Hotel Wilson in Gent en de internationale allure van Bière Gruber.

Het gebouw op de hoek van de Veldstraat en de Sint-Michielshelling in Gent, waar tegenwoordig de McDonald’s is gevestigd, kent een rijke geschiedenis als Hotel Wilson.

Dit pand is opgetrokken in een rijke neobarokstijl als onderdeel van de grote stadsvernieuwingswerken voor de Wereldtentoonstelling van 1913.

De bouw volgde op de realisatie van de Sint-Michielsbrug in de periode 1905-1909 en de oprichting van het postgebouw.

Op deze oude postkaart van 1936 zien we in de verte Hotel Wilson, waar vandaag de McDonald’s is gelegen.

De naam van het hotel is nog duidelijk zichtbaar op de gevel en was een eerbetoon aan de Amerikaanse president Woodrow Wilson.

Op het gelijkvloers bevond zich het restaurant van het hotel zelf, met op de luifel reclame voor Bière Gruber.

Dit was een biermerk van de Franse brouwerij Brasserie Gruber, die in 1855 werd opgericht door David Gruber in Straatsburg (Koenigshoffen).

Hoewel de brouwerij in de Elzas lag, verwierf ze internationale faam en verspreidde het merk zich over heel Europa, mede door de innovatieve koeltechnieken van de brouwer die het mogelijk maakten om bier het hele jaar door te bewaren en te vervoeren.

Het merk was destijds een teken van kwaliteit en internationale allure, wat paste bij de neobarokke uitstraling van het hotelcomplex.

De brouwerij zelf fuseerde uiteindelijk in 1959 met Brasserie du Pêcheur (Fischer) en de productie onder de oorspronkelijke naam Gruber stopte definitief in 1965.

Het hotel vormde één architecturaal geheel met het naastgelegen Cinema Palace, de bioscoop die tegenwoordig bekendstaat als de Sphinx.

Samen vormden zij een levendig centrum voor ontspanning en horeca op dit prominente punt in de stad.

Hoewel de hotelkamers inmiddels plaats hebben gemaakt voor het fastfoodrestaurant, herinnert de beschermde gevel met de karakteristieke topgevel nog altijd aan de grandeur van dit historische hotel.

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van de huidige IVG-School in Gent begon in de tweede helft van de negentiende eeuw, een tijd waarin het secundair onderwijs in Vlaanderen vrijwel volledig Franstalig was.

Omdat onderwijs destijds hoofdzakelijk een privéaangelegenheid was, betaalden ouders het schoolgeld zelf.

In deze tijdsgeest richtte wiskundeleraar Henri Rachez op 1 augustus 1852 in Brussel een privéschool op om leerlingen voor te bereiden op de Militaire School en de examens voor burgerlijk ingenieur.

Op 1 oktober 1899 breidde dit initiatief uit naar Gent met de opening van een dochterschool in het herenhuis De Cock aan de Nederkouter.

Onder de naam Institut Rachez de Gand bood de school onderdak aan bijna alle leerlingen van de Ecole Molitor, die door stadsverfraaiingen in het centrum moest sluiten.

In 1901 werd de Gentse vestiging volledig onafhankelijk. De focus verschoof in de jaren daarna geleidelijk: in 1905 kwam er meer aandacht voor wetenschappen naast wiskunde, en in 1909 kreeg de school de naam Institut de Gand, waarbij ook moderne talen een prominentere plek in het curriculum kregen.

Een belangrijke administratieve stap volgde op 1 september 1928, toen de lagere school officieel werd erkend en gesubsidieerd.

De zes laagste jaren functioneerden als transmutatieklassen waar Franstalige kinderen intensief Nederlands leerden, terwijl de voertaal in het zevende en achtste leerjaar volledig Nederlands was.

De secundaire afdeling was op dat moment nog niet erkend en hanteerde een verdeling van 65 procent Frans en 35 procent Nederlands.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef de school in 1942 haar eerste meisje in, waarmee het de eerste gemengde school van Gent werd.

Dankzij het Schoolpact van mei 1959 kreeg de school via werkingskredieten en wedde-toelagen ruimere financiële middelen.

Dit maakte de weg vrij voor de officiële erkenning van de secundaire afdeling.

Het onderwijs schakelde volledig over op het Nederlands en de naam veranderde definitief in Instituut van Gent.

In 1970 kon de school voor het eerst gehomologeerde getuigschriften uitreiken aan haar leerlingen.

Ondanks de vernederlandsing bleef meertaligheid een essentieel onderdeel van het pedagogisch project.

Zo kregen leerlingen in het eerste jaar van de middenschool drie uur Engels per week, en werd het lessenpakket buiten de wettelijke kaders uitgebreid met extra lessen Frans en Spaans.

Sinds 2012 vaart de school een nieuwe koers onder de naam IVG-School, waarbij de letters staan voor de kernwaarden Inspirerend, Vrijdenkend en Geëngageerd.

Programma van Circus Demuynck van 85 jaar geleden met hoofdact Lena Miry in de Gentse Minardschouwburg.

Lena Miry, de artiestennaam van Rachel Demuynck, was een virtuoze amazone die een unieke plek innam in de wereld van de klassieke rijkunst en het circus.

Geboren in Gent op 8 januari 1922 als telg uit de gerespecteerde circusfamilie Demuynck, groeide zij op in de wereld van Gustaaf Demuynck en Louise Muyllaert.

Hoewel zij haar basis vond in het familiecircus, koos zij rond haar eenentwintigste voor een eigen pad om zich volledig te wijden aan de verfijning van de paardendressuur.

In haar praktijk als hogeschoolrijdster legde zij zich toe op de meest complexe vormen van de academische rijkunst, die teruggaan naar de tradities uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Zij stond bekend om haar vermogen om paarden naar de hoogste graad van verzameling te begeleiden.

Deze technische term verzameling is cruciaal binnen de dressuur en beschrijft de toestand waarin een paard zijn zwaartepunt naar achteren verplaatst door de gewrichten van de achterhand meer te buigen.

Hierdoor wordt de voorzijde lichter en kan het paard met meer kracht, souplesse en kortere passen bewegen.

Dankzij deze beheersing konden technische figuren zoals de piaffe, passage en pirouettes worden uitgevoerd met een opmerkelijke lichtheid en onzichtbare hulpen.

Haar repertoire omvatte eveneens de sprongen boven de grond, zoals de levade en de croupade, waarbij de nadruk altijd lag op de natuurlijke balans en de trotse zelfhouding van het paard.

Zonder deze specifieke verzameling en verhoogde draagkracht zouden de kunststukken die zij uitvoerde fysiek onmogelijk zijn geweest voor het paard.

Zij werd geprezen om haar vermogen om de spectaculaire elementen van de circuswereld te verenigen met de strikte discipline van de klassieke rijscholen. In een tijd van toenemende verzakelijking in de paardensport bleef zij een belangrijke vertegenwoordiger van de artistieke en esthetische kant van het rijden.

Naast haar eigen uitvoeringen deelde zij haar expertise als instructrice, waarbij zij de nadruk legde op de biomechanica en de psychologie van het paard, altijd vertrekkend vanuit geduld en wederzijds respect.

Rachel Demuynck overleed in Gent op 25 november 2015 op 93-jarige leeftijd.

Haar nalatenschap blijft van waarde voor de Belgische circushistorie en de klassieke rijkunst, waarin zij herinnerd wordt als een voorbeeld van hoe technische perfectie en artistieke flair hand in hand kunnen gaan.

Haar werk heeft een blijvende indruk achtergelaten in de hippische wereld, een term die de brede gemeenschap van paardensport, fokkerij en paardenliefhebbers omvat.

Wetenschappelijke congressen te Gent in april 1936

In april 1936 trokken de wetenschappelijke congressen in Gent opnieuw veel belangstelling.

De geschiedenis van deze bijeenkomsten gaat terug naar 1897, inmiddels 139 jaar geleden, toen in Gent de eerste grote Vlaamse wetenschappelijke bijeenkomst plaatsvond in de vorm van het eerste congres voor natuur- en geneeskunde.

Destijds waren er 23 sprekers en 101 deelnemers, van wie zelfs niet iedereen een universitaire achtergrond had.

De pionier van dit initiatief was Julius Mac Leod (1857-1919), een invloedrijke botanicus en hoogleraar aan de Universiteit Gent.

Hij speelde een cruciale rol in de Vlaamse beweging en zette zich onvermoeibaar in voor de vernederlandsing van het hoger onderwijs.

Zijn visie was dat het volk zich alleen intellectueel en sociaal kon ontwikkelen als wetenschap en onderwijs in de eigen taal werden aangeboden.

Als directeur van de Plantentuin in Gent legde hij met de oprichting van dat eerste congres de basis voor de latere wetenschappelijke congressen.

In 1910 vonden er drie congressen plaats en in 1920 ontstonden de Vlaamse Wetenschappelijke Congressen onder leiding van een gezamenlijke regelingscommissie.

Vanaf 1926 werden verschillende congressen afwisselend in Nederland en bij ons georganiseerd.

In 1934 telde men in Leuven 279 sprekers, waaronder 52 Nederlanders, en bijna 5000 leden.

Toch was er destijds een gebrek aan blijvend contact en continuïteit.

Afzonderlijke wetenschappelijke initiatieven en intellectuele bijeenkomsten misten de gewenste slagkracht.

Er bestond nog geen algemeen centraal kaartsysteem en ook geen tijdschrift.

Daarom werd op 27 januari 1935 de Vereniging voor Wetenschap opgericht als een direct resultaat van de congressen.

Deze vereniging gaf het blad Wetenschap in Vlaanderen uit, dat al in 1936 werd omgedoopt tot Wetenschappelijke Tijdingen.

Hoewel de vereniging in 2004 werd stopgezet, leeft het tijdschrift vandaag de dag nog steeds voort onder de naam WT, al ligt de focus nu volledig op de geschiedenis van de Vlaamse beweging.

In 1936 waren er twaalf congressen gepland, waarbij vooraanstaande Vlaamse geleerden zouden meewerken.

De Vereniging voor Wetenschap probeerde destijds ook de culturele band met Nederland en Zuid-Afrika te versterken.

De foto’s tonen het volgende: 1. De openingsvergadering in de aula van de Universiteit Gent tijdens de toespraak van dr. Van Broekhuizen, gezant van Zuid-Afrika in Den Haag. 2. Dr. Van Broekhuizen spreekt over Zuid-Afrika. Ook een beeld van de eretribune. 3. De boekententoonstelling. 4. Oude kranten op de afdeling dagbladwetenschap. 5. Een tentoonstelling van wetenschappelijke boeken voor de jeugd.

Vijfenzestig jaar geleden: de grote Gentse rattenoorlog van 1961

In april 1961 was de maat voor de inwoners van Gent eindelijk vol.

De stad, die met haar schilderachtige reien en vesten zo geliefd was bij wandelaars, ging gebukt onder een ware rattenplaag.

De overlast was zo groot geworden dat de knagers zelfs overdag onbeschaamd over straat renden.

Wandelaars zagen hoe de dieren het brood voor de vogels wegkaapten en werklieden aan de waterkant konden hun lunch geen moment onbeheerd achterlaten zonder dat deze door de brutale veelvraten werd verorberd.

De schade aan woningen en meubilair was niet meer te overzien en de angst zat er bij de Gentenaars goed in.

Om dit probleem grondig aan te pakken, besloot het stadsbestuur af te stappen van ouderwetse methoden.

In plaats van individuele rattenvangers in te schakelen, werd er gekozen voor een wetenschappelijke benadering in samenwerking met een gespecialiseerde firma uit Mechelen.

De strategie speelde in op de natuurlijke intelligentie en nieuwsgierigheid van de ratten.

Er werd een speciaal soort lokaas ontwikkeld dat niet direct dodelijk was, maar pas na verloop van tijd werkte.

Dit voorkwam dat de dieren argwaan kregen wanneer ze een dode soortgenoot bij het voedsel zagen liggen.

De uitvoering van dit plan was vindingrijk. Men plaatste speciale houten lokaasbakken van ongeveer een halve meter lang langs de stadsvesten.

Deze bakken bevatten een vernuftig doolhofsysteem, waardoor alleen de ratten bij het vergif konden komen.

Voor mensen, honden en katten was het systeem volkomen veilig, aangezien zij fysiek onmogelijk bij de binnenste compartimenten konden komen.

Bovendien was de concentratie van de werkzame stof zo laag dat grotere zoogdieren er nauwelijks hinder van zouden ondervinden, zelfs bij onverhoopte aanraking.

De resultaten van deze grootschalige actie waren medio april 1961 al overduidelijk merkbaar.

In de eerste weken na het uitzetten van de bakken werden duizenden ratten gedood, veelal onzichtbaar in hun eigen holen onder de grond.

De bewoners langs de Ketelvest en de Muinkkaai merkten als eersten dat de overlast drastisch afnam.

Waar de stad voorheen nog machteloos leek tegen de grijze plaag, zorgde deze gecoördineerde aanpak voor een enorme opluchting.

De Gentse straten en kelders werden eindelijk weer rustig en veilig, wat door de bevolking als een groot succes werd onthaald.

Vandaag vieren we de 215e geboortedag van Adolphe François Hyacinte Joseph Papeleu, een invloedrijke tuinbouwer en botanist.

Hij werd op 7 april 1811 geboren in Aalst, maar verhuisde al op jonge leeftijd met zijn ouders, rentenier Louis Joseph Papeleu en Collette Romaine Tack, naar Ledeberg bij Gent.

Zijn ondernemersgeest kwam al vroeg tot uiting toen hij in 1836 een succesvolle sier- en fruitboomkwekerij oprichtte in Wetteren.

Drie jaar later zocht hij de samenwerking op met Louis Van Houtte om in Gentbrugge een nieuw bedrijf te starten dat zich volledig toelegde op bloemen en planten.

In 1844 sloeg Papeleu een avontuurlijker pad in door voor de Compagnie Belge de Colonisation te gaan werken.

Als leider van botanische expedities in Guatemala en inspecteur van proeftuinen in de toenmalige Belgische nederzetting Santo Thomas deed hij internationale ervaring op.

Na zijn terugkeer in 1847 pakte hij de draad in Wetteren weer op.

Op de Boskantse Hei realiseerde hij de grootste boomkwekerij van België, met een indrukwekkend assortiment aan struiken, sier- en fruitbomen.

Deze onderneming was niet alleen commercieel belangrijk, maar bood ook de nodige werkgelegenheid in een regio die zwaar getroffen was door de landbouwcrisis van de 19e eeuw.

Hoewel Papeleu in 1859 op 48-jarige leeftijd in Ledeberg overleed, bleef zijn levenswerk springlevend.

Zijn werknemers zetten de activiteiten voort, waarna het bedrijf in 1874 uiteindelijk de deuren sloot als de grootste kwekerij van het land.

Zijn nalatenschap is vandaag de dag nog steeds zichtbaar.

In Wetteren staat een herdenkingsmonument van de hand van Vic Temmerman dat in 1959 werd onthuld, en in Gent kunnen wandelaars terecht in het naar hem vernoemde Adolf Papeleupark op de grens van Ledeberg en Gentbrugge.

Oude postkaart van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent

De geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent is nauw verweven met de oorsprong van de stad.

De plek op de Blandijnberg werd al in de zevende eeuw door de heilige Amandus gekozen voor de stichting van de Sint-Pietersabdij.

Voordat de huidige kerk er stond, bevond zich hier een romaanse abdijkerk die deel uitmaakte van een van de machtigste kloostergemeenschappen van Vlaanderen.

Deze vroege gebouwen leden zwaar onder de beeldenstorm en de godsdiensttwisten in de zestiende eeuw, waardoor een volledig nieuwe kerk noodzakelijk werd.

De eerste steen van de huidige barokkerk werd in 1629 gelegd door bisschop Antonius Triest.

Het ontwerp was van de jezuïet en architect Pieter Huyssens, die zich voor de monumentale koepel en de afmetingen liet inspireren door de Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De kerk werd in de eerste fase gebouwd van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.

Gisteren nog vandaag

Tijdens de Franse bezetting verloor het gebouw zijn religieuze functie en werd het tijdelijk als opslagplaats gebruikt, om vanaf 1810 weer officieel dienst te doen als kerk.

Een bijzonder aspect van deze locatie is de functie als begraafplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.

Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen de meest prestigieuze instelling van het graafschap was, kozen de vorsten deze plek voor hun zieleheil en dynastieke legitimiteit.

In de kerk liggen vijf graven van Vlaanderen begraven: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV.

Ook hun familieleden vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder mogelijk Judith van West-Francië.

Zij was de dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en de stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.

De graven liggen daar dus niet toevallig; de plek was het spirituele en politieke hart van het vroege Vlaanderen, waar de dodenrust van de heersers de macht van hun opvolgers ondersteunde.

De lijn van deze machtige heersers eindigde formeel aan het einde van de achttiende eeuw met de Oostenrijkse keizer Frans II, die de laatste was die de titel in de oorspronkelijke feodale zin droeg.

Door de Franse Revolutie en de annexatie in 1795 werd het graafschap opgeheven en het oude stelsel vervangen door een modern bestuur, waardoor er na de Habsburgse vorst geen echte opvolgers meer kwamen.

In de negentiende eeuw werd de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven ingeblazen binnen de Belgische monarchie, maar dit was slechts een ceremoniële titel voor leden van de koninklijke familie zonder daadwerkelijke bestuursmacht.

De laatste Belgische prins die deze titel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.

Sindsdien wordt de titel niet meer toegekend, waarmee ook de symbolische lijn definitief ten einde kwam.

Tegenwoordig combineert de kerk de namen van de oude abdij en de afgebroken Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde, en vormt het gebouw samen met het Sint-Pietersplein een herkenbaar baken in het Gentse stadsgezicht.

Gisteren nog vandaag

Weltruf: Gentse radio’s en televisies uit de Zinniastraat

De geschiedenis van Weltruf in de Zinniastraat in Gent is nauw verbonden met de opkomst van de radio en het modernisme in de twintigste eeuw.

In het pand op nummer 1, gelegen in de wijk Brugsepoort-Rooigem, was de firma Etablissements Van Den Weghe gevestigd.

Dit bedrijf combineerde houtbewerking met de assemblage van elektronica.

Omdat Weltruf in de Zinniastraat hoofdzakelijk fungeerde als een assembleur en verdeler, gebruikten zij vaak chassis en onderdelen van grotere fabrikanten uit die tijd, zoals Barco, Siera of Philips.

In het eigen atelier werden houten kasten vervaardigd waarin deze onderdelen werden ingebouwd, om vervolgens als complete radiomeubels en platenspelers onder de eigen merknaam Weltruf te worden verkocht.

Later werd het aanbod uitgebreid met televisietoestellen.

Naast het atelier op nummer 1 diende de locatie op nummer 37 als een bijkomend verkooppunt en toonzaal waar klanten rechtstreeks de geassembleerde toestellen konden aanschaffen.

Ook de nabijgelegen firma Supermoderne aan de Boerderijstraat 85 fungeerde als toonzaal en officieel verkooppunt voor de apparatuur uit het atelier.

De sterke lokale verankering van deze zaken bleek onder meer uit de betrokkenheid bij de wielersport.

Een feitelijk bewijs hiervan is de overwinning van Rik Van Steenbergen en Emile Severeyns in de Gentse Zesdaagse van 1956 in ’t Kuipke.

Deze foto waarop Van Steenbergen een Radio-Pick-up van Weltruf in ontvangst neemt bij Supermoderne in de Boerderijstraat, bevestigt dat deze toestellen als prestigieuze prijzen werden geschonken.

Ook op de Gentse Jaarbeurs in het Floraliënpaleis was het merk aanwezig met eigen presentaties van modellen zoals de Weltruf Super.

Het atelier in de Zinniastraat bood naast de vervaardiging ook technische ondersteuning voor het onderhoud van de apparaten.

De geschiedenis van de firma Van Den Weghe en het merk Weltruf blijft herkenbaar door de bewaarde objecten, zoals radio’s, televisies en luciferetiketten, die rechtstreeks naar deze locaties in Gent verwijzen. (Met dank aan Dirk Peeters voor de reclame)

Karel Miry: de Gentse componist van de Vlaamse Leeuw en wegbereider van het Nederlandstalig muziektheater

Karel Miry werd op 23 maart 1823 in Gent geboren als Carel Franciscus Leopoldus Stepman, de onwettige zoon van Francisca Stepman.

Pas twee jaar later, bij het huwelijk van zijn ouders Francisca en François Xaverius Miry in 1825, werd hij officieel erkend en kreeg hij de familienaam Miry.

Hij kreeg zijn eerste muziek- en vioollessen van zijn oom, Pieter Jan Miry, waarna hij vanaf 1835 studeerde aan het Toonkundig Conservatorium in Gent.

Gedurende zijn leven hanteerde hij verschillende varianten van zijn voornamen, zoals Carolus Franciscus Leopoldus en de Franstalige versie Charles François Léopold.

Hij trad in het huwelijk met Stephanie Joanna Elisa De Clercq en bouwde een indrukwekkende loopbaan op die hem uiteindelijk de onderscheiding van officier in de Leopoldsorde opleverde.

Binnen het Gentse muziekleven speelde hij een centrale rol als veelzijdig musicus die zowel als violist, dirigent en docent actief was.

Hoewel hij in 1840 als tweede violist solliciteerde bij het operaorkest van Gent, werd hij aanvankelijk als slagwerker aangenomen.

Pas in 1843 werd hij tweede violist en klom daarna op tot tweede concertmeester in 1849.

Van 1855 tot 1870 was hij concertmeester in het grote theater van Gent. Dit Grand Théâtre, de huidige Opera Gent, was destijds het prestigieuze centrum van het culturele leven voor de burgerij en fungeerde als een Franstalig bastion.

In 1857 werd hij door de gemeenteraad benoemd tot dirigent van de concerten en docent van de orkestklas, harmonieleer en compositie aan het Koninklijk Conservatorium Gent, waar hij in 1871 onderdirecteur werd.

Tot zijn leerlingen behoorden bekende namen als Florimond Van Duyse, Dorsan Pierre Norbert Van Reysschoot, Karel Roels, Hendrik Waelput, Jozef Van der Meulen en Leo Van Gheluwe.

Verder was hij muziekleraar in het Sint-Barbaracollege en inspecteur van het muziekonderwijs in de stadsscholen.

Zijn oeuvre is omvangrijk en omvat ruim 1000 werken in alle genres.

Een belangrijk instrumentaal werk is zijn Symfonie in sol-groot uit 1854, die vaak de Gentse symfonie wordt genoemd omdat hij het stuk opdroeg aan de magistraten van de Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in zijn geboortestad.

Miry was een van de eerste Belgische componisten die opera’s schreef op Nederlandstalige libretto’s.

Al in 1841 componeerde hij de muziek voor Keizer Karel en de Berchemse Boer op tekst van Hippoliet Van Peene, mogelijk het eerste Nederlandstalige zangspel na 1830.

Hij won diverse prijzen, waaronder medailles van de Gentse Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in 1849 en 1850.

Na een verblijf in Parijs tussen 1850 en 1852 won hij bij zijn terugkeer opnieuw prijzen van het Nederduitsch Taelverbond voor drie koorwerken.

Zijn stijl sloot nauw aan bij de romantische traditie, waarbij hij vaak putte uit lokale thema’s en volksverhalen.

Hiermee droeg hij aanzienlijk bij aan de emancipatie van de Nederlandstalige muziek in een tijd waarin het Frans domineerde.

Vandaag is hij bij het grote publiek vooral bekend als de componist van De Vlaamse Leeuw, waarvoor hij de muziek schreef in 1847 op een tekst van Hippoliet Van Peene.

Als eerbetoon aan hun samenwerking bevinden zich aan de Vlaamsekaai in Gent de naast elkaar gelegen Villa Karel Miry en Villa H. Van Peene.

Aan zijn voormalige woning in de Twaalfkamerenstraat is een gedenkplaat aangebracht.

Op het Casinoplein staat bovendien een monument van de hand van Hippolyte Leroy.

Dit gedenkteken bestaat uit een hoge witstenen zuil met zingende kinderen in halfverheven beeldhouwwerk en een Vlaamse leeuw die de vlag verdedigt aan de voet.

Bovenop staat het borstbeeld van Miry, die glimlachend naar het publiek kijkt.

Zijn beeltenis is eveneens vastgelegd op een olieverfschilderij van Gustave Vanaise in het Museum voor Schone Kunsten Gent.

De naam van de componist leeft voort in de Karel Miryzaal van het Gentse conservatorium aan de Hoogpoort en in een vergaderzaal in het Virginie Lovelinggebouw.

Ook buiten Gent wordt hij geëerd met straatnamen in Brugge, Antwerpen en Edegem.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 100 jaar geleden, op 19 maart 1926, werd het Justitiepaleis van Gent geteisterd door een hevige brand die grote delen van het gebouw in de as legde.

De aanzienlijke schade trof niet alleen het bouwwerk zelf, maar vernietigde ook waardevolle schilderijen en een enorme hoeveelheid historische documenten, waaronder de burgerlijke stand die terugging tot het jaar 1500.

Het gebouw was oorspronkelijk tot stand gekomen na een voorstel van het Gentse gemeenteraadslid Massez in 1835.

Hij was de politieke drijfveer achter het project, omdat de rechtspraak in die tijd nood had aan een centrale en waardige locatie in de stad.

De Gentse stadsarchitect Louis Roelandt ontwierp het paleis op basis van dit initiatief en raamde de kosten op ruim achthonderdduizend frank.

De bouw begon in 1836 op de plek waar voorheen het klooster van de Recoletten had gestaan.

Na een constructieperiode van tien jaar vond de plechtige inhuldiging plaats in het najaar van 1846, hoewel de grote wandelzaal al twee jaar eerder in gebruik was genomen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden Duitse troepen het pand opgeëist en als kazerne gebruikt, waarbij het interieur zwaar werd verwaarloosd.

Na de brand van 1926 heerste er toen onzekerheid over de herbouw, waardoor de autoriteiten besloten de gerechtelijke diensten tijdelijk onder te brengen in het oude seminarie bij de Sint-Baafskerk.

Dit gebouw bood voldoende ruimte voor de rechtbank van koophandel, het hof van beroep en het assisenhof. Terwijl de brandweer nog probeerde te redden wat er te redden viel aan dossiers, bleef de exacte oorzaak van de ramp onduidelijk; er werd gespeculeerd over kortsluiting, kwaad opzet of een defect aan de verwarmingsinstallatie.

Het Ei (3 en 4 april 2026)

Christus leeft sinds een jaar (anoniem) onder het gewone volk te Gent.

Hij is elke dag te vinden in “’t Huis”: een plaats waar elke kansarmere of eenzame medemens welkom is voor een babbel en warme maaltijd.

Hij is er gekend als de joviale Chris en is er samen met z’n kameraad Kris actief als vaste vrijwilliger en animator. Chris’ optimistische gemoed slaat echter om wanneer hij verplicht afscheid moet nemen.

Elk jaar na Pasen wordt hij immers door zijn Vader naar een nieuwe missiepost gezonden.

Hij is het wereldwijde rondreizen moe, temeer daar hij z’n hart verloren blijkt te hebben in Gent. Maar hoe vertel je zoiets aan je almachtige Vader?

“Het Ei” is een komische Gentse familievoorstelling met een warm en muzikaal hart. Over jezelf willen en kunnen zijn, wie je ook bent.

Vandaag is mijn mama, geboren als Monique Van Speybrouck jarig.

Op deze foto’s is ze zes maanden oud, samen met haar grootmoeders en mijn marraine.

Foto van mijn overgrootmoeder (de mama van mijn grootvader)

Gisteren nog vandaag

Foto: mijn mama, marraine en mijn overgrootmoeder

Gisteren nog vandaag

Mijn marraine en mijn mama

Gisteren nog vandaag

Mijn mama (geboren op 2 maart 1942)

Gisteren nog vandaag

Tante Vergenie van mijn mama, de zus van mijn meter 

Gisteren nog vandaag

Oude postkaart van Klokke Roeland en de bewogen geschiedenis van De Grote Triomfante.

De basis voor dit verhaal ligt bij een bijzondere opdracht van de stad, waarbij Hemony de taak kreeg een nieuwe beiaard te gieten voor het Belfort.

Dit was een prestigieuze klus die destijds uitsluitend door een officiële poorter van de stad uitgevoerd mocht worden.

Uit de handen van Hemony ontstond de indrukwekkende basklok De Grote Triomfante.

Al snel kreeg deze klok in de volksmond de naam Klokke Roeland, een titel die zij overnam van haar voorganger.

In 1914 werd geprobeerd de luidklok te elektrificeren, maar dit systeem bleek verre van optimaal.

De hevige trillingen die hierdoor ontstonden, veroorzaakten een grote scheur in Klokke Roeland, waardoor deze definitief verstomde.

Uiteindelijk werd de beschadigde klok in 1948 uit de toren gehaald en vervangen door een nieuw exemplaar, terwijl de originele klok een ereplaats kreeg aan de voet van het Belfort.

Na bijna negentig jaar stilte werd in 2002 besloten om de scheur te herstellen.

De klok werd hiervoor overgebracht naar Koninklijke Eijsbouts in het Nederlandse Asten, waarna ze in herstelde staat terugkeerde naar haar vertrouwde plek.

Tijdens de herinrichting van het plein tussen 2009 en 2012 moest Klokke Roeland echter opnieuw verhuizen.

Op het vernieuwde Emile Braunplein staat nu een betonnen koker die eigenlijk bedoeld was voor de nieuwe Mathildisklok.

Vanwege onenigheid hangt De Grote Triomfante sinds 2012 in deze koker.

In de toekomst wordt zij mogelijk weer in het Belfort opgehangen als beiaardklok.

Om nieuwe schade te voorkomen, zal zij dan echter niet meer als luidklok worden gebruikt.

Interessant is dat de klok die sinds 1948 in het Belfort hangt ter vervanging van De Grote Triomfante, ook vaak Klokke Roeland wordt genoemd.

Haar officiële naam is echter de Sint-Michielsklok, en zij heeft historisch gezien geen relatie met de oorspronkelijke Roeland of De Grote Triomfante.