Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Het was in de nacht van 12 op 13 augustus 1961 dat de belangrijkste man in de DDR, Walter Ulbricht, in samenspraak met de Sovjet-Unie besloot om een blokkade op te werpen in de stad Berlijn.
Ulbricht was op dat moment nog hondstrouw aan het regime in Moskou, dus hij zal zich ongetwijfeld vrijwel kritiekloos hebben geschaard achter het idee van Nikita Chroesjtsjov.
De reden dat de muur nodig werd gevonden, lag in het feit dat veel inwoners van Oost-Duitsland de overtocht maakten naar de Bondsrepubliek in het westen.
Veel mensen wilden namelijk het communistische bewind ontvluchten. Al aan het begin van de jaren 50 werd de grens tussen de DDR en de Bondsrepubliek streng beveiligd, maar in Berlijn was de grens tot aan 1961 nog open.
Gisteren nog vandaag
De muur moest daar een einde aan maken.
De controle bij de muur was immens.
Er was prikkeldraad en voortdurende beveiliging door zwaarbewapende beveiligers.
Zij hadden toestemming om mensen die probeerden te ontsnappen neer te schieten.
Wie een vluchtpoging overleefde, kon rekenen op een zware straf.
Gisteren nog vandaag
Gelukkig valt de roep om vrijheid uiteindelijk niet te negeren.
Toch hebben de inwoners van Oost-Berlijn bijna dertig jaar onder dit zware juk moeten lijden.
Maar toen het op die beroemde dag in 1989 eindelijk zover was, was Berlijn weer één.
Enkele jaren later zou heel Duitsland onder leiding van bondskanselier Helmut Kohl weer herenigd worden.
Van de Berlijnse Muur zijn nog slechts wat resten en veel boze herinneringen over.
Haar jeugd kende een veelbelovende start; tot haar dertiende kreeg zij privélessen Frans, Duits en Engels.
Het tij keerde echter snel. Na het faillissement van haar vader in 1889 scheidden haar ouders, en in 1891 overleed haar moeder.
Margaretha verhuisde daarop naar een oom in Den Haag, waar ze een opleiding tot kleuterleidster volgde.
In 1894 reageerde de toen achttienjarige Margaretha op een huwelijksadvertentie in Het Nieuws van den Dag.
Ze trouwde met de twintig jaar oudere militair Rudolph MacLeod, maar het huwelijk werd een regelrechte hel.
Hij beschuldigde haar van flirten met zijn mede-officieren, terwijl zij stelde dat hij haar had besmet met syfilis.
Hun zoontje overleed op jonge leeftijd, mogelijk door een behandeling met kwik tegen deze ziekte.
Een bitter gevecht om hun dochter Nonnie volgde.
Na de vechtscheiding zorgde de familie MacLeod er definitief voor dat Margaretha haar dochter nooit meer te zien kreeg. Margaretha deed later nog een ultieme poging om contact te leggen.
Gisteren nog vandaag
Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vroeg ze een Duitse officier om brieven en een broche die ze ooit van haar ex-man had gekregen, aan haar dochter te geven.
Zo zou Nonnie althans nog een aandenken aan haar moeder hebben.
De broche bereikte haar echter nooit.
Nonnie overleed in 1919 op 21-jarige leeftijd onverwacht in haar slaap.
Net als bij haar broertje bleef de precieze doodsoorzaak onbekend.
Haar vader Rudolph was toen al voor de derde keer getrouwd.
Na de scheiding trok Margaretha naar Parijs, waar zij vanaf 1905 het uitgaansleven veroverde als de exotische danseres Mata Hari, wat Maleis is voor oog van de dag.
Ze trad zelfs op in het gerenommeerde La Scala in Milaan.
In 1914 kreeg ze een aanbod voor een halfjaarlijks optreden in het Metropol-theater in Berlijn, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakte een abrupt einde aan haar danscarrière doordat alle theaters moesten sluiten.
Mata Hari keerde kort terug naar Nederland.
Voordat ze weer naar Parijs reisde, werd ze benaderd door de Duitse geheime dienst: voor 20.000 franc wilde men dat ze in Frankrijk zou spioneren.
Ze nam het geld aan, maar was nooit van plan om ook daadwerkelijk voor de Duitsers te werken.
De Franse en Britse geheime diensten wisten echter van dit contact.
Bovendien paste Mata Hari perfect in het profiel van een spionne, omdat ze veel reisde, haar talen sprak en voortdurend in de cirkels van hooggeplaatste mannen verkeerde.
In Frankrijk werd ze vervolgens gevraagd om te spioneren voor de Franse regering.
In ruil voor een grote som geld bracht ze verslag uit over haar contacten met de Duitsers.
Hoewel ze de Duitsers om de tuin leidde, was ze niet van plan de Fransen te bedonderen.
Gisteren nog vandaag
Des te opmerkelijker was haar arrestatie door zes politieagenten in haar Parijse hotel op 13 februari 1917.
Hoewel er geen sluitend bewijs was voor haar schuld, werd ze op 15 juli van datzelfde jaar ter dood veroordeeld.
Op 15 oktober 1917 werd Mata Hari door een executiepeloton om het leven gebracht.
Ze weigerde een blinddoek, hoefde niet geboeid te worden en accepteerde moedig haar lot.
Volgens sommige bronnen wierp ze het peloton zelfs nog een handkus toe.
Waarom ze precies door de Fransen werd veroordeeld, blijft onduidelijk.
Theorieën lopen uiteen: werd ze in de val gelokt, had ze simpelweg alle schijn tegen, of wilden de Fransen het moreel tijdens de oorlog hooghouden door een zondebok te executeren?
Gisteren nog vandaag
Later werd het doodvonnis heftig bekritiseerd, ook vanuit Nederland.
Onder meer doordat de publiciteit over Mata Hari en haar tragische einde ook na 1917 doorging, heeft haar naam over de hele wereld bekendheid gekregen.
Toch bleef de tragiek haar ook na haar dood achtervolgen.
Het lichaam van Mata Hari werd gebruikt als dissectiemateriaal voor Parijse geneeskundestudenten.
Haar hoofd werd bewaard in het Museum voor Anatomie, tot twintig jaar geleden werd ontdekt dat het spoorloos verdwenen was, vermoedelijk gestolen.
Haar mythe leefde voort in de populaire cultuur.
Zo verscheen er een Amerikaanse film over haar leven met Greta Garbo in de hoofdrol, een van haar zeldzame rollen als koude, berekenende femme fatale.
De film werd internationaal een doorslaand succes en wordt tot op de dag van vandaag gerekend tot de beste prestaties van de Zweedse actrice.
In de zomer van 1940 verliet een belangrijk deel van het secretariaat van de Volkenbond, waaronder de Economische en Financiële Organisatie, het weelderige nieuwe Palais des Nations op de rechteroever van het Meer van Genève.
Omdat Zwitserland na de val van Frankrijk ingesloten was geraakt, emigreerden zij naar de Verenigde Staten om hun werk vanuit Princeton voort te zetten.
Zij vonden zo ironisch genoeg onderdak in een land dat nooit lid was geweest van de Geneefse Liga.
De uittocht was echter niet compleet; de Internationale Arbeidsorganisatie verhuisde naar Canada, terwijl een kleine bezetting onder leiding van secretaris-generaal Seán Lester in het vrijwel lege paleis in Genève achterbleef om de organisatie op papier in leven te houden totdat deze in 1946 definitief werd ontbonden.
Dat de vergaderingen van de pas opgerichte Verenigde Naties vanaf 1946 naar de Verenigde Staten verhuisden, was echter geen direct gevolg van deze eerdere emigratie, maar een bewuste geopolitieke keuze.
De geallieerden hadden geleerd van het falen van de Volkenbond, die vanaf het begin zwaar verzwakt was, omdat de Amerikanen weigerden lid te worden en kozen voor isolationisme.
Om te voorkomen dat de grootmacht zich na de Tweede Wereldoorlog opnieuw van de internationale politiek zou afkeren, werd besloten het nieuwe hoofdkwartier op Amerikaans grondgebied te vestigen.
Zo werden de Verenigde Staten letterlijk en figuurlijk in de nieuwe wereldorganisatie verankerd.
Daarbij kwam dat grote delen van Europa in puin lagen en de middelen en infrastructuur misten om zo’n diplomatieke instelling te huisvesten, terwijl de Verenigde Staten ongeschonden en economisch bloeiend uit de strijd waren gekomen.
Hoewel de allereerste Algemene Vergadering in januari 1946 nog in Londen plaatsvond, streek de organisatie later dat jaar tijdelijk neer in de staat New York.
De definitieve keuze voor een permanent hoofdkwartier in Manhattan kreeg de doorslag toen John D. Rockefeller Jr. op het laatste moment 8,5 miljoen dollar schonk om een braakliggend stuk land aan de East River te kopen.
De definitieve vestiging in New York was daarmee geen erfenis van de gevluchte Volkenbondmedewerkers in Princeton, maar de ultieme weerspiegeling van de naoorlogse verschuiving van de macht in de wereld.
Tijdens deze historische eerste bijeenkomst in Londen in januari 1946 nam de Belgische staatsman Paul-Henri Spaak een prominente plaats in.
Hij werd er verkozen tot de allereerste voorzitter van de Algemene Vergadering.
Bij de stemming haalde hij het nipt van de Noorse kandidaat Trygve Lie.
Voor Lie was dit verlies echter van korte duur: amper een maand later werd hij alsnog benoemd tot de eerste officiële secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Hij volgde daarmee de Britse diplomaat Gladwyn Jebb op, die de functie in de opstartfase tijdelijk als waarnemer had vervuld.
Het verschil tussen deze twee topfuncties, dat toen in de begindagen werd vastgelegd, bestaat vandaag de dag nog steeds en ligt in de aard van het werk en de ambtstermijn.
De secretaris-generaal is de hoogste ambtenaar en het belangrijkste diplomatieke gezicht van de organisatie.
Deze persoon leidt het VN-secretariaat, stuurt wereldwijd het personeel aan, bemiddelt in internationale conflicten en kan als enige rechtstreeks zaken agenderen bij de Veiligheidsraad.
Het is een zware uitvoerende functie met een mandaat dat zich uitstrekt van Silicon Valley tot ver daarbuiten, met een termijn van vijf jaar die vaak één keer wordt verlengd.
De voorzitter van de Algemene Vergadering is daarentegen de neutrale gespreksleider van het overkoepelende orgaan waarin alle lidstaten samenkomen.
Deze voorzitter leidt de debatten, bepaalt mede de agenda en smeedt compromissen.
Dit mandaat duurt slechts één jaar en rouleert jaarlijks tussen de continenten om iedereen evenredig aan bod te laten komen.
Ook in 2026 worden beide functies ingevuld door ervaren diplomaten en politici.
De Portugees António Guterres bekleedt de rol van secretaris-generaal en bevindt zich in de laatste maanden van zijn tweede termijn, die eind 2026 afloopt.
De Algemene Vergadering staat tot september 2026 nog onder leiding van de Duitse Annalena Baerbock, die de tachtigste sessie voorzit.
Omdat een VN-werkjaar in september begint en eindigt, zal de recent verkozen diplomaat Khalilur Rahman uit Bangladesh daarna de voorzittershamer overnemen om de eenentachtigste sessie in goede banen te leiden.
De historische herinnering aan het vroege Amerikaanse isolationisme, dat de kiem legde voor de zwakte van de Volkenbond, is vandaag de dag actueler dan ooit door de buitenlandpolitiek van president Trump onder de noemer America First.
Er zijn duidelijke parallellen te trekken tussen beide stromingen, aangezien ze voortkomen uit het verlangen om nationale belangen absoluut voorop te stellen en zich te distantiëren van multilaterale verplichtingen.
Dit moderne neo-isolationisme uit zich in een diep wantrouwen tegenover internationale instellingen en uit zich in het bekritiseren of verlaten van internationale verdragen en VN-organisaties.
Ook de kritische, transactionele houding tegenover bondgenootschappen zoals de NAVO en het afschermen van de eigen economie met strenge handelstarieven weerspiegelen deze mentaliteit om de focus resoluut binnen de eigen landsgrenzen te leggen.
Toch plaatsen geopolitieke analisten in 2026 een belangrijke kanttekening bij een directe vergelijking met het traditionele isolationisme uit de jaren twintig en dertig.
Waar de Verenigde Staten zich destijds diplomatiek en militair probeerden terug te trekken uit de wereldpolitiek, is de huidige aanpak onder Trump veel assertiever en dominanter.
Het beleid schuwt eenzijdig en krachtig ingrijpen niet wanneer dit het directe Amerikaanse strategische of economische belang dient, zoals zichtbaar is bij zware economische dwangmaatregelen.
De Verenigde Staten isoleren zich dus niet in volledige afzondering, maar weigeren simpelweg om nog langer op te treden als de onvoorwaardelijke spil en financier van de multilaterale wereldorde zonder dat daar een direct en meetbaar voordeel voor het eigen land tegenover staat.
De geest van het isolationisme waart hiermee weliswaar weer volop rond, maar heeft in deze eeuw een veel conventionelere, transactionele en militante vorm aangenomen.
Friedrich Wilhelm Karl Walter von Oertzen werd geboren op 5 oktober 1898 in Breslau en was een Duitse journalist, publicist en schrijver die actief was tijdens de turbulente periode van de Weimarrepubliek en het naziregime.
Hij stamde uit een adellijke, militaire familie en was de zoon van luitenant-generaal Fritz Ludwig Karl Hugo von Oertzen.
Net als zijn vader nam hij dienst in het leger en vocht hij als luitenant in de Eerste Wereldoorlog, een strijd waarin zijn twee broers om het leven kwamen.
Na de oorlog sloot hij zich aan bij de rechtse Freikorpsen.
In januari 1919 kreeg hij van minister Gustav Noske de opdracht om links-radicale politici in de gaten te houden.
Von Oertzen luisterde de privételefoon af van communistenleider Gustav Noske en droeg hierdoor direct bij aan diens arrestatie.
Korte tijd later was hij getuige toen Liebknecht en Rosa Luxemburg door militairen werden vermoord.
In 1921 nam hij bovendien deel aan de gevechten tegen Poolse opstandelingen in Opper-Silezië.
Na een rechtenstudie rolde von Oertzen de journalistiek in.
Hij begon zijn carrière bij de Lippische Tageszeitung en stapte eind 1924 over naar de redactie van de Vossische Zeitung, waar hij de militaire zaken, de ontwikkelingen in Oost-Europa en de Volkenbond behandelde.
Tijdens deze periode raakte hij bevriend met de journalist Hans Zehrer, die hem introduceerde bij het invloedrijke, nationaal-conservatieve tijdschrift Die Tat.
In dit blad publiceerde hij veel over de positie van het Duitse leger binnen de staat.
Door zijn uitstekende contacten fungeerde hij begin jaren dertig als een belangrijke schakel tussen de legertop en de journalisten van de zogeheten Tat-kring.
Van medio 1932 tot de zomer van 1933 was hij tevens hoofdredacteur van de Tägliche Rundschau.
In zijn journalistieke werk toonde von Oertzen zich zeer kritisch en sceptisch over de Volkenbond.
Als overtuigd nationalist beschouwde hij deze internationale organisatie vooral als een instrument van Frankrijk en Groot-Brittannië om de machtsverhoudingen van het onrechtvaardige Verdrag van Versailles in stand te houden.
Hij zag de Volkenbond niet als een neutrale vredesstichter, maar als een instituut dat was ontworpen om Duitsland militair en politiek zwak te houden.
Hij uitte scherpe kritiek op de hypocrisie van de ontwapeningsonderhandelingen in Genève, waarbij de omringende landen eisten dat Duitsland ontwapend bleef, terwijl zijzelf weigerden hun legers te verkleinen.
Daarnaast verweet hij de organisatie dat ze systematisch faalde in het beschermen van de rechten van Duitstalige minderheden in Oost-Europa, een onderwerp dat hem door zijn verleden in Opper-Silezië zeer na aan het hart lag.
Voor hem bood het pacifistische ideaal van de Volkenbond geen enkele werkelijke veiligheid.
In plaats van te vertrouwen op zwakke internationale verdragen, pleitte hij consequent voor een sterke, soevereine Duitse staat en de heropbouw van een krachtig nationaal leger.
Deze visie komt scherp naar voren in zijn artikel uit 1941, getiteld Volkenbond? Gemeenschap der naties!
Wat vandaag onmogelijk is, zal in de toekomst mogelijk zijn.
Dit propagandastuk illustreert perfect hoe von Oertzen zijn eerdere kritiek integreerde in de retoriek van het Derde Rijk.
Hij opent het artikel met de anekdote uit 1932 over een zitting in Genève, waar Duitse klachten over het Litouwse beheer van het Memelgebied werden besproken.
Door het beeld te schetsen van een verveeld gezelschap met een afwezige Franse voorzitter en een slapende Chinese afgevaardigde, zet hij de Volkenbond direct neer als een tandeloze en hypocriete instelling.
De bond hinkte volgens hem op twee onverenigbare gedachten: het pacifistische ideaal botste fundamenteel met de wens van de overwinnaars om Duitsland permanent te onderdrukken.
Een zwaarwegend punt in zijn betoog is het absolute gebrek aan uitvoerende macht. Omdat besluiten met algemene stemmen moesten worden aangenomen en een eigen leger van de Volkenbond ontbrak, veranderde Genève volgens von Oertzen in een internationale politieke beurs voor achterkamerdeals en onverantwoordelijke journalistiek.
Zelfs op neutrale gebieden zoals de internationale drugshandel bleven besluiten steken in theorie, omdat soevereine staten weigerden de bijbehorende verdragen te ratificeren.
Na de vlucht van het secretariaat van de Volkenbond naar de Verenigde Staten in 1939 verklaart hij de organisatie in zijn artikel definitief dood.
Hij gebruikt deze reële, historisch breed gedeelde kritiek vervolgens handig om de weg vrij te maken voor de zogeheten nieuwe Europese orde.
Hij pleit voor een verenigd Europa, bevrijd van Britse invloed en het falende democratische individualisme, onder de strikte militaire leiding en bescherming van de Asmogendheden.
Op deze manier presenteerde hij de militaire overheersing door nazi-Duitsland listig als de enige logische en werkbare oplossing om de stabiliteit af te dwingen die de Volkenbond nooit kon waarmaken.
Wat in dit artikel wordt afgeschilderd als een krachtige, nieuwe gemeenschap van Europese naties, was in de realiteit de dictatuur van de Nieuwe Orde.
Het stuk probeert de brute militaire overmacht van nazi-Duitsland en zijn bondgenoten te verkopen als de broodnodige tanden die de besluiteloze Volkenbond miste.
Dit is een klassieke manipulatietechniek: het volledig afbreken van een haperend democratisch systeem om een totalitair en gewelddadig alternatief als de logische en organische redding te presenteren.
Vandaag, in 2026, lezen we dit soort artikelen met de volledige kennis van de gruwelijke uitkomst van die beloofde orde.
Wanneer oude tijdschriften en publicaties worden bestudeerd om het verleden tot leven te brengen, vormen dit soort documenten een fascinerende, zij het donkere, spiegel van hun tijd.
Ze laten heel tastbaar zien hoe gedrukte media structureel werden geïnstrumentaliseerd om de publieke opinie te kneden.
Hoewel de kritiek op de onmacht van internationale organisaties soms verrassend actueel kan aanvoelen wanneer we naar hedendaagse conflicten kijken, dient de propagandistische en biografische context van Signal als een permanente waarschuwing.
Het toont hoe de roep om snelle oplossingen en sterke leiders in tijden van internationale crisis in absolute duisternis kan ontsporen.
In 1971 bracht een bijzonder erecomité een dwingende boodschap naar buiten om aandacht te vragen voor een wereldwijd probleem.
Het comité introduceerde de verzamelaar Top Star Festival, een uitzonderlijke artistieke prestatie die destijds met enthousiasme werd aanbevolen.
Het luistergenot van de kopers werd destijds vergroot door de wetenschap dat zij met hun aankoop tegelijkertijd de talloze vluchtelingen in de wereld hielpen, mensen die destijds veel minder bevoorrecht waren.
Grote artiesten verleenden destijds belangeloos hun medewerking aan dit album. Ook de grammofoonplatenindustrie, de Amerikaanse Federatie van Musici, componisten, tekstdichters en muziekuitgevers werkten in die periode intensief samen.
Zij maakten het destijds mogelijk om snel te reageren op een nobel en menslievend appèl.
Deze onbaatzuchtige inzet had destijds echter pas echt zin als het publiek de plaat kocht en aanbeval bij vrienden.
De leden van het erecomité van de Hoge Commissaris spraken destijds, namens de vluchtelingen over de gehele wereld, hun oprechte dank uit aan iedereen die aan het album meewerkte.
Onder de betrokkenen bevonden zich destijds bekende namen zoals Burt Bacharach, Dave Brubeck, Duke Ellington, David Frost en Paul Mauriat.
In die tijd werden vluchtelingen gedefinieerd als mensen die door angst voor vervolging gedwongen waren hun huis en vaderland te verlaten.
Om hen te beschermen en bij te staan, had de internationale volkerengemeenschap destijds de United Nations Relief and Works Agency opgericht, die zich specifiek richtte op Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten.
Alle overige vluchtelingen stonden destijds onder de hoede van de United Nations High Commissioner for Refugees.
De voornaamste taak van de UNHCR was destijds het bieden van internationale bescherming. In de toenmalige moderne wereld was een mens zonder land immers een mens zonder rechten.
Op verzoek van de gastlanden hielp de organisatie destijds in eerste instantie met minimale materiële bijstand om te overleven, om vervolgens te zoeken naar blijvende oplossingen.
Het uiteindelijke doel was destijds om te zorgen dat iemand geen vluchteling meer hoefde te zijn, bijvoorbeeld door vrijwillige terugkeer of door het aannemen van een nieuwe nationaliteit.
Destijds vielen naar schatting zo’n tweeënhalf miljoen vluchtelingen onder de bescherming van de organisatie.
De verdeling over de continenten liet in die periode een miljoen vluchtelingen in Afrika zien, honderdzestigduizend in Azië, zevenhonderdvijftigduizend in Europa en nog eens ruim zeshonderdvijfenzestigduizend elders.
Een groot deel van hen had destijds nog altijd acute materiële hulp nodig. Het succes van de UNHCR steunde in die tijd op een zuiver humanitaire, niet-politieke en pragmatische benadering.
Door vluchtelingen te helpen met hun vestiging, nam de organisatie destijds die bron van potentiële spanningen weg, wat direct bijdroeg aan de vrede en stabiliteit in de wereld.
Hoewel de schaal in de vroege jaren zeventig al aanzienlijk was, is de problematiek in de decennia daarna exponentieel gewijzigd door een samenspel van verschillende oorzaken.
Ter vergelijking: de UNHCR rapporteert dat er in 2026 wereldwijd naar schatting 120 miljoen mensen op de vlucht zijn of gedwongen zijn ontheemd, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en binnenlandse ontheemden.
Dit enorme verschil met 1971 laat zich deels verklaren door de groei van de wereldbevolking, waardoor conflicten grotere groepen mensen treffen.
Ook het karakter van conflicten is veranderd van kortstondige oorlogen tussen staten naar langdurige binnenlandse burgeroorlogen, waardoor terugkeer vaak onmogelijk blijft.
Daarnaast spelen tegenwoordig nieuwe factoren een grote rol, zoals klimaatverandering en extreme weersomstandigheden die gebieden onbewoonbaar maken.
Tot slot zorgen de moderne globalisering, betere transportnetwerken en een snellere toegang tot informatie ervoor dat grotere groepen mensen lange afstanden kunnen afleggen om aan uitzichtloze situaties te ontsnappen, wat ook leidt tot een hogere registratie van asielzoekers wereldwijd.
Het exacte aantal van rond de zevenhonderdvijftigduizend of ruim zeshonderdvijfenzestigduizend vluchtelingen en asielzoekers dat jaarlijks Europa binnenkomt, is de afgelopen jaren een constant gegeven in de statistieken van Eurostat en de UNHCR.
Zo werden er in 2025 in de hele Europese Unie bijvoorbeeld een kleine 670.000 eerste asielaanvragen geregistreerd.
Deze mensen komen uit verschillende delen van de wereld, waarbij enkele landen al jarenlang de grootste groep asielzoekers leveren vanwege aanhoudende oorlogen, politieke instabiliteit of economische crises.
De belangrijkste herkomstregio’s en landen zijn tegenwoordig het Midden-Oosten, waarbij Syrië al sinds 2013 de grootste leverancier van asielzoekers in Europa is, omdat mensen daar nog steeds de gevolgen van de slepende burgeroorlog en de repressie ontvluchten.
Daarnaast komen er aanzienlijke aantallen vluchtelingen uit Turkije, Irak en Jemen.
In Azië staat Afghanistan steevast in de top drie van herkomstlanden; sinds de machtsovername door de Taliban zoeken veel Afghanen een veilig heenkomen in Europese landen, met name in Duitsland.
Ook uit landen als Pakistan en Bangladesh reizen groepen mensen richting Europa.
Een zeer grote en opvallende stroom is afkomstig uit Zuid- en Midden-Amerika, met name uit Venezuela en Colombia.
Door de diepe economische en politieke crisis in Venezuela is een miljoenenstroom op gang gekomen, waarvan een aanzienlijk deel via Spanje Europa probeert binnen te komen, waardoor Venezolanen in recente Europese statistieken soms zelfs de grootste groep eerste aanvragers vormen.
Uit het Afrikaanse continent komen vluchtelingen hoofdzakelijk uit landen met dictatoriale regimes of interne conflicten, waarbij Eritrea en Somalië de bekendste voorbeelden zijn, maar er is ook instroom vanuit landen als Nigeria, Marokko, Algerije en Tunesië.
Daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat de miljoenen Oekraïners, die sinds de Russische inval in 2022 naar de Europese Unie zijn gevlucht, meestal buiten de reguliere asielstatistieken vallen. Dit komt omdat zij via een speciale Europese richtlijn direct een tijdelijke beschermingsstatus kregen, zonder de gewone asielprocedure te hoeven doorlopen.
In 1971 lag de situatie op het gebied van vluchtelingenstromen in Europa heel anders dan in 2026.
Het cijfer van zevenhonderdvijftigduizend vluchtelingen dat destijds werd genoemd, had een totaal andere achtergrond en de herkomstgebieden waren destijds niet te vergelijken met de huidige crisisgebieden.
In de vroege jaren zeventig kwamen grote groepen vluchtelingen binnen Europa inderdaad voor een heel belangrijk deel uit Oost-Europa en Centraal-Europa.
Door de Koude Oorlog en het IJzeren Gordijn ontvluchtten veel mensen het communistische regime in het Oostblok. Grote stromen kwamen destijds uit landen als Tsjecho-Slowakije, na het neerslaan van de Praagse Lente in 1968, en uit Polen en Hongarije om politiek asiel te zoeken in West-Europese landen.
Daarnaast was er in die specifieke periode rond 1971 een grote vluchtelingenstroom buiten Europa die indirect ook impact had, namelijk door de onafhankelijkheidsoorlog in Bangladesh (toen nog Oost-Pakistan), wat destijds miljoenen mensen op de vlucht joeg, al bleven de meesten daarvan in de regio zelf opgevangen.
Ook de politieke spanningen in het Midden-Oosten zorgden toen voor de eerste migratiestromen, maar de massale asielaanvragen uit landen als Syrië, Afghanistan of Venezuela, zoals we die nu kennen, bestonden toen nog niet.
Het cijfer is in de loop der jaren dus weliswaar in omvang soms vergelijkbaar gebleven, maar de geografische oorsprong en de politieke redenen achter de vluchtelingenstromen zijn tussen 1971 en 2026 compleet verschoven van de Europese binnengrenzen naar conflictgebieden ver daarbuiten.
Met de explosieve groei van het aantal vluchtelingen zijn uiteraard ook de benodigde budgetten en de internationale steun meegegroeid.
In 1971 beschikte de UNHCR over een regulier operationeel budget van ongeveer 7 miljoen dollar, al werd dat jaar door de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh ook nog eens ruim 115 miljoen dollar aan extra noodhulp ingezameld via speciale oproepen.
In die tijd zegden 74 overheden een financiële bijdrage toe.
In 2026 liggen de bedragen in een totaal andere orde van grootte, met een vastgestelde totale budgetbehoefte van ruim 8,5 miljard dollar.
Vrijwel alle lidstaten van de Verenigde Naties dragen tegenwoordig op een of andere manier bij, al komt de kern van de financiering van een vaste groep donorlanden en de Europese Unie.
De verhoudingen binnen deze internationale financiering zijn zeer scheef verdeeld, aangezien de UNHCR bijna volledig afhankelijk is van vrijwillige bijdragen.
Grote mogendheden zoals China en Rusland betalen weliswaar mee, maar hun aandelen zijn uiterst beperkt; China schenkt doorgaans minder dan 0,1 procent van het totale budget en Rusland schommelt vaak rond de 0,05 procent.
India hanteert een soortgelijk beleid en kiest voor een minimale rechtstreekse bijdrage van enkele honderdduizenden dollars, ondanks de vele vluchtelingen die het land zelf opvangt.
De regio Zuid-Amerika draagt via individuele landen zoals Brazilië, Chili en Colombia gezamenlijk voor minder dan 0,5 procent bij aan het wereldwijde budget, mede omdat veel landen daar zelf grote interne ontheemdenstromen moeten opvangen met steun van de organisatie.
De rijke olielanden in de Golfregio vormen een wisselende factor; zij dragen circa 1 tot 2 procent bij, maar doen dit bijna uitsluitend in de vorm van ad-hoc noodhulp die specifiek is geoormerkt voor crises binnen de Arabische of islamitische wereld.
Alles bij elkaar genomen vertegenwoordigen Rusland, China, India, Zuid-Amerika en de olielanden nog geen 3 procent van het geheel.
De resterende 97 procent van het miljardenbudget wordt opgebracht door de traditionele westerse partners, waarbij de rol van de belangrijkste lidstaten cruciaal blijft.
Soms kent de geschiedenis politieke verschuivingen, zoals begin 2026, toen de Amerikaanse regering een grootschalige terugtrekking aankondigde uit maar liefst 66 internationale organisaties en VN-organen, waaronder verschillende klimaat- en handelsorganisaties.
De Amerikaanse administratie maakte destijds echter een expliciete uitzondering voor een klein aantal organisaties die als cruciaal voor de veiligheid of humanitaire belangen worden gezien.
De VN-vluchtelingenorganisatie viel onder die uitzondering, waardoor de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag nog altijd lid zijn van de UNHCR en de werking ervan actief ondersteunen.
De Verenigde Staten zijn historisch gezien en ook nu nog altijd de absolute koploper en de grootste individuele financier en betaler van de UNHCR.
De Amerikaanse overheid maakt jaarlijks gigantische bedragen over die de basis vormen van het budget, met totale bijdragen die steevast ruim boven de 2 miljard dollar per jaar liggen en recent zelfs opliepen tot ruim 2,4 miljard dollar.
Er zijn geen andere individuele landen die nog meer betalen dan de Verenigde Staten.
Het internationale blok, namelijk de Europese Unie, is de enige speler die het Amerikaanse volume evenaart, omdat de Europese Commissie de individuele bijdragen van alle Europese lidstaten samenvoegt.
Binnen die westerse gemeenschap nemen ook Nederland en Vlaanderen hun verantwoordelijkheid.
Nederland behoort van oudsher tot de belangrijkste internationale donateurs en schenkt jaarlijks stabiele bedragen van rond de 90 tot 100 miljoen dollar.
Dit geld wordt bewust grotendeels flexibel en ongeoormerkt overgemaakt, waardoor Nederland stevig in de wereldwijde top tien van grootste overheidsdonateurs staat.
Vlaanderen draagt als regio binnen België onafhankelijk bij met gerichte projectsteun en bijdragen aan het noodhulpfonds.
De Vlaamse overheid maakt hiervoor jaarlijks bedragen vrij die variëren van enkele honderdduizenden tot 1 à 2 miljoen euro, terwijl de federale overheid van België daarnaast nog eens tientallen miljoenen euro’s aan de organisatie overmaakt.
De grootste vluchtelingenproblemen concentreerden zich in 1971 in Afrika en Azië.
Veel landen in deze werelddelen waren in die periode pas kort onafhankelijk en misten de nodige financiële middelen voor hun eigen nationale ontwikkeling. Hoe gastvrij deze jonge naties destijds ook waren met het verlenen van asiel en het toewijzen van land, er kon destijds niet van hen worden verwacht dat zij de enorme kosten van deze plotselinge vluchtelingenstromen alleen droegen.
Dat was het moment waarop de UNHCR te hulp schoot.
De vestiging van vluchtelingen in Afrika en Azië vereiste destijds die opbouw van compleet nieuwe gemeenschappen in dunbevolkte gebieden.
In die tijd moesten er wegen en bruggen worden aangelegd, bossen worden gekapt, moerassen worden drooggelegd en waterputten worden gegraven.
Ook de bouw van scholen, apotheken en de distributie van gereedschap, zaden en geneesmiddelen eisten destijds enorme investeringen.
Omdat de overheidssubsidies en particuliere giften in die periode niet toereikend waren, zocht de Hoge Commissaris destijds rechtstreeks steun bij het grote publiek.
Voor dat doel waren er destijds al drie eerdere elpees uitgebracht, waar Top Star Festival in 1971 aan werd toegevoegd.
De volledige netto-opbrengst van de verkoop van deze grammofoonplaten werd destijds door de UNHCR en de UNRWA uitsluitend gebruikt voor de directe bijstand aan vluchtelingen.
De muziek op de plaat werd destijds uitgebracht met officiële toestemming van verschillende internationale muziekuitgevers, die de rechten voor de nummers op kant een en kant twee voor dit goede doel beschikbaar stelden.
Het leven van Caroline Lang, de dochter van de Franse politicus Jack Lang, is een opmerkelijke reis geweest door de werelden van kunst, recht en internationale media.
In 1984 werd zij geportretteerd als een veelzijdige eenentwintigjarige die haar tijd verdeelde tussen haar rechtenstudie, een rol in de film L’Argent van Robert Bresson en haar politieke ambities voor de socialistische partij in Parijs.
Destijds woonde ze nog in het ouderlijk huis in het Quartier Latin, waar ze de maaltijden verzorgde voor haar vader, die op dat moment minister van Cultuur was.
Haar vader, geboren in 1939, was een van de meest invloedrijke figuren in het Franse culturele beleid onder president Mitterrand en bleef tot begin 2026 actief als voorzitter van het Institut du monde arabe.
Na deze vroege start in de filmwereld en de politiek koos Caroline voor een loopbaan achter de schermen van de internationale amusementsindustrie.
Ze bouwde een indrukwekkende carrière op bij de Amerikaanse filmstudio Warner Bros., waar ze opklom tot de positie van Senior Vice President.
In deze hoedanigheid was ze jarenlang verantwoordelijk voor de distributie en productie in Frankrijk en andere Franstalige gebieden, waarmee ze haar juridische achtergrond combineerde met haar passie voor de filmsector.
Daarnaast ontwikkelde zij zich tot een gerespecteerd expert en verzamelaar op de internationale kunstmarkt.
Begin 2026 nam haar loopbaan een onverwachte wending toen ze werd benoemd tot gedelegeerde bestuurder van het Syndicat des producteurs indépendants.
Kort na deze aanstelling raakte zij echter betrokken in een publieke discussie, nadat bekend werd dat zij werd genoemd in documenten rondom de Amerikaanse zakenman Jeffrey Epstein.
Caroline Lang werd in het testament van de zakenman aangewezen als een van de begunstigden die een aanzienlijk bedrag zou ontvangen.
Uit de dossiers bleek dat zij en Epstein gedurende langere tijd een persoonlijke relatie onderhielden die terugging tot de jaren tachtig en negentig.
In die periode was zij werkzaam in de internationale film- en mediawereld, een sector waarin Epstein vaker contacten zocht met invloedrijke personen en hun familieleden.
De documenten suggereerden dat er sprake was van een langdurige vriendschap, waarbij zij ook op verschillende van zijn eigendommen was gezien.
Toen deze informatie begin 2026 publiekelijk bekend werd, leidde dit tot grote verontwaardiging in de Franse cultuursector, mede vanwege de ernstige misdrijven waarvan Epstein werd beschuldigd.
Hoewel er geen bewijs naar voren kwam dat zij betrokken was bij zijn illegale activiteiten, zorgden de directe financiële link en de aard van hun verstandhouding voor een onhoudbare situatie.
De aanhoudende publieke druk leidde ertoe dat zij begin 2026 besloot al haar functies bij de producentenorganisaties neer te leggen.
Hiermee kwam een abrupt einde aan haar formele rol binnen de Franse cultuurwereld, die zij decennialang mede had vormgegeven.
Opmerkelijk genoeg werd hij al voor zijn eerste politieke persconferentie door zanger Gérard Lenorman genoemd in het liedje Si j’étais président uit 1980.
Daarin werd hij lachend omschreven als Coluche notre ministre de la rigolade, oftewel de minister van de lach. Wat in dat liedje nog een onschuldige grap leek, groeide echter uit tot een serieuze politieke beweging die de gevestigde orde deed wankelen.
In een overvolle zaal in Parijs hield hij die dag een persconferentie die het establishment op zijn grondvesten deed daveren.
Coluche wierp zich op als de spreekbuis voor alle kandidaten die werden buitengesloten en kondigde de oprichting aan van een federatie van kleine kandidaten.
Zijn voornaamste strijdpunt was de afschaffing van de regel van de 500 handtekeningen, een systeem waarbij presidentskandidaten steun moesten krijgen van vijfhonderd burgemeesters of verkozenen om officieel op het stembiljet te mogen staan.
Hij noemde dit een ondemocratische grendel, bedoeld om de macht bij de grote partijen te houden.
De reacties van traditionele politici als François Mitterrand en zittend president Valéry Giscard d’Estaing waren niet langer lacherig, maar grensden aan paniek toen peilingen hem tot 16% van de stemmen toedichtten.
De sfeer werd steeds grimmiger, met lastercampagnes en doodsbedreigingen tot gevolg.
De druk werd uiteindelijk onhoudbaar, en slechts twee weken na deze strijdbare persconferentie trok hij zich op 16 maart 1981 terug.
De turbulente gebeurtenissen rond zijn presidentscampagne werden later verfilmd in Coluche, l’histoire d’un mec (Coluche, ’t verhaal van een vent).
In deze film uit 2008, geregisseerd door Antoine de Caunes, wordt de rol van de komiek gespeeld door François-Xavier Demaison.
Michel Colucci, beter bekend onder zijn pseudoniem Coluche, zou uiteindelijk vijf jaar na dit politieke avontuur te overlijden komen op 19 juni 1986.
Davos is een gemeente in het oostelijke deel van Zwitserland, gelegen in het kanton Graubünden.
De plaats staat bekend als de hoogstgelegen stad van Europa, bevindt zich op ruim 1500 meter hoogte in het Landwasser-dal en heeft een rijke geschiedenis die veel verder teruggaat dan de beroemde economische toppen.
Oorspronkelijk werd het gebied in de middeleeuwen bevolkt door de Walser, een Duitstalig volk dat vanuit Oberwallis naar deze hooggelegen gebieden trok om er landbouw te bedrijven.
Eeuwenlang bleef het een relatief geïsoleerde boerengemeenschap, totdat de specifieke ligging en het klimaat in de negentiende eeuw voor een radicale wending zorgden.
De transformatie van boerendorp naar internationale bestemming begon rond 1853, toen de Duitse arts Alexander Spengler de geneeskrachtige werking van de berglucht ontdekte.
Hij merkte op dat tuberculose, destijds een dodelijke volksziekte, nauwelijks voorkwam bij de lokale bevolking.
Dit inzicht leidde tot de ontwikkeling van Davos als een vermaard kuuroord.
Er werden talrijke sanatoria gebouwd waar patiënten uit heel Europa naartoe kwamen om te genezen in de schone, droge lucht.
Deze periode heeft ook een belangrijke literaire erfenis achtergelaten; de Duitse schrijver Thomas Mann bezocht zijn zieke vrouw in Davos en deed daar inspiratie op voor zijn wereldberoemde roman De Toverberg, die zich afspeelt in een van deze sanatoria.
Toen in de loop van de twintigste eeuw medicijnen tegen tuberculose werden ontwikkeld, verloor het kuuroord zijn oorspronkelijke functie, maar de gemeente vond zichzelf succesvol opnieuw uit als bestemming voor wintersport.
Een publicatie uit het tijdschrift ABC van januari 1936 illustreert hoe Davos zich in die periode al had ontwikkeld tot een trekpleister voor sneeuwliefhebbers.
Het gebied Parsenn, gelegen op 2661 meter hoogte en bereikbaar via een spoorwegrit van twintig minuten, werd destijds geprezen als een ideaal terrein met eindeloze hellingen en ongerepte sneeuw.
Prominente bezoekers, zoals de bekende autocoureur Louis Chiron, spraken vol lof over de prachtige skivelden en stelden dat wie de betoverende charme van Davos eenmaal kende, er altijd zou terugkeren.
Hoewel de skisport in die jaren als koning werd gezien, bleven ook activiteiten als kunstschaatsen, ijshockey, curling en tobogganwedstrijden onverminderd populair en trokken ze duizenden mensen naar de bergen.
Tegenwoordig is Davos echter vooral wereldberoemd door een evenement dat jaarlijks in januari plaatsvindt: de bijeenkomst van het World Economic Forum, oftewel het WEF.
De geschiedenis van dit congres begint in 1971, toen de Duitse econoom en ingenieur Klaus Schwab het initiatief nam voor wat toen nog het European Management Symposium heette.
De eerste bijeenkomst vond plaats in het congrescentrum van Davos en trok honderden deelnemers uit het Europese bedrijfsleven.
Het oorspronkelijke doel van Schwab was vrij specifiek: hij wilde Europese bedrijfsleiders kennis laten maken met Amerikaanse managementtechnieken om zo de concurrentiepositie van Europa te versterken.
Hij introduceerde daarbij de stakeholdertheorie, het idee dat een bedrijf niet alleen verantwoording schuldig is aan aandeelhouders, maar aan alle belanghebbenden, inclusief werknemers en de samenleving.
In de jaren die volgden, verbreedde Schwab de horizon van het congres aanzienlijk.
Het werd duidelijk dat economische vraagstukken niet los konden worden gezien van geopolitieke en sociale problemen.
In 1987 veranderde de naam officieel in het World Economic Forum. Het evenement groeide uit tot een uniek platform waar niet alleen CEO’s, maar ook regeringsleiders, intellectuelen, journalisten en activisten samenkomen.
Het informele karakter van de bijeenkomsten in het besneeuwde bergdorp, ver weg van de politieke hoofdsteden, leidde tot wat men de Davos Spirit noemt: een sfeer waarin tegenstanders makkelijker met elkaar in gesprek gaan.
Zo speelde het forum in het verleden een rol bij ontmoetingen tussen Griekenland en Turkije en verschenen Nelson Mandela en F.W. de Klerk er samen op het podium toen de apartheid in Zuid-Afrika ten einde liep.
Vandaag de dag is de combinatie van de kleine berggemeente en het machtige wereldcongres een begrip, waarbij lokale traditie en wereldpolitiek jaarlijks even samensmelten.
De aanwezigheid van president Donald Trump op het Wereld Economisch Forum bevestigt vandaag opnieuw dat het forum nog steeds het centrum van de wereldmacht is.
Francisco Franco werd op 4 december 1892 geboren in El Ferrol, Galicië, in het noordwesten van Spanje.
Zijn jeugd was moeilijk. Zijn vader, een marineofficier, was vooral bezig met gokken, drinken en vreemdgaan, wat thuis tot voortdurende ruzies leidde.
Uiteindelijk verliet zijn vader het gezin voor een jonge maîtresse in Madrid.
Getekend door deze ervaringen koos Franco zelf een radicaal ander pad: hij was een sober man die roken, drinken, gokken en het bezoek aan kroegen of bordelen meed.
Hoewel hij de marine ambieerde, koos hij in 1907 noodgedwongen voor het leger. Hij was een middelmatige student, maar maakte carrière in het Spaanse protectoraat Marokko.
Zijn optreden tijdens de Rifoorlog (ca. 1921-1926) was meedogenloos.
Nadat hij in 1916 gewond raakte, werd hij bevorderd. Een sleutelrol speelde hij in het Spaanse Vreemdelingenlegioen dat hij omvormde tot een geduchte eenheid.
Het redden van de stad Melilla in 1921 maakte hem tot een nationale held.
In 1923 trouwde hij met Carmen Polo, met wie hij één dochter kreeg.
Toen in 1931 de Tweede Spaanse Republiek werd uitgeroepen, hield Franco zich aanvankelijk afzijdig.
Wel ontstond er frictie toen de republikeinen zijn Militaire Academie sloten.
In de onrustige jaren dertig sloeg hij in 1934 een linkse opstand neer.
Toen het linkse Volksfront in 1936 de verkiezingen won, werd Franco overgeplaatst naar de Canarische Eilanden, wat hij zag als een verbanning.
Dit was de opmaat naar de Spaanse Burgeroorlog, die op 17 juli 1936 uitbrak.
Franco en andere rechtse generaals probeerden de macht te grijpen om te voorkomen dat Spanje ‘links-anarchistisch’ zou worden.
De staatsgreep slaagde deels, wat leidde tot een bloedige oorlog. Franco kreeg cruciale militaire steun van Hitlers Duitsland en Mussolini’s Italië; de republikeinen werden gesteund door Stalins Sovjet-Unie.
De invloed van de communisten binnen het republikeinse kamp zorgde echter voor interne spanningen.
Eind 1938 trok Stalin zijn steun terug, wat het lot van de republiek bezegelde.
Op 1 april 1939 claimden de nationalisten de overwinning.
De nationalisten traden hard op; alleen al in Barcelona werden in enkele dagen 10.000 mensen zonder proces geëxecuteerd.
De oorlog was desastreus, met naar schatting 320.000 doden en 114.000 blijvend vermiste republikeinen.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het fascistische Spanje officieel neutraal.
Hitler en Franco ontmoetten elkaar in 1940, maar naar verluidt had Hitler een hekel aan de Spaanse leider.
Hoewel Franco een lijst met Joodse namen doorspeelde aan Duitsland, diende het neutrale Spanje ook als toevluchtsoord voor ongeveer 200.000 Joden.
Na 1945 bouwde Franco zijn dictatuur uit, wat leidde tot een internationaal isolement.
Hij herstelde in 1947 op papier de monarchie en wees in 1969 Juan Carlos I aan als zijn opvolger.
Francisco Franco stierf op 20 november 1975.
Tot verrassing van velen leidde de nieuwe koning Juan Carlos Spanje naar een democratie.
De erfenis van Franco blijft echter gevoelig; in 2022 werd in Spanje een wet aangenomen die het verheerlijken van Franco en het fascisme verbiedt.
Donald Trump, geboren op 14 juni 1946, groeide op in een gezin met twee broers en twee zussen.
Na zijn economische studie, gericht op vastgoed, trad hij toe tot het familiebedrijf van zijn vader en grootmoeder, The Trump Organization.
Waar het bedrijf zich aanvankelijk richtte op sociale huurwoningen, verlegde Trump de focus al snel naar prestigieuze projecten in Manhattan, waar de winstmarges aanzienlijk hoger lagen.
Onder zijn leiding groeide de organisatie, die in 2016 al meer dan 250 bedrijven omvatte, uit tot een imperium met als bekendste wapenfeiten de bouw van de Trump Tower en het tijdelijke mede-eigenaarschap van het Empire State Building.
Een sleutelmoment in zijn opmars als mediapersoonlijkheid was de renovatie van een schaatsbaan in Central Park, New York.
Nadat de stad er na zes jaar en een budgetoverschrijding van 12 miljoen dollar niet in was geslaagd het project af te ronden, nam Trump het over.
Hij voltooide de renovatie in slechts drie maanden, en dat voor bijna een miljoen dollar onder het budget.
De stunt leverde hem een enorme hoeveelheid positieve media-aandacht op.
Zijn zakelijke carrière kende ook tegenslagen. Hoewel Trump nooit persoonlijk failliet is gegaan, hebben verschillende van zijn bedrijven wel een technisch faillissement doorstaan.
Hij slaagde er echter steeds in om deze bedrijven te herstructureren, waarbij hij zijn privévermogen doorgaans buiten schot wist te houden.
De lancering van zijn realityshow “The Apprentice” maakte van de naam ‘Trump’ een wereldwijd merk.
Met zijn iconische uitspraak “You’re fired!” werd hij een tv-fenomeen, wat hem in staat stelde om zijn naam via licenties te verkopen.
Zijn investeringen waren zeer divers en omvatten onder meer casino’s, golfterreinen, hotels, sportteams, missverkiezingen en zelfs een cameo in de film “Home Alone”.
Ook recenter bleef hij actief als ondernemer met projecten als het socialemediaplatform Truth Social en de cryptomunt $TRUMP.
Het vermogen van Donald Trump is altijd onderwerp van discussie geweest.
Schattingen liepen in 2015 uiteen van 4,1 tot 8,7 miljard dollar en werden in 2020 op zo’n 2,5 miljard geraamd.
In 2025 schatten media als The Guardian en Forbes zijn vermogen op ongeveer 5 miljard euro, waarbij een opvallend groot deel uit digitale bezittingen zoals cryptocurrency zou bestaan.
Zelf claimt hij een vermogen van rond de tien miljard dollar. Hoe dan ook is hij verreweg de rijkste Amerikaanse president ooit.
Op persoonlijk vlak is Trump driemaal getrouwd. Van 1977 tot 1992 was hij gehuwd met de Tsjechische Ivana Zelníčková, met wie hij drie kinderen kreeg: Donald jr., Ivanka en Eric.
In 1993 trouwde hij met Marla Maples, met wie hij dochter Tiffany kreeg; dit huwelijk eindigde in 1999.
Sinds 2005 is hij getrouwd met de Sloveense Melania Knauss, de moeder van zijn jongste zoon, Barron (Story 26 oktober 1990)
Francisco Maria da Silva was een invloedrijke Portugese prelaat die als aartsbisschop van Braga diende tijdens een van de turbulentste periodes in de Portugese geschiedenis.
Zijn leven werd gekenmerkt door een diepgaand geloof, een sterke intellectuele vorming en een onwrikbare houding ten aanzien van de politieke en sociale veranderingen van zijn tijd.
Geboren op 15 maart 1910 in Murtosa, studeerde hij in Rome waar hij een doctoraat in de theologie behaalde.
Op 21 mei 1932 werd hij tot priester gewijd. Zijn kerkelijke loopbaan bereikte een hoogtepunt met zijn benoeming tot hulpbisschop van Braga in 1956 en vervolgens, op 12 december 1963, tot aartsbisschop van Braga.
Als aartsbisschop nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Concilie, een gebeurtenis die zijn pastorale beleid diepgaand beïnvloedde.
De meest bepalende episode in zijn leven vond plaats na de Anjerrevolutie van 1974, tijdens de “Hete Zomer” van 1975.
In een context van intense politieke strijd, profileerde hij zich als een uitgesproken criticus van het communisme.
Zijn krachtige toespraak op 10 augustus 1975 in Braga, waarin hij het communisme veroordeelde, wordt gezien als een sleutelmoment in de mobilisatie van het conservatieve noorden van Portugal tegen de linkse revolutionaire krachten.
Naast zijn politieke stellingnames was hij een toegewijde herder voor zijn aartsbisdom.
Aartsbisschop da Silva overleed op 14 april 1977, en liet een complexe nalatenschap na als een geleerde kerkleider en een standvastige verdediger van het geloof in een tijd van grote onzekerheid.
Zijn vader Adrien (Adrianus) werd op 10 april 1818 in Gent geboren en zijn moeder Rosa (Rosalia Julia) Verbauwen was afkomstig uit Menen. Zij werkten in de textielindustrie en hun zoon Pierre werd geboren in de Kanunnikstraat.
De levensomstandigheden van het Gentse arbeidersgezin waren niet bepaald rooskleurig te noemen. Armoede, honger, overbevolking en infectieziekten eisten een zware tol in de Vlaamse arbeidersbuurten van het midden van de 19e eeuw.
Toen dan ook nog eens de Vlaamse textiel- en metaalnijverheid in crisis geraakte door de industrialisering, raakten vele kostwinnaars hun baan kwijt. Hopend op betere economische omstandigheden verhuisde de familie De Geyter in 1855, zoals zovele andere Vlaamse textielarbeiders, naar het Noorden van Frankrijk, dat in die periode ook wel ‘Petit Belgique’ werd genoemd.
Al op jonge leeftijd begon Pierre in Rijsel te werken in de locomotieffabriek Fives.
Ondanks het zwaar werk volgde hij aan de avondschool voor arbeiders lessen in lezen en schrijven. Vanaf zijn zestiende kreeg hij ook tekenlessen in de academie van Rijsel, waardoor hij op de sociale ladder kon stijgen tot modelmaker in hout.
Bronnen over zijn muzikale opleiding zijn schaars, maar waarschijnlijk volgde hij vanaf 1864 muziekles aan de muziekschool van Rijsel, waar hij in 1868 een eerste prijs behaalde voor blaasinstrumenten.
Hij speelde onder meer saxofoon en werd in 1887 dirigent van het pas opgerichte socialistische koor ‘La Lyre des Travailleurs’. Zijn eerste composities situeerden zich vooral in het lichte genre, maar De Geyter stelde zijn muzikaal talent ook ter beschikking van de ontluikende arbeidersbeweging, onder andere bij stakingen.
Gustave Delory, een socialist die ‘La Lyre des Travailleurs’ had opgericht en later burgemeester van Rijsel zou worden, zocht De Geyter aan om een strijdlied te componeren voor de Rijselse afdeling van de jonge ‘Parti Ouvrier’.
De tekst die op muziek moest gezet worden was geschreven door Eugène Pottier tijdens de Commune van Parijs (1871).
In juli 1888 werd De Geyters L’Internationale voor het eerst gezongen en verder verspreid via ‘vliegende blaadjes’ die de lokale partijkas spijsden. Als auteur werd enkel de achternaam Degeyter vermeld.
Dit gebeurde om repressie tegen zijn persoon te vermijden, want zowel patronaat als overheid hielden alle uitingen van opstandig gedrag scherp in de gaten.
Deze tactische overwegingen mochten echter niet baten: De Geyter werd ‘herkend’ als componist en werd ontslagen. Intussen kende de Internationale een steeds groeiende populariteit en in 1896 kwam het startschot voor de wereldwijde verspreiding, toen het ‘XIVe Congrès du Parti Ouvrier Français’ het als lijf- en strijdlied adopteerde.
Door zijn ontslag kreeg De Geyter financiële problemen en in 1901 verhuisde hij met zijn gezin naar Saint-Denis, een voorstad van Parijs. Daarnaast ontstond er ook in zijn familie een conflict over wie nu de auteur was van de Internationale: Pierre, of zijn jongere broer Adolphe.
Uit tactische overwegingen was immers enkel De Geyter als componist vermeld en dit gaf Gustave Delory de gelegenheid om te beweren dat Adolphe – die door zijn geboorteplaats Fransman was en voor de gemeentediensten van Rijsel werkte – de componist was geweest.
Delory beweerde ook dat Adolphe de rechten had overgedragen aan de ‘Imprimerie ouvrière de Lille’, de drukkerij van de socialistische partij. Delory zette Adolphe zo zwaar onder druk dat deze inderdaad zo’n verklaring aflegde.
Pierre kon zich hiertegen niet verdedigen en zei de socialistische partij vaarwel.
In 1904 spande hij dan toch een proces aan tegen zijn broer om zijn rechten als componist af te dwingen. Pas na 10 jaar kwam er een uitspraak, die Adolphe in het gelijk stelde.
De Geyter had zich hierbij neer te leggen, maar door een dramatische ‘plotwending’ kreeg het verhaal toch nog een vervolg.
In 1916 pleegde Adolphe De Geyter immers zelfmoord.
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg Pierre een brief van zijn broer in handen, die dateerde van 1915. Hierin schreef Adolphe klaar en duidelijk dat niet hij, maar Pierre de componist was van de Internationale: “Voilà: je n’ai jamais fait de musique, encore moins l’Internationale.” Adolphe gaf in de brief ook aan dat hij zwaar onder druk was gezet om de Internationale als zijn werk te claimen.
In 1922 bevestigde een rechtbank in Parijs het auteurschap van Pierre De Geyter, die ondertussen lid was geworden van de jonge communistische partij.
Door die politieke keuze viel hij buiten de kring van het respectabel geworden socialisme, en zijn muziek raakte in Frankrijk in de vergetelheid.
De Geyter leefde voort in relatieve anonimiteit en werkte bij de gemeente Saint-Denis als lantaarnopsteker.
Enkele jaren voor De Geyters dood merkte een werknemer van de Parijse ambassade van de Sovjet-Unie op dat de componist van de Internationale nog in leven was (op dat moment was de Internationale de nationale hymne van de Sovjet-Unie).
De Geyter werd in 1927 uitgenodigd om in Moskou als eregast de plechtigheden mee te vieren die plaatsvonden naar aanleiding van 10 jaar Oktoberrevolutie.
De Sovjet-Unie zorgde ervoor dat De Geyter aan het einde van zijn leven toch enkele vruchten plukte van zijn werk: hij kreeg een Russisch staatspensioen en de gemeente Saint-Denis gaf hem de beschikking over een woning.
Naast de Internationale componeerde De Geyter vooral amusementsmuziek en strijdliederen, waarvan een groot deel in de stadsbibliotheek van Rijsel bewaard is gebleven.
Zijn standbeeld staat bij het Industriemuseum te Gent. (Diverse bronnen, Wikipedia, De Post en Annelies Focquaert)
Vijf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, in 1950, zaten er nog steeds 300.000 mensen vast in Duitse vluchtelingenkampen.
.
Dit waren de laatste van de miljoenen ‘Displaced Persons’ (DP’s), een term van de geallieerden voor burgers die door de oorlog ontheemd waren geraakt.
Direct na de bevrijding in 1945 was een immense repatriëring op gang gekomen. Burgers uit West-Europese landen waren relatief snel weer thuis.
Maar voor de miljoenen ontheemden uit Oost-Europa lag de situatie veel gecompliceerder.
Hun terugkeer werd een politiek schaakspel.
De Sovjet-Unie controleerde de doorgangsroutes en vertraagde het proces.
Tegelijkertijd wilden velen niet terug naar hun vaderland, dat nu achter het IJzeren Gordijn lag.
Ze vreesden de nieuwe communistische regimes.
Voor Sovjet-burgers was die angst existentieel: wie terugkeerde, liep het risico om als collaborateur te worden vervolgd en zelfs geëxecuteerd door het Stalin-regime.
Zo bleef een grote groep ontheemden achter in de kampen, bestempeld als ‘niet-repatrieerbaar’.
Pas in 1951 werd de officiële internationale hulp stopgezet en werd de zorg voor de laatste tienduizenden overgedragen aan Duitsland, als een laatste, stille getuige van de chaos die de oorlog had achtergelaten.