Voor de Vlaamse groep The Strings het langste eind, omdat meisjes toch nog altijd opkijken als je muzikant bent

In augustus 1981, precies 45 jaar geleden, stonden The Strings volop in de belangstelling.

De gitaarrockgroep uit Zaventem werd opgericht door vijf jongens die elkaar al heel lang kenden: gitaristen Jan Van Eyken en Bruno Melon, zanger Luk Meert, bassist Mark Vanbinst en drummer Luk Vrebos.

Ze begonnen aan het avontuur, omdat er in hun woongemeente destijds nauwelijks iets te beleven viel, maar uiteraard droomden ze ook een beetje van roem en vonden ze dat meisjes toch nog altijd opkeken naar muzikanten.

Aanvankelijk dachten de bandleden nauwelijks aan het opnemen van een album, laat staan aan interviews of televisieoptredens.

De groep ontstond uit het eerdere project Belgrave Road na een optreden op een freepodium.

Waar ze in het begin vooral covers speelden van onder meer The Rolling Stones en Frankie Miller, schakelden ze snel over op een volledig eigen repertoire, met uitzondering van het nummer ‘Route 66’.

Hun debuutsingle met de nummers ‘Love me’ en op de B-kant ‘I wanna dance’ namen ze in eigen beheer op.

De productie was in handen van Jean-Marie Aerts, de gitarist van TC Matic, die in die periode de vaste producer was voor heel wat beginnende Belgische bands.

Hoewel de eerste single hen financieel meer kostte dan hij opbracht, doordat ze duizend exemplaren lieten persen en deze zelf verdeelden, bewees de uitgave wel hun ambitie.

Met de opvolger ‘Back to you’ lieten ze zien dat het ook met hun eigen materiaal helemaal goed zat.

In de zomer van 1981 toerde de groep door heel Vlaanderen.

Dat najaar mochten ze bovendien mee op tournee met De Kreuners, waar ze als voorprogramma optraden en de avond afsloten met een gezamenlijke set vol klassiekers uit de vroege jaren zeventig van artiesten als Gary Glitter, T. Rex en The Sweet.

Die gezamenlijke tournee bleek een belangrijke stap, want niet veel later maakte gitarist Jan Van Eyken de overstap naar De Kreuners, de band waar hij sindsdien nog altijd deel van uitmaakt en een bepalend gezicht van is gebleven (Joepie 9 augustus 1981)

Vijftig jaar geleden bracht het Dream Express Orchestra het nummer Villarhides uit.

Dream Express Orchestra was de begeleidingsband van de groep Dream Express met als leden Luc Smets en de zussen Bianca, Patricia en Stella Maessen.

De zussen waren eerder bekend als The Hearts of Soul.

Op dit instrumentale nummer hoort u dan ook de dames op de achtergrond meezingen.

Het nummer werd geproduceerd door Luc Smets.

Maurice Jarre schreef de muziek oorspronkelijk in 1968 voor de film Villa Rides.

Deze western gaat over de Mexicaanse Revolutie en volgt de Amerikaanse avonturier en piloot Lee Arnold, gespeeld door Robert Mitchum.

Hij smokkelt wapens voor de Mexicaanse revolutionair Pancho Villa, gespeeld door Yul Brynner.

Hoewel Arnold zich buiten de oorlog wil houden, raakt hij tegen zijn wil in de bloedige strijd verwikkeld.

Het nummer stond acht weken lang in de BRT Top 30 en bereikte daar de drieëntwintigste plaats als hoogste positie.

Het nummer werd echter vooral bekend als de herkenningstune van Radio Mi Amigo.

Dit destijds illegale radiostation was erg populair en zond eerst uit vanaf het radioschip de MV Mi Amigo en later vanaf de Spaanse kust.

Vijfenveertig jaar geleden scoorde de Belgische discogroep Bisquit een hit met het nummer Roller Boogie.

De formatie uit de regio Brussel bestond oorspronkelijk uit de vier leden Sue, Martine, Pascale en Viviane.

Voordat ze de muziekwereld veroverden, werkten de dames al vijf jaar samen als dansgroep en stonden ze op het podium als achtergronddanseres bij bekende artiesten zoals Will Tura en Lee Towers.

Hun muzikale doorbraak kwam er dankzij een samenwerking met Raymond Felix, die eerder al succes boekte met Jack Jersey.

Het absolute hoogtepunt van Bisquit was de single Roller Boogie, geschreven door het duo Ronny Sigo en Raymond Felix.

Die laatste nam ook de volledige productie van het nummer voor zijn rekening.

De aanpak werkte, want de single deed het commercieel goed en klom tot de achttiende plaats in de BRT Top 30.

Hoewel de hitparade in Nederland buiten bereik bleef, werd het nummer ook in Duitsland een bescheiden succes met een achtenvijftigste plaats als hoogste notering.

De groep viel niet alleen op door de muziek, maar ook door een opvallende futuristische stijl.

De leden traden op in paarse pakken en droegen zilveren discohelmen die volledig met spiegeltjes waren bedekt.

Dit mysterieuze imago was een bewuste strategie om de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen en boven de massa uit te steken.

Wel zat er een opmerkelijk verschil tussen de werkelijkheid en het imago: hoewel de formatie achter de schermen uit vier vrouwen bestond, werd de groep op de singlehoes gepresenteerd als een trio van twee vrouwen en een man.

Hoewel de spiegelhelmen hun handelsmerk werden, keken de groepsleden al vooruit naar andere vermommingen om hun visuele presentatie vernieuwend te houden.

De kern van hun succes bleef de ijzersterke combinatie van professionele danschoreografieën en aanstekelijke discomuziek, een formule die destijds zowel op de televisie als in de discotheken volop in de smaak viel.

45 jaar geleden, zo ziet Bisquit er nu uit

De geslaagde aprilgrap van de Belgische groep The Bowling Balls.

Het Belgische pop- en rockarchief kent vele bijzondere verhalen, maar de ontstaansgeschiedenis van The Bowling Balls is zonder twijfel de meest opmerkelijke.

De groep werd namelijk opgericht om een stripfiguur tot leven te wekken.

Oorspronkelijk werden ze bedacht door Frédéric Jannin en Thierry Culliford, de zoon van Smurfen-bedenker Peyo, voor een grap in Le Trombone Illustré.

Dit was een rebelse bijlage bij het weekblad Robbedoes waarin de strip Germain et nous verscheen.

In die strip luisterden verveelde jongeren de hele dag naar platen van een fictief bandje genaamd The Bowling Balls.

De makers besloten dit grapje door te trekken naar de werkelijkheid.

De fictieve bandleden gaven plotseling echte interviews en er ontstond een plan om een flexidisc bij het tijdschrift te voegen.

De bezetting bestond uit Frédéric Jannin als Averell Ball op toetsen en Bert Bertrand als zanger Billy Ball. Bertrand was een bekende punkjournalist en de zoon van Yvan Delporte; volgens de legende was hij ook de man die de naam Plastic Bertrand bedacht.

Het kwartet werd gecompleteerd door Thierry Culliford als Elton Ball en Christian Lanckvrind als Fernand Ball.

Hoewel Robbedoes uiteindelijk geen budget had voor de release, zag platenlabel EMI wel brood in het project.

Op 1 april 1979 verscheen hun debuutsingle God Save the Night Fever.

Die datum was symbolisch, want de buitenwereld twijfelde voortdurend of de groep wel echt bestond. T

he Bowling Balls specialiseerden zich in nonsensicale teksten en humoristische playbackoptredens waarbij ze hun eigen amateurisme cultiveerden.

Jannin vatte die periode later treffend samen door te zeggen dat het een tijd was waarin iedereen maar wat deed, en aangezien zij ook maar iemand waren, deden zij dus ook maar wat. Toch lieten ze met nummers als ‘You Don’t Know’ en hun cover van ‘When You Walk in the Room’ een blijvende indruk achter.

Het einde van de band kwam even plotseling als het begin.

Kort na het verschijnen van hun enige album kondigde Bert Bertrand aan dat hij naar Bora-Bora zou vertrekken.

De overige leden dachten dat het een grap was, maar Bertrand vertrok daadwerkelijk en keerde nooit meer terug.

Hij maakte een einde aan zijn leven in New York, vlak nadat hij Lou Reed had geïnterviewd.

Van de overgebleven leden bleef Frédéric Jannin de bekendste als striptekenaar, radio- en televisiepersoonlijkheid en muzikant.

Zo scoorde hij in 1990 nog een grote hit met het project Zinno.

In de jaren negentig volgde een bescheiden revival van The Bowling Balls met een verzamel-cd en een documentaire op Canal+.

Critici stelden toen vast dat de muziek, ondanks de parodiërende insteek, technisch verrassend goed in elkaar stak.

De nummers bleken achteraf gezien prima stand te houden naast het werk van synthpopgrootheden als OMD of Erasure (Diverse bronnen, Dirk Houbrechts en Joepie, maart 1981)

Vandaag 50 jaar geleden, fanbal van de Vlaamse groep Octopus

Octopus was niet zomaar een lokale band uit Diest; het was een bijzonder Vlaams-Brits experiment.

De groep ontstond uit de assen van The Bats, de formatie van Robert Vlaeyen, Gerard Opdebeeck en Roberts broer René Vlaeyen (de latere bekende tv-producent).

Om de groep internationale allure en een perfecte Engelse uitspraak te geven, werden de Britten Steve Pine en Phil Francis erbij gehaald.

Een van de opvallendste Vlaamse leden was toetsenist en zanger Paul Michiels.

De groep kwam zakelijk onder de vleugels van manager Sylvain Tack.

In 1973 bracht de band hun allereerste single uit: Go down slow. Voor de productie van dit debuut deden ze een beroep op Sylvain Vanholme (bekend van The Wallace Collection).

Hun tweede single uit datzelfde jaar, Hey na na, bevat dan weer een leuk detail voor de trivia-liefhebbers: op die opname zongen de bekende radio- en televisiepresentatoren Zaki en Mike Verdrengh mee in het achtergrondkoortje.

De grote doorbraak in 1974 was eigenlijk een ‘interne’ cover.

Hun hit I’m so in love with you was de Engelse vertaling van Ik ben verliefd op jou van Paul Severs, die eveneens door Tack werd gemanaged.

In 1975 volgde het debuutalbum From Octopus With Love, waarvoor de groep samenwerkte met producer Eddy Govert.

Ondanks deze successen verkocht Tack het contract van de groep aan het Nederlandse Telstar van Johnny Hoes.

Onder het bewind van ‘smartlappenkoning’ Hoes veranderde het karakter van de band drastisch. Octopus werd steeds meer in de richting van close harmony geduwd.

Hoewel dit commercieel een gouden greep bleek – het album Oldies but goldies met covers van Amerikaanse crooners zorgde voor een doorbraak in Nederland en hits als Cry en South of the border – zorgde het intern voor wrijving.

Met name Paul Michiels voelde zich steeds minder thuis in de rol van artiest die enkel covers zong.

In 1980 probeerde de groep het tij te keren en terug te gaan naar hun eigen sound.

Dit leverde met All alone nog een bescheiden hitje op in België, maar de chemie was uitgewerkt.

Na het uiteenvallen van de groep kon Paul Michiels eindelijk zijn eigen artistieke weg gaan.

Eerst solo als P.P. Michiels, en later met enorm succes aan de zijde van Jan Leyers in Soulsister.

40 jaar geleden, Patrick Nebel van Nacht Und Nebel, toen Gertje me verliet, stortte de wereld in elkaar.

Voor de buitenwereld was Patrick Nebel de exuberante en fascinerende frontman van Nacht und Nebel.

Een artiest die een mythe rond zichzelf creëerde, bijvoorbeeld door het gerucht te verspreiden dat hij in een Zwitsers sanatorium zat om te vechten tegen zijn verslavingen.

De realiteit was echter veel tragischer. Achter de artiestennaam ging Patrick Marina Schools schuil, een man die leed aan zware angstpsychoses.

Zijn toevluchtsoord was niet de Zwitserse Alpen, maar Oostende.

Volgens zijn ontdekker, Roland Beelen, was de leugen een manier om zijn imago als wildeman te beschermen en zijn kwetsbaarheid te verbergen.

Helaas kon de mythe de man niet redden. De worsteling met drank, drugs en een hartziekte werd hem fataal.

Hij overleed in 1986 in de Sint-Lucaskliniek in Ekeren.

Met zijn dood verdween niet alleen een getormenteerde artiest, maar ook de band Nacht und Nebel.

Zijn uitvaart vond plaats in de kerk van de Zilverenhoek te Kapellen.