Vandaag, 95 jaar geleden, te gast op de Boetprocessie van Veurne

De Boetprocessie van Veurne is een van de meest authentieke en ingetogen religieuze tradities in Vlaanderen.

Al sinds de zeventiende eeuw trekt deze historische omgang elke laatste zondag van juli door de straten van de West-Vlaamse boetestad, gedragen door een diepgeworteld gevoel van boetedoening en volksdevotie.

De oorsprong van de traditie ligt in het jaar 1637, toen de regio geteisterd werd door oorlogsgeweld en de pest.

In die donkere periode richtte Jacobijn Jacob Clou de Sodaliteit van de Gekruiste Zaligmaker op.

Deze broederschap stelde zich tot doel het lijden van Christus te herdenken en openlijk boete te doen om onheil af te wenden.

Sinds 1646 is de processie een vast gegeven in Veurne.

Wat de Boetprocessie zo indrukwekkend maakt, is het sobere en anonieme karakter.

De honderden boetelingen die deelnemen, lopen onherkenbaar mee, gehuld in sobere, bruine pijpen met een kap over het hoofd.

Velen van hen lopen blootsvoets en dragen zware, houten kruisen op de schouders als teken van persoonlijk offer en inkeer.

Hun identiteit blijft geheim, wat de focus volledig verlegt naar de innerlijke beleving en de boodschap van de processie.

De rijke geschiedenis van het evenement kent vele gedenkwaardige edities, zoals die van zondag 26 juli 1931.

Hoewel de processie die dag onder minder gunstige weersomstandigheden plaatsvond, lieten de deelnemers zich niet afschrikken.

Niettegenstaande de doorregende straten gingen vele kruisdragers op sandalen of blootsvoets in de optocht mee.

Tussen de groepen viel destijds de oude Pontius Pilatus op, die elk jaar trouw op zijn post was om zijn rol te vervullen.

Een ander aangrijpend moment was de val van Christus onder het kruis, een tafereel dat een diepe indruk van volkskunst achterliet bij het aanwezige publiek.

Die specifieke editie trok bovendien koninklijke belangstelling, zij het in alle discretie.

Ongemerkt voor de vele toeschouwers volgden aartshertog Otto van Oostenrijk en diens moeder keizerin Zita de rondgang van de Boetprocessie, leunend vanuit het balkon van een plaatselijk klooster.

Zita van Bourbon-Parma was de laatste keizerin van Oostenrijk en koningin van Hongarije.

Sinds de afzetting van haar echtgenoot keizer Karel I in 1918 en diens vroege overlijden in 1922 leefde zij met haar gezin in ballingschap.

Vanaf het overlijden van haar man droeg zij uit rouw uitsluitend nog zwarte kleding.

In 1929 kreeg de keizerlijke familie toestemming om zich in België te vestigen, waar zij warm werden onthaald door de Belgische koninklijke familie.

Ze vonden een veilig onderkomen in het kasteel De Ham in Steenokkerzeel, waar ze gedurende de jaren dertig woonden en van waaruit ze tijdens de zomermaanden regelmatig de Belgische kust bezochten voor hun vakanties.

Toen nazi-Duitsland in mei 1940 België binnenviel, liep de uitgesproken anti-nazistische familie echter opnieuw groot gevaar.

Ze moesten halsoverkop vluchten via Frankrijk en Spanje naar Portugal, om uiteindelijk de oversteek te maken naar het Amerikaanse continent.

Na de Tweede Wereldoorlog keerde keizerin Zita terug naar Europa, waar ze haar laatste levensjaren doorbracht in het Johannes-Stift in het Zwitserse Zizers.

Ze overleed daar op 14 maart 1989 op 96-jarige leeftijd, waarna haar lichaam werd overgebracht naar Wenen om te worden bijgezet in de Keizerlijke Crypte.

De oudste zoon, aartshertog Otto van Habsburg, was de voormalige kroonprins.

In juli 1931 was hij een jonge achttienjarige die in België studeerde aan de Katholieke Universiteit Leuven, waar hij in 1935 zijn doctoraat in de sociale en politieke wetenschappen zou behalen.

Voor het keizerlijke gezin, dat diep religieus was en sterke banden had met katholieke tradities, vormde de ingetogen en historische Boetprocessie in het nabijgelegen Veurne een passend moment van bezinning tijdens hun verblijf in Vlaanderen.

Otto van Habsburg zou later uitgroeien tot een van de meest invloedrijke Europese figuren van zijn tijd.

Tijdens de jaren 30 verzette hij zich fel tegen de Anschluss van Oostenrijk bij nazi-Duitsland.

Adolf Hitler liet hem hierom bij verstek ter dood veroordelen.

Otto vluchtte naar de Verenigde Staten, waar hij president Roosevelt waarschuwde voor het naziregime en hielp bij het redden van talloze Joodse vluchtelingen.

Pas in 1961 deed hij officieel afstand van zijn aanspraken op de Oostenrijkse troon om weer als staatsburger naar zijn vaderland te mogen reizen.

In 2007 droeg hij het hoofdschap van het Huis Habsburg over aan zijn oudste zoon, Karl van Habsburg.

Vanaf 1979 tot 1999 was hij voor de Beierse partij CSU lid van het Europees Parlement. Hij zette zich decennialang in voor de Europese integratie en de uitbreiding van de Europese Unie naar voormalige Oostbloklanden.

Tevens diende hij jarenlang als president van de Internationale Paneuropese Unie, een van de oudste Europese eenwordingsbewegingen.

Na zijn overlijden in 2011 in het Duitse Pöcking werd zijn lichaam met traditionele keizerlijke pracht en praal bijgezet in de Keizerlijke Crypte in Wenen, terwijl zijn hart volgens oud familieritueel werd begraven in de Abdij van Pannonhalma in Hongarije.

Het evenement bestaat in de basis uit twee grote delen. In de voormiddag trekken de groepen in historische klederdracht rond om bijbelse taferelen uit te beelden, met een sterke nadruk op het Oude en Nieuwe Testament en het lijdensverhaal van Jezus.

Na de middag volgt de eigenlijke Boetprocessie, waarin de anonieme kruisdragers de hoofdrol spelen, begeleid door het monotone en indringende geluid van trommels.

Ondanks de modernisering van de samenleving blijft de Boetprocessie van Veurne een levend monument.

Het evenement trekt jaarlijks duizenden bezoekers en staat sinds 2009 officieel erkend als immaterieel cultureel erfgoed in Vlaanderen.

Het is een zeldzaam bewaard gebleven uiting van barokke boetevroomheid die generatie op generatie wordt doorgegeven.

Vandaag, op zondag 26 juli 2026, trekt deze eeuwenoude en diepgaande traditie opnieuw door het historische centrum van de stad.

Exact 95 jaar na de legendarische en doorregende editie waarbij de keizerlijke familie stilletjes toekeek, zullen de anonieme boetelingen en de zware houten kruisen weerom het straatbeeld bepalen om deze unieke uiting van volksgeloof levend te houden.

Vandaag is het ook al 40 jaar geleden dat de Vlaamse organist, componist en muziekpedagoog Flor Peeters is overleden.

Franciscus Florentinus Peeters werd geboren op 4 juli 1903 in Tielen, als jongste in een gezin van elf.

De componist groeide op in een muzikale omgeving en werd al snel geboeid door het artistieke milieu.

Gedurende zijn middelbareschooltijd in Herentals en Turnhout studeerde hij piano, orgel (bij H. Quinen en Jozef Brandt) en viool.

Hij studeerde aan het Lemmensinstituut te Mechelen en behaalde de hoogste onderscheiding, de Prijs Lemmens-Tinel, in 1923.

Hij was de jongste laureaat van deze prijs in de geschiedenis van de school.

In 1923 werd hij meteen tweede organist aan de kathedraal en hulpleraar aan het Lemmensinstituut, beide opdrachten als hulp voor zijn orgelleraar Oscar Depuydt, die met Lodewijk Mortelmans tot zijn belangrijkste leraren kan worden gerekend.

Bij het overlijden van Depuydt in 1925 werd Flor Peeters hoofdorganist aan de kathedraal en hoofdleraar orgel aan het Lemmensinstituut te Mechelen.

In 1931 werd hij orgelleraar aan het Kon. Conservatorium te Gent en in 1935 leraar orgel en improvisatie aan de Rooms – Katholieke Leergangen te Tilburg.

Gisteren nog vandaag

Aan het Lemmensinstituut gaf hij les van 1923 tot 1952; aan het conservatorium te Gent van 1935 tot 1948.

In 1948 werd hij orgelleraar aan het Kon. Vlaams Conservatorium te Antwerpen; van 1952 tot 1968 was hij tevens directeur van deze instelling.

In 1968 op pensioen gesteld, kreeg hij een opdracht van het ministerie van Nederlandse Cultuur om elk jaar te Mechelen, in de kathedraal, een Internationale Meesterklas te doceren.

Hij zou dat doen tot en met 1985.

Flor Peeters was lid van de Kon. Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België en erelid van de Royal Academy of Music te Londen. I

In 1964 werd hij samen met Olivier Messiaen aangesteld als consultor bij het Vaticaans Concilie II, maar zij werden nooit geraadpleegd.

Flor Peeters was eredoctor in de muziek van de Catholic University of Washington (1962) en van de Katholieke Universiteit te Leuven (1971).

In 1971 benoemde de Koning hem tot baron.

Enkele maanden voor zijn dood, ontving hij de Belgische Staatsprijs voor de bekroning van een artistieke carrière.

Hij overleed te Antwerpen op 4 juli 1986.

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van Ter Duinen in Nieuwpoort: over zorg, devotie en abdijstenen

Wanneer we spreken over Ter Duinen in de context van Nieuwpoort, komen we uit bij een boeiende geschiedenis die nauw verweven is met de heropbouw en de zorgsector aan de Belgische kust.

Hoewel de naam Ter Duinen historisch gezien vooral herinneringen oproept aan de middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde, heeft Nieuwpoort zijn eigen specifieke plekken gekregen die deze naam met trots dragen.

De belangrijkste moderne betekenis van Ter Duinen in Nieuwpoort is het bekende zorg- en herstelverblijf van de Christelijke Mutualiteit, gelegen aan de Louisweg.

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van deze specifieke locatie begon in de vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw.

In februari 1983 startten de bouwwerken voor wat destijds werd opgezet als een modern revalidatiecentrum en vakantiedomein.

Het doel was om een toegankelijke vakantieplek te creëren voor senioren, chronisch zieken en mensen die moesten herstellen na een ziekenhuisopname.

Door de jaren heen evolueerde het complex tot een volledig aangepast centrum, dat vandaag de dag een cruciale rol speelt in het zorgtoerisme aan de kust.

Het centrum kreeg een officieel toegankelijkheidslabel en biedt al decennia een tijdelijk onderkomen waar professionele zorg en ontspanning hand in hand gaan.

Gisteren nog vandaag

Naast dit moderne zorgverblijf is er in de lokale Nieuwpoortse geschiedenis ook een sterke religieuze en volkskundige link met de naam, in de vorm van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinenkapel.

Deze kapel, die vaak kortweg de Duinenkapel wordt genoemd, groeide in de loop van de twintigste eeuw uit tot een belangrijk lokaal Mariaoord.

Gisteren nog vandaag

Vooral tijdens de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog vond de Nieuwpoortse bevolking hier een plek van samenkomst en troost.

In 1958 kende de kapel een triest dieptepunt toen het oorspronkelijke Mariabeeld werd vernield, maar nog in datzelfde jaar werd een nieuw beeld ingewijd door pastoor Pieter Declercq.

Gisteren nog vandaag

De kapel bleef een ontmoetingsplaats voor de lokale gemeenschap, en in de jaren negentig werd het interieur nog verrijkt met bas-reliëfs van de bekende volkskundige en keramist Bert Bijnens, die lokale sagen en legendes in de kunstwerken verwerkte.

Een bijzonder en minder bekend historisch weetje over deze Duinenkapel is dat de oorsprong van de devotie op deze plek teruggaat tot een opmerkelijke vondst in de negentiende eeuw.

Volgens de lokale overlevering werd er in 1890 door spelende kinderen een oud houten Mariabeeldje gevonden, half begraven in het zand van de Nieuwpoortse duinen.

De vondst werd destijds door de vissersgemeenschap beschouwd als een hemels teken van bescherming tegen de gevaren van de zee.

Om het beeldje te eren en te beschermen, werd er aanvankelijk een heel eenvoudige houten schuilplaats gebouwd, die later werd vervangen door de meer permanente bakstenen kapel.

Dit verklaart waarom de kapel, hoewel geografisch losstaand van de oude abdij, toch de naam ter Duinen kreeg en door de jaren heen vooral door zeemansfamilies werd bezocht om een behouden vaart af te smeken.

Er is ook een historisch-materieel verband tussen Nieuwpoort en de oorspronkelijke middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde.

Toen die reusachtige abdij na de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen aan het einde van de zestiende eeuw in verval raakte, werden de restanten een geliefde bron van bouwmateriaal voor de wijde omgeving.

De stad Nieuwpoort bleek een trouwe afnemer van deze historische stenen, de zogenaamde abdijmoeffen.

Zelfs rond het jaar 1800 kocht het stadsbestuur van Nieuwpoort nog grote partijen van deze oude stenen op om ze te verwerken in de herstelling en versteviging van de lokale sluizen.

Zo zit er letterlijk een stukje van het oude Ter Duinen ingemetseld in de maritieme geschiedenis en de waterwerken van Nieuwpoort.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies vijfenzeventig jaar geleden dat in Gent de laatste dag plaatsvond van de herdenking van het driehonderdste geboortejaar van de heilige Johannes Baptist de la Salle.

Tussen 7 en 10 juni 1951 sloegen de oud-leerlingenbonden van de vijf toenmalige Gentse onderwijsgestichten van de Broeders van de Christelijke Scholen de handen in elkaar om luisterrijke feesten op touw te zetten.

Het ging hierbij om de bekende instituten Sint-Amandus, Sint-Lucas, de Kunstdrukschool, het Instituut de La Salle in de Holstraat en Sint-Jan-Baptist in de Reinaertstraat.

Deze indrukwekkende viering was een eerbetoon aan een bijzondere man die een stempel heeft gedrukt op ons onderwijssysteem.

De la Salle was afkomstig uit een welgestelde juristenfamilie, maar hij koos bewust een spiritueel pad. In 1667 werd hij benoemd tot kanunnik aan de kathedraal van Reims, waarna hij vanaf 1670 theologie ging studeren in Parijs.

Na zijn priesterwijding in 1678 en de succesvolle oprichting van een eerste armenschool in 1679, promoveerde hij in 1680 tot doctor in de theologie.

Zijn roeping voor het onderwijs was zo sterk dat hij in 1683 zijn prestigieuze kanunnikspost definitief opgaf.

Een jaar later, in 1684, stichtte hij de congregatie van de Broeders van de Christelijke Scholen, een orde die zich volledig zou toeleggen op het onderwijs aan de armen.

De officiële benaming van deze geestelijke orde luidt Fratres Scholarum Christianorum, wat vaak wordt afgekort tot FSC.

Als leraar en pedagogisch vernieuwer zette de la Salle zich zijn hele leven met hart en ziel in voor de geestelijke en intellectuele ontwikkeling van de armen.

Een van zijn meest ingrijpende vernieuwingen was de beslissing om het Latijn als voertaal in het onderwijs af te schaffen en te vervangen door het Frans.

Hierdoor werd kennis plotseling toegankelijk voor gewone kinderen uit de lagere sociale klassen.

Bovendien zijn er nog enkele interessante feiten over zijn leven en werk die zijn grote invloed aantonen.

Zo was de la Salle de pionier van het klassikaal lesgeven; voor zijn tijd kregen leerlingen uitsluitend individueel onderricht, wat veel tijd en middelen kostte.

Door leerlingen van hetzelfde niveau samen in een klas te plaatsen, kon het onderwijs veel efficiënter worden georganiseerd.

Ook richtte hij de allereerste kweekscholen op om onderwijzers professioneel op te leiden, wat hem feitelijk de grondlegger van de moderne pedagogiek maakt.

Vanwege zijn immense bijdrage aan het onderwijs werd hij in 1900 heiligverklaard door paus Leo XIII.

Vijftig jaar later, in 1950 en vlak voor de grote Gentse herdenkingsfeesten, werd hij door paus Pius XII zelfs uitgeroepen tot de universele patroonheilige van alle leerkrachten en opvoeders (foto’s met dank aan Erik Dekeyser)

Vandaag, 65 jaar geleden, waren koning Boudewijn en koningin Fabiola te gast op de Belgische ambassade in Rome.

Op deze receptie was toen ook kanunnik Lucien De Bruyne aanwezig. (foto 1)

Lucien De Bruyne was een vooraanstaand Belgisch geestelijke en een internationaal gerespecteerd deskundige op het gebied van vroegchristelijke archeologie.

Zijn kerkelijke loopbaan begon in 1928, het jaar waarin hij tot priester werd gewijd.

Al snel trok hij naar Rome, het historische hart van het christendom, waar hij in 1931 aan het Pauselijk Instituut voor Christelijke Archeologie met de hoogste onderscheiding, summa cum laude, zijn doctoraat behaalde.

In de jaren die volgden, specialiseerde hij zich verder en schreef hij diverse academische bijdragen over vroegchristelijke kunst, oude Romeinse sarcofagen en de catacomben.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg zijn carrière binnen het Vaticaan verder gestalte.

In 1946 werd hij benoemd tot directeur van de Pauselijke Commissie voor Gewijde Archeologie, een uiterst prestigieuze functie waarbij hij de verantwoordelijkheid kreeg over het beheer, het behoud en de studie van de eeuwenoude catacomben in en rond Rome.

Daarnaast was hij als censor verbonden aan de Pauselijke Academie voor Oudheidkunde, wat getuigt van zijn grote wetenschappelijke autoriteit.

Naast zijn academische werk speelde hij een centrale rol voor de Belgische gemeenschap in Rome.

Hij werd benoemd tot rector van de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen, een plek die fungeerde als een spiritueel en cultureel ankerpunt voor landgenoten in de Eeuwige Stad.

Als erkenning voor zijn uitzonderlijke verdiensten voor de kerk en de wetenschap werd hij in 1965 door de paus verheven tot apostolisch protonotaris, een hoge eretitel waardoor hij als monseigneur mocht worden aangesproken.

Ondanks zijn indrukwekkende loopbaan in Italië behield hij een sterke band met zijn thuisland.

Zo was hij verbonden aan het bisdom Gent als lid van het prestigieuze Sint-Baafskapittel.

Na een leven dat volledig in het teken stond van de kerkgeschiedenis en de archeologische wetenschap, bracht hij zijn laatste jaren door in België.

Hij overleed op 12 mei 1978 in de Oost-Vlaamse gemeente Waarschoot.

De eerste steenlegging op 7 juni 1931 als startpunt van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbasiliek in Edegem.

De Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbasiliek in Edegem is onlosmakelijk verbonden met de grot die Peter-Jan Van Aelst liet bouwen.

Toen de grot een enorm succes werd en de bestaande Sint-Antoniuskerk te klein bleek voor de groeiende parochie en de vele bedevaarders, ontstond de noodzaak voor een nieuw en groter gebedshuis.

De kerk werd tussen 1931 en 1933 gebouwd naast de grot, naar een ontwerp van architect Louis De Vooght.

Het is een opvallend bouwwerk in neobyzantijnse stijl, herkenbaar aan de indrukwekkende centrale koepel van beton en een zestig meter hoge toren.

De eerste steen van de Onze-Lieve-Vrouw-van-Lourdesbasiliek in Edegem werd op 7 juni 1931 gezegend en gelegd door kardinaal Van Roey, die de kerk op 1 mei 1933 ook officieel inwijdde.

De afwerking van het interieur, met onder meer muurschilderingen van Paul Wante, nam nog enkele jaren in beslag en werd pas vlak voor de Tweede Wereldoorlog voltooid.

Gisteren nog vandaag

Hoewel de inwoners van Edegem het gebouw vanaf het begin al de basiliek noemden vanwege de imposante architectuur, kreeg de kerk deze eretitel officieel pas veel later.

Ter gelegenheid van het vijfenzeventigjarig bestaan van de kerk in 2008 verleende paus Benedictus XVI haar de officiële status van basilica minor.

De bouw van deze basiliek was destijds een gigantische investering van bijna drie miljoen Belgische frank.

Dit astronomische bedrag werd grotendeels verzameld door de vrijgevigheid van de lokale bevolking en gulle weldoeners zoals mevrouw Farcy-Van Ael.

Deze vrome dame was de weduwe van een vermogende industrieel en trad op als een belangrijke mecenas die diverse religieuze projecten financieel ondersteunde.

Haar aanzienlijke bijdrage was essentieel om de ambitieuze plannen van de architect volledig te kunnen realiseren.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

De geschiedenis van de grot en de basiliek in Edegem begon in 1883, toen J.P. Van Aelst op zijn grond een exacte kopie van de grot in Lourdes liet bouwen.

Hij deed dit voor zijn ongeneeslijk zieke dochter Maria Carolina, voor wie de reis naar Frankrijk te zwaar was.

Hoewel de rotsen uit Namen werden aangevoerd en zij er dagelijks kon bidden, mocht een genezing helaas niet baten.

Na de inzegening in 1885 bleef de plek in familiebezit, tot de erven Van Aelst de grot in 1924 overdroegen aan de parochie.

Gisteren nog vandaag

De enorme toeloop van bedevaarders van heinde en verre zorgde al snel voor grote drukte in het dorp.

Bezoekers arriveerden te voet, met de tram of via het toenmalige station van Edegem.

Deze gebeurtenis leidde tot de bloei van talloze cafés, hotels en marktkramen met religieuze artikelen in de Hovestraat.

De overlast was echter zo groot dat de lokale veldwachter vaak de hulp van de gendarmerie uit Kontich nodig had om de orde te handhaven.

Vandaag de dag bestaan zowel de grot als de later gebouwde basiliek nog steeds als een stil en herkenbaar rustpunt in het hart van de gemeente.

Oude postkaart van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent

De geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent is nauw verweven met de oorsprong van de stad.

De plek op de Blandijnberg werd al in de zevende eeuw door de heilige Amandus gekozen voor de stichting van de Sint-Pietersabdij.

Voordat de huidige kerk er stond, bevond zich hier een romaanse abdijkerk die deel uitmaakte van een van de machtigste kloostergemeenschappen van Vlaanderen.

Deze vroege gebouwen leden zwaar onder de beeldenstorm en de godsdiensttwisten in de zestiende eeuw, waardoor een volledig nieuwe kerk noodzakelijk werd.

De eerste steen van de huidige barokkerk werd in 1629 gelegd door bisschop Antonius Triest.

Het ontwerp was van de jezuïet en architect Pieter Huyssens, die zich voor de monumentale koepel en de afmetingen liet inspireren door de Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De kerk werd in de eerste fase gebouwd van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.

Gisteren nog vandaag

Tijdens de Franse bezetting verloor het gebouw zijn religieuze functie en werd het tijdelijk als opslagplaats gebruikt, om vanaf 1810 weer officieel dienst te doen als kerk.

Een bijzonder aspect van deze locatie is de functie als begraafplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.

Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen de meest prestigieuze instelling van het graafschap was, kozen de vorsten deze plek voor hun zieleheil en dynastieke legitimiteit.

In de kerk liggen vijf graven van Vlaanderen begraven: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV.

Ook hun familieleden vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder mogelijk Judith van West-Francië.

Zij was de dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en de stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.

De graven liggen daar dus niet toevallig; de plek was het spirituele en politieke hart van het vroege Vlaanderen, waar de dodenrust van de heersers de macht van hun opvolgers ondersteunde.

De lijn van deze machtige heersers eindigde formeel aan het einde van de achttiende eeuw met de Oostenrijkse keizer Frans II, die de laatste was die de titel in de oorspronkelijke feodale zin droeg.

Door de Franse Revolutie en de annexatie in 1795 werd het graafschap opgeheven en het oude stelsel vervangen door een modern bestuur, waardoor er na de Habsburgse vorst geen echte opvolgers meer kwamen.

In de negentiende eeuw werd de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven ingeblazen binnen de Belgische monarchie, maar dit was slechts een ceremoniële titel voor leden van de koninklijke familie zonder daadwerkelijke bestuursmacht.

De laatste Belgische prins die deze titel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.

Sindsdien wordt de titel niet meer toegekend, waarmee ook de symbolische lijn definitief ten einde kwam.

Tegenwoordig combineert de kerk de namen van de oude abdij en de afgebroken Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde, en vormt het gebouw samen met het Sint-Pietersplein een herkenbaar baken in het Gentse stadsgezicht.

Gisteren nog vandaag

Deze week is het precies 555 jaar geleden dat keizer Karel V het bevel gaf om alle boeken en geschriften van Maarten Luther te verbranden.

Hij stelde bovendien een strikt verbod in op het drukken, verkopen of lezen van dergelijke werken.

Kort daarna, op 18 april, bevestigde de keizer eigenhandig de excommunicatie van Luther en voegde daar de rücksichtslos-boodschap aan toe dat diens aanhangers moesten worden uitgeroeid.

Monotheïsme staat inherent op gespannen voet met de acceptatie van een andere god of een ander geloof.

Toch is het tot die acceptatie veroordeeld als we streven naar een harmonieuze samenleving, tenzij men de uitroeiing van andersdenkenden als enige alternatief ziet.

Op de bijbehorende illustratie, een schilderij van de Zweedse kunstenaar Karl Aspelin uit 1885, zien we een tegenreactie: Luther verbrandt op zijn beurt de pauselijke bul die paus Leo X tegen zijn leerstellingen had uitgevaardigd.

65 jaar geleden, te gast bij de onderpastoor De Wolf van de gemeente Eine.

Jozef De Wolf werd op 10 maart 1916 geboren in het Oost-Vlaamse Haaltert.

Na zijn priesteropleiding begon hij zijn opvallende loopbaan in Eine bij Oudenaarde, waar zich in maart 1961 een tafereel afspeelde dat tot ver buiten de dorpsgrenzen voor verbazing zorgde.

De eerwaarde heer, inmiddels onderpastoor, deelde zijn woning namelijk met een volwassen leeuw.

Jakka, zoals het dier heette, was op dat moment bijna twee jaar oud en was door de geestelijke met de papfles grootgebracht, nadat hij als welp was overgekocht van een rondreizend circus.

De leeuw bewoog zich volkomen vrij en kalm door de huiskamer, waar hij in harmonie samenleefde met drie Schotse herdershonden en een jonge Afghaanse windhond.

De bijzondere passie van De Wolf voor roofdieren was jaren eerder uit noodzaak ontstaan.

Nadat ratten uit een nabijgelegen beek zijn verzameling siervogels en fazanten herhaaldelijk hadden doodgebeten, besloot hij over te stappen op diersoorten die zich beter konden verweren.

In de loop der jaren transformeerde de pastorie tot een kleine private dierentuin.

Naast de leeuw herbergde hij twee ocelots, ook wel Amerikaanse tijgerkatten genoemd, die ondanks hun tamme gedrag altijd een vleugje van hun instinctieve natuur behielden.

Ook Canadese wasberen en zeldzame chinchilla’s uit het Andesgebergte maakten deel uit van zijn collectie.

De onderpastoor uit Haaltert stond in die periode algemeen bekend als de leeuwenpastoor.

Het was geen ongewoon gezicht om hem in zijn zwarte soutane met Jakka over straat te zien wandelen, waarbij voorbijgangers met een mengeling van bewondering en ontzag een grote bocht om het duo heen maakten.

Zelfs in het verkeer zorgde de leeuw voor consternatie; De Wolf nam het dier regelmatig mee in zijn auto, waarbij de kop van de leeuw soms door het open raam naar buiten stak.

Toen De Wolf later werd benoemd tot pastoor in Waarbeke bij Geraardsbergen, nam hij zijn liefde voor bijzondere dieren mee.

Hoewel Jakka de leeuw uiteindelijk te groot werd voor een gewone woning en naar een dierentuin moest verhuizen, bleven exotische vogels en ocelots deel uitmaken van zijn huishouden in de nieuwe parochie.

De pastorie bleef daardoor een geliefde trekpleister voor nieuwsgierige buurtbewoners.

Jozef De Wolf bleef tot aan zijn overlijden op 23 augustus 1982 een markante en eigenzinnige figuur in de regio, die de grens tussen de geciviliseerde wereld en de wildernis op een unieke manier liet vervagen.

Gisteren nog vandaag

50 jaar geleden, Francisco Maria da Silva, de boze bisschop

Francisco Maria da Silva was een invloedrijke Portugese prelaat die als aartsbisschop van Braga diende tijdens een van de turbulentste periodes in de Portugese geschiedenis.

Zijn leven werd gekenmerkt door een diepgaand geloof, een sterke intellectuele vorming en een onwrikbare houding ten aanzien van de politieke en sociale veranderingen van zijn tijd.

Geboren op 15 maart 1910 in Murtosa, studeerde hij in Rome waar hij een doctoraat in de theologie behaalde.

Op 21 mei 1932 werd hij tot priester gewijd. Zijn kerkelijke loopbaan bereikte een hoogtepunt met zijn benoeming tot hulpbisschop van Braga in 1956 en vervolgens, op 12 december 1963, tot aartsbisschop van Braga.

Als aartsbisschop nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Concilie, een gebeurtenis die zijn pastorale beleid diepgaand beïnvloedde.

De meest bepalende episode in zijn leven vond plaats na de Anjerrevolutie van 1974, tijdens de “Hete Zomer” van 1975.

In een context van intense politieke strijd, profileerde hij zich als een uitgesproken criticus van het communisme.

Zijn krachtige toespraak op 10 augustus 1975 in Braga, waarin hij het communisme veroordeelde, wordt gezien als een sleutelmoment in de mobilisatie van het conservatieve noorden van Portugal tegen de linkse revolutionaire krachten.

Naast zijn politieke stellingnames was hij een toegewijde herder voor zijn aartsbisdom.

Aartsbisschop da Silva overleed op 14 april 1977, en liet een complexe nalatenschap na als een geleerde kerkleider en een standvastige verdediger van het geloof in een tijd van grote onzekerheid.

55 jaar geleden zorgde de kwestie rond priester Gilbert Verhaeghen voor heel wat herrie in Vlaanderen.

Verhaeghen, die op 16 juni 1962 tot priester was gewijd, was als jonge onderpastoor in de parochie Sint-Egidius een man van de vernieuwing.

Geïnspireerd door de openheid van het Tweede Vaticaans Concilie, botste hij al snel met de conservatieve krachten binnen de kerk, vertegenwoordigd door pastoor De Brouwer en later ook bisschop Van Peteghem.

Het conflict kwam tot een kookpunt toen Verhaeghen voorstelde om geld te investeren in de parochiale jeugdlokalen, die in erbarmelijke staat verkeerden.

De gevestigde orde wilde de fondsen liever aanwenden voor een nieuwe marmeren vloer in de Sint-Gilliskerk.

Deze tegenstelling, samen met klachten over zijn vriendschap met de progressieve priester Frans Wuytack en een vermeende “flirterige houding”, leidde tot een openlijke strijd.

Er ontstond een actiecomité dat Verhaeghen steunde.

Maandenlang werden er in de parochie protesten georganiseerd en pamfletten verspreid, waarbij meermaals de oproerpolitie moest ingrijpen.

De situatie escaleerde zozeer dat hulpbisschop Leo De Kesel, die Verhaeghen adviseerde om naar een ander bisdom over te stappen, enige tijd later zelf door de politie moest worden ontzet tijdens een vormselviering die door protesten werd verstoord.

In mei 1969 aanvaardde Verhaeghen uiteindelijk zijn overplaatsing naar Nieuwkerken-Waas, waarmee een einde kwam aan de protesten in Sint-Egidius.

De rust was echter van korte duur. Ook in zijn nieuwe parochie bleven er problemen met zijn handelwijze, wat in 1970 leidde tot zijn ontslag.

Deze autoritaire en eenzijdige beslissing lokte kritiek uit van meerdere collega-priesters.

Na zijn ontslag verhuisde Verhaeghen naar Stekene, waar hij later als priester met rust ging.

Zijn laatste levensjaren bracht hij door in een rusthuis in Nieuwkerken-Waas, waar hij in juli 2014 op 79-jarige leeftijd overleed.

De hele kwestie, die diepe sporen naliet, werd in 2019 gereconstrueerd door schrijver Louis Van Dievel in het boek “De Onderpastoor”.

90 jaar geleden, een wandeling door het Begijnhof in Kortrijk

Negentig jaar geleden, nam het Vlaamse tijdschrift ABC zijn lezers mee op een wandeling door het Begijnhof van Kortrijk.

Dit prachtig bewaard middeleeuws stadsdeel, gesticht in 1238 door Johanna van Constantinopel, beslaat 0,7 hectare en combineert de unieke structuren van een plein- en straatbegijnhof.

Strategisch gelegen tussen het grafelijk kasteel, de stadswallen en het Sint-Maartenkerkhof, en dicht bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Maartenskerk, heeft het Begijnhof door de eeuwen heen diverse verwoestingen ondergaan, met name door Franse troepen in 1302 (tijdens de Guldensporenslag), in 1382 (na de Slag bij Westrozebeke) en in 1684.

De 41 huisjes die het hof sieren, dateren uit de 17e eeuw. Een opvallend gebouw is het huis van de grootjuffrouw, herkenbaar aan zijn dubbele trapgevel uit 1649.

De merkwaardige traptoren is een overblijfsel van de voormalige Sint-Annazaal, gebouwd in 1682.

De oorspronkelijke gotische kapel, opgericht in 1464, werd in de 18e eeuw verbouwd.

In de 19e eeuw leidde Clementia Hiers meer dan vijftig jaar lang het Begijnhof. Tijdens haar periode werd het standbeeld van Johanna van Constantinopel, vervaardigd door Valère Dupont, geplaatst.

Het huis van de grootjuffrouw diende tot de zomer van 2008 als Begijnhofmuseum. In juli 2014 opende een belevingscentrum zijn deuren in de gerestaureerde Sint-Annazaal, en in 2015 werd een authentiek kijkwoning ingericht op nummer 41, naast de hoofdingang.

Het Begijnhof van Kortrijk was ook de thuisbasis van Marcella Pattyn (1920-2013), het laatste begijntje ter wereld.

Zij kwam in januari 1941 binnen in het begijnhof van Sint-Amandsberg, en verhuisde eind oktober 1960 naar het hof van Kortrijk.

De laatste jaren van haar leven verbleef ze in een Kortrijks verzorgingstehuis, waar ze op 14 april 2013 overleed.

Een jaar voor haar dood werd ze geëerd met een standbeeld in het Begijnhof.

Sinds 2 december 1998 behoort het Begijnhof van Kortrijk tot het cultureel en natuurlijk werelderfgoed van UNESCO, als deel van de groepsinschrijving van Vlaamse begijnhoven.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

90 jaar geleden, foto van de Sint-Leonarduskerk in Zoutleeuw

In de twaalfde eeuw ontstaan als een Romaanse kapel, gesticht door Benedictijnen uit Vlierbeek. en gewijd aan de kluizenaar Leonardus.

Vanaf de veertiende eeuw uitbreidingen en verfraaiingen in gotische stijl, met toevoeging van kapellen en een indrukwekkend sacramentshuis (1552).

In de achttiende eeuw werden er barokke elementen toegevoegd, zoals de preekstoel.

De kerktoren is ook een belfort en erkend als UNESCO Werelderfgoed.

De kerk bezit een waardevolle kerkschatten met liturgische voorwerpen, zoals onder meer:

De Ottoons-Romaanse Christus gesneden tussen 1060 en 1070 is niet te missen in de kerk als oudste werk van de collectie.

Het beeld hing mogelijk eerst in de Sint-Sulpitiuskerk, de eerste kerk van Zoutleeuw.

Bij het bewonderen van het houtsnijwerk, merk je op dat deze Christus geen doornenkroon draagt, en wordt om die reden in verband gebracht met Christus als triomfator over de dood.

De woorden van de Heilige Paulus “De dood is de laatste vijand, die vernietigd wordt” vinden hier hun weerklank.

Centraal in het thema van de Sint-Leonarduskerk, vind je het vita-retabel van de Heilige Leonardus.

De retabel werd in 1378 gesneden en vertelt de legende met de verschillende fasen in het leven van de heilige.

Als patroon van de stad Zoutleeuw, is hij ook de beschermheilige van de gevangenen, geesteszieken, de reumalijders, de gehandicapten, de mijnwerkers, de zwangere vrouwen en het vee.

Je kunt hem herkennen aan de ketting of boeien die hij vaak als attribuut draagt.

Als zoon van een hoveling van koning Clovis I, zou hij het voorrecht gekregen hebben om gevangenen vrij te laten.

De koning bood hem de bisschopshoed aan, maar deze weigerde hij om kluizenaar te worden in Saint Léonard de Noblat in de Franse Limousin.

Toen de Frankische hoogzwangere koningin samen met de koning in de buurt van de kluizenaar op jacht was en in problemen verzeild raakten, zou de Heilige Leonardus door zijn gebed gezorgd hebben voor een goede bevalling.

In de Sint-Leonarduskerk vind je een reusachtige, geelkoperen paaskandelaar van bijna zes meter hoog. Renier I van Thienen heeft hem in 1483 gegoten en werd ontworpen naar een model van de Brusselse kunstenaar Jan Borman.

Aan de voet van de kandelaar wisselen de trouwe hond en de dappere leeuw elkaar af.

Vandaar volgen je ogen de kandelaar van beneden naar boven en merk je dat deze in de hoogte eindigt met Christus aan het Kruis, waaronder zich drie heiligen bevinden, Maria, de apostel Johannes en Maria-Magdalena.

Op 13 augustus 1550 ondertekende Maarten van Wilre, heer van Oplinter, het contract voor het sacramentshuis.

Cornelis II Floris maakte daarop een complex totaalkunstwerk.

Hij bracht de antieke- en renaissancekunst uit Italië samen met Vlaamse traditie.

De toren uit Avesnessteen is achttien meter hoog en telt negen verdiepingen.

Met reden kan dit het indrukwekkendste sacramentshuis uit de Zuidelijke Nederlanden van de zestiende eeuw genoemd worden.

Aan de hoeken van elke verdieping zijn beelden aangebracht. Het aantal personages is bijna niet te tellen.

Ook de geelkoperen balustrade is opgenomen in de Topstukkenlijst.

Maarten van Wilre en zijn vrouw Maria Pyllirpeerts liggen begraven voor het sacramentshuis.

Hun grafsteen werd later naar de muur verplaatst.

De kerk bevat ook schilderijen van onder anderen Pieter Coecke van Aelst en Gaspar de Crayer.

Families de Merode en de Villers liggen begraven in de kerk.

Zoutleeuw organiseert jaarlijks de “Kroningsfeesten” die verwijzen naar het glorieuze verleden (Diverse bronnen, Site Vlaamse Meesters, Wikipedia en foto eind 1934)

Deze week 75 jaar geleden, opening van het heilig jaar door paus Pius XII op 24 december 1949

Het Heilig Jaar is een bijzonder genadejaar dat de kerk viert.

De aankondiging van het Heilig jaar 1950 (Bul Iubilaeum maximum) gebeurde door de paus op 26 mei 1949.

Bij gelegenheid van het Heilig Jaar 1950 besloot paus Pius XII dat de door Gounod gecomponeerde Marcia Pontificale voortaan en onder de naam Inno Pontificale het officiële volkslied van Vaticaanstad zou zijn.

Hiermee werd de door Vittorino Hallmayr in 1857 gecomponeerde hymne Gran Marcia Trionfale vervangen.

In de traditie van de katholieke kerk zijn jubeljaren ook een oproep aan pelgrims om naar Rome te komen en door de heilige deur van de Sint-Pietersbasiliek te gaan.

Dat biedt gelovigen vergeving van hun zonden

Normaal gesproken is een Heilig Jaar er alleen in een jaartal dat door 25 deelbaar is, maar de paus kan van die regel afwijken.

Eerdere ingelaste heilige jaren waren in 1933 en 1983, omdat christenen geloven dat Jezus van Nazareth in het jaar 33 is gestorven en herrezen.

Het laatste Heilig jaar opende dit jaar op 24 december 2024 en dat in aanwezigheid van meer dan 30000 mensen en dit in aanwezigheid van Paus Franciscus.

Het Heilige Jaar zal duren tot 6 januari 2026, als de heilige deur weer wordt gesloten.

Tot die tijd zijn er talrijke culturele en religieuze evenementen in Rome en Vaticaanstad.

(Diverse bronnen, foto 1 het maken van de hamer waarmee de paus de deur open doet en gemaakt door kunstenaars. De hamer was gemaakt van ivoor en zilver), foto 2 de afgewerkte hamer van het heilig jaar 1925, foto 3 de gouden ring en het gouden met briljanten kruis die de paus droeg tijdens de plechtigheden, foto 4 de gesloten deur en foto 5 opening deur).