Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Amy Davis Irving werd op 10 september 1953 geboren in Palo Alto, Californië, in een gezin waar de podiumkunsten centraal stonden.
Haar vader Jules Irving was een gerespecteerd theaterregisseur en medeoprichter van de Actor’s Workshop in San Francisco, terwijl haar moeder Priscilla Pointer een gevierde actrice was.
Het was dan ook geen verrassing dat Amy al op zeer jonge leeftijd vertrouwd raakte met het theater.
Ze bracht een groot deel van haar jeugd door achter de schermen en stond als kind al op de planken.
Haar formele opleiding volgde ze aan het American Conservatory Theater in San Francisco en later aan de prestigieuze London Academy of Music and Dramatic Art.
In de jaren zeventig maakte ze de overstap naar film en televisie. Haar grote doorbraak op het witte doek kwam in 1976 met de rol van Sue Snell in de invloedrijke horrorfilm ‘Carrie’, geregisseerd door Brian De Palma.
Haar ingetogen en kwetsbare vertolking maakte meteen indruk, waarna De Palma haar opnieuw castte in de bovennatuurlijke thriller ‘The Fury’ uit 1978.
Rond diezelfde periode deed ze tevens auditie voor de rol van prinses Leia in ‘Star Wars’, een rol die uiteindelijk naar Carrie Fisher ging, maar het toonde aan hoe snel haar naam circuleerde in het filmlandschap van Hollywood.
Naast haar dramatische acteertalent beschikte Amy Irving over een opmerkelijke zangstem.
Dat liet ze horen in de muzikale dramafilm ‘Honeysuckle Rose’ uit 1980, waarin ze schitterde naast countrylegende Willie Nelson en zelf diverse nummers inzong.
Datzelfde jaar bewees ze haar veelzijdigheid in ‘The Competition’, waarin ze een getalenteerde klassieke pianiste speelde aan de zijde van Richard Dreyfuss.
Een van de absolute hoogtepunten in haar filmcarrière volgde in 1983 met ‘Yentl’, geregisseerd door Barbra Streisand.
Voor haar rol als de zachtmoedige Hadass ontving Irving een nominatie voor de Academy Award voor beste vrouwelijke bijrol.
Haar vocale kwaliteiten leverden haar in 1988 een van de meest herkenbare bijdragen aan de popcultuur op.
In de animatie- en liveactionklassieker ‘Who Framed Roger Rabbit’ leende ze haar zangstem aan het verleidelijke personage Jessica Rabbit, voor wie ze het jazzy nummer ‘Why Don’t You Do Right?’ vertolkte, terwijl Kathleen Turner de spreekstem verzorgde.
Datzelfde jaar schitterde Irving in de romantische komedie ‘Crossing Delancey’, een vertolking die haar een Golden Globe-nominatie opleverde en door critici werd geprezen om haar warmte en authenticiteit.
Ondanks haar successen in Hollywood bleef het theater altijd haar artistieke thuisbasis.
Ze bouwde een indrukwekkende staat van dienst op Broadway en Off-Broadway op.
Zo speelde ze de rol van Constanze in Amadeus, schitterde ze in producties als Heartbreak House en The Three Sisters, en maakte ze deel uit van de veelgeprezen originele Broadway-cast van Tom Stoppards trilogie The Coast of Utopia.
Haar toewijding aan het klassieke en moderne toneel leverde haar diverse prijzen en nominaties op in de theaterwereld.
In latere jaren bleef ze actief in uiteenlopende filmprojecten, waaronder het ensemble-misdaaddrama ‘Traffic’ van Steven Soderbergh, de Braziliaanse romantische komedie ‘Bossa Nova’ en de psychologische thriller ‘Unsane’.
In de afgelopen jaren heeft Irving zich meer op de muziek gericht. Ze bracht haar geprezen debuutalbum Born in a Trunk uit, waarop ze covers zingt die gelinkt zijn aan haar leven en carrière.
Kort daarna volgde een tweede album genaamd Always Will Be, een eerbetoon met covers van countrylegende Willie Nelson, met wie ze in 1980 in de film ‘Honeysuckle Rose’ speelde.
Haar privéleven trok in de jaren tachtig veel internationale media-aandacht door haar huwelijk met regisseur Steven Spielberg, met wie ze destijds zoon Max kreeg.
Na hun scheiding in 1989 trouwde ze met de Braziliaanse regisseur Bruno Barreto, met wie ze eveneens een zoon kreeg.
Vandaag de dag woont de inmiddels 73-jarige actrice samen met haar huidige echtgenoot, documentairemaker Kenneth Bowser.
Daarnaast onderhoudt ze nog altijd een goede, vriendschappelijke band met haar beroemde ex-man Steven Spielberg.
De Franse acteur Jean Marais, geboren als Jean Alfred Villain-Marais en door intimi liefkozend Jeannot genoemd, kende een bewogen weg naar de top.
Zijn kinderjaren waren verre van eenvoudig.
Toen hij werd geboren, weigerde zijn moeder hem te zien, omdat haar dochtertje pas enkele dagen daarvoor was overleden.
Toen zijn vader terugkeerde uit het leger was Jean vijf jaar oud, maar niet veel later bracht zijn moeder de drie kinderen onder bij hun grootmoeder, waar ze zonder vader opgroeiden.
Al van jongs af aan droomde Jean van het acteurschap, ondanks het gebrek aan steun van zijn familie en twee afwijzingen door de toneelschool.
Nadat hij van school werd gestuurd omdat hij verkleed als meisje zijn vrienden vermaakte en met een leraar flirtte, ging hij aan de slag als assistent van een fotograaf.
Zo kon hij acteerlessen bekostigen bij de grote regisseur Charles Dullin.
Om rond te komen nam hij vermoeiende figurantenrolletjes aan voor tien frank per dag, maar hij was zielsgelukkig om eindelijk in de theaterwereld te staan.
In het begin viel hij vooral op door zijn aantrekkelijke uiterlijk en innemende persoonlijkheid, maar al snel ontwikkelde hij zich tot een veelzijdig en gerespecteerd acteur.
Zijn levenslange passie voor schilderen leverde hem zijn eerste filmkans op: regisseur Marcel L’Herbier kocht in 1933 een van Jeans doeken en gaf hem meteen een paar kleine filmrollen.
Het echte keerpunt kwam toen hij op zijn vierentwintigste de dichter en cineast Jean Cocteau ontmoette.
Cocteau lanceerde Marais’ carrière met rollen in onder meer ‘Oedipe-Roi’ en ‘Les Chevaliers de La Table Ronde’.
De ontmoeting voelde voor Marais als een wedergeboorte. Cocteau werd een vaderfiguur, mentor en levenspartner, en de twee bleven onafscheidelijk tot Cocteaus dood, vijfentwintig jaar later.
Samen boekten ze enorme successen, zoals met de film ‘L’Éternel retour’ en klassiekers als ‘La belle et la bête’ uit 1946, waarin Marais op meesterlijke wijze zowel het beest als de prins vertolkte, en ‘Orphée’ uit 1949.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef hij optreden in het bezette Parijs, maar na de bevrijding in 1944 meldde hij zich bij de Tweede Franse Pantserdivisie.
Als vrachtwagenchauffeur bracht hij brandstof en munitie naar het front, een moedige inzet die hem het Croix de guerre opleverde.
Na de oorlog groeide Marais uit tot een internationaal tieneridool en een icoon van de Franse cinema en het theater.
Hij schitterde in romantische drama’s, komedies en vooral spannende mantel-en-degenfilms.
In de jaren zestig boekte hij opnieuw enorm veel succes in de populaire Fantômas-reeks, waarin hij zowel de geheimzinnige schurk met het blauwe masker speelde als journalist Fandor, tegenover komiek Louis de Funès.
Ook op muzikaal vlak liet de veelzijdige artiest van zich horen.
Zo bracht hij in 1988 op het label Franceval het nummer On oublie tout, on oublie rien uit.
De tekst werd geschreven door Gilbert Sinoué en François Valéry, die tevens de muziek componeerde.
Het nummer is een weemoedige bespiegeling over nostalgie, de vergankelijkheid van de tijd en de manier waarop herinneringen en muziek verbonden blijven met iemands levensverhaal.
De tekst beschrijft hoe men door de jaren heen bepaalde details uit het verleden lijkt te vergeten, maar dat de diepere emoties, de gezichten van vrienden, de liefdes en de mooie momenten onuitwisbaar in het geheugen bewaard blijven.
Marais bracht het nummer destijds onder de aandacht via optredens in Franse televisieprogramma’s, waaronder het populaire La Classe.
Voor zijn indrukwekkende oeuvre ontving hij in 1993 een ere-César en in 1996 het Franse Legioen van Eer.
Datzelfde jaar speelde hij zijn laatste filmrol in ‘Io ballo da sola’ van Bernardo Bertolucci.
De veelzijdige kunstenaar Jean Marais overleed op 8 november 1998 in Cannes aan een hartaanval en liet een rijke erfenis aan film, theater, schilderkunst en beeldhouwwerken na.
Barbara Bel Geddes, dochter van de invloedrijke industrieel ontwerper Norman Bel Geddes, was al een gevierde naam in de theaterwereld lang voordat ze bij miljoenen kijkers bekend werd als Miss Ellie in Dallas.
Als tiener debuteerde ze op Broadway in de komedie Out of the Frying Pan en vanaf dat moment zat ze vrijwel nooit meer zonder werk.
Ze schitterde in producties van grootheden als Elia Kazan, Graham Greene, Tennessee Williams en John Steinbeck, waarbij ze naar eigen zeggen het vak leerde door zich op te trekken aan haar ervaren tegenspelers.
Het absolute artistieke hoogtepunt op de planken was haar vertolking van Maggie the Cat in de originele Broadway-productie van ‘Cat on a Hot Tin Roof’.
Ook de stap naar Hollywood leek een droomstart te worden.
In 1946 tekende ze een bijzonder filmcontract bij RKO: op haar eigen voorwaarde mocht ze hooguit een film per jaar maken om tijd over te houden voor het theater.
Haar talent leverde haar voor haar rol in ‘I Remember Mama’ uit 1948 meteen een Oscarnominatie op voor Beste actrice in een bijrol.
Toch werd ze datzelfde jaar door de nieuwe en excentrieke RKO-eigenaar Howard Hughes plotseling aan de kant gezet, simpelweg omdat hij haar niet verleidelijk genoeg vond voor het grote doek.
De jaren vijftig brachten een moeilijke periode met zich mee.
Naast gezondheidsproblemen zorgde een onderzoek naar vermeende on-Amerikaanse activiteiten ervoor dat ze tijdelijk op een zwarte lijst belandde en het witte doek moest mijden.
Ze vocht zich echter met succes terug.
Ze speelde onder regie van Elia Kazan in ‘Panic in the Streets’, was te zien naast Danny Kaye in ‘The Five Pennies’ en maakte blijvende indruk als de nuchtere vriendin Midge naast James Stewart in Alfred Hitchcocks meesterwerk ‘Vertigo’.
Hitchcock was zo onder de indruk van haar subtiele mimiek dat hij haar persoonlijk vroeg voor zijn televisieserie Alfred Hitchcock Presents, waarin ze in vier afleveringen meespeelde.
Haar rol in ‘Lamb to the Slaughter’ werd legendarisch: daarin bracht ze haar echtgenoot om het leven met een bevroren lamsbout, om het moordwapen vervolgens te braden en voor te zetten aan de rechercheurs die het bewijsmateriaal zochten.
Toen Bel Geddes in 1978 werd gevraagd voor de rol van Eleanor “Miss Ellie” Southworth Ewing Farlow in de soapserie Dallas, waarschuwden sommige collega’s haar dat een soap een stap terug was.
Zelf dacht ze toen daar nuchter over. Ze had op dat moment geen artistieke verplichtingen en greep de kans met beide handen aan om een heel nieuw publiek te bereiken.
Niemand kon voorzien dat de serie zou uitgroeien tot een wereldwijd kijkcijferfenomeen.
Zonder haar had Larry Hagman de iconische rol van J.R. overigens nooit gespeeld; zijn moeder, musicalvedette Mary Martin, was een van haar dierbaarste vriendinnen met wie ze vroeger samen op het podium had gestaan.
Haar fijnzinnige spel als de standvastige spil van de familie leverde haar een felbegeerde Emmy Award op.
Achter de schermen liep het echter niet altijd van een leien dakje.
In het voorjaar van 1984 onderging ze een zware viervoudige bypassoperatie na een hartaanval, waardoor ze de eerste elf afleveringen van het nieuwe seizoen moest overslaan.
Toen ze het seizoen erop botste met de producenten over haar werkdruk en gage, werd haar rol overgenomen door filmster Donna Reed, die een contract voor drie jaar tekende.
Gisteren nog vandaag
De trouwe kijkers accepteerden de vervanging allerminst en bombardeerden de studio met brieven.
Toen de kijkcijfers kelderden en aartsrivaal Dynasty de koppositie overnam, haalden de producenten Bel Geddes in 1985 tegen forse betaling terug.
Donna Reed stapte woedend naar de rechter, kreeg een schikking van een miljoen dollar, maar overleed tragisch genoeg enkele maanden later aan alvleesklierkanker.
In haar persoonlijke leven koos Barbara Bel Geddes bewust voor warmte en eenvoud, ver weg van de glitter en roddels van Beverly Hills.
Ze was twee keer getrouwd: eerst met theatermanager Carl Schreuer, met wie ze dochter Alice kreeg, en daarna met regisseur Windsor Lewis.
Met hem kreeg ze dochter Betsy.
Haar huwelijk met Windsor was zeer hecht; toen hij ernstig ziek werd, zette ze haar acteercarrière jarenlang stil om hem thuis tot aan zijn overlijden in 1972 liefdevol te verzorgen.
Ze was bovendien een begenadigd kunstenares.
Naast haar filmwerk schreef en illustreerde ze twee charmante kinderboeken, ‘I Like to Be Me’ en ‘So Do I’, en ontwierp ze decennialang haar eigen reeks succesvolle wenskaarten.
Na haar definitieve vertrek bij Dallas in 1990 trok ze zich terug in haar rustige houten huis in Northeast Harbor aan de kust van Maine, waar ze schilderde en tuinierde.
Op 8 augustus 2005 overleed ze daar op 82-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.
Viviane Romance, geboren als Pauline Ronacher Ortmans, begon haar artistieke loopbaan al op zeer jonge leeftijd.
Als veertienjarige poseerde ze voor tijdschriften en postkaarten, waarna ze al snel op de planken belandde als danseres.
In 1928 maakte ze deel uit van het ensemble van de beroemde Moulin Rouge, waar ze onder andere het publiek vermaakte met de Franse cancan.
Haar veelzijdigheid bouwde ze verder uit via optredens in operettes en boulevardtheaters.
De echte omslag naar het witte doek kwam nadat ze in 1930 werd gekroond tot Miss Paris.
Vanaf 1931 verscheen ze in kleine bijrollen voor regisseurs zoals Marcel L’Herbier, Maurice Tourneur en Fritz Lang.
Haar rol als onderhouden vrouw in de musicalfilm ‘Ciboulette’ uit 1933 gaf al een voorproefje van het type personage dat haar handelsmerk zou worden.
Na haar opvallende verschijning in de tragikomedie ‘Princesse Tam Tam’ in 1935, kruiste cineast Julien Duvivier haar pad.
Hij gaf haar eerst een stevige rol in het drama ‘La Bandera’ en bezorgde haar vervolgens haar grote doorbraak in de klassieker ‘La Belle Équipe’ uit 1936.
Daarin zette ze een overtuigende femme fatale neer die een wig drijft tussen de personages van Charles Vanel en Jean Gabin.
Ook haar privéleven kende de nodige wendingen.
Romance trad driemaal in het huwelijk: eerst met acteur Georges Flamant, met wie ze in elf films samenspeelde, daarna met acteur en zanger Clément Duhour, en ten slotte met Jean Josipovici.
Op 25 september 1991 kwam er in Nice een einde aan haar veelbewogen leven, toen ze op 79-jarige leeftijd overleed aan kanker.
Het nummer Betty Grable van Neil Sedaka verscheen in 1974 op zijn Britse studioalbum Laughter in the Rain.
Sedaka schreef het nummer samen met zijn vertrouwde muzikale partner, tekstschrijver Howard Greenfield, met wie hij al sinds hun tienerjaren talloze klassiekers had afgeleverd.
In een interview legde Sedaka destijds uit waarom hij het nummer heeft geschreven.
Hij zag haar op een avond voorbijkomen in een oude film op televisie en besloot daarom dit eerbetoon te schrijven voor de vrouw op wie hij al zo lang verliefd was.
Het nummer is een nostalgische ode aan zijn jeugd en zijn bewondering voor haar, wat duidelijk blijkt uit de songtekst.
Sedaka zingt over hoe hij als klein kind elke zaterdagmiddag naar de bioscoop ging. Terwijl de andere kinderen voor Mickey Mouse en Donald Duck kwamen, zat hij aan het scherm gekluisterd voor zijn grote filmidool.
Hij zingt dat zijn hele muur vol hing met foto’s van haar, waaronder veel pin-upfoto’s, wat een directe verwijzing is naar haar status als de bekendste Amerikaanse pin-upgirl tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Het nummer vangt precies dat gevoel van nostalgie: de overgang van jongensdromen naar volwassenheid, waarin de glans van zo’n filmster een gekoesterde herinnering blijft.
Elizabeth Ruth Grable werd geboren op 18 december 1916 in St. Louis, Missouri, en groeide uit tot een van de allergrootste kaskrakers van de Amerikaanse filmindustrie.
Gedreven door haar moeder volgde ze van jongs af aan zang-, dans- en acteerlessen.
Al op dertienjarige leeftijd wist ze met een vervalste leeftijd haar eerste rolletjes als koormeisje in Hollywood te bemachtigen.
Gedurende de jaren dertig werkte ze zich gestaag op via bijrollen in diverse studiofilms en speelde ze op Broadway in de succesvolle musical ‘Du Barry Was a Lady’.
Haar definitieve doorbraak volgde rond 1940 bij filmmaatschappij 20th Century Fox, waar ze werd binnengehaald als opvolgster van Alice Faye.
Met haar frisse verschijning, blonde lokken en aanstekelijke energie in kleurrijke technicolor-musicals zoals ‘Down Argentine Way’, ‘Moon Over Miami’ en ‘Springtime in the Rockies’ veroverde ze het grote publiek.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog bereikte haar populariteit een ongekend hoogtepunt.
De befaamde foto die fotograaf Frank Powolny in 1943 van haar maakte, staand in badpak en over haar schouder lachend, werd de meest verspreide pin-up van de hele oorlogsperiode.
Miljoenen Amerikaanse soldaten hingen de foto op in kazernes, scheepsruimen en cockpitruimtes.
Haar benen werden zo beroemd dat filmstudio Fox ze liet verzekeren bij Lloyd’s van Londen voor het toen duizelingwekkende bedrag van één miljoen dollar.
In de jaren veertig en vroege jaren vijftig behoorde Grable steevast tot de best verdienende filmsterren van Hollywood.
Ze schitterde in kaskrakers zoals ‘Mother Wore Tights’ en speelde in 1953 naast Marilyn Monroe en Lauren Bacall in de succesvolle komedie ‘How to Marry a Millionaire’.
Toen de hoogtijdagen van de traditionele filmmusicals medio jaren vijftig voorbij waren, verlegde ze haar werkterrein met veel succes naar theaterpodia, nachtclubs en Broadwayproducties zoals ‘Hello, Dolly!’.
Betty Grable overleed op 2 juli 1973 op 56-jarige leeftijd aan longkanker in Santa Monica, Californië.
Slechts een jaar na haar overlijden brachten Neil Sedaka en Howard Greenfield met hun lied een muzikaal saluut aan deze iconische ster die een hele generatie wist te betoveren.
Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.
Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.
Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.
Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.
In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.
De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.
Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.
Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.
Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.
Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.
De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.
In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.
Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.
Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.
Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.
Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.
Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.
Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.
Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.
Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.
De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.
Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.
In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.
De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.
Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.
Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.
Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.
De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.
De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.
Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.
In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.
Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.
Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.
Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.
Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.
Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.
Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.
Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.
Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.
Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.
Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.
Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.
Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.
Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.
Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.
Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.
Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.
Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.
Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.
Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.
Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.
Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.
Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.
In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.
In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.
Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.
Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.
Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.
Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.
Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.
Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.
Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.
Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.
Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.
Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.
Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.
50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)
In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)
George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)
Haar volledige naam was Claudia Joséphine Rose Cardinale, geboren in Tunesië uit ouders van Italiaanse afkomst.
Haar entree in de filmwereld verliep bijzonder toevallig: in 1955 won ze een Tunesische schoonheidswedstrijd waaraan ze niet eens officieel deelnam, nadat de organisatie haar stomweg uit het publiek had geplukt.
Eigenlijk droomde ze er als jong meisje van om lerares te worden, maar het lot besliste anders.
De hoofdprijs van de verkiezing was een reis naar het filmfestival van Venetië.
Daar begon ze een relatie van een jaar met een tien jaar oudere Fransman en raakte ze ongewenst zwanger.
Hoewel de vader aandrong op een abortus, besloot Cardinale haar zoon Patrick te houden.
Om in haar levensonderhoud en opvoeding te voorzien, koos ze alsnog voor het acteursvak, een carrièrepad dat ze tot dat moment steeds had afgewezen.
Filmproducent Franco Cristaldi, met wie ze later zou trouwen, ontfermde zich over haar en zorgde ervoor dat ze in alle discretie in Londen kon bevallen.
Om haar reputatie te beschermen, werd Patrick in de eerste jaren aan de buitenwereld voorgesteld als haar jongere broertje, iets wat pas veel later bekendgemaakt werd.
In haar jonge jaren sprak Cardinale vooral Frans, Arabisch en Siciliaans, waardoor ze pas rond haar twintigste vloeiend Italiaans leerde spreken.
Vanwege haar opvallende Franse accent en haar kenmerkende, hese stemgeluid werd ze in haar eerste Italiaanse producties nagesynchroniseerd door andere actrices.
Pas in de film 8½ werd geëist dat zij volledig met haar eigen, kenmerkende stem te horen zou zijn.
Haar filmdebuut maakte ze in 1958 met de Franse productie ‘Goha’, in hetzelfde jaar opgevolgd door ‘I soliti ignoti’, een van de vroegste mijlpalen binnen de commedia all’italiana.
Gedurende de jaren zestig bouwde Cardinale een indrukwekkende staat van dienst op in talloze klassiekers. Z
Ze speelde mee in ‘Rocco e i suoi fratelli’ uit 1960 en het historische epos ‘Il gattopardo’ uit 1963 en de wereldberoemde spaghettiwestern ‘Once Upon a Time in the West’ uit 1968.
Nadat haar relatie met Cristaldi in 1975 op de klippen liep, deelde Cardinale tot 2001 haar leven met regisseur Pasquale Squitieri.
Ze leerden elkaar kennen op de set van de film’ I guappi’ uit 1974, en daarna verscheen Cardinale regelmatig in zijn producties.
Hoewel Cardinale aanvankelijk vaak als sekssymbool werd gezien, groeide ze uit tot een veelzijdige actrice met een rijk oeuvre van ruim honderdtwintig titels.
Haar prestaties werden veelvuldig bekroond, onder meer met verschillende David di Donatello-onderscheidingen en meerdere Zilveren Linten voor beste actrice.
Later in haar loopbaan ontving ze ook grote oeuvreprijzen, waaronder de Gouden Leeuw in Venetië in 1993 en de Gouden Erebeer in Berlijn in 2002.
In 2000 verbond ze haar internationale uitstraling aan een goed doel toen ze werd aangesteld als UNESCO Goodwill Ambassadeur voor de rechten van vrouwen.
Hoewel Claudia Cardinale haar leven en carrière vrijwel volledig wijdde aan het witte doek, dook ze heel af en toe toch de opnamestudio in.
Haar eerste stappen op vinyl zette ze aan het begin van de jaren zeventig via haar filmwerk.
Zo verscheen in 1971 de single ‘Popsy-Pop Song’, afkomstig uit de film Popsy Pop uit 1970.
Een jaar later volgde ‘Prairie Woman’, geschreven door Francis Lai voor de westernkomedie Les pétroleuses.
Haar meest opmerkelijke muzikale uitstap bewaarde ze echter voor het einde van dat decennium.
Midden in de hoogtijdagen van de discorage bracht ze in 1977 bij het label Disques Ibach het nummer ‘Love Affair’ uit.
De productie lag in handen van Léo Carrier en Gilbert Di Nino, die in de jaren zeventig en tachtig achter talloze disco-, synthpop- en dance-projecten zaten.
De track sloot met zijn stuwende vierkwartsmaat, weelderige strijkers en zwoele ritmes naadloos aan bij de populaire Eurodisco van die tijd. Cardinale probeerde niet geforceerd te zingen als een geschoolde vocalist, maar maakte juist slim gebruik van haar beroemde hese spreekstem.
Een gigantische wereldhit werd het niet, maar ‘Love Affair’ groeide door de jaren heen wel uit tot een gewild curiosum onder vinylverzamelaars en liefhebbers van vergeten discoparels.
Het blijft een charmant sluitstuk in de imposante loopbaan van een filmster die voor heel even de dansvloer opzocht.
Hoewel Marion Davies een van de grootste comédiennes van haar tijd was, staat ze tegenwoordig vooral bekend om haar relatie met mediamagnaat William Randolph Hearst.
De actrice werd geboren als Marion Cecilia Douras en haar turbulente privéleven overschaduwde haar carrière volledig.
De affaire tussen Hearst en Davies was een publiek geheim, maar tot een officieel huwelijk kwam het nooit, omdat Hearst niet van zijn vrouw scheidde.
Davies zelf nam het overigens ook niet zo nauw met de huwelijkse trouw; zo begon ze in de jaren twintig een romance met wereldster Charlie Chaplin en had ze in de jaren dertig een intieme band met acteur Dick Powell.
De jaloezie van Hearst leidde in 1924 tot een mysterieus incident tijdens een tocht op zijn jacht.
Naast het koppel en Chaplin was ook Thomas Harper Ince aan boord.
Ince was een invloedrijke Amerikaanse filmmaker en mediamagnaat uit het tijdperk van de stomme film.
Hij stond bekend als de vader van de western en was in zijn carrière verantwoordelijk voor de productie van meer dan achthonderd films.
Toen Ince tijdens deze reis onder verdachte omstandigheden overleed, ontstonden er hardnekkige geruchten dat Hearst hem in een jaloerse bui had doodgeschoten, in de veronderstelling dat hij Chaplin voor zich had.
Hoewel sluitend bewijs voor een misdrijf ontbreekt, vormde dit schandaal de basis voor de film The Cat’s Meow uit 2001.
In deze reconstructie werd Davies gespeeld door Kirsten Dunst, terwijl Edward Herrmann de rol van Hearst vertolkte.
Eddie Izzard speelde de rol van Chaplin en Cary Elwes speelde de rol van Ince.
De figuur van Hearst diende bovendien al veel eerder als inspiratiebron voor de filmwereld; de legendarische film Citizen Kane uit 1941 is namelijk grotendeels gebaseerd op het leven van deze krantenmagnaat.
Toen Hearst aan het einde van de jaren dertig in zware financiële nood verkeerde, toonde Davies haar onvoorwaardelijke loyaliteit door voor een miljoen dollar aan eigen juwelen te verkopen om hem te steunen.
Ondanks deze opoffering werd ze na zijn overlijden door zijn familie volledig geweerd.
Slechts tien weken na de dood van Hearst trouwde Davies met Horace Brown, maar dit huwelijk verliep moeizaam en werd overschaduwd door haar toenemende alcoholverslaving.
In haar laatste levensjaren toonde Davies zich een gulle weldoener door bijna twee miljoen dollar aan een kinderziekenhuis te schenken.
Haar eigen gezondheid liet haar echter steeds vaker in de steek. Na een beroerte in 1956 werd er later kanker bij haar geconstateerd.
Hoewel de behandelingen aanvankelijk succesvol leken, ging Davies definitief achteruit toen ze in 1960 haar been brak.
Niet veel later werd de ziekte haar fataal.
Ze werd uiteindelijk onder haar eigen achternaam Douras begraven in een mausoleum op het Hollywood Forever Cemetery.
Haar nalatenschap leeft echter voort in de popcultuur.
In de bekende ‘song You Oughta Be in Pictures’ uit 1934 werd haar naam al in één adem genoemd met iconen als Joan Crawford en Greta Garbo.
Ook muzikaal liet ze een blijvend spoor na met ‘Just You, Just Me’, een nummer dat Jesse Greer en Raymond Klages schreven voor haar film Marianne uit 1929.
In datzelfde jaar was het een hit voor Cliff Edwards en in de loop der jaren groeide het uit tot een echte jazzstandard.
Musici als Lester Young en Thelonious Monk voerden het vaak uit, en in 1956 nam Rosemary Clooney het op voor haar album Blue Rose met Duke Ellington en zijn orkest.
Zelfs recenter bleef het nummer relevant, aangezien Diana Krall het in 2020 opnam voor haar album This Dream of You.
Als ultiem eerbetoon aan haar bewogen leven als de kasteelvrouwe van Hearst Castle wijdde Al Stewart in 1995 bovendien het nummer Marion the Chatelaine aan haar op zijn album Between the Wars.
Als enig kind bleek ze al vroeg over uitzonderlijk muzikaal talent te beschikken.
Ze gaf haar eerste pianorecital al op zesjarige leeftijd, won op haar twaalfde een prestigieuze studiebeurs en studeerde aan de Eastman School of Music.
Hoewel haar droom aanvankelijk was om concertpianiste te worden, leidde haar talent haar uiteindelijk naar het podium en het grote scherm.
Na ontdekt te zijn door een Broadway-producent maakte ze in 1930 haar debuut in de show Ballyhoo of 1930.
Haar optredens in New Yorkse theaters en nachtclubs bleven niet onopgemerkt en al snel volgde de overstap naar film.
Met haar rol in ‘Too Much Harmony’ uit 1933 brak ze definitief door, wat haar een contract bij Paramount Pictures opleverde.
Titels als ‘The Cat’s-Paw’ en ‘Wake Up and Live’ maakten van haar een van de populairste muzikale filmsterren van haar generatie.
Ook in de liefde vond ze haar geluk. In 1937 ontmoette ze westernicoon William Boyd, wereldberoemd als Hopalong Cassidy, tijdens een blind date.
Slechts een maand later stapten ze in het huwelijksbootje.
Het bleek een hecht en gelukkig huwelijk, al bleef het stel kinderloos.
Grace koos er bewust voor om de schijnwerpers achter zich te laten en wijdde zich volledig aan het ondersteunen van de carrière van haar man.
Haar levensverhaal kreeg een bijzonder poëtisch einde: Grace overleed op 21 september 2010, precies op haar 97ste verjaardag.
In de film Yentl kroop Barbra Streisand in de huid van een Joods meisje dat zich als man verkleedde om te kunnen studeren.
Die situatie bracht flink wat obstakels met zich mee, waardoor ze hevig verlangde naar het advies van haar overleden vader.
Dat leidde tot een scène waarin Barbra Streisands personage onder de sterrenhemel het nummer ‘Papa, Can You Hear Me?’ zong.
Tijdens de opnames in de studio raakte Streisand overmand door emoties bij de zinnen waarin ze zong hoe hard ze haar vader en zijn nachtzoen miste.
Het inzingen werd die dag meteen stilgelegd.
Ze gaf destijds ook aan dat ze tijdens twijfels over een filmlocatie in gedachten haar vader om raad vroeg.
Toen het plotseling begon te regenen, zag ze dat als een teken dat ze moesten verhuizen en dat haar vader over haar waakte.
De productie van de film kostte destijds ongeveer 12 miljoen dollar.
Bij de release waren de reacties van de filmcritici sterk verdeeld.
Sommige recensenten vonden het geheel wat te zoetsappig of stoorden zich aan het feit dat de film wel heel erg rond Streisand zelf draaide, terwijl anderen juist vol lof waren over haar regiedebuut en de meeslepende, krachtige muziek.
Ook over het centrale nummer ‘Papa, Can You Hear Me?’ liepen de meningen uiteen; critici noemden het theatraal en vergeetbaar, en vonden dat het bij lange na niet de herkenbaarheid bezat van filmklassiekers zoals ‘Hello Dolly’
Het grote publiek en de prijsjury’s dachten daar echter anders over.
Wereldwijd bracht de film tussen de 40 en 68 miljoen dollar op.
Het project werd bovendien bekroond met prestigieuze prijzen, waaronder de Golden Globe voor Beste Film in de categorie Komedie of Musical en de Golden Globe voor Beste Regie voor Streisand zelf, waarmee ze als eerste vrouw ooit die regieprijs won.
Hoewel Papa, Can You Hear Me? ook een Oscarnominatie in de wacht sleepte, greep de single uiteindelijk naast het beeldje door de overwinning van Flashdance… What a Feeling van Irene Cara.
Ondanks het uitblijven van een gigantische hitsingle bleek het soundtrackalbum commercieel een enorm succes.
Binnen twee maanden na de release behaalde de plaat in de Verenigde Staten al de platina-status voor een miljoen verkochte exemplaren, met een uiteindelijke piek op nummer negen in de Billboard 200.
Ook in Europa deed de muziek het uitstekend; zo werd het album in Nederland met goud bekroond en bereikte het een mooie zesde plaats in de LP Top 50.
Wereldwijd gingen er uiteindelijk tussen de 3,5 en 4 miljoen exemplaren van over de toonbank.
In de jaren daarna groeide het nummer ‘Papa, Can You Hear Me?’ alsnog uit tot een waar cultuurfenomeen.
Talloze latere bioscoopfilms en series pikten het nummer op, soms als oprecht eerbetoon, maar net zo vaak om ermee te spotten.
Zo dook het op in reeksen zoals Glee, The Simpsons en Will & Grace, vormde het een afleveringstitel in Keeping Up with the Kardashians, klonk het tijdens de uitreiking van de Emmy Awards en zat het op komische wijze verwerkt in de film Austin Powers in Goldmember.
Dat de pers en critici enkele jaren later echter opvallend neerbuigend over het project begonnen te schrijven, had alles te maken met een kantelende publieke perceptie en een veranderende tijdgeest.
In de eerste plaats werd Yentl met terugwerkende kracht steeds vaker geframed als een extreem ijdelheidsproject.
Omdat Streisand optrad als regisseur, producent, coscenarist én hoofdrolspeelster, en bovendien alle liedjes voor haar rekening nam, zagen spotters het als het ultieme bewijs van zelfoverschatting.
Het feit dat een veertiger een tienerjongen speelde en elk emotioneel moment opeiste, maakte het een makkelijk doelwit.
Daarnaast raakten de bombastische orkestraties en het onverholen theatrale sentiment aan het einde van de jaren tachtig en in de vroege jaren negentig hopeloos uit de mode bij journalisten, die de voorkeur gaven aan ironie en nuchterheid.
Ook de complexe verstandhouding tussen Streisand en het conservatieve filmestablishment speelde mee; haar perfectionisme werd door roddelbladen graag neergezet als divagedrag.
Toen een Oscar-nominatie voor Beste Regie ondanks haar eerdere winst uitbleef, grepen critici dat aan om te beweren dat de film artistiek gezien zwaar overschat was.
De aanhoudende stroom aan persiflages in populaire komedies deed de rest, waardoor het ooit zo gerespecteerde passieproject in de mediaherinnering jarenlang werd gereduceerd tot een symbool van potsierlijk melodrama.
Het Britse supermodel, de actrice en zangeres Twiggy, geboren als Lesley Hornby, mag vandaag 77 kaarsjes uitblazen.
Zij werd op 19 september 1949 geboren in Neasden, een wijk in het noordwesten van Londen.
Ze groeide op in een arbeidersgezin en brak in 1966 op zestienjarige leeftijd plotseling door in de modewereld.
Haar kenmerkende uiterlijk ontstond nadat kapper Leonard of Mayfair haar haar in een korte, jongensachtige coupe knipte en fotograaf Barry Lategan een reeks portretten van haar maakte, waarna ze werd uitgeroepen tot The Face of 1966.
Met haar tengere postuur, androgyne stijl en opvallend opgemaakte ogen met getekende wimpers werd Twiggy het visuele boegbeeld van de Swinging Sixties en de opkomende jeugdcultuur.
Ze sierde de covers van toonaangevende modebladen en reisde de wereld rond voor modeshows en fotoshoots.
Ondanks haar immense succes besloot ze in 1970, na slechts vier jaar op het hoogste niveau, te stoppen met fulltime modellenwerk, omdat ze niet haar hele leven als paspop wilde fungeren.
Vervolgens bouwde ze een veelzijdige carrière op in de amusementsindustrie.
In 1971 maakte ze haar filmdebuut in The Boy Friend, geregisseerd door Ken Russell.
Voor deze rol won ze twee Golden Globe Awards, zowel voor beste actrice in een komedie of musical als voor meest veelbelovende nieuwkomer.
In september 1976 stelde Twiggy dat een kind mooier was dan een carrière.
Dat had men overigens toen erg slim aangepakt.
Voor haar allereerste concert werd namelijk de Royal Festival Hall afgehuurd.
De voltallige jetset uit Londen was daar uitgenodigd.
Het ging bovendien om een benefietconcert voor kinderen met een beperking.
Het getuigde van een enorme dosis moed, zelfvertrouwen en gezonde sterallures om je debuut als zangeres in zo’n setting te maken.
Popsterren, miljonairs, tv-persoonlijkheden en scherpe journalisten zaten klaar om haar af te serveren.
Maar eenmaal in de schijnwerpers stond daar een charmante vrouw, stijlvol gekleed en zelfs een tikkeltje voller.
De tijd was voorbij waarin Twiggy als een wandelende tak of kapstok werd weggezet.
Later verklaarde ze daarover dat haar eigen magere figuur haar bleef achtervolgen.
Ze werd er gek van en kon het niet verkroppen dat ze geen borsten had.
Uiteraard had ze met haar uiterlijk miljoenen binnengehaald, maar als vrouw had ze plots genoeg van dat lichaam.
Ze had daarom een hormoonbehandeling ondergaan, waardoor ze wat zwaarder was geworden en vormen had gekregen, iets waar ze toen bijzonder trots op was.
Haar binnenkomst in de Royal Festival Hall was daarmee een feit.
Toen brak het moment van de waarheid aan: kon ze echt zingen? Het orkest zette in en de verbazing sloeg opnieuw toe bij de trendgevoelige Londenaren.
Met een zekere en aangename stem bewoog ze zich vlot door een flink aantal fijne nummers, meestal met een subtiel, vlot countrytintje. Haar debuutsingle “Here I Go Again” bleek goed voor een reprise. Het verwende publiek ging overstag; Twiggy was een ster.
Ze spreidde in die periode haar vleugels uit naar het Europese vasteland.
Eerst stond een optreden in Toppop op de planning en daarna zou ze wel zien. Haar single “Here I go again” was in het Verenigd Koninkrijk in elk geval al aangeslagen.
Twiggy kwam over als een innemende vrouw.
Ze was toen smoorverliefd op de Amerikaanse acteur Michael Whitney, die ze op een filmset had leren kennen.
Ze wilden trouwen, al voelde Whitney zich wat gekrenkt door het plotselinge succes van zijn aanstaande.
Hij stond als acteur immers in haar schaduw, iets waar ijdele mannen steeds moeite mee hebben.
Twiggy wilde dolgraag trouwen. Ze gaf aan dat ze te veel levens tegelijk had geleid.
Als internationaal topmodel werd je over de aardbol gesleept tot je nauwelijks nog besefte waar je was of wat er met je gebeurde.
Het was een aaneenschakeling van kleding wisselen en achter jezelf aan hollen.
Nu verlangde ze in 1976 naar een gezin.
Ze vond dan ook een kind krijgen, mooier dan een carrière.
Dat liet zich makkelijk zeggen wanneer je al een glansrijke loopbaan achter de rug had, maar ze meende het oprecht.
Ze werd toentertijd nog steeds gecoacht door Justin de Villeneuve, haar ontdekker en voormalige partner.
Hij trad op als haar vaste steun en toeverlaat. De Villeneuve herinnerde zich dat hij haar ooit aantrof in een kapsalon waar ze als scholiere wat bijverdiende.
Hij zag meteen haar blik en voelde de kracht in dat jonge meisje, en daarin had hij zich niet vergist.
De pers vroeg zich toen af of Twiggy een vrouw was of een merkproduct.
Wellicht probeerde ze van haar vrouwelijkheid een product te maken.
Dat kon best, want ze bezat genoeg persoonlijkheid om zich niet te laten reduceren tot een stuk handelswaar in de handen van gladde zakenlui.
Daarvoor had ze simpelweg te veel klasse.
Twiggy had die zeldzame sterrenkwaliteit; je bezit die nu eenmaal of niet, en zij had die in overvloed.
Een bestaan als topmodel volstond niet voor haar. Ze had films gemaakt en sinds enkele weken werd ze in Engeland erkend als volwaardig zangeres.
Dat was een grote prestatie. Kosten noch moeite waren gespaard om het voormalige fotomodel aan een nieuwe muzikale carrière te helpen.
Haar platenlabel had kapitale bedragen geïnvesteerd om de kritische Britse muziekliefhebber ervan te overtuigen dat Twiggy daadwerkelijk kon zingen.
Er moest immers eerst een berg scepsis worden overwonnen om dat geloofwaardig over te brengen.
Waar De Villeneuve zich destijds wel in had vergist, was haar stem.
Hij herinnerde zich dat ze destijds klonk als een hese kraai, maar tien jaar later blies ze de zaal van de Royal Festival Hall omver.
Wat bezielde een jonge vrouw met zo’n achtergrond om dergelijke risico’s te nemen?
Twiggy verklaarde dat dit puur haar stijl en karakter was.
Er leefde in haar een sterke drang om zich telkens opnieuw te bewijzen.
De frustratie van elk topmodel was volgens haar dat je jezelf op den duur beu raakte. Uitsluitend intens in de camera staren vond ze hersenloos werk: hoe langer je ermee doorging, hoe zinlozer het voelde.
Daardoor ontstond de noodzaak om aan de buitenwereld, maar vooral ook aan zichzelf, te tonen wat ze werkelijk in haar mars had.
Ze was die avond met lood in de schoenen het podium opgestapt.
De zenuwen gierden door haar keel, maar diep vanbinnen hield een stem haar voor dat dit het doel was waar ze jarenlang naar had uitgekeken en dat ze nu moest leveren.
Dus begon ze te zingen. Aanvankelijk verliep het nog verkrampt, maar geleidelijk hervond ze haar rust.
Het besef van eigenwaarde dat haar daartoe dreef, kwam terug, en zo’n kentering voelde de zaal meteen feilloos aan.
Het werd een prachtige ervaring en de rest van het concert verliep vlekkeloos.
Twiggy profileerde zich overigens niet alleen als zangeres; er verscheen destijds tevens een autobiografie van haar die in het Verenigd Koninkrijk als zoete broodjes over de toonbank ging.
Ze bleek geen alledaagse schrijfster en leverde hele passages af in het Cockney-dialect om het net even anders aan te pakken.
Daarin was ze geslaagd: Twiggy bleef onvermoeibaar zoeken naar manieren om haar publiek te verrassen, al was die constante bewijsdrang ronduit slopend.
Ze bleef acteren in films, televisieseries en theaterproducties.
In 1983 maakte ze haar debuut op Broadway in de musical ‘My One and Only’, wat haar een nominatie voor een prestigieuze Tony Award opleverde.
Naast acteren bracht ze diverse muziekalbums uit in genres variërend van pop en country tot musicalrepertoire.
In latere decennia bleef ze actief in de publieke belangstelling.
Tussen 2005 en 2007 zat ze vier seizoenen lang in de jury van het televisieprogramma America’s Next Top Model.
Rond dezelfde periode keerde ze terug in de modewereld als het gezicht van een grote Britse winkelketen, waarmee ze bewees ook op rijpere leeftijd een breed publiek aan te spreken.
Daarnaast zette ze eigen kleding- en cosmeticalijnen op.
Op persoonlijk vlak trouwde ze in 1977 met acteur Michael Witney, met wie ze een dochter kreeg; Witney overleed in 1983.
In 1988 trad ze in het huwelijk met acteur Leigh Lawson.
Voor haar decennialange verdiensten voor de mode, de kunsten en liefdadigheid werd ze in 2019 benoemd tot Dame Commander of the Order of the British Empire.
Vandaag de dag brengt ze veel tijd door met haar man, kinderen en kleinkinderen.
Ondanks dat haar laatste album Romantically Yours al van 2011 dateert, zit ze op muzikaal vlak zeker niet stil: ze werkt nog steeds aan muziekprojecten en neemt nieuwe nummers op.
Daarnaast presenteert ze haar eigen podcast. De jarige Twiggy is daarmee nog altijd volop actief, verschijnt af en toe opnieuw voor de camera en blijft tot op de dag van vandaag een tijdloos stijlicoon.
Jane Powell verwierf vooral grote bekendheid door haar rollen in de musicals van Metro-Goldwyn-Mayer tijdens de jaren veertig en vijftig.
Dankzij haar heldere sopraanstem en haar imago als het charmante buurmeisje schitterde ze in diverse films, televisieproducties en theaterstukken.
Haar meest memorabele optredens vonden plaats in klassiekers zoals ‘A Date with Judy’, ‘Royal Wedding’, ‘Seven Brides for Seven Brothers’ en ‘Hit the Deck’.
In deze producties bracht ze iconische nummers ten gehore die haar status als ster bevestigden, zoals het vrolijke ‘It’s a Most Unusual Day’, het romantische ‘Too Late Now’ en het energieke ‘Wonderful, Wonderful Day’.
Hoewel haar filmcarrière na verloop van tijd naar de achtergrond verschoof, bleef ze volop actief in de entertainmentwereld.
Zo was ze regelmatig te zien op het toneel en vertolkte ze gastrollen in populaire televisieseries zoals ‘The Love Boat’ en ‘Growing Pains’.
Haar veelzijdigheid bleek ook uit haar podiumwerk, waarbij ze haar zangtalent bleef inzetten in diverse theaterproducties.
In haar persoonlijke leven trad ze vijf keer in het huwelijk.
Uit haar eerste huwelijk met Geary Steffen werden twee kinderen geboren, en met haar tweede echtgenoot Patrick Nerney kreeg ze haar derde kind.
Haar laatste huwelijk was met Dickie Moore, met wie ze samenbleef tot aan zijn overlijden in 2015.
Jane Powell stierf uiteindelijk op 16 september 2021 op 92-jarige leeftijd een natuurlijke dood in haar woning in Wilton, Connecticut.
Als enig meisje tussen haar broers groeide ze op in een gezin waar kunst en entertainment centraal stonden.
Al op zeer jonge leeftijd maakte ze kennis met het vak door samen met haar ouders en broers op te treden in de populaire kerstspecials van haar vader en in verschillende theaterproducties.
Naast acteren ontwikkelde ze zich ook als getalenteerd danseres aan het prestigieuze Royal Ballet in Londen en studeerde ze aan de University of Texas in Austin.
Haar intrede in de hitserie Dallas vond plaats in het najaar van 1979, toen ze de rol van Kristin Shepard overnam van Colleen Camp. Kristin, de intrigerende schoonzus en minnares van J.R. Ewing, werd het middelpunt van een van de grootste cliffhangers uit de televisiegeschiedenis.
Nadat J.R. in het voorjaar van 1980 was neergeschoten, hield die vraag de wereld maandenlang in zijn greep.
Haar definitieve internationale doorbraak en de absolute piek van de Kristin-gekte volgden in 1980 en 1981.
De ontknopingsaflevering ‘Who Done It?’ uit november 1980 trok wereldwijd honderden miljoenen kijkers en zette de actrice in één klap op de kaart toen bleek dat Kristin de trekker had overgehaald.
In september 1981 was Mary Crosby, de dochter van de legendarische zanger en acteur Bing Crosby, slechts in vijf afleveringen van de populaire televisieserie Dallas te zien.
Ze speelde daarin de rol van Kristin Shepard, het liefje van het beruchte personage J.R. Ewing.
Om te voorkomen dat ze voor de rest van haar leven aan dat imago vast zou zitten, stelde ze zelf de harde voorwaarde dat haar optreden tot die vijf afleveringen beperkt moest blijven toen de producenten haar benaderden.
Mary wist zichzelf uitstekend te profileren, al werd ze door de makers vooral gecast vanwege haar aantrekkelijke verschijning om als verleidelijke tegenspeelster voor J.R. te dienen.
Kijkers van Dallas waren er intussen aan gewend geraakt dat de vrouwelijke personages in de serie, vol intriges en spanning, vaak gespeeld werden door knappe actrices wier personages de moraal nogal eens lieten varen.
Mary benadrukte destijds dat ze in haar persoonlijke leven heel anders in elkaar stak.
Ze stoorde zich aan aannames over haar levensstijl en stelde dat ze puur volgens haar eigen waarden leefde, los van wat de buitenwereld daarvan vond.
Haar eigenzinnigheid was toen al bekend. Op zeventienjarige leeftijd, kort na het overlijden van haar vader, zorgde ze binnen de familie Crosby voor ophef door te gaan samenwonen met haar partner Eb Lottimer.
Ze beschouwde samenwonen als even waardevol en bindend als een huwelijk.
Uiteindelijk waren Mary Crosby en Eb Lottimer getrouwd van 1978 tot 1989.
Net als veel andere kinderen van beroemde ouders ervoer ze hoe lastig het was om op eigen kracht een carrière op te bouwen.
Al van jongs af aan wist ze dat ze wilde acteren, maar in de showbizz bleef iedereen haar zien als de dochter van Bing Crosby.
Die voortdurende stempel frustreerde haar mateloos, omdat ze puur om haar acteertalent gewaardeerd wilde worden.
Hoewel Mary hoopte dat haar rol in Dallas gebaseerd was op haar kwaliteiten als actrice, werd er in de media vooral op gehamerd dat de producenten zochten naar een verleidelijke verschijning voor de verhaallijn rond J.R.
Zelf gaf ze aan dat ze het publiek wilde verrassen en laten zien dat ze allerminst verlegen was voor een gewaagde rol.
Binnen haar familie klonk destijds kritiek op haar relatie, waarbij vaak werd gezegd dat haar vader het samenwonen nooit zou hebben goedgekeurd.
Mary bleef er echter van overtuigd dat hij haar geluk voorop zou hebben gesteld.
Ze koesterde de herinnering aan haar vader en hield zich vast aan zijn laatste raad om nooit met spijt achterom te kijken en simpelweg altijd haar uiterste best te doen.
Dankzij haar rol in Dallas schoot haar bekendheid omhoog. Om de plotselinge drukte te ontvluchten, trok ze zich terug op een ranch in Malibu.
Ze werd overspoeld met aanbiedingen voor vergelijkbare rollen, maar wees die resoluut af, omdat ze niet wilde vastroesten in het type van het oppervlakkige vriendinnetje.
Ze tekende rond die tijd een contract voor de serie Golden Gate en had uitzicht op een hoofdrol in een nieuwe versie van Midnight Lace. Mary besefte dat haar plotselinge roem haar de luxe gaf om projecten te kiezen, al hoopte ze vooral de juiste stappen te zetten om zich verder als serieuze actrice te ontwikkelen.
Na de afronding van de Kristin-verhaallijn in 1981 en haar vertrek uit Dallas, inclusief een korte verschijning in de spin-off Knots Landing, zette Mary Crosby haar carrière gestaag voort in zowel televisieseries als speelfilms.
Ze verscheen onder meer in bekende reeksen zoals The Love Boat, Automan, Beverly Hills 90210, Lois and Clark en Murder, She Wrote.
Daarnaast speelde ze in films zoals The Ice Pirates en verscheen ze in de veelgeprezen miniserie North and South.
Buiten haar acteerwerk bleef ze betrokken bij het beheren en eren van het muzikale en filmische erfgoed van haar vader Bing Crosby.
Inmiddels ziet haar leven er heel anders uit.
Sinds 1998 is ze getrouwd met Mark Brodka, met wie ze twee kinderen heeft.
Ze bouwde een rustig gezinsleven op buiten de spotlights van Hollywood en blijft voor televisieliefhebbers voor altijd verbonden aan een van de meest iconische televisiemomenten van de twintigste eeuw.
Met zijn karakteristieke kaaklijn, indringende blik en een stem die autoriteit uitstraalde, was Cliff Robertson decennialang een vaste waarde in Hollywood.
Hij was niet zomaar een filmster; Robertson was een veelzijdige Oscarwinnaar, een gepassioneerd piloot, en bovenal een man van onberispelijke principes.
De in Californië geboren acteur Clifford Parker Robertson had een interessante carrière achter de rug, die zich later ook tot de televisie uitstrekte.
In 1955 maakte hij zijn debuut naast William Holden in Picnic, waarmee hij in eerste instantie werd weggezet als de voordeligere variant van diezelfde Hollywoodster.
Door hetzelfde cynische ondertoontje dat Holden bezat, koos men Cliff voor de rol van dwarsligger in de oorlogsfilm ‘The Naked and the Dead’ van Raoul Walsh.
Regisseur Samuel Fuller kon hem goed gebruiken voor de gefrustreerde jongeman die zijn vermoorde vader wilde wreken bij de maffia in ‘Underworld USA’, maar er zelf uiteindelijk onderdoor gaat.
Kortom, Cliff Robertson was een keurige versie van de ‘angry young man’, maar miste het grote acteertalent van Marlon Brando of Montgomery Clift.
Maar hij was zeer goed bruikbaar als leading man van de goedkope oorlogsfilms.
Hij had dan ook een zeer Amerikaans uiterlijk.
Naarmate zijn populariteit bij het grote publiek langzaam steeg, viel hij op bij niemand minder dan president John F. Kennedy.
Die koos Robertson in 1963 persoonlijk uit voor de hoofdrol in de oorlogsfilm PT 109.
Die was namelijk gebaseerd op een autobiografie van John F. Kennedy, waarin hij beschreef hoe hij in oorlogstijd uren in het water had gelegen en een paar mannen had weten te redden.
Een prachtig verhaal dat perfect paste bij het heldenimago van de jonge president en dat door de president van de filmmaatschappij Warner Bros, Jack Warner, onder supervisie werd genomen voor verfilming.
De film verschilde tenslotte niet veel van al die andere oorlogsfilms, maar had als extra verkoopargument dat het om de president ging.
En Cliff Robertson leek wel wat op Kennedy, zoals hij er in 1963 uitzag, maar hij leek totaal niet op de jonge Kennedy van tijdens de oorlogsjaren, waar niemand zich toen om bekommerde.
PT 109 heeft veel goed gedaan voor de filmcarrière van Cliff Robertson.
Hij bleef de meest perfecte soldaat voor andere oorlogsfilms: ‘Too Late the Hero’, ‘The Devil’s Brigade’ (weer met William Holden) en ‘Up From The Beach’.
Hij kreeg daardoor ook andere soorten rollen aangeboden en was vanaf dat moment geregeld te zien in kwaliteitsfilms.
Dit succes bood hem de kans om zijn droomproject te verwezenlijken, waarin hij pas echt kon laten zien wat hij als acteur in huis had.
Het absolute hoogtepunt van zijn acteercarrière volgde dan ook in 1968 met de film ‘Charly’.
Robertson vocht namelijk jarenlang om het verhaal over een vrij kinderlijke man neer te zetten, die na een experimentele operatie superintelligent wordt, en daarna weer in de oude staat terugvalt.
Het was een aparte film, die tegen sciencefiction aanleunt, met een boeiende rol van Robertson, die ervoor vocht om daarmee hoog te scoren bij de Oscaruitreiking.
Zijn meeslepende, emotionele optreden werd dan ook beloond met de Academy Award voor Beste Mannelijke Hoofdrol.
De tweede ambitie was het zelf regisseren van films en ook dat lukte, hoewel met minder succes.
Naarmate Robertson wat ouder werd en er nieuwe sterren kwamen, verdween hij enigszins naar het tweede plan, maar ook daar wist hij nog op te vallen.
Hij was een gladde C.I.A.-man die op zijn beurt Robert Redford weer niet vertrouwt in ‘Three Days of the Condor’.
Hij herhaalde zo’n rol van onbetrouwbaar overheidstype in Brainstorm.
Toch staat Robertson in Hollywood niet alleen bekend om zijn acteerwerk, maar ook om zijn ongekende integriteit.
Zijn carrière kreeg onterecht een geduchte knauw toen hij in 1977 (bij toeval) een fraude ontmaskerde van het hoofd van Columbia Pictures, David Begelman.
Hij ontdekte dat de studiobaas zijn handtekening had vervalst om geld te verduisteren.
Waar velen hun mond hielden uit angst voor hun carrière, stapte Robertson naar de politie.
Het schandaal schudde de filmindustrie op haar grondvesten.
Dit werd hem door de machtige studiobonzen rond Begelman niet in dank afgenomen en hij werd jarenlang door studio’s op een zwarte lijst gezet.
Hij weigerde echter spijt te hebben en koos resoluut voor zijn principes boven roem, iets wat hem uiteindelijk het diepe respect van de hele industrie opleverde.
Hij wist toch terug te komen via de series Falcon Crest, Key to Rebecca en wat nieuwe films.
Voor een jongere generatie blijft hij voor altijd de ultieme belichaming van Uncle Ben in Sam Raimi’s Spider-Man (2002).
Met de iconische uitspraak “With great power comes great responsibility” gaf hij het emotionele fundament aan een van de succesvolste filmfranchises ooit.
Wanneer hij niet op de set stond, vond je Robertson hoog boven de wolken als fanatiek vlieger met een indrukwekkende verzameling vintage vliegtuigen.
Toen hij in 2011 op 88-jarige leeftijd overleed, liet hij een erfenis achter van meer dan zestig jaar topprestaties.
Cliff Robertson bewees dat een echte held niet alleen rollen speelt, maar er ook naar leeft.
Achter die standvastige Hollywoodcarrière schuilde een minstens zo boeiend privéleven vol opmerkelijke weetjes.
Robertson groeide op in Californië. Nadat zijn ouders scheidden en zijn moeder kort daarna overleed, werd hij voornamelijk opgevoed door zijn grootmoeder.
Van een glamourleven in Hollywood wilde hij nooit veel weten.
Hij weigerde steevast om naar Los Angeles te verhuizen en bleef tot zijn overlijden aan de Amerikaanse oostkust wonen, ver weg van de filmstudio’s.
In zijn liefdesleven was Robertson tweemaal getrouwd met bekende vrouwen.
Zijn eerste huwelijk was met actrice Cynthia Stone, de ex-vrouw van acteur Jack Lemmon.
Later trouwde hij met actrice Dina Merrill, de dochter van de steenrijke zakenvrouw Marjorie Merriweather Post.
Samen met Merrill behoorde hij tot de absolute elite van de Amerikaanse bovenklasse.
Hun huwelijk hield uiteindelijk maar liefst 22 jaar stand.
Robertson kreeg uit elk van zijn twee huwelijken een dochter.
Zijn passie voor vliegen was bovendien véél meer dan zomaar een hobby.
Hij begon al op zijn dertiende met vlieglessen via een slimme ruil: hij maakte de hangars schoon in ruil voor vliegtijd.
In de loop der jaren bouwde hij een indrukwekkende privécollectie op, waaronder een authentieke Britse Supermarine Spitfire uit de Tweede Wereldoorlog.
Die liefde voor de luchtvaart zette hij ook in voor goede doelen.
Zo hielp hij in de jaren zeventig bij het organiseren van hulpvluchten naar Nigeria en Ethiopië om hongersnood te bestrijden, en stond hij aan de wieg van het Young Eagles-programma om jongeren enthousiast te maken voor de luchtvaart.
Zijn vliegpassie leidde in 2001 zelfs tot een wel heel bijzonder historisch moment.
Op de ochtend van 11 september vloog Robertson in zijn privé-vliegtuigje direct boven Manhattan, net op het moment dat het eerste vliegtuig de World Trade Center-toren raakte.
De luchtverkeersleiding sommeerde hem meteen om zijn toestel aan de grond te zetten.
Daarnaast was hij een fervent tennis- en skiliefhebber en een verdienstelijk auteur.
Cliff Robertson bleef tot op het allerlaatste moment trouw aan zichzelf: hij overleed in de staat New York op exact één dag na zijn 88ste verjaardag.
Ida begon al op zeer jonge leeftijd in films te spelen. Geen wonder, want ze kwam uit een acteursfamilie die terugging tot de zeventiende eeuw.
Van filmactrice werd ze regisseur en tussen al haar mannelijke collega’s heeft ze zich al die jaren goed staande gehouden.
Van oorsprong was ze een Engelse. Ze werd op 4 februari 1918 (sommige bronnen spreken over 1917) in Londen geboren als dochter van Connie Emerald en Stanley Lupino.
Haar ouders speelden in het Britse theater en Ida werd met Shakespeare opgevoed, zoals een ander kind zijn eerste leeservaringen opdoet met ‘Suske en Wiske’.
Ze was nog heel klein toen ze al kon citeren uit ‘Romeo en Julia’ en ‘La Dame aux Camélias’.
Toen ze twaalf jaar oud was, speelde ze al heldinnen uit stukken van Shakespeare op het toneel.
Een oom van haar was in die tijd een zeer bekende film- en toneelkomiek: Lupino Lane.
Dankzij hem zette ze ook haar eerste stappen in een Engelse filmstudio.
De Amerikaanse filmregisseur Alan Dwan maakte in Engeland de film ‘Her First Affair’ en zocht daarvoor een jong meisje, een Lolita-type.
Connie Emerald nam haar dochter mee naar de studio toen ze auditie ging doen.
Dwan vond Connie te oud, maar had wel interesse in haar dochter Ida, die een rolletje in de film kreeg.
Dwan gaf haar daarna meteen een grote rol in zijn volgende Engelse film ‘Money for Speed’ in 1933.
Ze was toen pas vijftien jaar oud.
Vanaf dat moment raakte Ida’s filmcarrière in een stroomversnelling.
Ze speelde in nog enkele Britse films, maar Paramount zocht wereldwijd naar een hoofdrolspeelster voor ‘Alice in Wonderland’.
Ze vertrekt naar Hollywood, maar greep naast die rol.
Wel kreeg ze een contract om andere films te maken, die ze vervolgens aan de lopende band opnam.
Op haar achttiende trouwde ze met haar landgenoot, de acteur Louis Hayward, die net als zij een veelbelovende carrière tegemoet leek te gaan.
Van die carrière kwam echter weinig terecht, en van het huwelijk nog minder.
Nadat dat huwelijk was gestrand, trouwde ze met filmproducent Collier Young, met wie ze al bevriend was en ook professioneel samenwerkte.
In die eerste jaren in Hollywood speelde ze geen opvallende rollen.
Het succes kwam pas in 1940 dankzij een sterke rol in ‘The Light That Failed’.
Ze tekende vervolgens een contract bij Warner Bros, de filmmaatschappij die gespecialiseerd was in gangsterfilms.
In die gangsterfilms was altijd wel een rol weggelegd voor de zogeheten ‘moll’, het liefje van de gangster, meestal een barvrouw of een prostituee.
Ida Lupino bleek geknipt voor dit soort personages en boekte er succes mee.
In 1940 speelde ze samen met Humphrey Bogart en George Raft de rol van vrachtwagenchauffeur in ‘They Drive by Night’, waarin beide mannen om haar hand dongen.
Binnen het gangstergenre behoorden deze twee acteurs tot de absolute top.
In het kielzog van Bogart, die staatsvijand nummer één John Dillinger speelde, volgde ze hem de bergen in voor ‘High Sierra’, als een vrouw die verliefd is op Bogey terwijl hij van een ander houdt.
In 1943 kenden de New Yorkse filmcritici haar de prijs toe voor Beste Actrice voor haar optreden als dominante zuster in ‘The Hard Way’.
Toch weigerde ze bij Warner Bros geregeld oppervlakkige rollen, wat leidde tot verschillende schorsingen door studiobaas Jack Warner.
Die verplichte vrije tijd benutte ze slim door op filmsets mee te kijken en de kneepjes van het regisseren in de vingers te krijgen.
Zelf keek ze trouwens een stuk nuchterder naar haar acteerloopbaan.
Ze zag zichzelf eerder als een bescheiden versie van Bette Davis, die bij dezelfde filmstudio de indrukwekkende rollen toebedeeld kreeg en niet werd afgescheept met gangsterfilms.
Wie zo ontevreden is over zijn bestaan als acteur, zoekt naar andere manieren om actief te blijven.
Doordat Ida Lupino in 1948 met Columbia-producent Collier Young trouwde, maakte ze een natuurlijke overstap naar het werk achter de schermen.
Samen met Young richtte ze het onafhankelijke productiehuis The Filmmakers op om taboedoorbrekende sociale drama’s te realiseren.
Dat huwelijk hield evenmin lang stand, maar ze begon met het produceren van films, te beginnen met ‘Not Wanted’.
In 1950 regisseerde ze twee kleinere films: ‘Never Fear’ en ‘Outrage’.
Het klinkt eenvoudig, maar Hollywood was destijds een echte mannenwereld waarin vrouwen slechts bij hoge uitzondering de regie in handen kregen.
Dorothy Arzner was daarvan het bekendste voorbeeld, maar daar hield het dan ook wel mee op.
Het was dan ook bijzonder dat Ida Lupino als regisseur aan de slag ging.
Op de set stond haar regisseursstoel bekend met het opschrift ‘Mother of Us All’, een koosnaam van haar crew.
In 1953 schreef ze geschiedenis door met de thriller ‘The Hitch-Hiker’ als allereerste vrouw ooit een klassieke film noir te regisseren.
Ook buiten de filmwereld was ze creatief actief; zo componeerde ze onder meer het muziekstuk ‘Aladdin Suite’, dat werd uitgevoerd door het Los Angeles Philharmonic Orchestra.
Af en toe keerde ze terug als actrice, maar haar voornaamste focus lag bij het regisseren.
Ze werkte mee aan bekende televisieseries zoals ‘I Spy’, ‘Have Gun, Will Travel’, ‘The Virginian’ en ‘Alfred Hitchcock Presents’.
Bovendien was ze de enige vrouwelijke filmmaker die ooit een aflevering regisseerde van de befaamde serie ‘The Twilight Zone’, met het iconische ‘The Masks’ uit 1964.
Haar derde echtgenoot werd opnieuw een acteur: Howard Duff.
Veel ambitie koesterde ze later niet meer.
Ze vond het te veel moeite om van huis weg te zijn voor de regie van een film en bleef het liefst zo dicht mogelijk bij huis.
Dat was waarschijnlijk dan ook de reden waarom ze later weer vaker als actrice in Hollywood te zien was.
Haar laatste bioscoopfilm als regisseur was ‘The Trouble with Angels’ uit 1966, met Rosalind Russell, Gypsy Rose Lee en Hayley Mills als nonnen.
Haar echte comeback als filmactrice maakte ze in 1972 in ‘Junior Bonner’, waarin ze de rol van de moeder van Steve McQueen vertolkte.
Ze speelde bijzonder sterk in die film en kreeg daardoor weer volop aanbiedingen om te acteren.
Daarmee was de cirkel rond, zij het met het verschil dat ze geen vaste contractactrice meer was.
Ze kende het klappen van de zweep in Hollywood door en door en kon zelf bepalen of ze een rol aannam.
Dat was een ideale uitgangspositie voor een vakvrouw die al vanaf haar vroegste jeugd in het vak zat en voor haar veelzijdige werk werd geëerd met twee verschillende sterren op de Hollywood Walk of Fame: één voor film en één voor televisie.
Lupino overleed in 1995 op 78-jarige leeftijd aan darmkanker.