Dit mooie verhaal, zo herkenbaar voor ons allen, deelde hij vier jaar geleden in onze FB-groep ‘Gisteren nog vandaag’.
‘1977: ik was 16 en het meisje met de ijsjes deed mijn hart smelten.
Op het einde van de jaren 70 was ik als jongeman zes dagen per week barman in een brasserie op de Korenmarkt.
Op weg naar het werk passeerde ik elke dag langs café Monopole, op de hoek van de Hooiaard.
In het café zelf had ik weinig interesse. Het was het meisje dat daar altijd achter haar grote diepvrieskoffer met crème glace stond dat mijn aandacht kreeg.
Een knappe verschijning. Met sproetjes – daar ben ik nog altijd even zot van. Haar naam heb ik nooit durven vragen.
Af en toe kocht ik een ijsje bij haar: twee bollekes op een horentje, mokka en chocolade. Elke keer vroeg ze me welke smaak bovenaan mocht.
Elke keer zei ik mokka, het lekkerste eerst. Veertien frank voor een ijsje en enkele woorden van haar.
Na het zoveelste ijsje durfde ik het eindelijk te vragen, of ze zin had om eens te gaan wandelen. “Oei, oei, ik heb geen tijd”, zei ze – het is waar dat we in die jaren echt veel moesten werken.
Zij was nerveus, ik kreeg een vuurrode kop.
Na die dag liep ik wekenlang een blokje om.
Ik zag haar dan in de verte, mijn hart begon sneller te kloppen, ik kreeg het benauwd en sloeg een straat eerder af.
Tot ze er op een dag niet meer stond. Ik heb nog lang gewacht, maar nooit heb ik haar nog gezien.
Had ik langer met haar moeten praten? Het nog eens opnieuw moeten vragen en niet beschaamd moeten zijn?
Ach, spijt heeft geen zin. Ik blik nu, ruim veertig jaar later, nog graag terug op die eerste, hevige verliefdheid.
En misschien voelt het nog altijd zo goed, juist omdat het altijd een mooi luchtkasteel is gebleven. Soms is het verlangen mooier dan de invulling ervan.’



























