Van de filmset van Bresson naar het testament van Epstein: het bewogen levenspad van Caroline Lang

Het leven van Caroline Lang, de dochter van de Franse politicus Jack Lang, is een opmerkelijke reis geweest door de werelden van kunst, recht en internationale media.

In 1984 werd zij geportretteerd als een veelzijdige eenentwintigjarige die haar tijd verdeelde tussen haar rechtenstudie, een rol in de film L’Argent van Robert Bresson en haar politieke ambities voor de socialistische partij in Parijs.

Destijds woonde ze nog in het ouderlijk huis in het Quartier Latin, waar ze de maaltijden verzorgde voor haar vader, die op dat moment minister van Cultuur was.

Haar vader, geboren in 1939, was een van de meest invloedrijke figuren in het Franse culturele beleid onder president Mitterrand en bleef tot begin 2026 actief als voorzitter van het Institut du monde arabe.

Na deze vroege start in de filmwereld en de politiek koos Caroline voor een loopbaan achter de schermen van de internationale amusementsindustrie.

Ze bouwde een indrukwekkende carrière op bij de Amerikaanse filmstudio Warner Bros., waar ze opklom tot de positie van Senior Vice President.

In deze hoedanigheid was ze jarenlang verantwoordelijk voor de distributie en productie in Frankrijk en andere Franstalige gebieden, waarmee ze haar juridische achtergrond combineerde met haar passie voor de filmsector.

Daarnaast ontwikkelde zij zich tot een gerespecteerd expert en verzamelaar op de internationale kunstmarkt.

Begin 2026 nam haar loopbaan een onverwachte wending toen ze werd benoemd tot gedelegeerde bestuurder van het Syndicat des producteurs indépendants.

Kort na deze aanstelling raakte zij echter betrokken in een publieke discussie, nadat bekend werd dat zij werd genoemd in documenten rondom de Amerikaanse zakenman Jeffrey Epstein.

Caroline Lang werd in het testament van de zakenman aangewezen als een van de begunstigden die een aanzienlijk bedrag zou ontvangen.

Uit de dossiers bleek dat zij en Epstein gedurende langere tijd een persoonlijke relatie onderhielden die terugging tot de jaren tachtig en negentig.

In die periode was zij werkzaam in de internationale film- en mediawereld, een sector waarin Epstein vaker contacten zocht met invloedrijke personen en hun familieleden.

De documenten suggereerden dat er sprake was van een langdurige vriendschap, waarbij zij ook op verschillende van zijn eigendommen was gezien.

Toen deze informatie begin 2026 publiekelijk bekend werd, leidde dit tot grote verontwaardiging in de Franse cultuursector, mede vanwege de ernstige misdrijven waarvan Epstein werd beschuldigd.

Hoewel er geen bewijs naar voren kwam dat zij betrokken was bij zijn illegale activiteiten, zorgden de directe financiële link en de aard van hun verstandhouding voor een onhoudbare situatie.

De aanhoudende publieke druk leidde ertoe dat zij begin 2026 besloot al haar functies bij de producentenorganisaties neer te leggen.

Hiermee kwam een abrupt einde aan haar formele rol binnen de Franse cultuurwereld, die zij decennialang mede had vormgegeven.

Vijfenveertig jaar geleden, op 2 maart 1981, bereikte de verkiezingscampagne van de Franse komiek Coluche een cruciaal kookpunt.

Opmerkelijk genoeg werd hij al voor zijn eerste politieke persconferentie door zanger Gérard Lenorman genoemd in het liedje Si j’étais président uit 1980.

Daarin werd hij lachend omschreven als Coluche notre ministre de la rigolade, oftewel de minister van de lach. Wat in dat liedje nog een onschuldige grap leek, groeide echter uit tot een serieuze politieke beweging die de gevestigde orde deed wankelen.

In een overvolle zaal in Parijs hield hij die dag een persconferentie die het establishment op zijn grondvesten deed daveren.

Coluche wierp zich op als de spreekbuis voor alle kandidaten die werden buitengesloten en kondigde de oprichting aan van een federatie van kleine kandidaten.

Zijn voornaamste strijdpunt was de afschaffing van de regel van de 500 handtekeningen, een systeem waarbij presidentskandidaten steun moesten krijgen van vijfhonderd burgemeesters of verkozenen om officieel op het stembiljet te mogen staan.

Hij noemde dit een ondemocratische grendel, bedoeld om de macht bij de grote partijen te houden.

De reacties van traditionele politici als François Mitterrand en zittend president Valéry Giscard d’Estaing waren niet langer lacherig, maar grensden aan paniek toen peilingen hem tot 16% van de stemmen toedichtten.

De sfeer werd steeds grimmiger, met lastercampagnes en doodsbedreigingen tot gevolg.

De druk werd uiteindelijk onhoudbaar, en slechts twee weken na deze strijdbare persconferentie trok hij zich op 16 maart 1981 terug.

De turbulente gebeurtenissen rond zijn presidentscampagne werden later verfilmd in Coluche, l’histoire d’un mec (Coluche, ’t verhaal van een vent).

In deze film uit 2008, geregisseerd door Antoine de Caunes, wordt de rol van de komiek gespeeld door François-Xavier Demaison.

Michel Colucci, beter bekend onder zijn pseudoniem Coluche, zou uiteindelijk vijf jaar na dit politieke avontuur te overlijden komen op 19 juni 1986.

De vele gezichten van Davos: van De Toverberg tot Trump.

Davos is een gemeente in het oostelijke deel van Zwitserland, gelegen in het kanton Graubünden.

De plaats staat bekend als de hoogstgelegen stad van Europa, bevindt zich op ruim 1500 meter hoogte in het Landwasser-dal en heeft een rijke geschiedenis die veel verder teruggaat dan de beroemde economische toppen.

Oorspronkelijk werd het gebied in de middeleeuwen bevolkt door de Walser, een Duitstalig volk dat vanuit Oberwallis naar deze hooggelegen gebieden trok om er landbouw te bedrijven.

Eeuwenlang bleef het een relatief geïsoleerde boerengemeenschap, totdat de specifieke ligging en het klimaat in de negentiende eeuw voor een radicale wending zorgden.

De transformatie van boerendorp naar internationale bestemming begon rond 1853, toen de Duitse arts Alexander Spengler de geneeskrachtige werking van de berglucht ontdekte.

Hij merkte op dat tuberculose, destijds een dodelijke volksziekte, nauwelijks voorkwam bij de lokale bevolking.

Dit inzicht leidde tot de ontwikkeling van Davos als een vermaard kuuroord.

Er werden talrijke sanatoria gebouwd waar patiënten uit heel Europa naartoe kwamen om te genezen in de schone, droge lucht.

Deze periode heeft ook een belangrijke literaire erfenis achtergelaten; de Duitse schrijver Thomas Mann bezocht zijn zieke vrouw in Davos en deed daar inspiratie op voor zijn wereldberoemde roman De Toverberg, die zich afspeelt in een van deze sanatoria.

Toen in de loop van de twintigste eeuw medicijnen tegen tuberculose werden ontwikkeld, verloor het kuuroord zijn oorspronkelijke functie, maar de gemeente vond zichzelf succesvol opnieuw uit als bestemming voor wintersport.

Een publicatie uit het tijdschrift ABC van januari 1936 illustreert hoe Davos zich in die periode al had ontwikkeld tot een trekpleister voor sneeuwliefhebbers.

Het gebied Parsenn, gelegen op 2661 meter hoogte en bereikbaar via een spoorwegrit van twintig minuten, werd destijds geprezen als een ideaal terrein met eindeloze hellingen en ongerepte sneeuw.

Prominente bezoekers, zoals de bekende autocoureur Louis Chiron, spraken vol lof over de prachtige skivelden en stelden dat wie de betoverende charme van Davos eenmaal kende, er altijd zou terugkeren.

Hoewel de skisport in die jaren als koning werd gezien, bleven ook activiteiten als kunstschaatsen, ijshockey, curling en tobogganwedstrijden onverminderd populair en trokken ze duizenden mensen naar de bergen.

Tegenwoordig is Davos echter vooral wereldberoemd door een evenement dat jaarlijks in januari plaatsvindt: de bijeenkomst van het World Economic Forum, oftewel het WEF.

De geschiedenis van dit congres begint in 1971, toen de Duitse econoom en ingenieur Klaus Schwab het initiatief nam voor wat toen nog het European Management Symposium heette.

De eerste bijeenkomst vond plaats in het congrescentrum van Davos en trok honderden deelnemers uit het Europese bedrijfsleven.

Het oorspronkelijke doel van Schwab was vrij specifiek: hij wilde Europese bedrijfsleiders kennis laten maken met Amerikaanse managementtechnieken om zo de concurrentiepositie van Europa te versterken.

Hij introduceerde daarbij de stakeholdertheorie, het idee dat een bedrijf niet alleen verantwoording schuldig is aan aandeelhouders, maar aan alle belanghebbenden, inclusief werknemers en de samenleving.

In de jaren die volgden, verbreedde Schwab de horizon van het congres aanzienlijk.

Het werd duidelijk dat economische vraagstukken niet los konden worden gezien van geopolitieke en sociale problemen.

In 1987 veranderde de naam officieel in het World Economic Forum. Het evenement groeide uit tot een uniek platform waar niet alleen CEO’s, maar ook regeringsleiders, intellectuelen, journalisten en activisten samenkomen.

Het informele karakter van de bijeenkomsten in het besneeuwde bergdorp, ver weg van de politieke hoofdsteden, leidde tot wat men de Davos Spirit noemt: een sfeer waarin tegenstanders makkelijker met elkaar in gesprek gaan.

Zo speelde het forum in het verleden een rol bij ontmoetingen tussen Griekenland en Turkije en verschenen Nelson Mandela en F.W. de Klerk er samen op het podium toen de apartheid in Zuid-Afrika ten einde liep.

Vandaag de dag is de combinatie van de kleine berggemeente en het machtige wereldcongres een begrip, waarbij lokale traditie en wereldpolitiek jaarlijks even samensmelten.

De aanwezigheid van president Donald Trump op het Wereld Economisch Forum bevestigt vandaag opnieuw dat het forum nog steeds het centrum van de wereldmacht is.

Vandaag is het ook al vijftig jaar geleden dat Francisco Franco y Bahamonde, en beter bekend als generalísimo Francisco Franco is overleden

Francisco Franco werd op 4 december 1892 geboren in El Ferrol, Galicië, in het noordwesten van Spanje.

Zijn jeugd was moeilijk. Zijn vader, een marineofficier, was vooral bezig met gokken, drinken en vreemdgaan, wat thuis tot voortdurende ruzies leidde.

Uiteindelijk verliet zijn vader het gezin voor een jonge maîtresse in Madrid.

Getekend door deze ervaringen koos Franco zelf een radicaal ander pad: hij was een sober man die roken, drinken, gokken en het bezoek aan kroegen of bordelen meed.

Hoewel hij de marine ambieerde, koos hij in 1907 noodgedwongen voor het leger. Hij was een middelmatige student, maar maakte carrière in het Spaanse protectoraat Marokko.

Zijn optreden tijdens de Rifoorlog (ca. 1921-1926) was meedogenloos.

Nadat hij in 1916 gewond raakte, werd hij bevorderd. Een sleutelrol speelde hij in het Spaanse Vreemdelingenlegioen dat hij omvormde tot een geduchte eenheid.

Het redden van de stad Melilla in 1921 maakte hem tot een nationale held.

In 1923 trouwde hij met Carmen Polo, met wie hij één dochter kreeg.

Toen in 1931 de Tweede Spaanse Republiek werd uitgeroepen, hield Franco zich aanvankelijk afzijdig.

Wel ontstond er frictie toen de republikeinen zijn Militaire Academie sloten.

In de onrustige jaren dertig sloeg hij in 1934 een linkse opstand neer.

Toen het linkse Volksfront in 1936 de verkiezingen won, werd Franco overgeplaatst naar de Canarische Eilanden, wat hij zag als een verbanning.

Dit was de opmaat naar de Spaanse Burgeroorlog, die op 17 juli 1936 uitbrak.

Franco en andere rechtse generaals probeerden de macht te grijpen om te voorkomen dat Spanje ‘links-anarchistisch’ zou worden.

De staatsgreep slaagde deels, wat leidde tot een bloedige oorlog. Franco kreeg cruciale militaire steun van Hitlers Duitsland en Mussolini’s Italië; de republikeinen werden gesteund door Stalins Sovjet-Unie.

De invloed van de communisten binnen het republikeinse kamp zorgde echter voor interne spanningen.

Eind 1938 trok Stalin zijn steun terug, wat het lot van de republiek bezegelde.

Op 1 april 1939 claimden de nationalisten de overwinning.

De nationalisten traden hard op; alleen al in Barcelona werden in enkele dagen 10.000 mensen zonder proces geëxecuteerd.

De oorlog was desastreus, met naar schatting 320.000 doden en 114.000 blijvend vermiste republikeinen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef het fascistische Spanje officieel neutraal.

Hitler en Franco ontmoetten elkaar in 1940, maar naar verluidt had Hitler een hekel aan de Spaanse leider.

Hoewel Franco een lijst met Joodse namen doorspeelde aan Duitsland, diende het neutrale Spanje ook als toevluchtsoord voor ongeveer 200.000 Joden.

Na 1945 bouwde Franco zijn dictatuur uit, wat leidde tot een internationaal isolement.

Hij herstelde in 1947 op papier de monarchie en wees in 1969 Juan Carlos I aan als zijn opvolger.

Francisco Franco stierf op 20 november 1975.

Tot verrassing van velen leidde de nieuwe koning Juan Carlos Spanje naar een democratie.

De erfenis van Franco blijft echter gevoelig; in 2022 werd in Spanje een wet aangenomen die het verheerlijken van Franco en het fascisme verbiedt.

35 jaar geleden, Trump kiest voor Marla Maples.

Donald Trump, geboren op 14 juni 1946, groeide op in een gezin met twee broers en twee zussen.

Na zijn economische studie, gericht op vastgoed, trad hij toe tot het familiebedrijf van zijn vader en grootmoeder, The Trump Organization.

Waar het bedrijf zich aanvankelijk richtte op sociale huurwoningen, verlegde Trump de focus al snel naar prestigieuze projecten in Manhattan, waar de winstmarges aanzienlijk hoger lagen.

Onder zijn leiding groeide de organisatie, die in 2016 al meer dan 250 bedrijven omvatte, uit tot een imperium met als bekendste wapenfeiten de bouw van de Trump Tower en het tijdelijke mede-eigenaarschap van het Empire State Building.

Een sleutelmoment in zijn opmars als mediapersoonlijkheid was de renovatie van een schaatsbaan in Central Park, New York.

Nadat de stad er na zes jaar en een budgetoverschrijding van 12 miljoen dollar niet in was geslaagd het project af te ronden, nam Trump het over.

Hij voltooide de renovatie in slechts drie maanden, en dat voor bijna een miljoen dollar onder het budget.

De stunt leverde hem een enorme hoeveelheid positieve media-aandacht op.

Zijn zakelijke carrière kende ook tegenslagen. Hoewel Trump nooit persoonlijk failliet is gegaan, hebben verschillende van zijn bedrijven wel een technisch faillissement doorstaan.

Hij slaagde er echter steeds in om deze bedrijven te herstructureren, waarbij hij zijn privévermogen doorgaans buiten schot wist te houden.

De lancering van zijn realityshow “The Apprentice” maakte van de naam ‘Trump’ een wereldwijd merk.

Met zijn iconische uitspraak “You’re fired!” werd hij een tv-fenomeen, wat hem in staat stelde om zijn naam via licenties te verkopen.

Zijn investeringen waren zeer divers en omvatten onder meer casino’s, golfterreinen, hotels, sportteams, missverkiezingen en zelfs een cameo in de film “Home Alone”.

Ook recenter bleef hij actief als ondernemer met projecten als het socialemediaplatform Truth Social en de cryptomunt $TRUMP.

Het vermogen van Donald Trump is altijd onderwerp van discussie geweest.

Schattingen liepen in 2015 uiteen van 4,1 tot 8,7 miljard dollar en werden in 2020 op zo’n 2,5 miljard geraamd.

In 2025 schatten media als The Guardian en Forbes zijn vermogen op ongeveer 5 miljard euro, waarbij een opvallend groot deel uit digitale bezittingen zoals cryptocurrency zou bestaan.

Zelf claimt hij een vermogen van rond de tien miljard dollar. Hoe dan ook is hij verreweg de rijkste Amerikaanse president ooit.

Op persoonlijk vlak is Trump driemaal getrouwd. Van 1977 tot 1992 was hij gehuwd met de Tsjechische Ivana Zelníčková, met wie hij drie kinderen kreeg: Donald jr., Ivanka en Eric.

In 1993 trouwde hij met Marla Maples, met wie hij dochter Tiffany kreeg; dit huwelijk eindigde in 1999.

Sinds 2005 is hij getrouwd met de Sloveense Melania Knauss, de moeder van zijn jongste zoon, Barron (Story 26 oktober 1990)

50 jaar geleden, Francisco Maria da Silva, de boze bisschop

Francisco Maria da Silva was een invloedrijke Portugese prelaat die als aartsbisschop van Braga diende tijdens een van de turbulentste periodes in de Portugese geschiedenis.

Zijn leven werd gekenmerkt door een diepgaand geloof, een sterke intellectuele vorming en een onwrikbare houding ten aanzien van de politieke en sociale veranderingen van zijn tijd.

Geboren op 15 maart 1910 in Murtosa, studeerde hij in Rome waar hij een doctoraat in de theologie behaalde.

Op 21 mei 1932 werd hij tot priester gewijd. Zijn kerkelijke loopbaan bereikte een hoogtepunt met zijn benoeming tot hulpbisschop van Braga in 1956 en vervolgens, op 12 december 1963, tot aartsbisschop van Braga.

Als aartsbisschop nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Concilie, een gebeurtenis die zijn pastorale beleid diepgaand beïnvloedde.

De meest bepalende episode in zijn leven vond plaats na de Anjerrevolutie van 1974, tijdens de “Hete Zomer” van 1975.

In een context van intense politieke strijd, profileerde hij zich als een uitgesproken criticus van het communisme.

Zijn krachtige toespraak op 10 augustus 1975 in Braga, waarin hij het communisme veroordeelde, wordt gezien als een sleutelmoment in de mobilisatie van het conservatieve noorden van Portugal tegen de linkse revolutionaire krachten.

Naast zijn politieke stellingnames was hij een toegewijde herder voor zijn aartsbisdom.

Aartsbisschop da Silva overleed op 14 april 1977, en liet een complexe nalatenschap na als een geleerde kerkleider en een standvastige verdediger van het geloof in een tijd van grote onzekerheid.

Vandaag 93 jaar geleden, overleed Gentenaar Pierre De Geyter en componist van het strijdlied “De Internationale” te Saint-Denis.

Zijn vader Adrien (Adrianus) werd op 10 april 1818 in Gent geboren en zijn moeder Rosa (Rosalia Julia) Verbauwen was afkomstig uit Menen. Zij werkten in de textielindustrie en hun zoon Pierre werd geboren in de Kanunnikstraat.

De levensomstandigheden van het Gentse arbeidersgezin waren niet bepaald rooskleurig te noemen. Armoede, honger, overbevolking en infectieziekten eisten een zware tol in de Vlaamse arbeidersbuurten van het midden van de 19e eeuw.

Toen dan ook nog eens de Vlaamse textiel- en metaalnijverheid in crisis geraakte door de industrialisering, raakten vele kostwinnaars hun baan kwijt. Hopend op betere economische omstandigheden verhuisde de familie De Geyter in 1855, zoals zovele andere Vlaamse textielarbeiders, naar het Noorden van Frankrijk, dat in die periode ook wel ‘Petit Belgique’ werd genoemd.

Al op jonge leeftijd begon Pierre in Rijsel te werken in de locomotieffabriek Fives.

Ondanks het zwaar werk volgde hij aan de avondschool voor arbeiders lessen in lezen en schrijven. Vanaf zijn zestiende kreeg hij ook tekenlessen in de academie van Rijsel, waardoor hij op de sociale ladder kon stijgen tot modelmaker in hout.

Bronnen over zijn muzikale opleiding zijn schaars, maar waarschijnlijk volgde hij vanaf 1864 muziekles aan de muziekschool van Rijsel, waar hij in 1868 een eerste prijs behaalde voor blaasinstrumenten.

Hij speelde onder meer saxofoon en werd in 1887 dirigent van het pas opgerichte socialistische koor ‘La Lyre des Travailleurs’. Zijn eerste composities situeerden zich vooral in het lichte genre, maar De Geyter stelde zijn muzikaal talent ook ter beschikking van de ontluikende arbeidersbeweging, onder andere bij stakingen.

Gustave Delory, een socialist die ‘La Lyre des Travailleurs’ had opgericht en later burgemeester van Rijsel zou worden, zocht De Geyter aan om een strijdlied te componeren voor de Rijselse afdeling van de jonge ‘Parti Ouvrier’.

De tekst die op muziek moest gezet worden was geschreven door Eugène Pottier tijdens de Commune van Parijs (1871).

In juli 1888 werd De Geyters L’Internationale voor het eerst gezongen en verder verspreid via ‘vliegende blaadjes’ die de lokale partijkas spijsden. Als auteur werd enkel de achternaam Degeyter vermeld.

Dit gebeurde om repressie tegen zijn persoon te vermijden, want zowel patronaat als overheid hielden alle uitingen van opstandig gedrag scherp in de gaten.

Deze tactische overwegingen mochten echter niet baten: De Geyter werd ‘herkend’ als componist en werd ontslagen. Intussen kende de Internationale een steeds groeiende populariteit en in 1896 kwam het startschot voor de wereldwijde verspreiding, toen het ‘XIVe Congrès du Parti Ouvrier Français’ het als lijf- en strijdlied adopteerde.

Door zijn ontslag kreeg De Geyter financiële problemen en in 1901 verhuisde hij met zijn gezin naar Saint-Denis, een voorstad van Parijs. Daarnaast ontstond er ook in zijn familie een conflict over wie nu de auteur was van de Internationale: Pierre, of zijn jongere broer Adolphe.

Uit tactische overwegingen was immers enkel De Geyter als componist vermeld en dit gaf Gustave Delory de gelegenheid om te beweren dat Adolphe – die door zijn geboorteplaats Fransman was en voor de gemeentediensten van Rijsel werkte – de componist was geweest.

Delory beweerde ook dat Adolphe de rechten had overgedragen aan de ‘Imprimerie ouvrière de Lille’, de drukkerij van de socialistische partij. Delory zette Adolphe zo zwaar onder druk dat deze inderdaad zo’n verklaring aflegde.

Pierre kon zich hiertegen niet verdedigen en zei de socialistische partij vaarwel.

In 1904 spande hij dan toch een proces aan tegen zijn broer om zijn rechten als componist af te dwingen. Pas na 10 jaar kwam er een uitspraak, die Adolphe in het gelijk stelde.

De Geyter had zich hierbij neer te leggen, maar door een dramatische ‘plotwending’ kreeg het verhaal toch nog een vervolg.

In 1916 pleegde Adolphe De Geyter immers zelfmoord.

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg Pierre een brief van zijn broer in handen, die dateerde van 1915. Hierin schreef Adolphe klaar en duidelijk dat niet hij, maar Pierre de componist was van de Internationale: “Voilà: je n’ai jamais fait de musique, encore moins l’Internationale.” Adolphe gaf in de brief ook aan dat hij zwaar onder druk was gezet om de Internationale als zijn werk te claimen.

In 1922 bevestigde een rechtbank in Parijs het auteurschap van Pierre De Geyter, die ondertussen lid was geworden van de jonge communistische partij.

Door die politieke keuze viel hij buiten de kring van het respectabel geworden socialisme, en zijn muziek raakte in Frankrijk in de vergetelheid.

De Geyter leefde voort in relatieve anonimiteit en werkte bij de gemeente Saint-Denis als lantaarnopsteker.

Enkele jaren voor De Geyters dood merkte een werknemer van de Parijse ambassade van de Sovjet-Unie op dat de componist van de Internationale nog in leven was (op dat moment was de Internationale de nationale hymne van de Sovjet-Unie).

De Geyter werd in 1927 uitgenodigd om in Moskou als eregast de plechtigheden mee te vieren die plaatsvonden naar aanleiding van 10 jaar Oktoberrevolutie.

De Sovjet-Unie zorgde ervoor dat De Geyter aan het einde van zijn leven toch enkele vruchten plukte van zijn werk: hij kreeg een Russisch staatspensioen en de gemeente Saint-Denis gaf hem de beschikking over een woning.

Naast de Internationale componeerde De Geyter vooral amusementsmuziek en strijdliederen, waarvan een groot deel in de stadsbibliotheek van Rijsel bewaard is gebleven.

Zijn standbeeld staat bij het Industriemuseum te Gent. (Diverse bronnen, Wikipedia, De Post en Annelies Focquaert)

Gisteren nog vandaag

75 jaar geleden, leefde nog altijd 300 000 ontheemden in kampen in Duitsland.

Vijf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, in 1950, zaten er nog steeds 300.000 mensen vast in Duitse vluchtelingenkampen.

.

Dit waren de laatste van de miljoenen ‘Displaced Persons’ (DP’s), een term van de geallieerden voor burgers die door de oorlog ontheemd waren geraakt.

Direct na de bevrijding in 1945 was een immense repatriëring op gang gekomen. Burgers uit West-Europese landen waren relatief snel weer thuis.

Maar voor de miljoenen ontheemden uit Oost-Europa lag de situatie veel gecompliceerder.

Hun terugkeer werd een politiek schaakspel.

De Sovjet-Unie controleerde de doorgangsroutes en vertraagde het proces.

Tegelijkertijd wilden velen niet terug naar hun vaderland, dat nu achter het IJzeren Gordijn lag.

Ze vreesden de nieuwe communistische regimes.

Voor Sovjet-burgers was die angst existentieel: wie terugkeerde, liep het risico om als collaborateur te worden vervolgd en zelfs geëxecuteerd door het Stalin-regime.

Zo bleef een grote groep ontheemden achter in de kampen, bestempeld als ‘niet-repatrieerbaar’.

Pas in 1951 werd de officiële internationale hulp stopgezet en werd de zorg voor de laatste tienduizenden overgedragen aan Duitsland, als een laatste, stille getuige van de chaos die de oorlog had achtergelaten.

60 jaar geleden, flitsen uit Joegoslavië, het land tussen Oost en West (Zondagsvriend juni 1960).

Gisteren nog vandaag

Na de ontmanteling van Oostenrijk-Hongarije in 1918 ontstond het Koninkrijk der Serviërs, Kroaten en Slovenen onder koning Peter I van Servië.

Dit legde de basis voor conflicten, aangezien Servië een eenheidsstaat wilde en Kroatië een federatie voorstond. Servië zette zijn wil door, wat in 1928 leidde tot een Kroatische afscheidingspoging na een parlementaire moord.

Het tweede Joegoslavië (1943-1992) was een marxistisch-leninistische staat onder Josip Broz (Tito), die achtereenvolgens de Federale Democratische Republiek, Federale Volksrepubliek en Socialistische Federale Republiek Joegoslavië heette.

Het derde Joegoslavië (1992-2003), ook bekend als Klein-Joegoslavië, ontstond uit de Joegoslavische Oorlog en omvatte Servië en Montenegro.

De naam Federale Republiek Joegoslavië leidde tot kritiek van voormalige republieken, die dit zagen als een claim op continuïteit. Een grondwet uit 1992 introduceerde een gekozen president als staatshoofd en opperbevelhebber, naast een federale premier.

Deze Federale Republiek Joegoslavië eindigde in 2003, waarna de lossere federatie Servië en Montenegro ontstond.

Deze confederatie viel op 3 juni 2006 uiteen nadat Montenegro via een referendum onafhankelijk werd.

Vandaag 100 jaar geleden, Ras Teferi (Haile Selassie) te gast in Brussel voor een staatsbezoek aan ons land(22 mei 1924).

Haile Selassie werd geboren als Tafari Makonnen.

Haile Selassies vader was gouverneur van de provincie Harar.

Hij was een de adellijke personen met de titel ‘Ras’ (hertog).

Hiervan is de naam van de rastafaribeweging afgeleid.

Selassie wordt dan ook door de Rastafaribeweging gezien als de reïncarnatie van Jezus, hoewel hij zelf Ethiopisch-orthodox was.

Via zijn huwelijk in 1911 met Wayzaro Menen, dochter van keizer Menelik II, kwam Tafari in de keizerlijke familie.

In 1917 werd hij uitgeroepen tot troonopvolger van keizerin Zauditu en als regent ging hij namens haar Abessinië besturen.

Het onafhankelijke Abessinië was in Afrika een bijzonderheid. West-Europese landen hadden het continent in hun kolonisatiedrang onderling verdeeld.

De Ethiopische dynastie, die volgens de overlevering al sinds de 10e eeuw v.Chr. bestond en voort zou komen uit de Bijbelse koning Salomo en de koningin van Sheba, was het gelukt om de onafhankelijkheid van Ethiopië te waarborgen.

In 1918 overleefde hij de Spaanse griep.

In 1924 bracht hij een officieel bezoek aan Italië, Vaticaanstad en diverse andere Europese landen.

In Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk werd hij met grote eer ontvangen.

Toen hij op 2 november 1930 tot keizer van Ethiopië werd gekroond, kreeg hij de naam Haile Selassie, die staat voor Heilige Drievuldigheid, of Macht van de Drievuldigheid.

Deze situatie veranderde toen de Italiaanse dictator Mussolini in 1935 besloot vanuit Italiaans-Eritrea, een Italiaanse kolonie, Ethiopië binnen te vallen: de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog.

Haile Selassie vluchtte naar het Verenigd Koninkrijk en probeerde steun te krijgen voor de vrijheidsstrijd.

Hij deed dit onder meer in 1936 tijdens zijn voordracht bij de Volkenbond, mede omtrent het gebruik van mosterdgas door Italië in Ethiopië.

Deze inspanningen bleken vergeefs, tot Italië zich aan de zijde van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog mengde.

In 1941 verjoeg een troepenmacht met Britse en Belgische militairen en Ethiopische vrijheidsstrijders de Italiaanse troepen.

Haile Selassie kwam weer op de troon.

Haile Selassie legde op 27 augustus 1942 de wettelijke basis voor de afschaffing van de slavernij, die Italië in zijn land had ingevoerd, en voerde strenge straffen in voor slavenhandel, inclusief de doodstraf.

Hij moderniseerde zijn land met onder meer een nieuw belastingstelsel en een democratische grondwet.

Mede door zijn toedoen werd Ethiopië een stichtend lid van de Verenigde Naties.

Haile Selassie was in de internationale diplomatie een man met gezag en aanzien.

Hij had veel invloed binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, met zetel te Addis Abeba en bracht staatsbezoeken aan de Verenigde Staten en diverse Europese landen, waaronder Nederland in 1954 en België in juli 1959.

De keizer was een ridder in de Orde van de Kousenband en, om Ethiopië te eren voor het moedige verzet tegen Mussolini’s troepen, ridder Grootkruis in de Militaire Willems-Orde.

In 1951 werd de voormalige Italiaanse kolonie Eritrea, door middel van een beslissing van de Verenigde Naties, verbonden met Ethiopië in een federatie, waarbij Haile Selassie koning van Eritrea werd.

In de jaren vijftig groeide Haile Selassie uit tot een voorbeeld voor veel Afrikanen, die ook het koloniale juk wilden afschudden. Het viel hem echter niet mee binnenlands de rust te bewaren.

Ethiopië bestond uit vele religieuze groeperingen en Haile Selassie probeerde met een verdeel-en-heerspolitiek de onderlinge vrede te bewaren.

In 1962 annexeerde Selassie Eritrea, nadat het in de jaren vijftig een grote autonomie had gehad.

Een gewapend conflict barstte hierop los, dat 32 jaar zou duren en voornamelijk escaleerde onder de militaire junta, na het afzetten van Haile Selassie.

In 1963 zat hij de oprichtingsvergadering van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid voor, die haar zetel kreeg in Addis Abeba.

Later dat jaar (in oktober) sprak hij de Verenigde Naties toe.

De Jamaicaanse zanger Bob Marley gebruikte een deel van deze speech als tekst voor het lied War.

Begin jaren zeventig stortte de economie in en na een periode van lange droogte greep de hongersnood om zich heen.

In 1974 voerden militairen een staatsgreep uit en namen Haile Selassie gevangen.

Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal Aman Andom.

Op 23 november 1974 kwam Aman Andom onder verdachte omstandigheden om het leven.

Aman Andomj zou bij zijn arrestatie niet mee hebben gewerkt en gedood zijn.

Op dezelfde dag werden 59 anderen, waaronder generaals, twee ex-premiers, topambtenaren, aristocraten en leden van de keizerlijke familie geëxecuteerd.

Toen hij in augustus 1975 overleed, officieel aan de complicaties van een operatie, vermoedden velen moord, er werd vooral beweerd dat de oude ex-monarch was verstikt of gewurgd.

Het communistisch regime verhinderde elk onafhankelijk onderzoek naar de doodsoorzaak.

Pas in 1992, na de val van het Dergue-regime, werd zijn stoffelijk overschot teruggevonden.

Van de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kreeg hij in november 2000 een keizerlijke begrafenis in de kathedraal van Addis Abeba.

Bob Marley kreeg in 1977 een ring van Haile Selassie en schreef in 1973 of 1974 het lied Iron Lion Zion voor hem.

Dit werd echter pas in 1992, na Marleys dood, uitgebracht. (Diverse bronnen, Ons Volk 31 mei 1924, De Post 26 november 1972 en Wikipedia)

Vandaag 90 jaar geleden, zware rellen in Parijs door de affaire Stavisky (6 februari 1934)

Acha Stavisky kwam ter wereld in 1886 als zoon van een joodse tandarts in Oekraïne.

Hij verhuisde met zijn familie naar Parijs in 1899, waar hij al snel betrokken raakte bij verschillende oplichterijen, soms samen met zijn grootvader.

Na de Eerste Wereldoorlog werkte hij als gigolo en cocaïnehandelaar.

Hij werd meerdere keren veroordeeld tot gevangenisstraf.

In 1926 bedroog hij een effectenmakelaar in Parijs voor miljoenen francs.

Hij werd aangehouden en na anderhalf jaar in voorarrest werd hij tijdelijk vrijgelaten in afwachting van zijn proces.

Na zijn vrijlating veranderde Stavisky zijn naam van Sacha in Serge Alexander en pakte vanaf dan de zwendel grootscheeps aan.

Hij richtte een trits nieuwe maatschappijen met bekende personen in de directie.

Zij moesten hun naam en sociale status aan het bedrijf geven, maar hadden geen macht en zeker geen expertise.

Investeerders werden zo overgehaald hun geld in zijn bedrijven te stoppen.

Een van zijn bedrijven maakte houten koelkasten die geen elektriciteit nodig zouden hebben en daardoor goed waren voor koloniaal Afrika.

De koelkasten werkten natuurlijk niet.

Stavisky fêteerde politici en rechters en kreeg daardoor ondersteuning

Van deze politici werd gezegd: “ze zijn mannen van woorden in plaats van actie, en van ambitie in plaats van idealen “.

Stavisky gebruikte een piramidespel om zijn investeerders te misleiden.

Hij richtte een nieuw bedrijf op met het geld dat hij van de vorige investeerders had gekregen.

Zo hield hij de schijn op dat hij winstgevend was.

Maar dit kon natuurlijk niet eeuwig doorgaan en eind 1933 stortte zijn imperium.

Stavisky had een plaatselijke bank in Bayonne opgericht met de hulp van de burgemeester.

Hij leende geld bij zijn eigen bank en dit met als onderpand nepjuwelen.

Komt daarbij, om deze leningen terug te betalen, gaf hij obligaties uit die werden gesteund door de minister van arbeid.

Maar toen de obligaties eind 1933 moesten worden afgelost, was er geen geld meer.

De bank werd aangeklaagd en Stavisky sloeg op de vlucht naar Chamonix.

Op 8 januari probeerde de politie hem te arresteren, en terwijl ze de deur van zijn chalet forceerden, schoot Stavisky zich zelf door het hoofd.

Zowel de links als rechtse pers geloofde dit niet en negen van de tien Fransen dacht dat Stavisky was vermoord om te voorkomen dat de namen van medeplichtige politici bekend zouden worden.

De bankfraude in Bayonne bracht de frauduleuze praktijken van Stavisky aan het licht.

Hij leek onaantastbaar te zijn door zijn connecties met machtige personen en door omkoping van politie, rechters en politici.

De Action Française, een extreemrechtse en antisemitische groep, eiste dat de verantwoordelijken in de regering en overheid zouden worden ontmaskerd.

De Action Française was een autoritaire beweging die oud-strijders vereerde en al jaren de democratische instellingen aanviel.

De affaire Stavisky gaf hen een nieuwe aanleiding om onrust te stoken.

De politieke crisis in Frankrijk escaleerde in januari 1934.

Vooral omdat de premier, Chautemps, van de liberale Radicale Partij, weigerde een onderzoek in te stellen.

De Action Française, beschuldigde daarom de regering van medeplichtigheid en eiste haar aftreden.

Dit leidde daardoor tot een golf van protesten en geweld in Parijs, die duurden van 9 tot 29 januari.

Verschillende andere rechtse organisaties, zoals de Crois de Feu en de Solidarité Française, sloten zich aan bij de Action Française om de regering omver te werpen.

De situatie werd zo ernstig dat Chautemps op 27 januari ontslag nam.

Daladier, ook van de liberale Radicale Partij, vormde een nieuwe regering op 29 januari 1934.

Daladier probeerde de socialisten te paaien voor zijn kabinet door Chiappe, de politieprefect van Parijs, te laten oppakken.

Chiappe werd namelijk door de socialisten beschuldigd van extreemrechtse sympathieën en mogelijke betrokkenheid bij de Stavisky-affaire.

Dit leidde tot grote verontwaardiging bij rechts.

Op 5 februari organiseerde de Croix de Feu een betoging in Parijs.

De volgende dag, toen het kabinet-Daladier zou worden beëdigd, wilde de Croix de Feu een massale protestactie houden tegen het parlementaire systeem.

De geruchten dat de regering Senegalese soldaten zou inzetten tegen de betogers versterkten de woede bij rechts.

Een grote menigte, waaronder leden van fascistische organisaties, verzamelde zich op 6 februari aan de oever van de rivier, tegenover het parlementsgebouw dat door een brug verbonden was.

Ze gooiden projectielen naar de politieagenten die de brug bewaakten.

De politie slaagde er niet in om de menigte te verspreiden.

De demonstranten vielen de paarden aan met stokken met scheermesjes en gooiden knikkers om ze te laten struikelen.

Rond acht uur ’s avonds probeerden de fascisten de brug over te steken om het parlement te bereiken.

Er ontstond een vuurgevecht tussen de politie en de aanvallers.

De brug bleef echter in handen van de politie en de menigte trok zich tegen middernacht terug.

Er waren 15 doden en ruim 1400 gewonden.

De volgende dag bood de één dag oude regering van Daladier haar ontslag aan.

Er werd nu een rechtse regering gevormd onder Gaston Doumerge, een socialisten hater.

Petain, de maarschalk uit de Eerste Wereldoorlog en collaborateur in de tweede, werd minister van oorlog.

De rechtse groeperingen waren tevreden en de demonstraties namen af.

De affaire Stavisky was niet de oorzaak van de crisis in de Franse politiek, maar wel een symptoom ervan.

Het toonde aan hoe corrupt en zwak de Derde Republiek was, en hoe verdeeld en gepolariseerd de Franse samenleving was.

Het was een voorbode van de donkere tijden die zouden volgen (Ons Volk 7 januari 1934)