Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Gerhard Höllerich zag op 25 januari 1943 het levenslicht met één grote droom: popartiest worden.
Amper achttien was hij toen hij zijn eerste muzikale stappen zette bij The Honky Tonks. Zijn diepzwarte haren en zijn grote bewondering voor Roy Orbison leverden hem al snel zijn bekende artiestennaam op: Roy Black.
Twee jaar later stampte hij zijn eigen band Roy Black and his Cannons uit de grond, wat leidde tot een ontmoeting met producer Hans Bertram.
De start in 1964 verliep niet meteen van een leien dakje, want zijn eerste singles ‘Sweet Baby mein’ en ‘Darling my Love’ kregen nauwelijks aandacht.
Maar met zijn derde poging, ‘Du bist nicht allein’, schoot hij pal in de roos.
Het was het begin van een waanzinnige succesperiode: tot 1969 belandden al zijn singles in de top 10, en maar liefst zes ervan stootten door naar nummer één.
Tussendoor dook hij ook regelmatig op in populaire bioscoopfilms.
In 1971 scoorde hij een enorme internationale voltreffer met het aanstekelijke duet ‘Schön ist es auf der Welt zu sein’, aan de zijde van de toen tienjarige Noorse Anita Hegerland (die van 1987 tot en met 1991 getrouwd was met Mike Oldfield; samen kregen ze twee kinderen).
Daarna keerde het tij. De hits bleven uit en Roy belandde in een diep dal, waarbij vooral zijn privéproblemen en een aanslepende strijd tegen alcohol en pillen de pers haalden.
Toch gaf hij niet op. In 1985 maakte hij een knappe comeback met het nummer ‘Mona’, en vanaf 1989 sloot het publiek hem opnieuw massaal in de armen dankzij zijn rol in de kijkcijferhit Ein Schloß am Wörthersee.
Het herwonnen geluk bleek helaas van korte duur. Op 9 oktober 1991 sloeg het noodlot toe: Roy overleed plots aan een hartinfarct, nauwelijks een maand na de geboorte van zijn dochtertje Nathalie.
Zijn bewogen levensverhaal inspireerde nadien verschillende boeken en leidde tot de film ‘Du bist nicht allein, Die Roy Black Story’, waarin niemand minder dan Christoph Waltz in de huid van de zanger kroop.
Voor mij persoonlijk blijft ‘Du bist nicht allein’ een van de absolute hoogtepunten uit de Duitse popgeschiedenis. Kunnen jullie mij daarin volgen?
De honoraria liepen dertig jaar geleden al duchtig de spuigaten uit, maar wat staken de grote sterren van Hollywood in die tijd nu eigenlijk in hun zak?
Het bleef toen al een heerlijk tijdverdrijf: even binnengluren in de portefeuille van de groten der aarde.
Destijds, midden jaren negentig, werd er volop gefluisterd over de duizelingwekkende inkomsten over het jaar 1995, en het loonde zeker de moeite om die toenmalige loonbrieven eens van naderbij te bekijken.
Aan de top van die rangschikking stonden toen Steven Spielberg, die 150 miljoen dollar (circa 131,3 miljoen euro) binnenhaalde, en Oprah Winfrey, die afklokte op 171 miljoen dollar, zowat 149,7 miljoen euro.
Michael Jackson haalde in datzelfde jaar vlot 90 miljoen dollar binnen, goed voor ongeveer 78,8 miljoen euro.
Het was destijds al een hele poos haasje-over spelen tussen Oprah Winfrey en Steven Spielberg.
Oprah wist Steven dat jaar dan ook vlotjes van de eerste stek te wippen.
Zij mocht op haar belastingbrief over 1995 een bruto-inkomen van 171 miljoen dollar invullen, zowat 149,7 miljoen euro.
Dat was maar liefst 21 miljoen dollar, of circa 18,4 miljoen euro, meer dan Spielberg, die het jaar voordien nog met de kroon was gaan lopen.
Op de derde plaats stonden The Beatles, die dankzij een reeks heruitgaven en heropgevist oud materiaal zomaar even 130 miljoen dollar, circa 113,8 miljoen euro, wisten op te strijken.
De rest van de toenmalige top tien mocht er evenzeer wezen: Michael Jackson ving 90 miljoen dollar (ongeveer 78,8 miljoen euro), The Rolling Stones haalden 77 miljoen dollar (omgerekend 67,4 miljoen euro) op en The Eagles deden het haast even goed met 75 miljoen dollar, oftewel 65,6 miljoen euro.
Arnold Schwarzenegger en goochelaar David Copperfield klokten beiden af op 74 miljoen dollar, wat neerkwam op 64,8 miljoen euro.
Jim Carrey streek 63 miljoen dollar (ongeveer 55,1 miljoen euro) op, terwijl auteur en scenarioschrijver Michael Crichton, de man achter kaskrakers als Jurassic Park en de hitserie E.R., de tiende plek deelde met komiek Jerry Seinfeld, elk goed voor 59 miljoen dollar of circa 51,6 miljoen euro.
Ook elders vielen er toen aardige bedragen te rapen: de heren van R.E.M. verdienden in een jaar tijd 44 miljoen dollar (zo’n 38,5 miljoen euro) en tekenden bovendien een kersvers platencontract van 80 miljoen dollar, oftewel 70 miljoen euro.
Zelfs met stevige metal viel er toen goud te scheppen, want zowel Kiss met 35 miljoen dollar (circa 30,6 miljoen euro) als Metallica met 28 miljoen dollar (ongeveer 24,5 miljoen euro) beleefden een bijzonder lucratief jaar.
De grootste verrassing zat hem op de zestiende plaats, waar het illusionistenduo Siegfried & Roy met hun vertrouwde witte tijgers toch weer eventjes 48 miljoen dollar, goed voor 42 miljoen euro, bijeen wist te sprokkelen.
Waarnemers trokken toen al aan de alarmbel: de vergoedingen rezen werkelijk de pan uit.
Waar vijf miljoen dollar (een slordige 4,38 miljoen euro) kort daarvoor nog gold als een vorstelijke gage voor een hoofdrol, kwamen de grote kleppers hun bed al niet meer uit voor minder dan twintig miljoen dollar, zowat 17,5 miljoen euro.
Op het kleine scherm bleven de gages op het eerste gezicht wat bescheidener, al mochten de wekelijkse bedragen er absoluut zijn.
Heather Locklear zag voor elke aflevering van Melrose Place 100.000 dollar op haar rekening verschijnen, goed voor 87.500 euro, terwijl Teri Hatcher in Lois & Clark 75.000 dollar per episode incasseerde, oftewel 65.600 euro.
Dat leek al een aardige stuiver, maar Ted Danson streek in het slotseizoen van Cheers zowaar een half miljoen dollar per aflevering op, zo’n 438.000 euro.
Daarmee deed hij zelfs beter dan Kelsey Grammer, die voor een weekje draaien aan Frasier 250.000 dollar (circa 219.000 euro) opstreek.
De absolute uitschieter was Roseanne Barr, die per aflevering van haar sitcom 600.000 dollar (ongeveer 525.000 euro) mocht noteren.
Dat was overigens nog klein bier vergeleken met haar aandeel in de winst van de reeks.
Ook David Hasselhoff wist de kassa op die manier flink te laten rinkelen.
Als acteur kreeg hij net zoals Pamela Anderson een standaardvergoeding van 60.000 dollar per aflevering, pakweg 52.500 euro, maar als uitvoerend producent mocht hij jaarlijks ettelijke tientallen miljoenen dollars in zijn rode zwembroek proppen.
Restte natuurlijk de vraag wanneer men opslag mocht vragen en wanneer men zich beter gedeisd hield.
Een insider uit Hollywood gaf destijds al de gouden raad mee: wie ook maar enigszins vervangbaar was, zweeg maar beter over loonsverhoging, hoe vlot de serie ook liep.
Actrice Suzanne Somers had die les aan den lijve ondervonden.
Toen zij voor de populaire sitcom Three’s Company een verdrievoudiging van haar wedde én tien procent van de winst eiste, werd haar personage prompt uit het script geschreven.
Ze vertrok in de volgende aflevering halsoverkop om voor haar zieke moeder te zorgen, en kwatongen beweerden toen schertsend dat ze daar nog altijd aan het bed zat te waken.
Als we die cijfers uit 1996 nu vergelijken met de situatie van vandaag, valt pas op hoe ontzettend hard het Hollywood-landschap geëxplodeerd is.
Wat destijds als onwaarschijnlijk royale jaarinkomens werd gezien, bleek achteraf slechts het begin te zijn van gigantische miljardenfortuinen en een heel nieuwe economie rond streaming en rechten.
Steven Spielberg en Oprah Winfrey voeren ook vandaag nog de lijstjes aan, al spreken we bij hen niet langer over tientallen miljoenen op jaarbasis, maar over miljardenvermogens.
Waar Spielberg in 1995 nog 150 miljoen dollar opstreek, bezit hij nu een vermogen van meer dan zeven miljard dollar, mede dankzij een percentage op elk verkocht pretparkticket bij Universal Studios dat hij al die jaren bleef innen.
Oprah Winfrey liet haar jaarlijkse gage van 171 miljoen dollar achter zich door een eigen media-imperium uit te bouwen, waardoor haar totale bezit nu op meer dan drie miljard dollar geraamd wordt.
In de muziekwereld is de vergelijking even treffend.
Michael Jackson, die toen 90 miljoen dollar binnenhaalde, overleed in 2009, maar zijn nalatenschap boert vandaag zakelijk gezien nog steviger dan tijdens zijn hoogdagen dankzij streaming, een Broadway-musical en monsterdeals voor zijn rechten.
The Rolling Stones en de overgebleven leden van The Eagles en The Beatles trekken nog altijd moeiteloos langs uitverkochte stadions, waar tegenwoordig met één enkele wereldtournee vlot meer dan honderd miljoen dollar omgezet wordt.
Hardrockbands als Metallica en Kiss zagen hun miljoenen van 1995 verbleken bij de hedendaagse inkomsten uit wereldwijde merchandising en tournees, waarbij Kiss zijn voltallige catalogus en merknaam recent zelfs voor honderden miljoenen van de hand deed.
Bij de acteurs en komieken wisten Jerry Seinfeld en Arnold Schwarzenegger, die toen respectievelijk 59 en 74 miljoen dollar verdienden, de sprong te maken naar het kransje van de officiële miljardairs.
Seinfeld deed dat door de rechten op zijn serie decennialang te blijven verzilveren, met streamingdeals die de toenmalige miljoenen in de schaduw stelden.
Schwarzenegger deed hetzelfde door zijn toenmalige filmgages slim in vastgoed en bedrijven te pompen, waardoor hij vandaag als investeerder veel meer overhoudt dan hij indertijd op een filmset kon opstrijken.
David Copperfield wist zijn 74 miljoen dollar van weleer om te zetten in een reusachtig resort- en vastgoedbezit en staat nog steeds in Las Vegas voor uitverkochte zalen.
Het contrast met het verleden is het meest merkbaar in de televisiewereld.
De halve miljoen dollar van Ted Danson en de zeshonderdduizend dollar van Roseanne Barr per aflevering deden destijds monden openvallen.
Later werd die lat echter verlegd naar één miljoen dollar per aflevering voor de casts van Friends en The Big Bang Theory, en vandaag tellen streamingdiensten als Netflix, Walt Disney, Prime en Apple TV+ voor prestigieuze miniseries zonder verpinken één tot twee miljoen dollar per enkele aflevering neer voor een hoofdrolspeler.
Het grote verschil met toen is wel dat de gulle, levenslange royalty’s bij klassieke herhalingen op televisie, waar de sterren uit 1996 decennia op konden teren, door het streamingmodel bijna volledig zijn weggevallen.
Amy Davis Irving werd op 10 september 1953 geboren in Palo Alto, Californië, in een gezin waar de podiumkunsten centraal stonden.
Haar vader Jules Irving was een gerespecteerd theaterregisseur en medeoprichter van de Actor’s Workshop in San Francisco, terwijl haar moeder Priscilla Pointer een gevierde actrice was.
Het was dan ook geen verrassing dat Amy al op zeer jonge leeftijd vertrouwd raakte met het theater.
Ze bracht een groot deel van haar jeugd door achter de schermen en stond als kind al op de planken.
Haar formele opleiding volgde ze aan het American Conservatory Theater in San Francisco en later aan de prestigieuze London Academy of Music and Dramatic Art.
In de jaren zeventig maakte ze de overstap naar film en televisie. Haar grote doorbraak op het witte doek kwam in 1976 met de rol van Sue Snell in de invloedrijke horrorfilm ‘Carrie’, geregisseerd door Brian De Palma.
Haar ingetogen en kwetsbare vertolking maakte meteen indruk, waarna De Palma haar opnieuw castte in de bovennatuurlijke thriller ‘The Fury’ uit 1978.
Rond diezelfde periode deed ze tevens auditie voor de rol van prinses Leia in ‘Star Wars’, een rol die uiteindelijk naar Carrie Fisher ging, maar het toonde aan hoe snel haar naam circuleerde in het filmlandschap van Hollywood.
Naast haar dramatische acteertalent beschikte Amy Irving over een opmerkelijke zangstem.
Dat liet ze horen in de muzikale dramafilm ‘Honeysuckle Rose’ uit 1980, waarin ze schitterde naast countrylegende Willie Nelson en zelf diverse nummers inzong.
Datzelfde jaar bewees ze haar veelzijdigheid in ‘The Competition’, waarin ze een getalenteerde klassieke pianiste speelde aan de zijde van Richard Dreyfuss.
Een van de absolute hoogtepunten in haar filmcarrière volgde in 1983 met ‘Yentl’, geregisseerd door Barbra Streisand.
Voor haar rol als de zachtmoedige Hadass ontving Irving een nominatie voor de Academy Award voor beste vrouwelijke bijrol.
Haar vocale kwaliteiten leverden haar in 1988 een van de meest herkenbare bijdragen aan de popcultuur op.
In de animatie- en liveactionklassieker ‘Who Framed Roger Rabbit’ leende ze haar zangstem aan het verleidelijke personage Jessica Rabbit, voor wie ze het jazzy nummer ‘Why Don’t You Do Right?’ vertolkte, terwijl Kathleen Turner de spreekstem verzorgde.
Datzelfde jaar schitterde Irving in de romantische komedie ‘Crossing Delancey’, een vertolking die haar een Golden Globe-nominatie opleverde en door critici werd geprezen om haar warmte en authenticiteit.
Ondanks haar successen in Hollywood bleef het theater altijd haar artistieke thuisbasis.
Ze bouwde een indrukwekkende staat van dienst op Broadway en Off-Broadway op.
Zo speelde ze de rol van Constanze in Amadeus, schitterde ze in producties als Heartbreak House en The Three Sisters, en maakte ze deel uit van de veelgeprezen originele Broadway-cast van Tom Stoppards trilogie The Coast of Utopia.
Haar toewijding aan het klassieke en moderne toneel leverde haar diverse prijzen en nominaties op in de theaterwereld.
In latere jaren bleef ze actief in uiteenlopende filmprojecten, waaronder het ensemble-misdaaddrama ‘Traffic’ van Steven Soderbergh, de Braziliaanse romantische komedie ‘Bossa Nova’ en de psychologische thriller ‘Unsane’.
In de afgelopen jaren heeft Irving zich meer op de muziek gericht. Ze bracht haar geprezen debuutalbum Born in a Trunk uit, waarop ze covers zingt die gelinkt zijn aan haar leven en carrière.
Kort daarna volgde een tweede album genaamd Always Will Be, een eerbetoon met covers van countrylegende Willie Nelson, met wie ze in 1980 in de film ‘Honeysuckle Rose’ speelde.
Haar privéleven trok in de jaren tachtig veel internationale media-aandacht door haar huwelijk met regisseur Steven Spielberg, met wie ze destijds zoon Max kreeg.
Na hun scheiding in 1989 trouwde ze met de Braziliaanse regisseur Bruno Barreto, met wie ze eveneens een zoon kreeg.
Vandaag de dag woont de inmiddels 73-jarige actrice samen met haar huidige echtgenoot, documentairemaker Kenneth Bowser.
Daarnaast onderhoudt ze nog altijd een goede, vriendschappelijke band met haar beroemde ex-man Steven Spielberg.
Eind september 1981 was Rob Davis allang geen tieneridool meer. Jaren eerder vormde hij samen met zanger Les Gray het vertrouwde uithangbord van Mud, een band die zowel bij ons in Vlaanderen als in Nederland over de koppen liep.
Dagelijks kreeg Rob zakken vol liefdesbrieven en rustig over straat lopen zat er destijds echt niet meer in.
Die gigantische roem bleef echter niet duren. De hits droogden op, het aantal optredens slonk en ook binnen de groep begon het te wringen.
De vanzelfsprekende chemie tussen Les Gray en drummer Dave Mount verdween.
Les trok het schrijven van singles en covers steeds meer naar zich toe, vaak met B-kantjes die maar weinig voorstelden.
Daardoor groeiden Rob en Les stilaan uit elkaar, tot ze eigenlijk gewoon zaten te wachten op het definitieve einde van de groep.
Na hun laatste hit begonnen Rob Davis en bassist Ray Stiles zich stilaan los te wrikken.
Ze zagen het niet meer zitten en hun muzikale voorkeur verschoof naar oudere soulgroepen en opkomende Amerikaanse westcoastbands zoals The Doobie Brothers en Eagles.
Achteraf bekeken werd Mud toen al een heel andere richting uitgeduwd, zonder dat ze het zelf goed en wel beseften.
Toch bleven ze nog enige tijd samen optreden. Er liepen namelijk nog buitenlandse aanbiedingen binnen, al voelde dat vaak als overleven op korte termijn en gebeurde het lang niet altijd met volle goesting.
In 1978 viel dan toch het doek. Het allerlaatste optreden vond plaats in een afgelegen dorpje.
Muzikaal ging het nog wel, maar de sfeer zat helemaal onder het vriespunt en het plezier was definitief weg. Iedereen voelde dat het verhaal geschreven was.
Dave Mount was kort voor dat einde al opgestapt, waarna Rob een tijdje de kost verdiende met studiowerk en het geven van gitaarles.
Ondertussen stampte Les Gray met verse muzikanten een vernieuwde versie van Mud uit de grond.
De vriendschap bleef wel overeind: Rob hielp Les af en toe nog in de studio, al zag hij hem minder vaak, en hij hield ook geregeld contact met Dave, die op dat moment zonder werk zat.
In 1980 belandde Rob bij de Britse doo-wop- en rock-‘n-rollformatie Darts.
Eerst viel hij even in voor de vertrekkende gitarist George Currie, om wat later een vast bandlid te worden.
Hij zou er zo’n twee jaar blijven, tot in 1982.
Zijn uitstraling was intussen een pak nuchterder dan tijdens de wilde Mud-jaren. Grote hits scoorde Darts in die periode amper, maar aan optredens was er geen gebrek: van intieme clubs en kleine zalen tot verre buitenlandse reizen naar Thailand, Korea en Japan.
Bij Mud was het succes vroeger vooral beperkt gebleven tot Engeland, Duitsland en de Benelux.
Rob vond het achteraf gezien best jammer dat ze met Mud nooit die kleinere, directe concerten hadden gespeeld, maar bij Darts kon dat gelukkig wel.
Een echt idool wilde hij sowieso nooit zijn. De muziek primeerde altijd. Die uitzinnige adoratie van vroeger hoefde voor hem niet eens en had hij ook nooit gevraagd.
Op zijn tijd bij Mud keek hij intussen met een heel nuchtere blik terug.
Bij Darts zat hij weer helemaal op zijn plek: omringd door jongere muzikanten, een goedgevulde agenda en elk optreden dat aanvoelde als een echt feestje.
Eind september 1981 liet hij dan ook weten dat hij voorlopig bij Darts bleef. Hij amuseerde zich rot, net zoals de rest van de bende.
De groep had werk en dat was voor hem het allerbelangrijkste.
Hij prees zich gelukkig dat hij opnieuw deel uitmaakte van een band die hem op handen droeg en respecteerde.
Na zijn periode bij Darts gooide Rob Davis het over een heel andere boeg en legde hij zich volledig toe op het schrijven van pop- en dancehits en het studiowerk achter de knoppen.
Dat bleek een schot in de roos: samen met Cathy Dennis pende hij later gigantische wereldhits neer voor Kylie Minogue, waaronder Can’t Get You Out of My Head en Come Into My World.
Ook de andere Mud-leden kenden elk hun eigen verhaal.
Les Gray blies Mud in de jaren tachtig nieuw leven in met een verjongde bezetting.
Zeker in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was hij een graag geziene gast op nostalgiefestivals en dook hij geregeld op in televisieprogramma’s.
Hij overleed op 21 februari 2004 in een Portugees ziekenhuis aan de gevolgen van keelkanker en een daaropvolgende hartaanval.
Bassist Ray Stiles sloot zich vanaf de jaren tachtig aan bij The Hollies en bleef in de groep tot 20 augustus 2026. Toen de twee kernleden, gitarist Tony Hicks (80) en drummer Bobby Elliott (84), besloten om met pensioen te gaan
Samen met twee nieuwe bandleden treedt hij met de andere muzikanten nog altijd geregeld op onder de naam Mud.
Vier jaar geleden stonden ze trouwens nog gewoon bij ons op het podium in Oudenaarde.
Met drummer Dave Mount liep het helaas heel wat minder goed af. Hij trok zich volledig terug uit de muziekwereld en overleed op 2 december 2006 in het ziekenhuis, na een zelfmoordpoging.
De Mirano in Brussel is een legendarische plek die een rijke geschiedenis ademt.
Het begon allemaal in 1934, toen het pand aan de Leuvensesteenweg in Sint-Joost-ten-Node de deuren opende als bioscoop Ciné Mirano.
Na jarenlang dienst te hebben gedaan als filmzaal sloot de bioscoop eind jaren zeventig, waarna het gebouw in 1981 werd omgevormd tot de discotheek Mirano Continental.
De officiële opening van de Mirano Continental vond plaats op donderdag 19 maart 1981.
De club was van meet af aan bedoeld als de Brusselse tegenhanger van de beroemde New Yorkse Studio 54 en het Parijse Le Palace.
Deze eerste avond werd bijgewoond door tal van prominenten, waaronder de Franse presentator Thierry Ardisson als een van de eregasten.
Niemand minder dan de extravagante Grace Jones verzorgde een optreden en arriveerde op spectaculaire wijze in een witte limousine.
Zij bleef een graag geziene gast in de club, want op 4 oktober 1981 bracht ze een tweede bezoek aan de Mirano na haar optreden in de Ancienne Belgique.
De Mirano werd al snel de plek waar de internationale jetset en mode-elite elkaar ontmoetten.
Grote namen uit de modewereld, waaronder de bekende Antwerpse Zes, gebruikten de club als podium voor hun avant-gardistische shows.
In de hoogtijdagen was het een smeltkroes van kunstenaars, modellen en muzikanten, wat de club een aura van exclusiviteit en creativiteit gaf.
Een van de meest unieke technische snufjes is de draaiende dansvloer.
Dit overblijfsel uit het cinematijdperk werd behouden en gemoderniseerd, waardoor het nog steeds een van de centrale attracties van de zaal is.
Ook de majestueuze entree in de vorm van een trechter en het interieur vol goud- en zwartaccenten dragen bij aan de theatrale sfeer die zo typerend is voor deze locatie.
Tegenwoordig bestaat de Mirano nog steeds, al heeft het een bewogen periode achter de rug.
Na een sluiting in 2017 onderging het gebouw een grondige renovatie, waarbij geprobeerd is om de pracht en praal van de jaren dertig weer terug te brengen.
Sinds de heropening in 2019 functioneert de Mirano niet alleen als discotheek op vrijdag- en zaterdagavond met een focus op electro- en urbanmuziek, maar doet het ook dienst als polyvalente evenementenlocatie en cultureel centrum.
Het wordt nu geëxploiteerd door de groep Art Blanc en is nog steeds een van de meest beeldbepalende plekken in het Brusselse nachtleven voor zowel clubavonden als bedrijfsfeesten en artistieke presentaties.
De Franse acteur Jean Marais, geboren als Jean Alfred Villain-Marais en door intimi liefkozend Jeannot genoemd, kende een bewogen weg naar de top.
Zijn kinderjaren waren verre van eenvoudig.
Toen hij werd geboren, weigerde zijn moeder hem te zien, omdat haar dochtertje pas enkele dagen daarvoor was overleden.
Toen zijn vader terugkeerde uit het leger was Jean vijf jaar oud, maar niet veel later bracht zijn moeder de drie kinderen onder bij hun grootmoeder, waar ze zonder vader opgroeiden.
Al van jongs af aan droomde Jean van het acteurschap, ondanks het gebrek aan steun van zijn familie en twee afwijzingen door de toneelschool.
Nadat hij van school werd gestuurd omdat hij verkleed als meisje zijn vrienden vermaakte en met een leraar flirtte, ging hij aan de slag als assistent van een fotograaf.
Zo kon hij acteerlessen bekostigen bij de grote regisseur Charles Dullin.
Om rond te komen nam hij vermoeiende figurantenrolletjes aan voor tien frank per dag, maar hij was zielsgelukkig om eindelijk in de theaterwereld te staan.
In het begin viel hij vooral op door zijn aantrekkelijke uiterlijk en innemende persoonlijkheid, maar al snel ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig en gerespecteerd acteur.
Zijn levenslange passie voor schilderen leverde hem zijn eerste filmkans op: regisseur Marcel L’Herbier kocht in 1933 een van Jeans doeken en gaf hem meteen een paar kleine filmrollen.
Het echte keerpunt kwam toen hij op zijn vierentwintigste de dichter en cineast Jean Cocteau ontmoette.
Cocteau lanceerde Marais’ carrière met rollen in onder meer ‘Oedipe-Roi’ en ‘Les Chevaliers de La Table Ronde’.
De ontmoeting voelde voor Marais als een wedergeboorte. Cocteau werd een vaderfiguur, mentor en levenspartner, en de twee bleven onafscheidelijk tot Cocteaus dood, vijfentwintig jaar later.
Samen boekten ze enorme successen, zoals met de film ‘L’Éternel retour’ en klassiekers als ‘La belle et la bête’ uit 1946, waarin Marais op meesterlijke wijze zowel het beest als de prins vertolkte, en ‘Orphée’ uit 1949.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij optreden in het bezette Parijs, maar na de bevrijding in 1944 meldde hij zich bij de Tweede Franse Pantserdivisie.
Als vrachtwagenchauffeur bracht hij brandstof en munitie naar het front, een moedige inzet die hem het Croix de guerre opleverde.
Na de oorlog groeide Marais uit tot een internationaal tieneridool en een icoon van de Franse cinema en het theater.
Hij schitterde in romantische drama’s, komedies en vooral spannende mantel-en-degenfilms.
In de jaren zestig boekte hij opnieuw enorm veel succes in de populaire Fantômas-reeks, waarin hij zowel de geheimzinnige schurk met het blauwe masker speelde als journalist Fandor, tegenover komiek Louis de Funès.
Ook op muzikaal vlak liet de veelzijdige artiest van zich horen.
Zo bracht hij in 1988 op het label Franceval het nummer On oublie tout, on oublie rien uit.
De tekst werd geschreven door Gilbert Sinoué en François Valéry, die tevens de muziek componeerde.
Het nummer is een weemoedige bespiegeling over nostalgie, de vergankelijkheid van de tijd en de manier waarop herinneringen en muziek verbonden blijven met iemands levensverhaal.
De tekst beschrijft hoe men door de jaren heen bepaalde details uit het verleden lijkt te vergeten, maar dat de diepere emoties, de gezichten van vrienden, de liefdes en de mooie momenten onuitwisbaar in het geheugen bewaard blijven.
Marais bracht het nummer destijds onder de aandacht via optredens in Franse televisieprogramma’s, waaronder het populaire La Classe.
Voor zijn indrukwekkende oeuvre ontving hij in 1993 een ere-César en in 1996 het Franse Legioen van Eer.
Datzelfde jaar speelde hij zijn laatste filmrol in ‘Io ballo da sola’ van Bernardo Bertolucci.
De veelzijdige kunstenaar Jean Marais overleed op 8 november 1998 in Cannes aan een hartaanval en liet een rijke erfenis aan film, theater, schilderkunst en beeldhouwwerken na.
Begon striptekenaar Toon van Driel toen aan een opvallend nieuw project voor het Veronica-blad.
Nadat de komische avonturen van Guust Flater jarenlang de voorlaatste pagina van het tijdschrift hadden gesierd, nam hij het stokje over van de legendarische Franquin.
Samen met André van Duin wilde hij dan ook het publiek aan het lachen krijgen.
De toen 41-jarige tekenaar, die vooral bekendheid genoot met F.C. Knudde, wilde graag voortborduren op het type van de sympathieke schlemiel, zoals Guust.
In Van Duin vond hij de ideale opvolger: televisiekijkend Nederland kende André al als de ultieme brokkenpiloot bij wie vrijwel alles in het honderd liep.
Toen Van Driel op het idee kwam om een strip rond de komiek te bouwen, maakte hij eerst een paar schetsen en legde die aan hem voor.
Van Duin, zelf een groot stripliefhebber, reageerde meteen enthousiast.
In de verhalen speelde André de hoofdrol, steevast vergezeld door zijn twee honden: de bassethond Wibo en de Engelse bulldog Gorp.
Net als op televisie wisselde het personage voortdurend van baan en belandde hij wekelijks in de gekste situaties.
Op papier kon Van Driel veel verder gaan dan een televisieprogramma toeliet.
Zonder torenhoge productiekosten stuurde hij André net zo makkelijk naar het Amazonegebied in Zuid-Amerika voor een spannend avontuur, iets wat voor een tv-uitzending onbetaalbaar zou zijn geweest.
In een aflevering nam André pianoles op een muziekschool, waar elke student zijn eigen instrument moest meebrengen.
De lezer zag hem vervolgens door de straten sjouwen met een loodzware vleugel op de schouders.
Eenmaal aangekomen bleek dat op de begane grond slechts blokfluitles werd gegeven, en André met zijn instrument naar de derde verdieping de trap op moest lopen.
Aan iedere aflevering besteedden Van Driel en zijn vrouw samen zo’n vijfentwintig uur, want het visuele plaatje moest perfect kloppen.
Terwijl hij de verhalen bedacht en uittekende, nam zijn vrouw het nauwkeurige inkleurwerk voor haar rekening.
Naast deze serie leverde hij toen ook dagelijks vier tekeningen aan voor het Algemeen Dagblad en tekende hij wekelijks een strip voor Panorama.
De allereerste aflevering van de André van Duin-strip, die zich afspeelde in de duinen, verscheen in week 39 van 1986.
De populaire reeks zou vervolgens ongeveer vijf jaar lang in het Veronica-blad te zien zijn, tot eind september 1991.
Barbara Bel Geddes, dochter van de invloedrijke industrieel ontwerper Norman Bel Geddes, was al een gevierde naam in de theaterwereld lang voordat ze bij miljoenen kijkers bekend werd als Miss Ellie in Dallas.
Als tiener debuteerde ze op Broadway in de komedie Out of the Frying Pan en vanaf dat moment zat ze vrijwel nooit meer zonder werk.
Ze schitterde in producties van grootheden als Elia Kazan, Graham Greene, Tennessee Williams en John Steinbeck, waarbij ze naar eigen zeggen het vak leerde door zich op te trekken aan haar ervaren tegenspelers.
Het absolute artistieke hoogtepunt op de planken was haar vertolking van Maggie the Cat in de originele Broadway-productie van ‘Cat on a Hot Tin Roof’.
Ook de stap naar Hollywood leek een droomstart te worden.
In 1946 tekende ze een bijzonder filmcontract bij RKO: op haar eigen voorwaarde mocht ze hooguit een film per jaar maken om tijd over te houden voor het theater.
Haar talent leverde haar voor haar rol in ‘I Remember Mama’ uit 1948 meteen een Oscarnominatie op voor Beste actrice in een bijrol.
Toch werd ze datzelfde jaar door de nieuwe en excentrieke RKO-eigenaar Howard Hughes plotseling aan de kant gezet, simpelweg omdat hij haar niet verleidelijk genoeg vond voor het grote doek.
De jaren vijftig brachten een moeilijke periode met zich mee.
Naast gezondheidsproblemen zorgde een onderzoek naar vermeende on-Amerikaanse activiteiten ervoor dat ze tijdelijk op een zwarte lijst belandde en het witte doek moest mijden.
Ze vocht zich echter met succes terug.
Ze speelde onder regie van Elia Kazan in ‘Panic in the Streets’, was te zien naast Danny Kaye in ‘The Five Pennies’ en maakte blijvende indruk als de nuchtere vriendin Midge naast James Stewart in Alfred Hitchcocks meesterwerk ‘Vertigo’.
Hitchcock was zo onder de indruk van haar subtiele mimiek dat hij haar persoonlijk vroeg voor zijn televisieserie Alfred Hitchcock Presents, waarin ze in vier afleveringen meespeelde.
Haar rol in ‘Lamb to the Slaughter’ werd legendarisch: daarin bracht ze haar echtgenoot om het leven met een bevroren lamsbout, om het moordwapen vervolgens te braden en voor te zetten aan de rechercheurs die het bewijsmateriaal zochten.
Toen Bel Geddes in 1978 werd gevraagd voor de rol van Eleanor “Miss Ellie” Southworth Ewing Farlow in de soapserie Dallas, waarschuwden sommige collega’s haar dat een soap een stap terug was.
Zelf dacht ze toen daar nuchter over. Ze had op dat moment geen artistieke verplichtingen en greep de kans met beide handen aan om een heel nieuw publiek te bereiken.
Niemand kon voorzien dat de serie zou uitgroeien tot een wereldwijd kijkcijferfenomeen.
Zonder haar had Larry Hagman de iconische rol van J.R. overigens nooit gespeeld; zijn moeder, musicalvedette Mary Martin, was een van haar dierbaarste vriendinnen met wie ze vroeger samen op het podium had gestaan.
Haar fijnzinnige spel als de standvastige spil van de familie leverde haar een felbegeerde Emmy Award op.
Achter de schermen liep het echter niet altijd van een leien dakje.
In het voorjaar van 1984 onderging ze een zware viervoudige bypassoperatie na een hartaanval, waardoor ze de eerste elf afleveringen van het nieuwe seizoen moest overslaan.
Toen ze het seizoen erop botste met de producenten over haar werkdruk en gage, werd haar rol overgenomen door filmster Donna Reed, die een contract voor drie jaar tekende.
Gisteren nog vandaag
De trouwe kijkers accepteerden de vervanging allerminst en bombardeerden de studio met brieven.
Toen de kijkcijfers kelderden en aartsrivaal Dynasty de koppositie overnam, haalden de producenten Bel Geddes in 1985 tegen forse betaling terug.
Donna Reed stapte woedend naar de rechter, kreeg een schikking van een miljoen dollar, maar overleed tragisch genoeg enkele maanden later aan alvleesklierkanker.
In haar persoonlijke leven koos Barbara Bel Geddes bewust voor warmte en eenvoud, ver weg van de glitter en roddels van Beverly Hills.
Ze was twee keer getrouwd: eerst met theatermanager Carl Schreuer, met wie ze dochter Alice kreeg, en daarna met regisseur Windsor Lewis.
Met hem kreeg ze dochter Betsy.
Haar huwelijk met Windsor was zeer hecht; toen hij ernstig ziek werd, zette ze haar acteercarrière jarenlang stil om hem thuis tot aan zijn overlijden in 1972 liefdevol te verzorgen.
Ze was bovendien een begenadigd kunstenares.
Naast haar filmwerk schreef en illustreerde ze twee charmante kinderboeken, ‘I Like to Be Me’ en ‘So Do I’, en ontwierp ze decennialang haar eigen reeks succesvolle wenskaarten.
Na haar definitieve vertrek bij Dallas in 1990 trok ze zich terug in haar rustige houten huis in Northeast Harbor aan de kust van Maine, waar ze schilderde en tuinierde.
Op 8 augustus 2005 overleed ze daar op 82-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.
Viviane Romance, geboren als Pauline Ronacher Ortmans, begon haar artistieke loopbaan al op zeer jonge leeftijd.
Als veertienjarige poseerde ze voor tijdschriften en postkaarten, waarna ze al snel op de planken belandde als danseres.
In 1928 maakte ze deel uit van het ensemble van de beroemde Moulin Rouge, waar ze onder andere het publiek vermaakte met de Franse cancan.
Haar veelzijdigheid bouwde ze verder uit via optredens in operettes en boulevardtheaters.
De echte omslag naar het witte doek kwam nadat ze in 1930 werd gekroond tot Miss Paris.
Vanaf 1931 verscheen ze in kleine bijrollen voor regisseurs zoals Marcel L’Herbier, Maurice Tourneur en Fritz Lang.
Haar rol als onderhouden vrouw in de musicalfilm ‘Ciboulette’ uit 1933 gaf al een voorproefje van het type personage dat haar handelsmerk zou worden.
Na haar opvallende verschijning in de tragikomedie ‘Princesse Tam Tam’ in 1935, kruiste cineast Julien Duvivier haar pad.
Hij gaf haar eerst een stevige rol in het drama ‘La Bandera’ en bezorgde haar vervolgens haar grote doorbraak in de klassieker ‘La Belle Équipe’ uit 1936.
Daarin zette ze een overtuigende femme fatale neer die een wig drijft tussen de personages van Charles Vanel en Jean Gabin.
Ook haar privéleven kende de nodige wendingen.
Romance trad driemaal in het huwelijk: eerst met acteur Georges Flamant, met wie ze in elf films samenspeelde, daarna met acteur en zanger Clément Duhour, en ten slotte met Jean Josipovici.
Op 25 september 1991 kwam er in Nice een einde aan haar veelbewogen leven, toen ze op 79-jarige leeftijd overleed aan kanker.
Het nummer Betty Grable van Neil Sedaka verscheen in 1974 op zijn Britse studioalbum Laughter in the Rain.
Sedaka schreef het nummer samen met zijn vertrouwde muzikale partner, tekstschrijver Howard Greenfield, met wie hij al sinds hun tienerjaren talloze klassiekers had afgeleverd.
In een interview legde Sedaka destijds uit waarom hij het nummer heeft geschreven.
Hij zag haar op een avond voorbijkomen in een oude film op televisie en besloot daarom dit eerbetoon te schrijven voor de vrouw op wie hij al zo lang verliefd was.
Het nummer is een nostalgische ode aan zijn jeugd en zijn bewondering voor haar, wat duidelijk blijkt uit de songtekst.
Sedaka zingt over hoe hij als klein kind elke zaterdagmiddag naar de bioscoop ging. Terwijl de andere kinderen voor Mickey Mouse en Donald Duck kwamen, zat hij aan het scherm gekluisterd voor zijn grote filmidool.
Hij zingt dat zijn hele muur vol hing met foto’s van haar, waaronder veel pin-upfoto’s, wat een directe verwijzing is naar haar status als de bekendste Amerikaanse pin-upgirl tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het nummer vangt precies dat gevoel van nostalgie: de overgang van jongensdromen naar volwassenheid, waarin de glans van zo’n filmster een gekoesterde herinnering blijft.
Elizabeth Ruth Grable werd geboren op 18 december 1916 in St. Louis, Missouri, en groeide uit tot een van de allergrootste kaskrakers van de Amerikaanse filmindustrie.
Gedreven door haar moeder volgde ze van jongs af aan zang-, dans- en acteerlessen.
Al op dertienjarige leeftijd wist ze met een vervalste leeftijd haar eerste rolletjes als koormeisje in Hollywood te bemachtigen.
Gedurende de jaren dertig werkte ze zich gestaag op via bijrollen in diverse studiofilms en speelde ze op Broadway in de succesvolle musical ‘Du Barry Was a Lady’.
Haar definitieve doorbraak volgde rond 1940 bij filmmaatschappij 20th Century Fox, waar ze werd binnengehaald als opvolgster van Alice Faye.
Met haar frisse verschijning, blonde lokken en aanstekelijke energie in kleurrijke technicolor-musicals zoals ‘Down Argentine Way’, ‘Moon Over Miami’ en ‘Springtime in the Rockies’ veroverde ze het grote publiek.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bereikte haar populariteit een ongekend hoogtepunt.
De befaamde foto die fotograaf Frank Powolny in 1943 van haar maakte, staand in badpak en over haar schouder lachend, werd de meest verspreide pin-up van de hele oorlogsperiode.
Miljoenen Amerikaanse soldaten hingen de foto op in kazernes, scheepsruimen en cockpitruimtes.
Haar benen werden zo beroemd dat filmstudio Fox ze liet verzekeren bij Lloyd’s van Londen voor het toen duizelingwekkende bedrag van één miljoen dollar.
In de jaren veertig en vroege jaren vijftig behoorde Grable steevast tot de best verdienende filmsterren van Hollywood.
Ze schitterde in kaskrakers zoals ‘Mother Wore Tights’ en speelde in 1953 naast Marilyn Monroe en Lauren Bacall in de succesvolle komedie ‘How to Marry a Millionaire’.
Toen de hoogtijdagen van de traditionele filmmusicals medio jaren vijftig voorbij waren, verlegde ze haar werkterrein met veel succes naar theaterpodia, nachtclubs en Broadwayproducties zoals ‘Hello, Dolly!’.
Betty Grable overleed op 2 juli 1973 op 56-jarige leeftijd aan longkanker in Santa Monica, Californië.
Slechts een jaar na haar overlijden brachten Neil Sedaka en Howard Greenfield met hun lied een muzikaal saluut aan deze iconische ster die een hele generatie wist te betoveren.
Met meer dan driehonderd miljoen verkochte platen wereldwijd, verdeeld over zo’n tachtig albums, geldt hij zonder twijfel als een van de succesvolste artiesten aller tijden.
Hij staat zelfs in het Guinness Book of World Records als de bestverkopende Latijns-Amerikaanse artiest in de geschiedenis, en wist hits te scoren in meer dan veertien verschillende talen, waaronder het Frans, Italiaans, Engels en zelfs Japans.
Toch hadden zijn verjaardagen er heel anders kunnen uitzien, want feestvieren was vroeger niet altijd vanzelfsprekend.
Als jonge twintiger leek Julio namelijk voorbestemd voor een glorieuze sportcarrière.
Hij stond als talentvolle doelman onder de lat bij de jeugdopleiding van Real Madrid en droomde van een professionele voetbalcarrière, terwijl hij tegelijkertijd rechten studeerde.
Op de vooravond van zijn twintigste verjaardag sloeg het noodlot echter keihard toe.
Door een zwaar auto-ongeluk belandde hij in het ziekenhuis. Zijn onderlichaam raakte verlamd en artsen vreesden dat hij nooit meer op eigen benen zou staan.
Tijdens zijn langdurige revalidatie gaf hij niet op en trainde hij onvermoeibaar door. Om de beweeglijkheid in zijn vingers en handen te verbeteren, gaf een verpleger hem een gitaar cadeau.
Het bleek een wonderlijke speling van het lot: aan het ziekenhuisbed ontdekte Julio zijn passie voor poëzie en muziek, en leerde hij zichzelf akkoorden spelen.
De voetbalschoenen verdwenen definitief in de kast en de muziek nam zijn leven over. In 1968 won hij het prestigieuze Benidorm International Song Festival met ‘La Vida Sigue Igual’, een zelfgeschreven nummer over zijn eigen strijd en herstel.
Slechts twee jaar later, in 1970, vertegenwoordigde hij Spanje op het Eurovisiesongfestival in Amsterdam met het lied ‘Gwendolyne’, waar hij een verdienstelijke vierde plek behaalde.
Zijn echte Europese doorbraak volgde in 1972 met het weemoedige ‘Un Canto A Galicia’, een ode aan de streek waar zijn vader vandaan kwam.
De jaren die volgden markeerden het begin van een internationale zegetocht van ruim 45 jaar.
In 1975 verscheen het prachtige ‘Abrazame’, geschreven door Rafael Ferro en Julio zelf.
Het nummer verscheen destijds op de B-kant van de single ‘Quiero’, en beide nummers vonden hun thuis op het album El Amor.
Voor veel fans behoort de kwetsbare en warme melodie van ‘Abrazame’ nog altijd tot de mooiste parels uit zijn omvangrijke repertoire.
Later veroverde hij ook Amerika stormenderhand met duetpartners als Willie Nelson met ‘To All the Girls I’ve Loved Before’ en Diana Ross.
Bovendien gaf hij het muzikale talent door aan de volgende generatie, met zoons Julio Jr. en superster Enrique Iglesias.
Zijn laatste studioalbum, México & Amigos, verscheen in 2017.
Bij de lancering liet de zanger weten dat dit definitief zijn afscheid van de studio betekende.
Tegenwoordig geniet de jarige zanger in relatieve rust van zijn welverdiende pensioen op zijn riante landgoederen in Punta Cana in de Dominicaanse Republiek en in Florida, al blijft zijn legendarische stem over de hele wereld voortklinken.
Haar volledige naam was Claudia Joséphine Rose Cardinale, geboren in Tunesië uit ouders van Italiaanse afkomst.
Haar entree in de filmwereld verliep bijzonder toevallig: in 1955 won ze een Tunesische schoonheidswedstrijd waaraan ze niet eens officieel deelnam, nadat de organisatie haar stomweg uit het publiek had geplukt.
Eigenlijk droomde ze er als jong meisje van om lerares te worden, maar het lot besliste anders.
De hoofdprijs van de verkiezing was een reis naar het filmfestival van Venetië.
Daar begon ze een relatie van een jaar met een tien jaar oudere Fransman en raakte ze ongewenst zwanger.
Hoewel de vader aandrong op een abortus, besloot Cardinale haar zoon Patrick te houden.
Om in haar levensonderhoud en opvoeding te voorzien, koos ze alsnog voor het acteursvak, een carrièrepad dat ze tot dat moment steeds had afgewezen.
Filmproducent Franco Cristaldi, met wie ze later zou trouwen, ontfermde zich over haar en zorgde ervoor dat ze in alle discretie in Londen kon bevallen.
Om haar reputatie te beschermen, werd Patrick in de eerste jaren aan de buitenwereld voorgesteld als haar jongere broertje, iets wat pas veel later bekendgemaakt werd.
In haar jonge jaren sprak Cardinale vooral Frans, Arabisch en Siciliaans, waardoor ze pas rond haar twintigste vloeiend Italiaans leerde spreken.
Vanwege haar opvallende Franse accent en haar kenmerkende, hese stemgeluid werd ze in haar eerste Italiaanse producties nagesynchroniseerd door andere actrices.
Pas in de film 8½ werd geëist dat zij volledig met haar eigen, kenmerkende stem te horen zou zijn.
Haar filmdebuut maakte ze in 1958 met de Franse productie ‘Goha’, in hetzelfde jaar opgevolgd door ‘I soliti ignoti’, een van de vroegste mijlpalen binnen de commedia all’italiana.
Gedurende de jaren zestig bouwde Cardinale een indrukwekkende staat van dienst op in talloze klassiekers. Z
Ze speelde mee in ‘Rocco e i suoi fratelli’ uit 1960 en het historische epos ‘Il gattopardo’ uit 1963 en de wereldberoemde spaghettiwestern ‘Once Upon a Time in the West’ uit 1968.
Nadat haar relatie met Cristaldi in 1975 op de klippen liep, deelde Cardinale tot 2001 haar leven met regisseur Pasquale Squitieri.
Ze leerden elkaar kennen op de set van de film’ I guappi’ uit 1974, en daarna verscheen Cardinale regelmatig in zijn producties.
Hoewel Cardinale aanvankelijk vaak als sekssymbool werd gezien, groeide ze uit tot een veelzijdige actrice met een rijk oeuvre van ruim honderdtwintig titels.
Haar prestaties werden veelvuldig bekroond, onder meer met verschillende David di Donatello-onderscheidingen en meerdere Zilveren Linten voor beste actrice.
Later in haar loopbaan ontving ze ook grote oeuvreprijzen, waaronder de Gouden Leeuw in Venetië in 1993 en de Gouden Erebeer in Berlijn in 2002.
In 2000 verbond ze haar internationale uitstraling aan een goed doel toen ze werd aangesteld als UNESCO Goodwill Ambassadeur voor de rechten van vrouwen.
Hoewel Claudia Cardinale haar leven en carrière vrijwel volledig wijdde aan het witte doek, dook ze heel af en toe toch de opnamestudio in.
Haar eerste stappen op vinyl zette ze aan het begin van de jaren zeventig via haar filmwerk.
Zo verscheen in 1971 de single ‘Popsy-Pop Song’, afkomstig uit de film Popsy Pop uit 1970.
Een jaar later volgde ‘Prairie Woman’, geschreven door Francis Lai voor de westernkomedie Les pétroleuses.
Haar meest opmerkelijke muzikale uitstap bewaarde ze echter voor het einde van dat decennium.
Midden in de hoogtijdagen van de discorage bracht ze in 1977 bij het label Disques Ibach het nummer ‘Love Affair’ uit.
De productie lag in handen van Léo Carrier en Gilbert Di Nino, die in de jaren zeventig en tachtig achter talloze disco-, synthpop- en dance-projecten zaten.
De track sloot met zijn stuwende vierkwartsmaat, weelderige strijkers en zwoele ritmes naadloos aan bij de populaire Eurodisco van die tijd. Cardinale probeerde niet geforceerd te zingen als een geschoolde vocalist, maar maakte juist slim gebruik van haar beroemde hese spreekstem.
Een gigantische wereldhit werd het niet, maar ‘Love Affair’ groeide door de jaren heen wel uit tot een gewild curiosum onder vinylverzamelaars en liefhebbers van vergeten discoparels.
Het blijft een charmant sluitstuk in de imposante loopbaan van een filmster die voor heel even de dansvloer opzocht.
Hoewel Marion Davies een van de grootste comédiennes van haar tijd was, staat ze tegenwoordig vooral bekend om haar relatie met mediamagnaat William Randolph Hearst.
De actrice werd geboren als Marion Cecilia Douras en haar turbulente privéleven overschaduwde haar carrière volledig.
De affaire tussen Hearst en Davies was een publiek geheim, maar tot een officieel huwelijk kwam het nooit, omdat Hearst niet van zijn vrouw scheidde.
Davies zelf nam het overigens ook niet zo nauw met de huwelijkse trouw; zo begon ze in de jaren twintig een romance met wereldster Charlie Chaplin en had ze in de jaren dertig een intieme band met acteur Dick Powell.
De jaloezie van Hearst leidde in 1924 tot een mysterieus incident tijdens een tocht op zijn jacht.
Naast het koppel en Chaplin was ook Thomas Harper Ince aan boord.
Ince was een invloedrijke Amerikaanse filmmaker en mediamagnaat uit het tijdperk van de stomme film.
Hij stond bekend als de vader van de western en was in zijn carrière verantwoordelijk voor de productie van meer dan achthonderd films.
Toen Ince tijdens deze reis onder verdachte omstandigheden overleed, ontstonden er hardnekkige geruchten dat Hearst hem in een jaloerse bui had doodgeschoten, in de veronderstelling dat hij Chaplin voor zich had.
Hoewel sluitend bewijs voor een misdrijf ontbreekt, vormde dit schandaal de basis voor de film The Cat’s Meow uit 2001.
In deze reconstructie werd Davies gespeeld door Kirsten Dunst, terwijl Edward Herrmann de rol van Hearst vertolkte.
Eddie Izzard speelde de rol van Chaplin en Cary Elwes speelde de rol van Ince.
De figuur van Hearst diende bovendien al veel eerder als inspiratiebron voor de filmwereld; de legendarische film Citizen Kane uit 1941 is namelijk grotendeels gebaseerd op het leven van deze krantenmagnaat.
Toen Hearst aan het einde van de jaren dertig in zware financiële nood verkeerde, toonde Davies haar onvoorwaardelijke loyaliteit door voor een miljoen dollar aan eigen juwelen te verkopen om hem te steunen.
Ondanks deze opoffering werd ze na zijn overlijden door zijn familie volledig geweerd.
Slechts tien weken na de dood van Hearst trouwde Davies met Horace Brown, maar dit huwelijk verliep moeizaam en werd overschaduwd door haar toenemende alcoholverslaving.
In haar laatste levensjaren toonde Davies zich een gulle weldoener door bijna twee miljoen dollar aan een kinderziekenhuis te schenken.
Haar eigen gezondheid liet haar echter steeds vaker in de steek. Na een beroerte in 1956 werd er later kanker bij haar geconstateerd.
Hoewel de behandelingen aanvankelijk succesvol leken, ging Davies definitief achteruit toen ze in 1960 haar been brak.
Niet veel later werd de ziekte haar fataal.
Ze werd uiteindelijk onder haar eigen achternaam Douras begraven in een mausoleum op het Hollywood Forever Cemetery.
Haar nalatenschap leeft echter voort in de popcultuur.
In de bekende ‘song You Oughta Be in Pictures’ uit 1934 werd haar naam al in één adem genoemd met iconen als Joan Crawford en Greta Garbo.
Ook muzikaal liet ze een blijvend spoor na met ‘Just You, Just Me’, een nummer dat Jesse Greer en Raymond Klages schreven voor haar film Marianne uit 1929.
In datzelfde jaar was het een hit voor Cliff Edwards en in de loop der jaren groeide het uit tot een echte jazzstandard.
Musici als Lester Young en Thelonious Monk voerden het vaak uit, en in 1956 nam Rosemary Clooney het op voor haar album Blue Rose met Duke Ellington en zijn orkest.
Zelfs recenter bleef het nummer relevant, aangezien Diana Krall het in 2020 opnam voor haar album This Dream of You.
Als ultiem eerbetoon aan haar bewogen leven als de kasteelvrouwe van Hearst Castle wijdde Al Stewart in 1995 bovendien het nummer Marion the Chatelaine aan haar op zijn album Between the Wars.
Als enig kind bleek ze al vroeg over uitzonderlijk muzikaal talent te beschikken.
Ze gaf haar eerste pianorecital al op zesjarige leeftijd, won op haar twaalfde een prestigieuze studiebeurs en studeerde aan de Eastman School of Music.
Hoewel haar droom aanvankelijk was om concertpianiste te worden, leidde haar talent haar uiteindelijk naar het podium en het grote scherm.
Na ontdekt te zijn door een Broadway-producent maakte ze in 1930 haar debuut in de show Ballyhoo of 1930.
Haar optredens in New Yorkse theaters en nachtclubs bleven niet onopgemerkt en al snel volgde de overstap naar film.
Met haar rol in ‘Too Much Harmony’ uit 1933 brak ze definitief door, wat haar een contract bij Paramount Pictures opleverde.
Titels als ‘The Cat’s-Paw’ en ‘Wake Up and Live’ maakten van haar een van de populairste muzikale filmsterren van haar generatie.
Ook in de liefde vond ze haar geluk. In 1937 ontmoette ze westernicoon William Boyd, wereldberoemd als Hopalong Cassidy, tijdens een blind date.
Slechts een maand later stapten ze in het huwelijksbootje.
Het bleek een hecht en gelukkig huwelijk, al bleef het stel kinderloos.
Grace koos er bewust voor om de schijnwerpers achter zich te laten en wijdde zich volledig aan het ondersteunen van de carrière van haar man.
Haar levensverhaal kreeg een bijzonder poëtisch einde: Grace overleed op 21 september 2010, precies op haar 97ste verjaardag.
De Britse mode- en textielontwerpster Zandra Rhodes staat wereldwijd bekend om haar uitgesproken, theatrale stijl en haar liefde voor felle kleuren.
Geboren op 19 september 1940 in Chatham, Kent, groeide ze op in een omgeving waarin mode een vanzelfsprekend onderdeel van het dagelijks leven was.
Haar moeder werkte als passter in een modehuis in Parijs en gaf later les aan het Medway College of Art, waar Rhodes zelf haar eerste artistieke stappen zette.
Vervolgens studeerde ze textielontwerp aan het prestigieuze Royal College of Art in Londen, waar ze in 1964 afstudeerde.
Haar opleiding in de mode legde de basis voor haar creaties van textielprints.
Haar vroege ontwerpen werden door traditionele Britse fabrikanten vaak als te bont en gedurfd bestempeld, waardoor ze besloot haar eigen stoffen te bedrukken en kledingstukken te ontwerpen waarin het textielpatroon zelf de vorm van de jurk bepaalde.
In 1969 lanceerde ze haar eerste eigen collectie, die meteen opgemerkt werd door het toonaangevende Amerikaanse modetijdschrift Vogue.
Haar vloeiende jurken van chiffon en zijde, versierd met golvende prints en handgeschilderde motieven, veroverden al snel zowel Londen als New York.
Binnen haar carrière creëerde Rhodes veelvuldig handgemaakte avondkleding met behulp van haar unieke vrouwelijke textiel.
Elk kledingstuk dat wordt gemaakt, bevat veel elementen die als vrouwelijk worden aangeduid.
Wanneer ze haar kledingstukken creëert, gaat er altijd veel aandacht naar de constructie, waarbij simplistische vormen helpen de basis van haar silhouetten te vormen.
In 1977 had zij een grote invloed op de gevestigde orde met een baanbrekende lijn die ze Conceptual Chic noemde.
Geïnspireerd door de opkomende punkbeweging creëerde ze jurken met gaten, gescheurde zomen en met juwelen bezette veiligheidsspelden, tien jaar vóór Versace, om zo een soort borduurwerk te vormen.
Deze details werden gemengd met felle neonkleuren en losjes getekende figuren die gezeefdrukt werden op zijdejersey of op de destijds nieuw ontwikkelde Ultra suède-stof.
Deze gewaagde samensmelting van punk en haute couture leverde haar in de media de bijnaam The Princess of Punk op.
Haar excentrieke beeldtaal trok een indrukwekkende kring van beroemde bewonderaars aan.
Ze ontwierp legendarische kleding voor onder meer Diana, prinses van Wales, en Freddie Mercury en Brian May van Queen.
Daarnaast kleedde ze stijliconen zoals Marc Bolan, Bianca Jagger en later ook moderne sterren als Debbie Harry.
Haar bekendheid reikte zelfs tot de televisiewereld: tijdens het tweede seizoen van de populaire BBC-show Absolutely Fabulous verscheen ze als zichzelf in een aflevering.
Naast kleding breidde Rhodes haar creatieve terrein uit naar theater- en operakostuums, onder meer voor producties van The Magic Flute en Aida.
In 2003 richtte ze in Bermondsey, Londen, het Fashion and Textile Museum op om hedendaagse mode en textielkunst te tonen en te bewaren.
Haar verdiensten voor de kunst- en modewereld werden breed erkend; zo ontving ze in 2007 een eredoctoraat van Heriot-Watt University.
Ook op het vlak van toegankelijk design liet ze zich gelden, zoals in 2021 toen ze in samenwerking met IKEA een nieuwe variant op de bekende blauwe Frakta-tas uitbracht onder de naam Karismatisk.
Met haar onmiskenbare felroze boblijn, kleurrijke oogmake-up en compromisloze vrolijkheid blijft Zandra Rhodes een van de meest herkenbare en invloedrijke vernieuwers in de Britse modegeschiedenis.
De inmiddels 86-jarige Zandra Rhodes is nog altijd buitengewoon actief en reist de wereld rond voor lezingen, interviews en live-gesprekken over haar decennialange loopbaan.
Samen met een jong team blijft ze onverminderd nieuwe ideeën ontwikkelen om de wereld te verrijken met haar kenmerkende kleurrijke, handgetekende patronen.
Ze gaat geregeld frisse mode- en textielsamenwerkingen aan, zoals recent met het modemerk Oceanus.
Daarnaast zet ze zich intensief in voor de nieuwe generatie ontwerpers.
Zo reikt ze jaarlijks haar eigen Zandra Rhodes Fashion Printed Textiles Award uit tijdens de Graduate Fashion Week en is ze aangesteld als jurylid voor de prestigieuze Dezeen Awards 2026.
Dit jaarlijkse prijzenprogramma, georganiseerd door het toonaangevende designmagazine Dezeen, bekroont de allerbeste internationale projecten op het gebied van architectuur, interieur en design en zet uitblinkende studio’s en individuele ontwerpers in de schijnwerpers.
Tegelijkertijd wijdt Rhodes veel tijd aan haar eigen stichting.
Daarmee digitaliseert ze haar omvangrijke archief van meer dan 6.000 unieke kledingstukken en textielprints om deze onder te brengen bij musea wereldwijd en zo haar mode nalatenschap duurzaam veilig te stellen.
Haar werk blijft ook volop te bewonderen voor het publiek: op 26 september 2026 opent de gloednieuwe tentoonstelling Zandra Rhodes Archive Unfolded in het De Montfort University Museum, in samenwerking met de Leicester Gallery en Trinity House in Leicester.