Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Ton Lensink werd op 22 oktober 1922 geboren in Batavia in het toenmalige Nederlands-Indië en groeide uit tot een van de meest veelzijdige en markante theater- en televisiefiguren van de Lage Landen.
Na een klassieke opleiding aan de Toneelschool van Amsterdam bouwde hij tientallen jaren aan een rijk parcours bij gereputeerde gezelschappen, vertolkte hij tal van rollen in televisiefilms en reeksen, en ontpopte hij zich als een begaafd regisseur en scenarist.
Toch blijft hij voor hele generaties kijkers vooral onlosmakelijk verbonden met één onvergetelijke creatie: zijn rol als de verstrooide tovenaar in de legendarische jeugdreeks Ti-Ta Tovenaar.
De reeks, die tussen oktober 1972 en juni 1974 door de NOS werd uitgezonden in korte afleveringen van amper enkele minuten net voor het slapengaan, kende een overdonderend succes.
Lensink gaf gestalte aan een sympathieke, ietwat wereldvreemde tovenaar die samen met zijn opgroeiende dochter Tika, het aandoenlijke wezentje Kwark en de kruidenierster Grobelia de wonderlijkste avonturen beleefde.
Met zijn typerende puntmuts, lange tovenaarskleed en rustige uitstraling werd hij het vaste gezicht van een feuilleton dat talloze kinderen aan het scherm gekluisterd hield.
Onvergetelijk was het moment waarop Tika in haar vingers knipte om de tijd stil te zetten telkens wanneer de toverkunsten van haar vader weer eens verkeerd uitdraaiden, waarna Ti-Ta Tovenaar met een bezorgde blik de brokken overschouwde.
Wat velen toen niet wisten, was dat Lensink achter de schermen minstens even bepalend was voor het welslagen van het programma.
Naast het spelen van de titelrol nam hij immers ook een groot deel van de regie voor zijn rekening.
Hij bewaakte met veel gevoel voor humor en kinderlijke verwondering de sprookjesachtige sfeer en het tempo van het verhaal, waardoor het sobere decor van het zwevende luchtkasteel levensecht overkwam op het jonge publiek.
Na het afronden van Ti-Ta Tovenaar bleef Lensink onverminderd bedrijvig in de theater- en televisiewereld, zowel op de planken als achter de schermen, tot hij in februari 1997 op 74-jarige leeftijd overleed.
Voor miljoenen Vlamingen en Nederlanders die in de vroege jaren zeventig opgroeiden, blijft hij voor altijd de man die met een zucht liet horen dat toveren een lastige stiel was, en daarmee een dierbaar stukje jeugdherinnering naliet.
Keken jullie destijds ook stee
vast naar die reeks op tv, en welke herinneringen roept deze bijzondere tovenaar bij jullie op?
De Britse dramareeks Upstairs, Downstairs, bij ons beter bekend als De familie Bellamy, blijft zonder twijfel een van de strafste en meest invloedrijke kostuumdrama’s uit de televisiegeschiedenis.
De serie werd oorspronkelijk tussen 1971 en 1975 uitgezonden door de Britse zender ITV en telde vijf seizoenen met in totaal 68 afleveringen.
Het idee kwam van actrices Jean Marsh en Eileen Atkins, die een verhaal wilden neerzetten waarin het personeel minstens even belangrijk was als de adel zelf.
Het hele gebeuren speelt zich af in een prachtig herenhuis aan Eaton Place 165 in de chique Londense wijk Belgravia, tussen 1903 en 1930.
De grote sterkte van de reeks zat hem in het contrast tussen de twee werelden onder hetzelfde dak.
Boven leefde de welgestelde familie Bellamy, onder leiding van politicus Richard Bellamy en zijn adellijke echtgenote Lady Marjorie.
Beneden, in de keukens en de kelders, zwaaide het personeel de plak onder het strenge oog van de plichtsgetrouwe Schotse butler Hudson, kokkin Mrs. Bridges en het trouwe kamermeisje Rose Buck, een rol van bedenkster Jean Marsh zelf.
Door het wel en wee van de heren en hun bedienden door elkaar te weven, schetste de serie een geweldig tijdsbeeld van een Groot-Brittannië in volle verandering.
Grote historische gebeurtenissen passeerden de revue en zetten de boel op stelten, zoals de ramp met de Titanic, de strijd voor het vrouwenstemrecht, de gruwel van de Eerste Wereldoorlog en de beurskrach van 1929.
Met de jaren zag je die vanzelfsprekende standenmaatschappij dan ook langzaam maar zeker afbrokkelen.
Het werd wereldwijd een overrompelend succes, met naar schatting meer dan een miljard kijkers die aan hun scherm gekluisterd zaten voor de belevenissen aan Eaton Place.
De reeks sleepte dan ook een pak prestigieuze prijzen in de wacht, waaronder verschillende BAFTA’s, Emmy Awards en een Golden Globe.
Met zijn sterke personages en rake blik op de maatschappij legde De familie Bellamy indertijd de basis voor latere topseries, met Downton Abbey natuurlijk als bekendste erfgenaam.
Als we vandaag terugblikken op die geweldige cast, moeten we helaas vaststellen dat de meesten van hen intussen van ons heengegaan zijn.
We namen al jaren geleden afscheid van Gordon Jackson, die zo onvergetelijk gestalte gaf aan butler Hudson, en van Angela Baddeley, de immer bedrijvige kokkin Mrs. Bridges.
Ook David Langton, het aristocratische familiehoofd Richard Bellamy, en Rachel Gurney, die zijn elegante echtgenote Lady Marjorie speelde, zijn al geruime tijd overleden.
Verder ontvielen ons Nicola Pagett, die de opstandige dochter Elizabeth Bellamy speelde, Meg Wynn Owen, die te zien was als Hazel Bellamy, Christopher Beeny, het vrolijke loopjongetje Edward Barnes, en Pauline Collins, die onvergetelijk schitterde als het kamermeisje Sarah Moffat.
Ook bedenkster en het boegbeeld van de reeks Jean Marsh, die decennialang het gezicht was van Eaton Place als kamermeisje Rose Buck, is ons inmiddels ontvallen.
Van de hoofdcast uit de originele reeks zijn er vandaag gelukkig nog enkele vertrouwde gezichten onder ons.
Zo leeft Simon Williams nog altijd, die destijds gestalte gaf aan zoon James Bellamy.
Ook Lesley-Anne Down, die als de beeldschone Georgina Worsley menig mannenhart sneller deed slaan, en Jacqueline Tong, die de rol van het guitige keukenmeisje Daisy neerzette, zijn er nog steeds.
En achter de schermen is ook mede-bedenkster Eileen Atkins nog altijd onder ons. Zij zou pas vele decennia later, bij de doorstart in 2010, voor het eerst zelf in de serie te zien zijn.
Zelf heb ik deze reeks destijds ontzettend graag gezien; het was elke keer weer genieten voor de buis.
Hebben jullie indertijd ook naar De familie Bellamy gekeken, en welke herinneringen hebben jullie er nog aan?
Barbara Bel Geddes, dochter van de invloedrijke industrieel ontwerper Norman Bel Geddes, was al een gevierde naam in de theaterwereld lang voordat ze bij miljoenen kijkers bekend werd als Miss Ellie in Dallas.
Als tiener debuteerde ze op Broadway in de komedie Out of the Frying Pan en vanaf dat moment zat ze vrijwel nooit meer zonder werk.
Ze schitterde in producties van grootheden als Elia Kazan, Graham Greene, Tennessee Williams en John Steinbeck, waarbij ze naar eigen zeggen het vak leerde door zich op te trekken aan haar ervaren tegenspelers.
Het absolute artistieke hoogtepunt op de planken was haar vertolking van Maggie the Cat in de originele Broadway-productie van ‘Cat on a Hot Tin Roof’.
Ook de stap naar Hollywood leek een droomstart te worden.
In 1946 tekende ze een bijzonder filmcontract bij RKO: op haar eigen voorwaarde mocht ze hooguit een film per jaar maken om tijd over te houden voor het theater.
Haar talent leverde haar voor haar rol in ‘I Remember Mama’ uit 1948 meteen een Oscarnominatie op voor Beste actrice in een bijrol.
Toch werd ze datzelfde jaar door de nieuwe en excentrieke RKO-eigenaar Howard Hughes plotseling aan de kant gezet, simpelweg omdat hij haar niet verleidelijk genoeg vond voor het grote doek.
De jaren vijftig brachten een moeilijke periode met zich mee.
Naast gezondheidsproblemen zorgde een onderzoek naar vermeende on-Amerikaanse activiteiten ervoor dat ze tijdelijk op een zwarte lijst belandde en het witte doek moest mijden.
Ze vocht zich echter met succes terug.
Ze speelde onder regie van Elia Kazan in ‘Panic in the Streets’, was te zien naast Danny Kaye in ‘The Five Pennies’ en maakte blijvende indruk als de nuchtere vriendin Midge naast James Stewart in Alfred Hitchcocks meesterwerk ‘Vertigo’.
Hitchcock was zo onder de indruk van haar subtiele mimiek dat hij haar persoonlijk vroeg voor zijn televisieserie Alfred Hitchcock Presents, waarin ze in vier afleveringen meespeelde.
Haar rol in ‘Lamb to the Slaughter’ werd legendarisch: daarin bracht ze haar echtgenoot om het leven met een bevroren lamsbout, om het moordwapen vervolgens te braden en voor te zetten aan de rechercheurs die het bewijsmateriaal zochten.
Toen Bel Geddes in 1978 werd gevraagd voor de rol van Eleanor “Miss Ellie” Southworth Ewing Farlow in de soapserie Dallas, waarschuwden sommige collega’s haar dat een soap een stap terug was.
Zelf dacht ze toen daar nuchter over. Ze had op dat moment geen artistieke verplichtingen en greep de kans met beide handen aan om een heel nieuw publiek te bereiken.
Niemand kon voorzien dat de serie zou uitgroeien tot een wereldwijd kijkcijferfenomeen.
Zonder haar had Larry Hagman de iconische rol van J.R. overigens nooit gespeeld; zijn moeder, musicalvedette Mary Martin, was een van haar dierbaarste vriendinnen met wie ze vroeger samen op het podium had gestaan.
Haar fijnzinnige spel als de standvastige spil van de familie leverde haar een felbegeerde Emmy Award op.
Achter de schermen liep het echter niet altijd van een leien dakje.
In het voorjaar van 1984 onderging ze een zware viervoudige bypassoperatie na een hartaanval, waardoor ze de eerste elf afleveringen van het nieuwe seizoen moest overslaan.
Toen ze het seizoen erop botste met de producenten over haar werkdruk en gage, werd haar rol overgenomen door filmster Donna Reed, die een contract voor drie jaar tekende.
Gisteren nog vandaag
De trouwe kijkers accepteerden de vervanging allerminst en bombardeerden de studio met brieven.
Toen de kijkcijfers kelderden en aartsrivaal Dynasty de koppositie overnam, haalden de producenten Bel Geddes in 1985 tegen forse betaling terug.
Donna Reed stapte woedend naar de rechter, kreeg een schikking van een miljoen dollar, maar overleed tragisch genoeg enkele maanden later aan alvleesklierkanker.
In haar persoonlijke leven koos Barbara Bel Geddes bewust voor warmte en eenvoud, ver weg van de glitter en roddels van Beverly Hills.
Ze was twee keer getrouwd: eerst met theatermanager Carl Schreuer, met wie ze dochter Alice kreeg, en daarna met regisseur Windsor Lewis.
Met hem kreeg ze dochter Betsy.
Haar huwelijk met Windsor was zeer hecht; toen hij ernstig ziek werd, zette ze haar acteercarrière jarenlang stil om hem thuis tot aan zijn overlijden in 1972 liefdevol te verzorgen.
Ze was bovendien een begenadigd kunstenares.
Naast haar filmwerk schreef en illustreerde ze twee charmante kinderboeken, ‘I Like to Be Me’ en ‘So Do I’, en ontwierp ze decennialang haar eigen reeks succesvolle wenskaarten.
Na haar definitieve vertrek bij Dallas in 1990 trok ze zich terug in haar rustige houten huis in Northeast Harbor aan de kust van Maine, waar ze schilderde en tuinierde.
Op 8 augustus 2005 overleed ze daar op 82-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.
Als enig meisje tussen haar broers groeide ze op in een gezin waar kunst en entertainment centraal stonden.
Al op zeer jonge leeftijd maakte ze kennis met het vak door samen met haar ouders en broers op te treden in de populaire kerstspecials van haar vader en in verschillende theaterproducties.
Naast acteren ontwikkelde ze zich ook als getalenteerd danseres aan het prestigieuze Royal Ballet in Londen en studeerde ze aan de University of Texas in Austin.
Haar intrede in de hitserie Dallas vond plaats in het najaar van 1979, toen ze de rol van Kristin Shepard overnam van Colleen Camp. Kristin, de intrigerende schoonzus en minnares van J.R. Ewing, werd het middelpunt van een van de grootste cliffhangers uit de televisiegeschiedenis.
Nadat J.R. in het voorjaar van 1980 was neergeschoten, hield die vraag de wereld maandenlang in zijn greep.
Haar definitieve internationale doorbraak en de absolute piek van de Kristin-gekte volgden in 1980 en 1981.
De ontknopingsaflevering ‘Who Done It?’ uit november 1980 trok wereldwijd honderden miljoenen kijkers en zette de actrice in één klap op de kaart toen bleek dat Kristin de trekker had overgehaald.
In september 1981 was Mary Crosby, de dochter van de legendarische zanger en acteur Bing Crosby, slechts in vijf afleveringen van de populaire televisieserie Dallas te zien.
Ze speelde daarin de rol van Kristin Shepard, het liefje van het beruchte personage J.R. Ewing.
Om te voorkomen dat ze voor de rest van haar leven aan dat imago vast zou zitten, stelde ze zelf de harde voorwaarde dat haar optreden tot die vijf afleveringen beperkt moest blijven toen de producenten haar benaderden.
Mary wist zichzelf uitstekend te profileren, al werd ze door de makers vooral gecast vanwege haar aantrekkelijke verschijning om als verleidelijke tegenspeelster voor J.R. te dienen.
Kijkers van Dallas waren er intussen aan gewend geraakt dat de vrouwelijke personages in de serie, vol intriges en spanning, vaak gespeeld werden door knappe actrices wier personages de moraal nogal eens lieten varen.
Mary benadrukte destijds dat ze in haar persoonlijke leven heel anders in elkaar stak.
Ze stoorde zich aan aannames over haar levensstijl en stelde dat ze puur volgens haar eigen waarden leefde, los van wat de buitenwereld daarvan vond.
Haar eigenzinnigheid was toen al bekend. Op zeventienjarige leeftijd, kort na het overlijden van haar vader, zorgde ze binnen de familie Crosby voor ophef door te gaan samenwonen met haar partner Eb Lottimer.
Ze beschouwde samenwonen als even waardevol en bindend als een huwelijk.
Uiteindelijk waren Mary Crosby en Eb Lottimer getrouwd van 1978 tot 1989.
Net als veel andere kinderen van beroemde ouders ervoer ze hoe lastig het was om op eigen kracht een carrière op te bouwen.
Al van jongs af aan wist ze dat ze wilde acteren, maar in de showbizz bleef iedereen haar zien als de dochter van Bing Crosby.
Die voortdurende stempel frustreerde haar mateloos, omdat ze puur om haar acteertalent gewaardeerd wilde worden.
Hoewel Mary hoopte dat haar rol in Dallas gebaseerd was op haar kwaliteiten als actrice, werd er in de media vooral op gehamerd dat de producenten zochten naar een verleidelijke verschijning voor de verhaallijn rond J.R.
Zelf gaf ze aan dat ze het publiek wilde verrassen en laten zien dat ze allerminst verlegen was voor een gewaagde rol.
Binnen haar familie klonk destijds kritiek op haar relatie, waarbij vaak werd gezegd dat haar vader het samenwonen nooit zou hebben goedgekeurd.
Mary bleef er echter van overtuigd dat hij haar geluk voorop zou hebben gesteld.
Ze koesterde de herinnering aan haar vader en hield zich vast aan zijn laatste raad om nooit met spijt achterom te kijken en simpelweg altijd haar uiterste best te doen.
Dankzij haar rol in Dallas schoot haar bekendheid omhoog. Om de plotselinge drukte te ontvluchten, trok ze zich terug op een ranch in Malibu.
Ze werd overspoeld met aanbiedingen voor vergelijkbare rollen, maar wees die resoluut af, omdat ze niet wilde vastroesten in het type van het oppervlakkige vriendinnetje.
Ze tekende rond die tijd een contract voor de serie Golden Gate en had uitzicht op een hoofdrol in een nieuwe versie van Midnight Lace. Mary besefte dat haar plotselinge roem haar de luxe gaf om projecten te kiezen, al hoopte ze vooral de juiste stappen te zetten om zich verder als serieuze actrice te ontwikkelen.
Na de afronding van de Kristin-verhaallijn in 1981 en haar vertrek uit Dallas, inclusief een korte verschijning in de spin-off Knots Landing, zette Mary Crosby haar carrière gestaag voort in zowel televisieseries als speelfilms.
Ze verscheen onder meer in bekende reeksen zoals The Love Boat, Automan, Beverly Hills 90210, Lois and Clark en Murder, She Wrote.
Daarnaast speelde ze in films zoals The Ice Pirates en verscheen ze in de veelgeprezen miniserie North and South.
Buiten haar acteerwerk bleef ze betrokken bij het beheren en eren van het muzikale en filmische erfgoed van haar vader Bing Crosby.
Inmiddels ziet haar leven er heel anders uit.
Sinds 1998 is ze getrouwd met Mark Brodka, met wie ze twee kinderen heeft.
Ze bouwde een rustig gezinsleven op buiten de spotlights van Hollywood en blijft voor televisieliefhebbers voor altijd verbonden aan een van de meest iconische televisiemomenten van de twintigste eeuw.
Met zijn karakteristieke kaaklijn, indringende blik en een stem die autoriteit uitstraalde, was Cliff Robertson decennialang een vaste waarde in Hollywood.
Hij was niet zomaar een filmster; Robertson was een veelzijdige Oscarwinnaar, een gepassioneerd piloot, en bovenal een man van onberispelijke principes.
De in Californië geboren acteur Clifford Parker Robertson had een interessante carrière achter de rug, die zich later ook tot de televisie uitstrekte.
In 1955 maakte hij zijn debuut naast William Holden in Picnic, waarmee hij in eerste instantie werd weggezet als de voordeligere variant van diezelfde Hollywoodster.
Door hetzelfde cynische ondertoontje dat Holden bezat, koos men Cliff voor de rol van dwarsligger in de oorlogsfilm ‘The Naked and the Dead’ van Raoul Walsh.
Regisseur Samuel Fuller kon hem goed gebruiken voor de gefrustreerde jongeman die zijn vermoorde vader wilde wreken bij de maffia in ‘Underworld USA’, maar er zelf uiteindelijk onderdoor gaat.
Kortom, Cliff Robertson was een keurige versie van de ‘angry young man’, maar miste het grote acteertalent van Marlon Brando of Montgomery Clift.
Maar hij was zeer goed bruikbaar als leading man van de goedkope oorlogsfilms.
Hij had dan ook een zeer Amerikaans uiterlijk.
Naarmate zijn populariteit bij het grote publiek langzaam steeg, viel hij op bij niemand minder dan president John F. Kennedy.
Die koos Robertson in 1963 persoonlijk uit voor de hoofdrol in de oorlogsfilm PT 109.
Die was namelijk gebaseerd op een autobiografie van John F. Kennedy, waarin hij beschreef hoe hij in oorlogstijd uren in het water had gelegen en een paar mannen had weten te redden.
Een prachtig verhaal dat perfect paste bij het heldenimago van de jonge president en dat door de president van de filmmaatschappij Warner Bros, Jack Warner, onder supervisie werd genomen voor verfilming.
De film verschilde tenslotte niet veel van al die andere oorlogsfilms, maar had als extra verkoopargument dat het om de president ging.
En Cliff Robertson leek wel wat op Kennedy, zoals hij er in 1963 uitzag, maar hij leek totaal niet op de jonge Kennedy van tijdens de oorlogsjaren, waar niemand zich toen om bekommerde.
PT 109 heeft veel goed gedaan voor de filmcarrière van Cliff Robertson.
Hij bleef de meest perfecte soldaat voor andere oorlogsfilms: ‘Too Late the Hero’, ‘The Devil’s Brigade’ (weer met William Holden) en ‘Up From The Beach’.
Hij kreeg daardoor ook andere soorten rollen aangeboden en was vanaf dat moment geregeld te zien in kwaliteitsfilms.
Dit succes bood hem de kans om zijn droomproject te verwezenlijken, waarin hij pas echt kon laten zien wat hij als acteur in huis had.
Het absolute hoogtepunt van zijn acteercarrière volgde dan ook in 1968 met de film ‘Charly’.
Robertson vocht namelijk jarenlang om het verhaal over een vrij kinderlijke man neer te zetten, die na een experimentele operatie superintelligent wordt, en daarna weer in de oude staat terugvalt.
Het was een aparte film, die tegen sciencefiction aanleunt, met een boeiende rol van Robertson, die ervoor vocht om daarmee hoog te scoren bij de Oscaruitreiking.
Zijn meeslepende, emotionele optreden werd dan ook beloond met de Academy Award voor Beste Mannelijke Hoofdrol.
De tweede ambitie was het zelf regisseren van films en ook dat lukte, hoewel met minder succes.
Naarmate Robertson wat ouder werd en er nieuwe sterren kwamen, verdween hij enigszins naar het tweede plan, maar ook daar wist hij nog op te vallen.
Hij was een gladde C.I.A.-man die op zijn beurt Robert Redford weer niet vertrouwt in ‘Three Days of the Condor’.
Hij herhaalde zo’n rol van onbetrouwbaar overheidstype in Brainstorm.
Toch staat Robertson in Hollywood niet alleen bekend om zijn acteerwerk, maar ook om zijn ongekende integriteit.
Zijn carrière kreeg onterecht een geduchte knauw toen hij in 1977 (bij toeval) een fraude ontmaskerde van het hoofd van Columbia Pictures, David Begelman.
Hij ontdekte dat de studiobaas zijn handtekening had vervalst om geld te verduisteren.
Waar velen hun mond hielden uit angst voor hun carrière, stapte Robertson naar de politie.
Het schandaal schudde de filmindustrie op haar grondvesten.
Dit werd hem door de machtige studiobonzen rond Begelman niet in dank afgenomen en hij werd jarenlang door studio’s op een zwarte lijst gezet.
Hij weigerde echter spijt te hebben en koos resoluut voor zijn principes boven roem, iets wat hem uiteindelijk het diepe respect van de hele industrie opleverde.
Hij wist toch terug te komen via de series Falcon Crest, Key to Rebecca en wat nieuwe films.
Voor een jongere generatie blijft hij voor altijd de ultieme belichaming van Uncle Ben in Sam Raimi’s Spider-Man (2002).
Met de iconische uitspraak “With great power comes great responsibility” gaf hij het emotionele fundament aan een van de succesvolste filmfranchises ooit.
Wanneer hij niet op de set stond, vond je Robertson hoog boven de wolken als fanatiek vlieger met een indrukwekkende verzameling vintage vliegtuigen.
Toen hij in 2011 op 88-jarige leeftijd overleed, liet hij een erfenis achter van meer dan zestig jaar topprestaties.
Cliff Robertson bewees dat een echte held niet alleen rollen speelt, maar er ook naar leeft.
Achter die standvastige Hollywoodcarrière schuilde een minstens zo boeiend privéleven vol opmerkelijke weetjes.
Robertson groeide op in Californië. Nadat zijn ouders scheidden en zijn moeder kort daarna overleed, werd hij voornamelijk opgevoed door zijn grootmoeder.
Van een glamourleven in Hollywood wilde hij nooit veel weten.
Hij weigerde steevast om naar Los Angeles te verhuizen en bleef tot zijn overlijden aan de Amerikaanse oostkust wonen, ver weg van de filmstudio’s.
In zijn liefdesleven was Robertson tweemaal getrouwd met bekende vrouwen.
Zijn eerste huwelijk was met actrice Cynthia Stone, de ex-vrouw van acteur Jack Lemmon.
Later trouwde hij met actrice Dina Merrill, de dochter van de steenrijke zakenvrouw Marjorie Merriweather Post.
Samen met Merrill behoorde hij tot de absolute elite van de Amerikaanse bovenklasse.
Hun huwelijk hield uiteindelijk maar liefst 22 jaar stand.
Robertson kreeg uit elk van zijn twee huwelijken een dochter.
Zijn passie voor vliegen was bovendien véél meer dan zomaar een hobby.
Hij begon al op zijn dertiende met vlieglessen via een slimme ruil: hij maakte de hangars schoon in ruil voor vliegtijd.
In de loop der jaren bouwde hij een indrukwekkende privécollectie op, waaronder een authentieke Britse Supermarine Spitfire uit de Tweede Wereldoorlog.
Die liefde voor de luchtvaart zette hij ook in voor goede doelen.
Zo hielp hij in de jaren zeventig bij het organiseren van hulpvluchten naar Nigeria en Ethiopië om hongersnood te bestrijden, en stond hij aan de wieg van het Young Eagles-programma om jongeren enthousiast te maken voor de luchtvaart.
Zijn vliegpassie leidde in 2001 zelfs tot een wel heel bijzonder historisch moment.
Op de ochtend van 11 september vloog Robertson in zijn privé-vliegtuigje direct boven Manhattan, net op het moment dat het eerste vliegtuig de World Trade Center-toren raakte.
De luchtverkeersleiding sommeerde hem meteen om zijn toestel aan de grond te zetten.
Daarnaast was hij een fervent tennis- en skiliefhebber en een verdienstelijk auteur.
Cliff Robertson bleef tot op het allerlaatste moment trouw aan zichzelf: hij overleed in de staat New York op exact één dag na zijn 88ste verjaardag.
Op 8 september 1966 zond de Amerikaanse televisiezender NBC de allereerste aflevering van Star Trek uit, getiteld The Man Trap.
De serie was het geesteskind van scenarioschrijver en producent Gene Roddenberry, die een optimistische toekomst voor ogen had waarin de mensheid haar onderlinge conflicten had overwonnen om samen het universum te verkennen.
Aan boord van het ruimteschip USS Enterprise leidde kapitein James T. Kirk, gespeeld door William Shatner, een opvallend diverse bemanning.
In het tijdperk van de Koude Oorlog en de strijd voor burgerrechten in de Verenigde Staten was het revolutionair om een zwarte vrouw, een Aziaat en later zelfs een Rus gelijkwaardig te laten samenwerken met een emotieloze alien, de iconische Vulcan Mr. Spock, vertolkt door Leonard Nimoy.
Hoewel Star Trek tegenwoordig geldt als een van de meest invloedrijke sciencefictionfranchises aller tijden, was het begin uiterst moeizaam.
De kijkcijfers vielen tegen en na het tweede seizoen dreigde de zender de stekker er al uit te trekken.
Alleen dankzij een ongekende brievenactie van toegewijde fans kreeg de serie een derde seizoen, waarna het doek in 1969 na slechts 79 afleveringen definitief viel.
Pas in de jaren zeventig, toen herhalingen massaal werden uitgezonden op lokale zenders, groeide de serie uit tot een wereldwijd fenomeen.
De zogeheten Trekkies organiseerden de eerste conventies en hielden de filosofie van oneindige diversiteit in oneindige combinaties springlevend.
Het succes van de herhalingen leidde uiteindelijk tot een reeks bioscoopfilms en vanaf 1987 tot nieuwe televisieseries zoals The Next Generation, Deep Space Nine en talloze latere spin-offs.
Naast het entertainmentgehalte bleek Star Trek ook een enorme inspiratiebron voor de echte wetenschap en technologie.
Ontwerpers van de eerste mobiele klaptelefoons, tablets en spraakgestuurde computers lieten zich openlijk inspireren door de gadgets van de Enterprise.
Zestig jaar na de eerste uitzending staat het originele Star Trek nog altijd symbool voor maatschappelijke vooruitgang, hoop en de blijvende nieuwsgierigheid om moedig te gaan waar niemand ooit tevoren is gegaan.
Zelf heb ik deze tv-reeks nooit gezien, maar ik las wel jaren eerder als kind de boeken over hun avonturen.
De geestelijke moeder van deze meeslepende verhalen was de Britse schrijfster Enid Blyton (1897-1968), een van de succesvolste kinderboekenauteurs aller tijden.
Ze schreef de oorspronkelijke reeks van 21 boeken tussen 1942 en 1963.
De verhalen draaiden om de broers Julian en Dick, hun zusje Anne, hun stoere nichtje Georgina (die liever George genoemd wilde worden) en de hond Timmy.
Samen trokken ze er tijdens de schoolvakanties op uit, vaak rond het fictieve kustdorpje Kirrin.
Wat de boeken voor generaties kinderen zo magisch maakte, was het gevoel van ultieme vrijheid: de hoofdpersonages beleefden hun avonturen zonder toezicht van volwassenen, kampeerden op eilandjes, verkenden ruïnes en ontrafelden geheimen met verrekijkers en zaklampen.
In 1978 verscheen de populaire Britse jeugdserie De Vijf, gebaseerd op deze beroemde boekenreeks.
De hoofdrollen werden vertolkt door Marcus Harris als Julian, Gary Russell als Dick en Jennifer Thanisch als Anne. Samen met Michele Gallagher als het tomboy-meisje George en de trouwe hond Timmy beleefden ze talloze avonturen vol mysterie, geheime gangen en smokkelaars.
De serie werd geproduceerd door Southern Television voor het ITV-netwerk en omvatte 26 afleveringen verdeeld over twee seizoenen.
De makers slaagden erin de nostalgische sfeer van de boeken perfect over te brengen naar het tv-scherm, waardoor de verfilming voor veel kinderen die opgroeiden in de late jaren zeventig en tachtig de definitieve weergave werd van de klassieke verhalen.
De herkenbare begintune en de spannende verhaallijnen maakten de tv-reeks tot een grote internationale hit die ook in de Lage Landen met veel succes werd uitgezonden.
Na het afronden van de serie namen de jonge hoofdrolspelers vrijwel allemaal afstand van de acteerwereld en sloegen zij heel uiteenlopende wegen in.
Marcus Harris stopte grotendeels met acteren, stapte het bedrijfsleven in en werd later actief in de lokale politiek als raadslid en burgemeester van Wallingford.
Na een zware beroerte besloot hij een langgekoesterde droom waar te maken en publiceerde hij in 2025 zijn eerste roman, Running Away.
Gary Russell bleef als enige nog even actief in het vak, maar maakte al snel de overstap naar een succesvolle achter-de-schermen-carrière als schrijver, redacteur en producent, waarbij hij een belangrijke rol speelde in de wereld van de bekende sciencefictionserie Doctor Who.
Jennifer Thanisch koos op haar beurt voor een rustig privéleven buiten de schijnwerpers, stichtte een gezin en ging aan de slag als lerares op een basisschool in Sussex.
Het levensverhaal van Michele Gallagher kent helaas een tragisch verloop: zij trok zich volledig terug uit de openbaarheid en overleed in 2000 op 36-jarige leeftijd.
Margaret P. L. Pierce werd geboren op 24 oktober 1931 in Detroit, Michigan.
Nadat ze in haar jeugd haar moeder en broer verloor, koos ze aanvankelijk voor een opleiding tot verpleegkundige aan de New York University School of Nursing.
Daarnaast was ze actief als fotomodel, wat uiteindelijk de deur opende naar een carrière in de entertainmentindustrie.
Pierce was een impulsieve, openhartige persoonlijkheid die ervan genoot om interviews te geven.
De achtergrondverhalen die ze in de pers deelde, veranderden echter door de jaren heen, wat voor de nodige verwarring zorgde over haar exacte opleiding, de duur van haar werk als verpleegkundige of model, en de manier waarop haar grote doorbraak in de showbizz tot stand kwam.
Ze hield er een opvallende levensstijl op na: ze at slechts één maaltijd per dag, zwom dagelijks tweehonderd meter en stak af en toe een sigaret op, naar eigen zeggen puur om vervelende mensen te verjagen.
Ze was daarnaast dol op sport. In haar middelbareschooltijd speelde ze voetbal en als volwassene was ze catcher in een softbalteam dat volledig bestond uit vrouwen uit de Hollywood-industrie.
Na het volgen van acteerlessen werd ze in 1959 gecontracteerd door de bekende filmstudio Metro-Goldwyn-Mayer.
Tijdens haar periode bij MGM verscheen ze regelmatig in de rubrieken van bekende roddeljournalisten zoals Hedda Hopper en Louella Parsons.
Zij schreven uitgebreid over haar liefdesleven, waaronder een verbroken verloving met zakenman Bob Neal en een nooit officieel bevestigde verloving met David Lange, de jongere broer van actrice Hope Lange.
In haar beginjaren bij MGM speelde ze bijrollen in verschillende speelfilms, waaronder de romantische komedie ‘Where the Boys Are’ uit 1960 en het drama ‘Go Naked in the World’ uit 1961, waarin ze naast grote namen als Gina Lollobrigida en Ernest Borgnine verschijnt.
Hoewel ze in films vaak in bescheiden rollen te zien was, bouwde ze al snel een veelzijdige televisiecarrière op.
Zo was ze te zien in bekende series uit de jaren zestig, zoals ‘Wagon Train’, ‘Alfred Hitchcock Presents’, ‘The Fugitive’ en ‘The Man from U.N.C.L.E.’
Tevens speelde ze mee in de horroranthologie ‘Tales of Terror’ uit 1962 en de muzikale film ‘The Fastest Guitar Alive’ uit 1967.
Haar bekendste televisierol kreeg ze in het seizoen 1965-1966, toen ze de rol van Barbara Porter vertolkte in de komedieserie ‘My Mother the Car’, waarin ze de echtgenote speelde van het personage van Jerry Van Dyke.
Rond 1966 kreeg ze een relatie met vastgoedtycoon Jerome “Jerry” Minskoff, die vijftien jaar ouder was en op dat moment getrouwd was en drie kinderen had.
Sommige bronnen vermelden dat ze na zijn echtscheiding in 1966 in Las Vegas trouwden, maar de enige officiële huwelijksakte in de openbare registers stamt uit New York City in 1971.
Vanaf dat moment verschoof haar aandacht geleidelijk van acteren naar de theaterwereld achter de schermen.
Haar echtgenoot produceerde Broadwaystukken in het theater dat door zijn familie was geopend.
Hij werd zeven keer genomineerd voor een Tony Award en won er een in 1986 voor de herneming van Sweet Charity.
Onder de naam Maggie Minskoff was ze onder meer werkzaam als productiecoördinator voor Broadwayvoorstellingen, waaronder de succesvolle musical Irene met Debbie Reynolds.
Ook was ze gedurende langere tijd betrokken bij het beheer van het beroemde Minskoff Theatre in New York.
Het echtpaar verdeelde hun tijd tussen hun woningen in Manhattan en Londen, tot aan het overlijden van Minskoff in augustus 1994.
Jerome Minskoff speelde een sleutelrol in de familieonderneming, die werd geleid door een van de oudste bouworganisaties van New York.
Als partner bij de historische onderneming die in 1908 werd opgericht door zijn grootvader Samuel, had hij de leiding over het beheer en de verhuur van het volledige Minskoff-vastgoed.
Na zijn studie rechten was hij later dan zijn broers toegetreden tot het familiebedrijf, waar hij zich ontwikkelde tot een van de bepalende krachten.
Vanuit zijn traditioneel ingerichte kantoor, pal naast dat van zijn oudste broer Henry, stuurde hij de zakelijke exploitatie aan.
Binnen het hechte familiebedrijf, waar de taken duidelijk verdeeld waren tussen het bouwmanagement van zijn broer Myron en het algemene bestuur van Henry, vormde Jerry de strategische pijler achter het commerciële succes.
In 1981 maakte de familie zich op voor nieuwe projecten in de metropoolregio, waarbij Jerry zich ook voorbereidde op de komst van zijn zoon Steven, die in juni als nieuwe generatie het bedrijf versterkte.
Samen met zijn familie en enkele andere grote bouwfamilies behoorde Jerry tot de belangrijkste ontwikkelaars van speculatieve kantoorpanden in de stad.
Na een zware periode keek hij in 1981 met een goed gevoel terug op het herstel van hun portefeuille.
Toen hoofdhuurder W. T. Grant in 1975 failliet ging, kwam er op het dieptepunt van de markt maar liefst 400.000 vierkante voet aan kantoorruimte leeg te staan in hun vlaggenschip 1 Astor Plaza.
Jerry wist het gebouw in de jaren daarna echter weer volledig te verhuren.
Hoewel hij vastberaden was om te blijven bouwen, benadrukte hij hoe selectief ontwikkelaars moesten zijn en hoe lastig speculatieve bouw in die tijd was geworden.
Jerry stond ook bekend om zijn uitgesproken visie op de stadsontwikkeling van New York.
Hij sprak zich kritisch uit over de voorgestelde herziening van de zone-indeling voor midtown Manhattan om de West Side te ontwikkelen en bleef realistisch over de economische haalbaarheid en de logistiek van de stad.
Toch speelde zijn bedrijf een pioniersrol toen het in 1966 het Astor Hotel aan Broadway verwierf.
Onder de nieuwe theaterwetgeving realiseerden ze daar een multifunctionele toren met kantoorruimtes, winkels en twee theaters, waaronder het bekende Minskoff Theatre.
Ondanks de complexe financiering en een uitdagende timing wist Jerry het project naar een goed einde te brengen door sterk relatiebeheer met grote geldschieters.
Hij onderhield uitstekende banden met de concurrentie, geloofde sterk in de kameradschap binnen het vak en bleef, geheel in lijn met de familietraditie, onverminderd optimistisch over de verdere expansie van hun vastgoedimperium.
Het oorspronkelijke familiebedrijf Samuel Minskoff & Sons, zoals Jerry en zijn broers dat in de twintigste eeuw leidden, bestaat in die klassieke vorm inmiddels niet meer.
Wel is de naam Minskoff nog altijd een van de meest vooraanstaande spelers in de New Yorkse vastgoedwereld gebleven, voornamelijk via Edward J. Minskoff Equities (EJME).
Edward J. Minskoff, de zoon van Henry en het neefje van Jerry, richtte deze opvolger in 1987 op.
Het bedrijf bezit, ontwikkelt en beheert miljoenen vierkante meters aan hoogwaardig vastgoed, waaronder beeldbepalende kantoortorens zoals 51 Astor Place en 1166 Avenue of the Americas in Manhattan.
Net als veel andere grote vastgoedontwikkelaars in New York heeft de onderneming recent te maken gekregen met een veranderende kantorenmarkt.
Hoewel EJME succesvol grote nieuwe huurders weet aan te trekken voor hun panden in Manhattan en nieuwe ontwerpen ontwikkelt, zorgen de gestegen rentevoeten en de veranderde vraag naar kantoorruimte af en toe voor financiële uitdagingen bij specifieke herfinancieringen en buitenstedelijke projecten.
Desondanks behoort de organisatie nog altijd tot de gevestigde orde van institutionele vastgoedontwikkelaars in de Verenigde Staten.
Na het overlijden van haar echtgenoot verhuisde Pierce uiteindelijk naar Las Vegas, Nevada. Maggie Pierce overleed op 5 april 2010 op 78-jarige leeftijd in Danbury, Connecticut (achterkant cover van het tijdschrift Piccolo, zomer 1961)
We leerden het nummer ‘Als je weet wat liefde is’ kennen dankzij de legendarische televisieserie Sil de Strandjutter.
Deze onvergetelijke reeks, met fantastische hoofdrollen voor Jan Decleir en Monique van de Ven, werd voor het eerst uitgezonden in 1976.
De muziek werd gecomponeerd door Johnny Pearson, waarna Karel H. Hille zorgde voor de prachtige Nederlandse tekst.
Monique van de Ven bracht het nummer destijds uit op single, maar helaas kwam het niet verder dan de Tipparade.
Later besloot ook Mieke Telkamp het nummer te coveren.
Sil de Strandjutter is een dramaserie gebaseerd op het gelijknamige en succesvolle boek van de Nederlandse auteur Cor Bruijn uit 1940.
Het verhaal speelt zich af in de negentiende eeuw op het waddeneiland Terschelling en volgt het leven van de eigenzinnige boer en strandjutter Sil Droeviger.
Wanneer hij tijdens een zware storm een Zweeds meisje uit een zinkende boot redt, besluit hij haar als zijn eigen dochter op te voeden, wat leidt tot een meeslepend gezinsdrama vol liefde, trots en religieuze spanningen.
De serie was destijds een gigantisch kijkcijferkanon in zowel Nederland als Vlaanderen en geldt nog altijd als een van de absolute hoogtepunten uit de Nederlandstalige televisiegeschiedenis.
Een leuk weetje is dat de productie destijds ontzettend ambitieus en duur was voor die tijd.
De opnames vonden grotendeels plaats op Terschelling zelf, wat zorgde voor een zeer authentieke en rauwe sfeer.
Hoewel Monique van de Ven destijds al een grote ster was door haar filmdebuut in Turks Fruit, was haar muzikale uitstapje met de titelsong een zeldzaamheid in haar carrière.
De serie zorgde bovendien voor een enorme boost in het toerisme naar Terschelling, omdat kijkers massaal de prachtige, melancholische locaties uit de afleveringen met eigen ogen wilden bewonderen.
Monique van de Ven woont inmiddels al jaren samen met haar man, de acteur en scenarioschrijver Turks Fruit, in het Gooise Blaricum.
Stilzitten doet de actrice nog allerminst, want ze denkt nog zeker niet na over een definitief pensioen.
Zo speelde ze recent nog de hoofdrol in het deels fictieve docudrama Een vrouw als Monique en staan er ook alweer diverse nieuwe filmprojecten op haar planning.
De bekende tv-reeks CHiPs, die van 1978 tot en met 1983 goed was voor zes seizoenen en destijds te zien was op de BRT, is een iconisch en licht misdaaddrama over twee motorpolitieagenten.
In de serie vertolkt Erik Estrada de rol van de macho-agent Francis, beter bekend als Frank Poncherello, terwijl Larry Wilcox gestalte geeft aan zijn no-nonsense en rechttoe rechtaan partner Jon Baker.
Samen patrouilleren ze als Highway Patrolmen voor het kantoor in Central Los Angeles van de California Highway Patrol.
De afkorting van deze politiedienst, CHP, verklaart meteen ook de herkomst van de serietitel.
Hun opdrachten krijgen de agenten steevast van Sergeant Joseph (of Joe) Getraer, een rol gespeeld door Robert Pine.
Kenmerkend voor de reeks is de ronkende motor waar de agenten op rijden: voor de opnames maakte men gebruik van de Kawasaki Z1000 P, waarbij de P heel toepasselijk voor Police staat.
De aanhoudende populariteit van de originele reeks leidde in 2017 nog tot een bioscoopfilm.
Hierin namen Dax Shepard en Michael Peña de hoofdrollen van respectievelijk Jon Baker en Frank Poncherello voor hun rekening, al dook Erik Estrada wel nog even op voor een kleine gastrol.
Wat veel televisiekijkers destijds echter niet wisten over de reeks en de twee hoofdrolspelers, is dat de vriendschap tussen de agenten louter acteerwerk was.
Hoewel Estrada en Wilcox op het scherm onafscheidelijke en loyale partners speelden, konden de twee acteurs het achter de schermen helemaal niet goed met elkaar vinden.
De onderlinge rivaliteit en de spanningen op de set liepen na verloop van tijd zelfs zo hoog op dat Larry Wilcox besloot om op te stappen.
Hij keerde daardoor niet meer terug voor het zesde en tevens laatste seizoen van de serie.
Daarnaast had Erik Estrada de reeks bijna niet kunnen afmaken: hij kreeg tijdens de opnames van het derde seizoen een zeer zwaar motorongeluk op de set, maar wist na een intensieve revalidatie toch succesvol terug te keren.
Zorro is de legendarische bioscoop- en televisieheld die met veel verve gerechtigheid bracht in het koloniale Californië.
Achter het iconische masker, de kenmerkende hoed en de wapperende zwarte cape ging de edelman Diego de la Vega schuil.
Deze nobele strijder stond erom bekend altijd zijn beroemde brandmerk, een gekerfde Z, achter te laten na een succesvolle missie.
Het Spaanse woord zorro betekent overigens vos, een uiterst toepasselijke naam voor deze sluwe en behendige held.
Volgens de overlevering arriveerde Diego de la Vega in 1805 in Californië, dat op dat moment nog een uitgestrekte Spaanse kolonie was.
Zijn vader was een welgestelde man en de eigenaar van een Spaanse mijn.
Toen er in 1820 verhalen over een mysterieuze held die de armen verdedigde tegen de wrede Spanjaarden zijn geboortedorp Barranca del Cobre bereikten, hadden de dorpsbewoners al snel door om wie het daadwerkelijk ging.
Deze boeiende legende werd wereldberoemd dankzij de iconische televisieserie, geproduceerd door de studio’s van Walt Disney.
De populaire reeks liep van 10 oktober 1957 tot en met 2 april 1961 en groeide uit tot een absolute televisieklassieker.
De titelrol werd meesterlijk vertolkt door Armando Joseph Catalano, die wereldwijde bekendheid verwierf onder zijn pseudoniem Guy Williams.
Hij werd geboren in 1924 en overleed onverwacht in 1989 in Buenos Aires, waar hij na zijn acteercarrière naartoe was verhuisd, omdat de serie daar ongekend populair bleef.
Een leuk weetje over de reeks is dat Williams in het echte leven een uitstekende en gepassioneerde schermer was.
Hierdoor hoefde er zelden een stuntman aan te pas te komen en voerde hij de sierlijke zwaardgevechten met echte, onafgestompte zwaarden uit, wat de actiescènes bijzonder realistisch maakte.
Als we naar de fenomenale cast van destijds kijken, moeten we helaas vaststellen dat de volledige hoofdcast inmiddels is overleden, wat onvermijdelijk is gezien de ouderdom van deze geliefde serie.
Gene Sheldon, die op komische en aandoenlijke wijze gestalte gaf aan Diego’s dove en stomme, maar enorm trouwe dienaar Bernardo, stierf in 1982.
Henry Calvin, voor altijd onvergetelijk als de sympathieke, hongerige en ietwat onhandige Sergeant Garcia met wie Zorro keer op keer de draak stak, overleed in 1975.
George J. Lewis, die de rol speelde van Don Alejandro de la Vega, de trotse en rechtvaardige vader van Diego, stierf op hoge leeftijd in 1995.
Ook Don Diamond, die vaak te zien was als de lankmoedige sidekick van Garcia, de grappige Korporaal Reyes, is niet meer onder ons; hij overleed in 2011 op negentigjarige leeftijd.
Hoewel de acteurs ons hebben verlaten, zorgen de tijdloze avonturen, de aanstekelijke titelsong en hun memorabele vertolkingen ervoor dat de legende van Zorro voor altijd blijft voortleven in de harten van talloze fans
Na het afronden van een klassieke opleiding aan de Koninklijke Toneelschool van Gent verwierf hij al snel bekendheid binnen de amateurverenigingen, en in het bijzonder bij de Gentse Rederijkerskamer Jhesus met der Balsemblomme.
Daar ontmoette hij de toenmalige Prince Souverein Herman Van Overbeke.
Deze ontmoeting vormde het startschot van een zeer vruchtbare samenwerking, die de aanzet gaf tot het structureren en uitbreiden van talloze rederijkerskamers en amateurgezelschappen in Vlaanderen.
Vanuit die gedrevenheid stichtte Van Lanckere in 1932 het Algemeen Kristelijk Vlaams Toneel (A.K.V.T.), een verbond dat voornamelijk Oost-Vlaamse gezelschappen verenigde.
Slechts vier jaar later volgde de oprichting van het Nationaal Vlaams Kristelijk Toneelverbond (N.V.K.T.), een overkoepelende organisatie voor alle landelijke Vlaams-christelijke amateurgezelschappen.
Hij zette zich hier met hart en ziel voor in als bezielend secretaris-generaal, tot hij in 1986 wegens ziekte de fakkel moest doorgeven.
Zijn ambities in het theater reikten echter nog verder.
In 1950 richtte hij de Keurgroep op, een initiatief waarmee hij getalenteerde acteurs wilde samenbrengen.
De kwaliteiten van deze groep bleven niet onopgemerkt, want al snel werden ze gevraagd om toe te treden tot de International Amateur Theatre Association (I.A.T.A.).
Dit opende de deuren naar een indrukwekkende internationale tournee.
De Keurgroep trad op doorheen heel Europa, met voorstellingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië, Tsjechoslowakije, Italië, Denemarken, Finland, Oostenrijk, Roemenië, Ierland en Schotland. Ook buiten de Europese grenzen wisten ze het publiek te boeien, met opvoeringen in Amerika, Japan, Mexico en India.
Naast zijn levenswerk in het theater bouwde Carlos Van Lanckere eveneens een mooie carrière op in de film- en televisiewereld.
Hij was erbij toen de allereerste opnamen van het toenmalige N.I.R., de nationale televisieomroep van België, werden gemaakt en groeide al snel uit tot een vertrouwd gezicht in tal van Vlaamse televisiereeksen.
Zo schitterde hij als Naten in De Filosoof van Haeghem, waar hij speelde aan de zijde van Romain Deconinck en Jenny Tanghe.
In de reeks Dirk Van Haveskerke, een bewerking van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen, nam hij de rol van Jan Breydel voor zijn rekening, geflankeerd door Luc Philips in de rol van Pieter De Coninck.
Daarnaast vertolkte hij de opmerkelijke rol van Gust Verhelle in de televisieklassieker De Paradijsvogels.
Ook op het witte doek liet hij zijn sporen na.
Tijdens de eerste internationale doorbraak van de Vlaamse film in 1971 speelde hij deken Broeke in Mira, een film met Jan Decleir en Willeke van Ammelrooy die toen een officiële selectie wist te verzilveren op het prestigieuze filmfestival van Cannes.
Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven bleef hij met onverminderde interesse alles wat met het amateurtheater te maken had op de voet volgen, een passie die hij koesterde tot aan zijn overlijden op 23 juli 1996.
Dit aanstekelijke nummer werd geschreven door de Britse zangeres, componiste en producer Cathy Dennis, samen met oude rot in het vak Rob Davis.
De wat oudere muziekliefhebbers zullen Davis misschien nog wel herkennen uit zijn tijd als gitarist van de legendarische Britse glamrockband Mud.
De samenwerking bleek een schot in de roos, want de single veroverde moeiteloos de eerste plaats in de Vlaamse Ultratop 50 en wist die positie maar liefst zes weken lang vast te houden.
In de BRT Top 30 deed het nummer het zo mogelijk nog beter door daar maar liefst acht weken lang de absolute eerste plaats te bezetten.
Eveneens in Nederland en in vrijwel de rest van de wereld domineerde het nummer de hitlijsten en behaalde het overal de nummer één-positie.
De pers was destijds laaiend enthousiast over deze fenomenale comeback en schreef dat Kylie er weer helemaal mocht zijn.
Het kon inderdaad verkeren, want nog niet zo heel lang daarvoor werd ze gezien als een simpel tienersterretje met zo weinig geloofwaardigheid dat zelfs de Joepie of de Hitkrant er zijn neus voor zou ophalen.
Ze onderging echter een indrukwekkende transformatie tot een ware vamp en bouwde aan een heel nieuw imago.
Ze had een spraakmakende relatie met INXS-frontman Michael Hutchence, zong een onvergetelijk duet met Nick Cave, werkte samen met de Manic Street Preachers en nam muziek op met Robbie Williams.
Haar geloofwaardigheid steeg naar zulke grote hoogten dat popkoningin Madonna destijds zelfs met een T-shirt met de naam van Kylie erop rondliep.
Om haar nieuwe, zelfverzekerde imago nog wat extra in de verf te zetten, poseerde ze in die periode regelmatig met zo min mogelijk kleding aan voor diverse vooraanstaande fotografen.
Naast deze opmerkelijke feiten over haar megahit en transformatie, is de carrière van de Australische zangeres rijk aan nog veel meer bijzondere details.
Wat veel mensen zich wellicht nog herinneren, is dat ze haar doorbraak niet in de muziek beleefde, maar als actrice in de populaire Australische soapserie Neighbours.
Daar vertolkte ze de rol van de stoere monteur Charlene Robinson, en haar bruiloft op het scherm met Jason Donovan behoort nog altijd tot de best bekeken televisiemomenten uit die tijd.
Het beroemde en onweerstaanbare la-la-la-gedeelte uit Can’t Get You Out Of My Head was overigens in eerste instantie bedacht als een tijdelijke opvulling voor de melodie, maar bleek zo aanstekelijk dat het ongewijzigd werd behouden en uitgroeide tot de grootste hook van het decennium.
Ook de futuristische muziekvideo, geregisseerd door Dawn Shadforth, droeg enorm bij aan het wereldwijde succes.
In deze clip is Kylie onder meer te zien in een sportieve wagen tegen een futuristische achtergrond en voert ze samen met haar dansers een strakke choreografie uit, bedacht door Michael Rooney, die hiervoor in 2002 zelfs een MTV Video Music Award voor Best Choreography won.
Minstens zo memorabel was haar kleding in de clip: een uiterst opvallende witte jumpsuit met diepe uitsnijdingen en een kap, speciaal voor haar ontworpen door de Londense modeontwerpster Fee Doran onder het label Mrs Jones.
Bovendien is Kylie niet de enige ster in de familie; haar jongere zus Dannii Minogue heeft eveneens een enorm succesvolle carrière opgebouwd als zangeres en televisiepersoonlijkheid.
Misschien wel het meest bewonderenswaardige aan Kylie is haar immense veerkracht, want na een zware strijd tegen borstkanker in 2005 keerde ze wonderbaarlijk snel en succesvol terug naar het podium om haar unieke status in de popmuziek verder voort te zetten.
Dat de inmiddels 58-jarige zangeres nog absoluut geen zin heeft om te stoppen met haar passie, bewees ze onlangs nog maar eens.
Op 1 juli van dit jaar bracht ze namelijk in samenwerking met Snow Control de nieuwe single ‘These Alarm’ uit.
Ook op andere vlakken blijft ze volop actief, want ook dit jaar verscheen er een gloednieuwe documentaire over haar leven op Netflix, simpelweg getiteld Kylie.
Na bijna dertig jaar in Londen te hebben gewoond, is ze inmiddels teruggekeerd naar haar roots en geniet ze tegenwoordig van het leven in haar thuisland Australië, waar ze zich nabij Melbourne heeft gevestigd.
In juli 1976 was de Engelse acteur David Jason bij het Nederlandse publiek vooral bekend van de komedieserie Tsjongejonge, wat de nogal vrije AVRO-vertaling was van de Britse reeks A sharp intake of breath.
Elke vrijdagavond zagen de kijkers hem in de rol van Peter Barnes, een man die werkelijk altijd pech had en het ongeluk leek aan te trekken.
Wat velen toen echter niet wisten, was dat deze rol de acteur op het lijf geschreven was.
Ook in zijn dagelijks leven werd de acteur constant door het noodlot achtervolgd.
Hoewel Jason oorspronkelijk een opleiding tot elektricien had gevolgd voordat hij definitief voor het acteren koos, kon je hem halverwege de jaren zeventig allesbehalve een handige klusjesman noemen.
Hij had naar eigen zeggen twee linkerhanden, maar steevast als hij na zijn werk thuiskwam, begon hij aan een of ander project dat gegarandeerd finaal fout afliep.
Het absolute dieptepunt van zijn doe-het-zelf-drang speelde zich af rond een schattig boerderijtje dat hij als weekendhuisje had gekocht.
Hij wist dat er wat opknapwerk nodig was en had een strak schema opgesteld om in een maand of drie de kamers en de keuken stuk voor stuk aan te pakken.
Ironisch genoeg, gezien zijn eerdere beroepskeuze, liep het mis bij de elektriciteit. De bedrading was compleet verrot.
Hij dacht de klus wel even te klaren en draaide er zijn hand niet voor om, maar nadat hij de oude draden had verwijderd, overzag hij het geheel totaal niet meer en zag hij er geen begin en geen eind meer aan.
Dit leidde ertoe dat hij en zijn vrouw twee weekenden lang bij kaarslicht moesten zitten.
Toen hij op een avond met een kaars in zijn hand naar de zolder liep, werd deze plotseling gedoofd door een regendruppel.
De volgende dag inspecteerde hij het dak en ontdekte dat ook dit volledig verrot was.
Zonder aarzelen haalde hij een ladder, zette deze tegen het strodak en klom naar boven.
Halverwege zat een flink gat in het stro.
Toen hij er voorzichtig omheen probeerde te stappen, verloor hij zijn evenwicht en viel dwars door het verrotte dakgebinte heen.
Hij belandde beneden op de deel, met diverse gebroken botten als gevolg.
Dit ongeval kostte hem bijna zijn leven en zorgde ervoor dat de acteur de hele zomer, maar liefst zes maanden lang, in het ziekenhuis moest doorbrengen.
Hij kon wel janken toen hij daar lag.
Gedurende die tijd tussen de witte lakens kreeg hij van alle kanten te horen dat hij voortaan van de klusjes moest afblijven en het aan echte doe-het-zelvers moest overlaten.
Jason nam zich in het ziekenhuis stellig voor om die uitstekende raad op te volgen.
Helaas bleek dit voornemen niet vol te houden.
Daags na zijn thuiskomst verviel hij alweer in dezelfde fout.
Hij zag dat het gras rond het huisje veel te hoog stond, rende in een onbewaakt ogenblik naar de garage en haalde de grasmaaier.
Zodra hij begon te maaien, sloeg het kreng plotseling om tot vlak voor zijn tenen.
Hij kon nog maar net op tijd wegspringen om te voorkomen dat hij zijn tenen van zijn voeten maaide.
Een jaar na deze reeks pijnlijke gebeurtenissen, in de zomer van 1976, verbleven Jason en zijn vrouw nog steeds regelmatig in hun weekendhuisje.
Hij verveelde zich daar naar eigen zeggen geen moment.
Ze lazen veel en wandelden graag, maar ondanks alle tegenslagen bekende de acteur dat hij altijd wel weer op zoek ging naar een nieuw klusje als hij even niets te doen had.
Gelukkig voor hem zou het tij in zijn latere leven keren, voornamelijk op professioneel vlak
Sir David Jason werd op 2 februari 1940 geboren als David John White in Edmonton, Londen.
Omdat er al een acteur actief was onder de naam David White, koos hij een nieuwe artiestennaam, geïnspireerd op zijn voorliefde voor de film Jason and the Argonauts.
Hoewel hij na zijn schooltijd dus oorspronkelijk die opleiding tot elektricien volgde, bleef de acteerwereld aan hem trekken.
In de loop van de jaren zestig zette hij zijn eerste stappen in het theater, waarna hij langzaam maar zeker de overstap maakte naar televisie en begon te bouwen aan een carrière die decennia zou omspannen.
Zijn vroege televisiewerk bestond vooral uit komische bijrollen en veel stemmenwerk, waaronder populaire animatieseries voor kinderen zoals Danger Mouse en The Wind in the Willows.
In de jaren zeventig en tachtig kreeg hij steeds grotere kansen.
Een bekende vroege rol was die van de onhandige Granville in de comedyserie Open All Hours.
Ver na de gevaarlijke klusavonturen uit de jaren zeventig kwam zijn absolute doorbraak bij het grote publiek in 1981 met de rol van de ambitieuze, vlotte marktkramer Derek Trotter, beter bekend als Del Boy, in Only Fools and Horses.
Deze serie liep met enorme kijkcijfers door tot het begin van de eenentwintigste eeuw en verankerde hem definitief in het Britse culturele geheugen als een onmiskenbaar komisch talent.
Naast de pure komedie toonde Jason in de jaren negentig aan dat hij ook in andere genres bijzonder sterk voor de dag kwam.
In The Darling Buds of May speelde hij de rol van de kleurrijke Pop Larkin, een succesvolle en nostalgische serie die tevens de doorbraak van actrice Catherine Zeta-Jones betekende.
Niet veel later verraste hij vriend en vijand door de rol aan te nemen van de norse, onconventionele maar briljante inspecteur Jack Frost in de misdaadserie A Touch of Frost.
Deze reeks liep van 1992 tot 2010 en toonde miljoenen kijkers een veel serieuzere en gelaagde kant van zijn acteerkunsten.
Voor zijn aanzienlijke bijdrage aan de Britse televisie werd hij in 2005 geridderd door koningin Elizabeth, waarna hij zich definitief Sir David Jason mocht noemen.
In de meer recente jaren heeft hij zijn herinneringen gedeeld via verschillende succesvolle autobiografische boeken en is hij blijven acteren, onder andere in Still Open All Hours, een vervolg op zijn eerdere succes.
Hij blijft een van de meest gerespecteerde en geliefde figuren binnen de Britse entertainmentindustrie, met een oeuvre dat meerdere generaties televisiekijkers aan de buis wist te kluisteren.
Zijn privéleven kende overigens ook veel bewogen momenten.
Zo was hij maar liefst achttien jaar samen met de Welshe actrice Myfanwy Talog, totdat zij in 1995 overleed aan borstkanker.
Uiteindelijk vond hij nieuw geluk bij televisieproducente Gill Hinchcliffe.
Met haar kreeg hij in 2001 op 61-jarige leeftijd zijn eerste dochter, waarna het koppel in 2005 in het huwelijksbootje stapte.
In 2023 ontdekte de inmiddels hoogbejaarde acteur bovendien tot zijn grote verrassing dat hij nog een oudere, tot dan toe onbekende dochter had uit een korte relatie in 1970, wat zijn opmerkelijke levensverhaal alleen maar verder verrijkte.
Tegenwoordig leidt David Jason al vele jaren een rustig en teruggetrokken leven in het dorpje Ellesborough in het graafschap Buckinghamshire in Zuid-Engeland.
Hij woont daar samen met zijn vrouw Gill Hinchcliffe en hun dochter Sophie Mae.
Ondanks deze rustige thuisbasis is de nu 86-jarige acteur nog altijd actief in de entertainmentwereld.
Hij is regelmatig te zien in speciale tv-documentaires en jubileumuitzendingen van zijn klassieke series, waaronder een speciaal eerbetoon voor het vijftigjarig bestaan van Open All Hours.
Daarnaast treedt hij op in het theater met zijn eigen liveshow An Evening with Sir David Jason, waarin hij met veel plezier verhalen en anekdotes ophaalt uit zijn lange carrière.
Verder maakt hij nog altijd programma’s en treedt hij op als gastheer in verschillende documentaires en talkshows op de Britse televisie.
Charlotte Lewis werd op 7 augustus 1967 geboren in de wijk Kensington in Londen.
Ze groeide op in een diverse omgeving met een Ierse moeder en een half-Chileense, half-Iraakse vader, die ze tijdens haar jeugd echter niet heeft gekend.
Ze ging naar school op de Bishop Douglass School in het noorden van Londen en maakte in 1978 als kind al haar eerste opwachting op televisie in de Britse jeugdserie Grange Hill.
Daarna begon ze als tiener te werken als model. Haar opvallende verschijning trok al snel de aandacht van de internationale filmindustrie, wat resulteerde in haar grote doorbraak halverwege de jaren tachtig.
Op achttienjarige leeftijd werd ze gecast voor de vrouwelijke hoofdrol in de avonturenfilm Pirates uit 1986, geregisseerd door Roman Polański.
Deze rol zette haar direct op de kaart in Hollywood en leverde haar veel publiciteit op.
Datzelfde jaar schitterde ze naast Eddie Murphy in de succesvolle actiekomedie The Golden Child.
Haar vertolking van de mysterieuze Kee Nang maakte haar wereldwijd bekend bij het grote publiek en vormde het absolute hoogtepunt van haar acteercarrière.
In de jaren die volgden speelde ze in diverse films en televisieseries, hoewel het overweldigende commerciële succes van haar eerste twee grote producties moeilijk te evenaren bleek.
Ze werkte in de late jaren tachtig en begin jaren negentig mee aan uiteenlopende projecten, zoals de thriller Tripwire en de actiefilm Men of War, waarin ze samen met Dolph Lundgren te zien was.
Daarnaast verscheen ze als gastactrice in populaire Amerikaanse televisieseries, met als opvallend weetje haar rol als Nina in een aflevering van de bekende sitcom Seinfeld in 1995.
Haar uiterlijk leverde haar niet alleen lof op het witte doek op; zo riep het tijdschrift Shape haar in de jaren negentig uit tot een van de vrouwen met het beste lichaam en haalde ze in 1993 de cover van het tijdschrift Playboy.
Gedurende haar carrière stond ook haar liefdesleven geregeld in de belangstelling, mede door haar banden met grote namen uit de entertainmentwereld.
Hoewel Lewis nooit in het huwelijk is getreden, werd ze romantisch gelinkt aan een reeks beroemde mannen.
Zo had ze kortstondige of langere relaties met onder meer haar tegenspeler Eddie Murphy, komiek Jim Carrey, en acteurs als Warren Beatty en Charlie Sheen.
Ook de beroemde muzikanten Eric Clapton en Michael Hutchence behoorden tot de mannen met wie ze een romantische connectie had.
Vanaf het einde van de jaren negentig nam ze geleidelijk meer afstand van de schijnwerpers in Hollywood om zich te concentreren op haar privéleven en de opvoeding van haar zoon, die in 2004 ter wereld kwam.
In mei 2010 kwam ze opnieuw in de publieke belangstelling toen ze naar buiten trad met onthullingen over haar vroege carrière.
Lewis maakte bekend dat regisseur Roman Polański haar in 1983 tijdens een casting in Parijs had misbruikt en beschuldigde hem er tevens van dat hij voorafgaand aan de opnamen van de film Pirates met alle actrices in deze film naar bed was geweest.
Ze was op dat moment zestien jaar oud. In een interview met het Franse tijdschrift Paris Match in 2019 noemde Polański haar beschuldigingen een gruwelijke leugen.
Hij haalde daarbij een oud tabloid-interview uit 1999 aan waarin Lewis volgens hem zou hebben gezegd dat ze juist zijn minnares wilde worden, iets wat Lewis stellig ontkent.
Omdat de verjaringstermijn voor het indienen van een aanklacht wegens het vermeende misbruik inmiddels was verstreken, diende Lewis in Frankrijk een aanklacht in wegens smaad tegen de regisseur.
In mei 2024 sprak de rechtbank in Parijs Polański vrij van smaad.
De rechters oordeelden dat Polański binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting was gebleven toen hij de aantijgingen in de media publiekelijk ontkende en zich verdedigde.
De rechtbank deed in deze specifieke zaak geen uitspraak over de waarheid van Lewis’ beschuldigingen van misbruik.
Lewis ging in hoger beroep, maar in december 2024 bevestigde een Frans hof van beroep haar vrijspraak en oordeelde de rechter dat Polański haar niet had belasterd en haar geen schadevergoeding hoefde te betalen.
Hoewel ze in de eenentwintigste eeuw nog slechts sporadisch voor de camera verscheen, blijft haar naam voor veel filmliefhebbers onlosmakelijk verbonden met de grote Amerikaanse spektakelfilms van de jaren tachtig.