwelijk met een echtscheiding, al bleven ze tot Betty’s overlijden in 1973 op vriendschappelijke voet met elkaar omgaan.
Twee jaar na zijn scheiding van Betty Grable stapte James op 27 december 1967 in Reno opnieuw in het huwelijksbootje.
Zijn derde vrouw was de 27-jarige Joan Boyd, een voormalige showgirl uit het bruisende nachtleven van Las Vegas, waar James in die tijd een graag geziene performer was.
Het leeftijdsverschil van maar liefst 24 jaar (James was destijds 51) en de opvallende verschijning van zijn minirok dragende bruid trokken veel aandacht in de pers.
Samen kregen ze één kind (een zoon, Michael), wat het totale aantal kinderen van James op vijf bracht.
Dit derde huwelijk bleek echter van zeer korte duur en hield geen stand: na ruim twee jaar vroeg Joan in maart 1970 de echtscheiding aan op grond van onoverkoombare verschillen.
Na de breuk met Joan Boyd bleef James ongehuwd tot aan zijn overlijden.
James was regelmatig te zien in muzikale Hollywoodfilms en vulde moeiteloos de grootste zalen.
Toch brokkelde zijn enorme populariteit na de oorlog langzaam af.
In de jaren vóór augustus 1961 was hij wat naar de achtergrond geraakt en dreigde hij te worden gezien als een van de vele ‘vergeten mannen van de jazz’.
Als kostwinner maakte hij zich daar waarschijnlijk geen zorgen om, want financieel zat hij er warmpjes bij.
Maar als gedreven musicus kon hij de tijd niet vergeten waarin hij zalen vol publiek in vervoering bracht met zijn feilloos swingende blaaswerk, met name in de tweede helft van de jaren dertig.
James besefte dit terdege en wilde zich er niet bij neerleggen.
Hij greep in en stapte over naar de nieuwe platenfirma MGM.
Met zijn album ‘Harry James And His New Swingin’ Band’, uitgebracht in 1959 en bij ons verkrijgbaar in 1960, liet hij zien dat hij zijn muzikale koers grondig verlegde.
Het album werd destijds door velen zelfs beschouwd als een van de beste bigband-albums van die periode.
Zijn ‘New Swingin’ Band’ zat ontegenzeggelijk sterk in elkaar. Alle elf nummers lieten de kwaliteit van het album horen: ‘Shiny Stockings’, ‘How Deep Is The Ocean’, ‘Slats’, ‘Blues Like’, ‘Cotton Tail’, ‘To Close For Comfort’, ‘Kingsize Blues’, ‘M-Squad Theme’, ‘Deep Purple’, ‘Walkin” en ‘Get Off The Stand’.
Het was pure swing, nauw verwant aan de stijl van Count Basie.
Het nummer ‘Get Off The Stand’ verdiende speciale aandacht. Ernie Wilkins, de vaste arrangeur van de band, schreef dit stuk op uitdrukkelijk verzoek van James.
Het begon met het voltallige orkest, waarna diverse solisten en secties achtereenvolgens werden gelanceerd om vervolgens stil te vallen, waarna uiteindelijk alleen de ritmesectie overbleef om het nummer af te sluiten.
Met deze indrukwekkende eerste MGM-langspeler liet Harry James zien dat zijn nieuwe band ruimschoots in staat was om hem definitief te bevrijden van het etiket ‘vergeten man van de jazz’.
Ook de opvolger ‘Harry James… Het album ‘Today!’ uit 1961 was meer dan goed.
Critici en pers merkten op dat Harry James met dit album de strijksectie en vocalisten achterwege liet om een rauwere, modernere bigband-sound neer te zetten.
De arrangementen (onder andere van Ernie Wilkins en Neal Hefti) leunden zwaar op de stuwende, bluesy swingstijl van Count Basie.
Recensenten benadrukken dat hij in deze periode zijn eerdere commerciële ‘schmaltz’ inruilde voor geloofwaardige en vlijmscherpe jazzsolo’s.
Zijn trompetspel was daarin krachtig en loepzuiver, wat onder meer te horen was op klassiekers als ‘Undecided’, ‘Satin Doll’, ‘King Porter Stomp’ en ‘Take the ‘A’ Train’.
Door over te schakelen op deze meer op jazz en strakke swing gerichte stijl bewees hij opnieuw zijn artistieke kracht en bleef hij tot kort voor zijn overlijden in 1983 vol passie optreden.
Toen bij James in 1983 kanker werd geconstateerd (maligne lymfoom), bleef hij doorspelen; zijn laatste concert gaf hij op 26 juni 1983, kort voor zijn overlijden.
In hetzelfde jaar werd hij opgenomen in de Georgia Music Hall of Fame.
Het orkest met de naam van Harry James is nog steeds actief en wordt geleid door de trompettist Fred Radke.
De inmiddels tachtigjarige trompettist staat al sinds 1989 onafgebroken aan het roer van deze legendarische bigband.
Hij nam destijds de leiding over na het overlijden van zijn mentor en oorspronkelijke bandleider Harry James in 1983.
Tijdens de optredens brengt het orkest nog altijd de originele arrangementen en de kenmerkende swing-sound uit het gouden bigband-tijdperk.
Radke neemt daarbij zelf de iconische trompetsolo’s van Harry James voor zijn rekening.
Ze treden nog regelmatig live op in theaters en concertzalen, voornamelijk binnen de Verenigde Staten.
In november 2026 keert Fred Radke bovendien terug als artist in residence bij het Hillsdale College in Michigan, een jaarlijkse traditie waarbij hij masterclasses geeft en concerten dirigeert.
In de Nederlandse Top 40 bleef de plaat steken op nummer 32, terwijl deze in de Vlaamse Ultratop 50 de 25e positie behaalde.
In de UK was het echter in maart 1978 een top 3-hit, na ‘I Feel Love’ haar grootste Britse singlesucces, en in Ierland bereikte de single zelfs een tweede plaats.
Hoewel de single in de Verenigde Staten nooit los is uitgebracht, bereikte deze daar wel de eerste plaats in de Billboard Dance Chart, omdat destijds het volledige album als één hitnotering telde.
Afhankelijk van het land waar de 7-inch single werd geperst, stond op de B-kant het nummer ‘Autumn Changes’ of ‘Black Lady’.
Ook bij deze opname zaten Giorgio Moroder en Pete Bellotte achter de knoppen.
Het vaste succesteam componeerde en produceerde de muziek, terwijl Donna Summer zelf de tekst schreef.
Het nummer is de tweede track op haar succesvolle conceptalbum ‘I Remember Yesterday’, waarop Love’s Unkind specifiek teruggreep naar de vrolijke girlgroup-sound en de sfeer van de jaren vijftig, maar dan verpakt in een strak discojasje.
De lp verscheen in de lente van 1977, amper 7 maanden na haar vorige album.
Voor het album ‘I Remember Yesterday’ valt er achter de schermen heel wat te ontdekken over de innovatieve werkwijze van Donna Summer en haar producers.
Het bijbehorende album is een van de meest invloedrijke platen uit het videotijdperk van de disco geworden.
Op een discobeat mijmert ze vooral over haar verleden, waarbij het overkoepelende muzikale concept letterlijk door de tijd reist. Donna Summer combineerde hierop moderne discobeats met muzikale stijlen uit eerdere decennia.
Het retroconcept van het album leverde opvallende momenten op.
Om de sfeer van de vroege decennia perfect te vangen, beperkte het team zich niet tot de instrumenten alleen.
Donna Summer paste haar zangtechniek per nummer aan en imiteerde bewust de zangstijlen en microfoontechnieken uit die specifieke tijdperken.
De nummers op de A-kant en het begin van de B-kant weerspiegelen verschillende decennia uit de muziekgeschiedenis en hebben telkens betrekking op een bepaalde periode.
De titelsong ‘I Remember Yesterday’ eert de jarenveertig-bigband-stijl, waarvoor ze zong met de theatrale dictie van een bigband-zangeres.
Vervolgens kijkt ‘Love’s Unkind’ naar de jaren vijftig.
Voor dit nummer liet ze haar stem veel lichter en jeugdiger klinken om de typische sound te evenaren.
De tekst is een herinnering aan de onschuldige perikelen van een schoolcrush, haar eerste verliefdheid op een klasgenootje en een liefdesdriehoek in de klas.
Het daaropvolgende nummer ‘Back in Love Again’ vertegenwoordigt daarna de jaren zestig met een herkenbare Motown-stijl.
Aan het einde van het album maakt Donna Summer de sprong naar de toekomst met de grensverleggende afsluiter ‘I Feel Love’, die destijds volledig met synthesizers werd gemaakt en de blauwdruk werd voor de moderne dancemuziek.
Dit futuristische slotnummer veranderde de popmuziek voorgoed, maar de opname ervan was een technisch hoogstandje.
Giorgio Moroder wilde een nummer maken dat volledig elektronisch was om de toekomst te symboliseren.
In 1977 was dat een enorme uitdaging, omdat synthesizers destijds snel ontstemden door de warmte in de studio.
De apparatuur moest elk uur opnieuw worden afgesteld om de typerende, strakke baslijn zuiver te houden.
De enige niet-elektronische bijdrage aan de hele track is de kickdrum, die live werd ingespeeld door drummer Keith Forsey, omdat een drumcomputer destijds nog niet krachtig genoeg klonk.
Toen David Bowie het nummer voor het eerst hoorde in een studio in Berlijn, rende hij naar Brian Eno en riep dat dit het geluid van de toekomst was dat de clubmuziek de komende twintig jaar zou gaan beheersen.
Wereldwijd werd het album een commercieel groot succes.
Het bereikte de top 10 in diverse Europese landen, waaronder Nederland, Oostenrijk, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, terwijl de plaat in Italië en Spanje zelfs de eerste plaats wist te veroveren.
Er zijn miljoenen exemplaren van het album over de toonbank gegaan.
Alleen al in de Verenigde Staten was de verkoop goed voor meer dan een miljoen exemplaren, en ook in het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk werden honderdduizenden platen verkocht.
Ze produceerde dit album zelf, waarbij ze werd bijgestaan door Nile Rodgers.
Een van de nummers op deze plaat is ‘Victor Should Have Been a Jazz Musician’, een compositie van Grace Jones en Bruce Woolley.
De carrière van Woolley is indrukwekkend; hij is mede-auteur van de hit Video Killed The Radio Star van The Buggles en schreef daarnaast nummers voor artiesten als Dollar, Shirley Bassey, Divine, Cliff Richard, Tori Amos, Tom Jones, Cher en Bebel Gilberto.
De samenwerking tussen Bruce en Grace begon overigens al eerder, toen zij samenwerkten aan haar album Slave to the Rhythm uit 1985.
In maart 1987 werd de single ‘Victor Should Have Been a Jazz Musician’ uitgebracht in Vlaanderen en Nederland.
Hoewel dit voor velen haar beste nummer is, bleef het grote succes in de hitlijsten uit.
De single bereikte de BRT Top 30 niet en stond in de Nationale Top 50 slechts één week op de veertigste plaats.
In de Nederlandse Top 40 kwam het nummer niet verder dan de vijfendertigste positie.
Dit optreden vormde een bijzonder hoogtepunt in het leven van een vrouw met een evenzo opmerkelijke achtergrond.
Ze kwam ter wereld in Gisborne op het Noordereiland van Nieuw-Zeeland als Claire Mary Teresa Rawstron.
Haar biologische vader, Tiake Wawatai, was een Maori en was destijds getrouwd met Henerata Te Huia Kohere.
Haar biologische moeder, Noeleen Rawstron, was van Europese afkomst.
Omdat er verder weinig bekend is over haar natuurlijke ouders, nam haar leven al na vijf weken een beslissende wending toen ze werd geadopteerd door Atama Te Kanawa, eveneens een Maori, en Hellena Janet Leece, die net als Kiri’s biologische moeder Europese wortels had.
Haar adoptieouders gaven haar de naam Kiri, wat in het Maori toepasselijk klok betekent.
Haar onderwijs en muzikale basis ontving ze aan het Saint Mary’s College in Auckland.
De grote doorbraak in haar thuisland kwam in 1965, toen ze de prestigieuze Mobil Song Quest won.
In deze bijzondere competitie nam ze het op tegen zangers uit allerlei genres, van pop en jazz tot klassiek.
De hoofdprijs was een beurs om in Londen te studeren, wat de deuren naar een internationale carrière opende.
Een jaar later kon ze zonder auditie beginnen aan het London Opera Centre, waar ze zangles kreeg van James Robertson.
Haar podiumcarrière begon met de rol van de Tweede Dame in Mozarts Die Zauberflöte, maar na enkele andere rollen was het haar vertolking van Idamante in Idomeneo die echt indruk maakte.
Het leverde haar een felbegeerd driejarig contract op bij het Royal Opera House in Covent Garden, waarmee haar naam definitief gevestigd was.
Het internationale succes liet daarna niet lang op zich wachten.
In 1971 maakte ze haar debuut in de Verenigde Staten tijdens een operafestival in New Mexico, waar ze schitterde als de gravin in Le nozze di Figaro.
Ze hernam deze glansrol in Covent Garden en in 1972 bij de San Francisco Opera.
Twee jaar later beleefde ze een zenuwslopend maar triomfantelijk debuut in de Metropolitan Opera in New York, toen ze op het allerlaatste moment de zieke Teresa Stratas moest vervangen als Desdemona in Otello.
In de decennia die volgden speelde ze in opera’s over de hele wereld en liet ze zich ook op het witte doek gelden, bijvoorbeeld als Donna Elvira in de film Don Giovanni van Joseph Losey uit 1979.
Naast de bekende wapenfeiten uit haar carrière zijn er nog talloze boeiende weetjes over haar leven te vertellen.
Zo kreeg zij in 1982, een jaar na het huwelijk van Charles en Diana, de adellijke titel Dame Commander of the Order of the British Empire toegekend voor haar verdiensten in de muziek.
Ook maakte ze met succes uitstapjes buiten de pure opera; ze zong in 1991 het officiële themanummer World in Union voor het wereldkampioenschap rugby en nam in 1984 de rol van Maria op zich in een legendarische studio-opname van de musical West Side Story, gedirigeerd door componist Leonard Bernstein zelf.
Verder richtte ze in 2004 de Kiri Te Kanawa Foundation op om jong vocaal talent uit Nieuw-Zeeland financieel en mentaal te ondersteunen, en staat ze in haar vrije tijd bekend als een zeer fanatiek golfster.
In de latere fase van haar loopbaan bleef ze haar publiek verrassen.
Zo maakte ze in 2013 een opvallend uitstapje naar de televisiewereld met een gastrol in het vierde seizoen van de populaire Britse dramaserie Downton Abbey, waarin ze heel toepasselijk de historische Australische sopraan Nellie Melba speelde.
Haar definitieve afscheid van de operawereld kwam in 2010, toen ze voor het laatst in een rol stond als de Marschallin in Der Rosenkavalier van Richard Strauss bij de Oper Köln.
Hoewel ze toen al een jaar gestopt was, maakte ze in september 2017 officieel bekend dat ze niet langer in het openbaar zou optreden, waarmee een rustig einde kwam aan een van de meest succesvolle zangcarrières van onze tijd.
Let The Bright Seraphim – Prince Charles & Lady Diana’s Wedding, St Pauls 1981
Béatrice Marguerite Van der Maat werd geboren op 15 november 1960 in Gent en bouwde vanaf de jaren tachtig een veelzijdige loopbaan op als zangeres, presentatrice, actrice en lerares.
Haar kleutertijd speelde zich af in Itterbeek bij Brussel, in een heel klein schooltje dat gehuisvest was in een gebouw dat ooit een café was geweest.
Van die periode herinnerde ze zich later niet erg veel meer.
Dat ze in de buurt van Brussel opgroeide, was zeker geen slechte zaak, want op die manier leerde ze Frans.
Niets spectaculairs voor zover ze wist, behalve dan dat ze uitzinnig blij was als er om tien uur chocolademelk werd uitgedeeld.
Gisteren nog vandaag
De eerste maanden van het eerste leerjaar bracht ze door in Regina Caeli in Dilbeek.
Die allereerste schooldag zou ze nooit vergeten.
Haar vader reisde in die tijd veel en had haar een zakje gegeven met de opdruk British European Airways, wat afgekort BEA was.
Ze ging er uiteraard trots mee naar school, maar toevallig was er een juffrouw die ook Bea heette.
De oudere kinderen begonnen haar direct te pesten, omdat ze dachten dat ze het zakje van juffrouw Bea had gepakt.
Later kreeg haar vader een baan in de buurt van Gent te pakken en verhuisde het gezin.
Ze woonden in Sint-Amandsberg en Oostakker, waardoor Bea het eerste studiejaar afmaakte in Onze-Lieve-Vrouw Visitatie.
Dat viel mee, maar het tweede jaar werd een absolute ramp.
Haar zus ging naar het vierde leerjaar en vreesde voor de strenge juffrouw Georgette. Precies die leerkracht bleek te zijn overgeplaatst naar het tweede leerjaar.
Door alle angstaanjagende verhalen van haar zus had Bea vooraf zoveel schrik dat het nooit meer goed is gekomen.
Het werd een verschrikkelijk streng jaar waarin ze continu last had van buikpijn.
Haar moeder nam haar mee naar de dokter, maar er was lichamelijk niets aan de hand.
Het was puur psychologisch, buikpijn van narigheid.
Daarna volgden Tienen en Diest.
Verhuizen vond ze soms erg vervelend, want het was niet leuk om haar vriendinnetjes op school telkens achter te laten.
Vanaf het derde leerjaar tot het tweede jaar humaniora zat ze op het Koninklijk Lyceum in Tienen.
Daar viel alles weer op zijn pootjes.
De eerste dagen waren wel moeilijk, omdat ze haar vriendinnen in Gent miste; samen met haar jongste zus liep ze de eerste twee dagen huilend rond op de speelplaats.
Toch werd het er uiteindelijk heel plezant. Gelukkig vormden ze thuis een hecht gezin met vijf meisjes die stevig aaneen hingen.
Ze zaten met z’n vijven op dezelfde school, wat de leerkrachten en studiemeesteressen sympathiek vonden en waar Bea van kon profiteren.
Ze was een echte babbelkous, maar omdat ze geen studieproblemen had, werd dat door de vingers gezien.
Ze kreeg wel eens flink wat straf toen ze jeukpoeder mee naar de klas had genomen, maar verder waren er nauwelijks problemen.
Op momenten waarop ze zich verveelde, maakte ze haar tafels van vermenigvuldiging al van tevoren af.
Een specifieke herinnering uit de lagere school staat los van de klaspraktijk, maar bleek achteraf erg belangrijk.
Als jongste van het gezin moest ze altijd de gedragen kleren van haar zussen afdragen, terwijl haar vriendinnetjes steeds nieuwe spullen kregen.
Dat voelde soms oneerlijk.
Achteraf gezien is het doorstaan van die jaloezie heel waardevol geweest, want ze leerde dat kleding eigenlijk niet zo belangrijk is.
Tegenwoordig droeg ze met plezier kledingstukken van haar zussen.
Thuis kregen de zussen vooral Franse muziek mee van hun ouders, zoals Julien Clerc en Gilbert Bécaud.
Haar moeder had voortdurend de Franstalige radio opstaan.
Toen Toppop op de Nederlandse televisie begon, was dat meteen helemaal het einde.
Met haar zussen keek ze elke week en ze waren verzot op Gilbert O’Sullivan.
Ze stonden te dansen voor de televisie en zongen vol overgave mee.
Met haar oudste zus deelde Bea een kamer.
Zij luisterde ’s avonds vaak naar Radio Luxemburg, en op die manier leerde Bea ook Engelstalige muziek kennen.
Het begin van de humaniora verliep bijzonder aangenaam.
Samen met drie vriendinnen met wie ze de plechtige communie had gedaan, volgde ze de lessen zedenleer.
Ze waren slechts met hun vieren en hadden een ontzettend leuke lerares.
De lerares nam de vier meisjes in haar Porsche mee naar de bioscoop, en soms gingen ze tijdens de les iets drinken in het cafetaria van de GB.
Eén keer ontstond er opschudding toen de lerares tijdens een les over voorlichting allerlei hulpmiddelen meebracht om de uitleg te verduidelijken.
Nadat dat uitlekte, reageerden sommige ouders woedend.
Vanaf het derde jaar humaniora belandde Bea door een nieuwe verhuizing op de nonnenschool in Diest.
Dat was een grote overgang, maar achteraf bleek de hoge onderwijskwaliteit erg nuttig.
Het niveau lag zo hoog dat ze na haar eerste overhoring wiskunde slechts een half op twintig haalde.
Dat was een diepe ontgoocheling, maar haar moeder reageerde heel begripvol door te zeggen dat het nog altijd beter was dan een nul.
Die reactie deed deugd en stimuleerde haar om haar best te doen.
In het middelbaar koos ze voor wetenschappen, omdat ze hield van vakken zoals scheikunde en biologie.
Op haar jonge leraar biologie was ze trouwens erg lang verliefd.
Hij was pas afgestudeerd en droeg meestal een zwart fluwelen pak.
Boven haar bed hing een kalender waarop ze op biologiedagen de letters P.V. noteerde, wat verwees naar Piet Verhoeven uit de Dagobertstraat in Leuven.
Ondanks haar liefde voor wetenschappen koos ze daarna toch voor een studie Germaanse talen.
Dat bleek evenwel te hoog gegrepen.
Ze heeft uiteindelijk geen examens meegedaan, maar toch heeft ze in dat jaar veel geleerd.
Ze begon kranten te lezen, raakte geïnteresseerd in politiek en in de wereld om haar heen, én ze leerde haar man kennen.
Het jaar daarop ging ze regentaat studeren.
Ze was erg enthousiast over lesgeven en wilde de perfecte lerares worden.
Ze overwoog sterk om effectief in het onderwijs te stappen, maar begin jaren tachtig waren de banen in die richting dun gezaaid.
Bovendien waren Bea en haar man net begonnen met hun newwaveband Chow-Chow en hadden ze geld nodig.
Haar man was een echte muziekfreak en hoewel hij zelf geen gitaar speelde, wilde hij graag een band beginnen.
Het was de bloeiperiode van de punk, waarin emotie belangrijker was dan perfect spel.
Bea bleek een goede stem te hebben en mocht zingen.
Om geld te verdienen voor de band ging ze op de boekhouding van een bedrijf werken.
Het was een saaie baan, maar het leverde de nodige financiële middelen op.
In 1982 deden ze met Chow-Chow een eerste keer mee aan Humo’s Rock Rally.
Ze kregen toen prima beoordelingen, maar raakten niet in de finale.
Bij hun tweede deelname in 1984 lukte dat wel en bereikten ze de finale.
Als ze later naar die muziek luisterde, vond ze het zeker niet slecht, al hoorde je wel hoe jong en onervaren ze toen nog waren.
Na het ontbinden van die groep gingen ze verder met meer muzikanten: een saxofonist, een tweede gitarist en een keyboardspeler.
Met die uitgebreide bezetting ging Bea als frontvrouw verder onder de naam Won Ton Ton.
Die naam klonk gewoon goed en kwam er ook grafisch mooi uit.
Pas later ontdekten ze dat er ooit een film was gemaakt met de titel Won Ton Ton, maar daar had hun naamkeuze niets mee te maken.
Bea was wel blij dat het om een hond ging, want ze was een grote hondenliefhebber.
Wie Won Ton Ton zegt, denkt onvermijdelijk aan de hit ‘I Lie and I Cheat’ uit 1988, wat een grote Belpop-klassieker werd.
Het nummer bereikte destijds in Vlaanderen de tiende plaats in de BRT Top 30.
Ook in Nederland was de single een succes met een dertiende plaats in de Top 40.
Vandaag is dit een onbetwiste klassieker.
De totstandkoming van dat nummer verliep heel organisch, net als bij hun andere nummers.
De ene muzikant speelde iets, de andere ging erop verder en zo groeide het lied vanzelf.
Ook de tekst ontstond via een hechte samenwerking: Bea begon woorden te zingen en haar man maakte de zinnen af.
De uiteindelijke songtekst gaat over mishandeling, al was dat uiteraard helemaal niet autobiografisch.
Hoewel er destijds zelfs internationale interesse was vanuit de Verenigde Staten, koos ze bewust voor haar gezin nadat ze zwanger werd van haar eerste kind.
In 1996 bracht ze nog het soloalbum Thin Skinned uit, een plaat die ze zelf als een persoonlijk muzikaal hoogtepunt beschouwde.
Eind jaren tachtig werd ze een bekend gezicht voor het brede publiek.
Bij de start van de commerciële zender VTM in 1989 vormde ze samen met Willy Sommers het allereerste presentatieduo van het populaire muziekprogramma Tien om te zien.
Een jaar later maakte ze haar filmdebuut aan de zijde van Urbanus in de kaskraker Koko Flanel, die uitgroeide tot een van de meest succesvolle Vlaamse bioscoopfilms ooit.
Later presenteerde ze onder meer de programma’s Dag Coco, Studio Gaga en het natuurprogramma Rare Streken.
Toch verklaarde ze later dat de schijnwerpers en de roem haar niet altijd even goed lagen.
Ze maakte een stap terug uit de mediawereld en besloot haar regentaatsdiploma te gebruiken om les te geven.
Vanaf 2004 gaf ze als leerkracht Engelse les in de middenschool in Keerbergen.
In juni 2022 werd bij haar de spierziekte ALS vastgesteld.
Bea Van der Maat koos uiteindelijk voor euthanasie en overleed op 27 juli 2023 op 62-jarige leeftijd.
30 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse zangeres Bea Van der Maat (De Post 13 september 1991)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (Joepie januari 1990)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat (1989)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat in de Joepie van 16 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Koen Wouters, Willy Sommers, Bea Van Der Maat en Bart Kaëll in de Joepie van 23 juli 1989
Gisteren nog vandaag
Geen sterallures bij Bea Van der Maat en Dani Klein (Joepie 17 april 1988)
Gisteren nog vandaag
Het schoolverleden van Bea Van der Maat (Joepie 5 oktober 1986)
Gisteren nog vandaag
Bea Van Der Maat met het nummer Pain voor de tv-serie Flikken