Vandaag, 95 jaar geleden, vond de 12de IJzerbedevaart plaats

De twaalfde IJzerbedevaart vond plaats op drieëntwintig augustus 1931 in Diksmuide.

Een jaar na de plechtige inwijding van de eerste IJzertoren in 1930 kwamen opnieuw tienduizenden Vlaamse pelgrims, veteranen en sympathisanten samen aan de oevers van de IJzer.

Deze jaarlijkse bijeenkomst stond in het teken van de herdenking van de Vlaamse soldaten die waren gesneuveld tijdens de Eerste Wereldoorlog.

De editie van 1931 versterkte de rol van het IJzermonument als centraal symbool voor het Vlaams-nationale bewustzijn en de Vlaamse cultuureisen.

Gedragen door de bekende leuzen ‘Alles voor Vlaanderen’, ‘Vlaanderen voor Christus’ en ‘Nooit meer Oorlog’, verbond het evenement de roep om Vlaamse ontvoogding met pacificatiedrang en christelijke waarden.

De bijeenkomst kenmerkte zich door toespraken, gezangen en vlaggenhuldes, en verankerde de IJzerbedevaart definitief als een van de meest bepalende massamanifestaties van het interbellum in Vlaanderen.

Het absolute hoogtepunt van deze twaalfde bedevaart was de onthulling van het imposante monumentale standbeeld ter ere van de Vlaamse soldaat Renaat De Rudder.

Dit imposante werk werd geplaatst als een van de hoekpijlers aan de voet van de IJzertoren en was het eerste van een reeks monumentale hoekbeelden die het Vlaamse IJzerleed moesten symboliseren.

Het standbeeld werd ontworpen door de Vlaamsgezinde beeldhouwer Karel Aubroeck.

Aubroeck, geboren in Temse in 1894, was een expressionistisch kunstenaar en oud-frontsoldaat die bekendstond om zijn monumentale constructivistische stijl en het gebruik van robuuste materialen.

Voor het beeld van De Rudder maakte hij gebruik van een vernieuwende en technisch uitdagende techniek waarbij een mozaïek van keien en gietbeton werd gecombineerd. Aubroecks gestileerde vormgeving gaf het figuur een krachtige expressie.

De Rudder werd afgebeeld met geboeide handen die ondanks de ketenen vlugschriften omklemden en naar boven reikten, als verbeelding van het idee dat het ideaal stijgt boven de lichamelijke geknevelijkheid.

Het beeld bracht een eerbetoon aan Renaat De Rudder, een jonge oorlogsvrijwilliger uit Oostakker die studeerde aan het Sint-Vincentiuscollege in Eeklo.

Aan het front sloot De Rudder zich aan bij de Vlaamsgezinde Frontbeweging, richtte hij het frontblad ‘De IJzerkerels’ op en verspreidde hij Vlaamsgezinde vlugschriften.

In december 1917 kwam hij op twintigjarige leeftijd om het leven na een incident tijdens een verkenningstocht in niemandsland.

Na de oorlog groeide hij uit tot een van de grote IJzersymbolen en werd zijn nagedachtenis een symbool voor het strijdbare Vlaams-nationalisme.

85 jaar geleden, de illusie van het tijdschrift Signaal.

Friedrich Wilhelm Karl Walter von Oertzen werd geboren op 5 oktober 1898 in Breslau en was een Duitse journalist, publicist en schrijver die actief was tijdens de turbulente periode van de Weimarrepubliek en het naziregime.

Hij stamde uit een adellijke, militaire familie en was de zoon van luitenant-generaal Fritz Ludwig Karl Hugo von Oertzen.

Net als zijn vader nam hij dienst in het leger en vocht hij als luitenant in de Eerste Wereldoorlog, een strijd waarin zijn twee broers om het leven kwamen.

Na de oorlog sloot hij zich aan bij de rechtse Freikorpsen.

In januari 1919 kreeg hij van minister Gustav Noske de opdracht om links-radicale politici in de gaten te houden.

Von Oertzen luisterde de privételefoon af van communistenleider Gustav Noske en droeg hierdoor direct bij aan diens arrestatie.

Korte tijd later was hij getuige toen Liebknecht en Rosa Luxemburg door militairen werden vermoord.

In 1921 nam hij bovendien deel aan de gevechten tegen Poolse opstandelingen in Opper-Silezië.

Na een rechtenstudie rolde von Oertzen de journalistiek in.

Hij begon zijn carrière bij de Lippische Tageszeitung en stapte eind 1924 over naar de redactie van de Vossische Zeitung, waar hij de militaire zaken, de ontwikkelingen in Oost-Europa en de Volkenbond behandelde.

Tijdens deze periode raakte hij bevriend met de journalist Hans Zehrer, die hem introduceerde bij het invloedrijke, nationaal-conservatieve tijdschrift Die Tat.

In dit blad publiceerde hij veel over de positie van het Duitse leger binnen de staat.

Door zijn uitstekende contacten fungeerde hij begin jaren dertig als een belangrijke schakel tussen de legertop en de journalisten van de zogeheten Tat-kring.

Van medio 1932 tot de zomer van 1933 was hij tevens hoofdredacteur van de Tägliche Rundschau.

In zijn journalistieke werk toonde von Oertzen zich zeer kritisch en sceptisch over de Volkenbond.

Als overtuigd nationalist beschouwde hij deze internationale organisatie vooral als een instrument van Frankrijk en Groot-Brittannië om de machtsverhoudingen van het onrechtvaardige Verdrag van Versailles in stand te houden.

Hij zag de Volkenbond niet als een neutrale vredesstichter, maar als een instituut dat was ontworpen om Duitsland militair en politiek zwak te houden.

Hij uitte scherpe kritiek op de hypocrisie van de ontwapeningsonderhandelingen in Genève, waarbij de omringende landen eisten dat Duitsland ontwapend bleef, terwijl zijzelf weigerden hun legers te verkleinen.

Daarnaast verweet hij de organisatie dat ze systematisch faalde in het beschermen van de rechten van Duitstalige minderheden in Oost-Europa, een onderwerp dat hem door zijn verleden in Opper-Silezië zeer na aan het hart lag.

Voor hem bood het pacifistische ideaal van de Volkenbond geen enkele werkelijke veiligheid.

In plaats van te vertrouwen op zwakke internationale verdragen, pleitte hij consequent voor een sterke, soevereine Duitse staat en de heropbouw van een krachtig nationaal leger.

Deze visie komt scherp naar voren in zijn artikel uit 1941, getiteld Volkenbond? Gemeenschap der naties!

Wat vandaag onmogelijk is, zal in de toekomst mogelijk zijn.

Dit propagandastuk illustreert perfect hoe von Oertzen zijn eerdere kritiek integreerde in de retoriek van het Derde Rijk.

Hij opent het artikel met de anekdote uit 1932 over een zitting in Genève, waar Duitse klachten over het Litouwse beheer van het Memelgebied werden besproken.

Door het beeld te schetsen van een verveeld gezelschap met een afwezige Franse voorzitter en een slapende Chinese afgevaardigde, zet hij de Volkenbond direct neer als een tandeloze en hypocriete instelling.

De bond hinkte volgens hem op twee onverenigbare gedachten: het pacifistische ideaal botste fundamenteel met de wens van de overwinnaars om Duitsland permanent te onderdrukken.

Een zwaarwegend punt in zijn betoog is het absolute gebrek aan uitvoerende macht. Omdat besluiten met algemene stemmen moesten worden aangenomen en een eigen leger van de Volkenbond ontbrak, veranderde Genève volgens von Oertzen in een internationale politieke beurs voor achterkamerdeals en onverantwoordelijke journalistiek.

Zelfs op neutrale gebieden zoals de internationale drugshandel bleven besluiten steken in theorie, omdat soevereine staten weigerden de bijbehorende verdragen te ratificeren.

Na de vlucht van het secretariaat van de Volkenbond naar de Verenigde Staten in 1939 verklaart hij de organisatie in zijn artikel definitief dood.

Hij gebruikt deze reële, historisch breed gedeelde kritiek vervolgens handig om de weg vrij te maken voor de zogeheten nieuwe Europese orde.

Hij pleit voor een verenigd Europa, bevrijd van Britse invloed en het falende democratische individualisme, onder de strikte militaire leiding en bescherming van de Asmogendheden.

Op deze manier presenteerde hij de militaire overheersing door nazi-Duitsland listig als de enige logische en werkbare oplossing om de stabiliteit af te dwingen die de Volkenbond nooit kon waarmaken.

Wat in dit artikel wordt afgeschilderd als een krachtige, nieuwe gemeenschap van Europese naties, was in de realiteit de dictatuur van de Nieuwe Orde.

Het stuk probeert de brute militaire overmacht van nazi-Duitsland en zijn bondgenoten te verkopen als de broodnodige tanden die de besluiteloze Volkenbond miste.

Dit is een klassieke manipulatietechniek: het volledig afbreken van een haperend democratisch systeem om een totalitair en gewelddadig alternatief als de logische en organische redding te presenteren.

Vandaag, in 2026, lezen we dit soort artikelen met de volledige kennis van de gruwelijke uitkomst van die beloofde orde.

Wanneer oude tijdschriften en publicaties worden bestudeerd om het verleden tot leven te brengen, vormen dit soort documenten een fascinerende, zij het donkere, spiegel van hun tijd.

Ze laten heel tastbaar zien hoe gedrukte media structureel werden geïnstrumentaliseerd om de publieke opinie te kneden.

Hoewel de kritiek op de onmacht van internationale organisaties soms verrassend actueel kan aanvoelen wanneer we naar hedendaagse conflicten kijken, dient de propagandistische en biografische context van Signal als een permanente waarschuwing.

Het toont hoe de roep om snelle oplossingen en sterke leiders in tijden van internationale crisis in absolute duisternis kan ontsporen.

50 jaar geleden, reclame voor de Kangourak van het merk Salik (juli 1976)

Wie in de jaren zeventig of tachtig is opgegroeid, herinnert zich ongetwijfeld nog de schoolreizen of uitstapjes met de jeugdbeweging waarbij één kledingstuk absoluut onmisbaar was.

Rond de middel van zowat elk kind hing toen een handig, opgerold tasje dat bij de minste regenbui kon worden uitgeplooid tot een felgekleurde regenjas.

Dit ingenieuze kledingstuk, dat sterk leek op de Franse K-way, stond bij ons bekend als de kangourak.

Het was de absolute kaskraker van de Belgische zakenman Pierre Salik en zijn gelijknamige kledingbedrijf.

De geschiedenis van het kledingmerk Salik begint feitelijk al vlak na de Tweede Wereldoorlog bij de Joodse handelaar Jacob Salik, de vader van Pierre.

Het bedrijf kende zijn eerste grote successen met de import en verkoop van militaire overschotten van het Amerikaanse leger en begon in de jaren vijftig met de productie van leren en suède kleding.

Toen Pierre Salik in 1964 het roer overnam van zijn overleden vader, zag de jonge ondernemer meteen een gat in de markt.

Hij richtte zijn pijlen op de productie van jeansbroeken en deed dat met succes.

Het opvallende, Amerikaans lijkende woordlogo Salik werd in de jaren zestig in Europa even bekend als Lee Cooper of Levi’s en vormde zowaar een geduchte concurrent voor deze grote merken.

Pierre Salik was niet alleen een gewiekst zakenman, hij begreep ook de kracht van marketing als geen ander.

Om zijn fortuin te maken met de verkoop van jeansbroeken, plaatste hij onder meer grote advertenties in het weekblad Kuifje.

Wie was er immers beter geplaatst om reclame te maken voor stoere jeans dan stripheld Lucky Luke?

Omdat Salik in Brussel heel wat mensen kende, waaronder tekenaar Hergé, haalde hij uit die nauwe band met de stripwereld in de jaren zeventig nog een meesterzet.

Bij de verkoop van de beroemde kangourak-regenjasjes zat telkens een spaarzegel of een zelfklever van Kuifje, Kapitein Haddock of een ander personage uit de reeks.

De tekeningen hiervoor werden vaak speciaal ontworpen door Hergés rechterhand Bob de Moor.

Het zorgde ervoor dat kinderen maar wat graag een nieuwe kangourak wilden, liefst nog in verschillende kleuren, wat de kassa van Salik flink deed rinkelen.

De man achter dit enorme succes, de in 1930 geboren Pierre Salik, was een bijzonder flamboyant figuur in de Brusselse beau monde.

Salik was naar het schijnt een intimus van de afgetreden koning Leopold III, bij wie hij naar verluidt kind aan huis was, en bouwde in de loop der jaren een fabelachtige kunstcollectie op.

Hij verzamelde werken van klinkende namen als Monet en Modigliani, maar had vooral een immense collectie schilderijen van de Belgische surrealist René Magritte.

Tot zijn verzameling behoorde ooit La corde sensible, een doek dat later voor ettelijke miljoenen euro’s onder de hamer ging bij veilinghuis Christie’s.

Salik hield van het luxueuze leven en ontving geregeld bekende politici op zijn buitenverblijf in Knokke, waarbij hij niet verlegen zat om het uitdelen van dure relatiegeschenken.

Ondanks de grote successen met de Salik-jeans en de onvergetelijke kangourak, kende het zakenimperium in de latere decennia ook donkere periodes.

De fabriek in Quaregnon moest eind jaren zeventig de deuren sluiten en latere avonturen in de kledingsector kenden wisselend succes.

Zo eindigde het verhaal van zijn kinderkledingmerk Kid Cool uiteindelijk in een faillissement.

Vanaf de late jaren tachtig tot ver in de jaren negentig en zelfs in de jaren tweeduizend kwam Pierre Salik vaker in het nieuws door aanslepende en dure conflicten met de fiscus en vermeldingen in politiek-juridische dossiers, in plaats van met nieuwe modetrends.

Die jarenlange fiscale geschillen bleven niet zonder gevolgen.

In 2022 verkocht hij noodgedwongen zijn bekende villa in Knokke voor 14 miljoen euro om een miljoenenboete aan de fiscus te kunnen betalen.

Vandaag is het kledingmerk Salik grotendeels uit het straatbeeld verdwenen.

De fabriek in Quaregnon, de plek waar ooit duizenden broeken van de band rolden, is tegenwoordig een meubelzaak.

Toch blijft de naam Salik, en in het bijzonder de felgekleurde kangourak met de Kuifje-stickers, voor velen een iconisch stukje nostalgie.

Het was een tijd waarin een simpel regenjasje in een buideltje volstond om ons als kind op schoolreis een veilig en stoer gevoel te geven.

Pierre Salik is vorig jaar op 17 januari 2025 op 94-jarige leeftijd overleden.

75 jaar geleden werden de Vlamingen in België vaak miskend en gekrenkt.

Niet onverdeeld zou de geschiedenis haar oordeel vellen over de periode die zojuist achter de rug lag.

Over één ding waren alle historici het echter eens: namelijk dat de vierde koning, bevoegd op het heil van volk en land, niet terecht was geprezen en bereid was gevonden om zijn persoon op te offeren, door al te troosten den grooten van zijn Zoon.

Met zijn troonsbestijging had koning Leopold geen ander doel dan het samenbinden der verspreide krachten van het land.

Hij zag het als zijn taak om de verdeelde opinies uit de weg te ruimen en de monarchale en grondwettelijke instellingen te versterken en te verzoenen.

Na deze week werd een nieuw tijdperk in de Belgische geschiedenis ingeluid. Men was ervan overtuigd dat men in de toekomst met trots zou kunnen terugblikken op het land en zijn vorstenhuis tijdens de honderdtwintig jaren van zijn bestaan.

Zoals de natuur na een geweldig onweer overvloed en herademing brengt, zo was het ook in de Belgische staatskunde na een lang opgeladen bewering tot bezinning, tot rust, tot vrede gekomen.

Honderdduizend jaren waren verstreken sinds de brave Surlet de Chokier het eerste regentschap aanvaardde.

Binnenslands was de verjaardag van de bijna even lang geleden troonsbestijging van Leopold I, stichter van het vorstenhuis, gevierd.

Dat wilde niet zeggen dat alles voor alle onderdanen naar wens was verlopen onder het bewind van de vier koningen, die elkaar in grondwettelijke continuïteit hadden opgevolgd.

Doch als het in het groot al zo vaak tot rust en vrede kwam, was het dan niet te verwachten in de veel grotere huishouding van een hele natie?

Geen enkele menselijke daad – ook niet die van koningen – is volmaakt.

Vooral de Vlamingen in België hadden geleden en waren gekrenkt.

Zij konden zich moeilijk thuis voelen onder het regime dat hun taal en hun wezen veronachtzaamde, dat hun pelgrimsrecht en geen rechten schonk.

Het begrip „België” was daardoor in hun ogen lange tijd een vreemde school geworden, die in de loop der eeuwen telkens op een passende manier werd herleid.

Desondanks waren de Vlamingen trouw gebleven aan het Vorstenhuis en hadden zij groot vertrouwen gesteld in hun koning.

Het was hun hoop dat dit uit hun hart kwam, een koning die hun taal sprak en niet ongevoelig was voor hun verwachtingen en voor hun wensen.

Moge Boudewijn zulk een koning zijn!

Vandaag is het precies 195 jaar geleden dat er een einde kwam aan het bewind van de eerste regent van België, Erasme Louis Surlet de Chokier.

Zijn politieke loopbaan begon al ruim voor de Belgische onafhankelijkheid.

Nadat het huidige België in 1815 bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd gevoegd, wierp Surlet de Chokier zich op als leider van de zuidelijke oppositie in de Tweede Kamer.

Hij maakte zich vooral hard voor parlementaire procedures en uitte felle kritiek op de grote macht van koning Willem I.

Door zijn scherpe en soms irritante houding tegenover de regering kreeg hij zelfs de bijnaam ‘de lastige baron’.

Hoewel de koning hem in 1816 tot baron benoemde, zorgde diezelfde Willem I er in 1828 persoonlijk voor dat hij niet werd herkozen.

Zijn reputatie als onvermoeibaar opposant werd verder versterkt door de verdediging van Jean-François Hennequin, de burgemeester van Maastricht die een koninklijk bevel had genegeerd.

Surlet de Chokier wist hem vrijgesproken te krijgen, wat hem bij de regering nog minder geliefd maakte door zijn agressieve pleitbezorging.

Ondanks deze aanvaringen zocht hij soms ook de verzoening op, wat hem burgemeestersposten in Gingelom opleverde.

Toch sloot hij zich uiteindelijk aan bij het unionisme, het verbond tussen katholieken en liberalen dat zich tegen het beleid van Willem I keerde.

Tijdens de Belgische Revolutie in 1830 pleitte hij aanvankelijk nog voor het behoud van de Oranjedynastie met een bestuurlijke scheiding, maar de gebeurtenissen haalden hem snel in.

Hij werd verkozen in het Nationaal Congres en werd daar de eerste voorzitter.

In die rol bleef hij op de achtergrond en stelde hij zich neutraal op, waarbij hij vaak simpelweg met de meerderheid meestemde om de eenheid te bewaren.

Toen de zoektocht naar een geschikte koning moeizaam verliep, werd hij op 24 februari 1831 aangesteld als regent.

Zijn vijf maanden als regent waren turbulent. België verkeerde in chaos door interne verdeeldheid tussen aanhangers van Nederland en Frankrijk, terwijl de economie verslechterde.

Surlet de Chokier regeerde uiterst voorzichtig en minimalistisch.

Hij was zelf een voorstander van aansluiting bij Frankrijk en zag weinig heil in de kandidatuur van Leopold van Saksen-Coburg.

Toch verliep de overgang soepeler dan hij vreesde. Toen Leopold op 21 juli 1831 de eed aflegde, trok de regent zich direct terug uit de nationale politiek.

Hij keerde terug naar zijn kasteel in Gingelom, waar hij tot zijn dood in 1839 burgemeester bleef.

Vandaag de dag leeft zijn naam voort in het straatbeeld en de cultuur.

In Brussel is het Surlet de Chokierplein naar hem vernoemd, gesierd door een monumentaal standbeeld ter ere van de Belgische onafhankelijkheid.

Ook in Gingelom is hij niet vergeten, met een eigen straat en een borstbeeld in het gemeentehuis.

Voor wie de geschiedenis letterlijk wil proeven, wordt er sinds 2000 zelfs een amberkleurig bier genaamd de Chokier gebrouwen om de herinnering aan deze markante figuur levend te houden.

Vandaag, 75 jaar geleden, legde Boudewijn de eed af als de vijfde koning der Belgen.

Boudewijn beloofde hierbij voor de Verenigde Kamers om de Grondwet en de wetten van het Belgische volk te respecteren.

Tijdens deze plechtigheid riep iemand “Vive la République!”.

Deze kreet werd toegeschreven aan de communistische voorman Julien Lahaut.

Lahaut werd zeven dagen later in zijn eigen huis vermoord.

De Belgen accepteerden Boudewijn als staatshoofd, terwijl de verbitterde Leopold III achter de schermen nog veel invloed behield.

Vandaag bereikte ons het droevige nieuws dat Margriet Hermans op 72-jarige leeftijd is overleden.

e laat een indrukwekkende en veelzijdige erfenis achter in de Vlaamse showbizz, de politiek en ver daarbuiten.

Wat veel mensen misschien niet weten, is dat Margriet haar professionele carrière oorspronkelijk begon voor de klas als leerkracht Frans, geschiedenis en Engels.

In 1985 maakte ze echter de verrassende overstap naar de muziek, en dat bleek een gouden zet.

Als zangeres scoorde ze al snel onvergetelijke hits zoals Een vriend, Alle mooie mannen zijn zo lelijk en Laissez rouler le bon temps, Jacqueline.

Haar muzikale succes opende al snel de deuren naar de televisiewereld.

Tussen 1989 en 1997 groeide ze uit tot een absoluut kijkcijferkanon voor de openbare omroep met haar eigen talkshow Margriet, die in de zomers steevast werd uitgezonden vanuit het Casino in Middelkerke.

Met haar onmiskenbare, bulderende lach en bijzonder spontane stijl werd ze een van de populairste schermgezichten van het land.

Ze was in die tijd een absolute vaste waarde in de huiskamers, niet alleen als presentatrice, maar ook als gewaardeerd panellid in geliefde programma’s zoals De zoete inval op Radio 2 en de legendarische komische quiz Zeg eens euh… op TV1.

Eind jaren negentig besloot Margriet een heel andere weg in te slaan en stapte ze in de politiek voor de partij Open Vld.

Ze diende jarenlang met veel vuur en engagement als Vlaams volksvertegenwoordiger, een ambt dat ze uitoefende tot ze in 2009 afscheid nam van het parlement.

Naast haar drukke publieke leven was ze in de eerste plaats een bijzonder trotse moeder van haar dochter Celien Deloof.

Moeder en dochter deelden een enorme passie voor zingen en stonden in de loop der jaren regelmatig samen op het podium.

Margriet was bovendien altijd heel erg eerlijk over haar persoonlijke leven; zo sprak ze als een van de eersten in Vlaanderen erg openhartig over haar maagverkleining, wat voor veel mensen bijzonder inspirerend en drempelverlagend werkte.

In 2022 maakte ze een fantastische, breed gedragen muzikale comeback dankzij haar deelname aan het VTM-programma Liefde voor muziek.

Haar vrolijke cover ‘Lekker blijven hangen’, een Nederlandstalige bewerking van ‘She’s after my piano’ van 2 Fabiola, werd een gigantisch succes waarmee ze volkomen verdiend de begeerde Radio 2 Zomerhit in de wacht sleepte.

Als ultieme kroon op haar schitterende carrière werd ze in 2023 feestelijk opgenomen in de Eregalerij van Radio 2.

Deze bekroning bevestigde nog maar eens haar status als een ware icoon van de entertainmentwereld.

De zangeres Micha Marah is een achternicht van Hermans.

Vlaanderen neemt vandaag afscheid van een warme, kleurrijke en veelzijdige vrouw die generaties lang zorgde voor een lach en een traan.

Een foto van lang geleden, van Margriet Hermans (foto uit mijn privécollectie)

Gisteren nog vandaag

Margriet Hermans en haar eerste single een vriend.

Het nummer is geschreven door Chris Peeters, Marc Dex en
Margriet Hermans.
Roland Verlooven zorgde voor een indrukwekkende productie.
De single was goed voor een eerste plaats in de Vlaamse Top 10 op 5 september 1987.

Margriet Hermans, dit is mijn paleis (Story 19 mei 1987)

Gisteren nog vandaag

Margriet Hermans medewerking aan Werelddierendag in het teken van onze vrienden de hond en de kat.(4 oktober 1991)

Gisteren nog vandaag

Vandaag 100 jaar geleden: aantreden van de regering-Jaspar I.

De vorming van de Belgische regering in mei 1926 leidde op de twintigste van die maand tot de installatie van een regering van nationale unie, geleid door premier Henri Jaspar van de Katholieke Unie.

Dit kabinet trad aan na de val van de regering-Poullet-Vandervelde om een zware financiële en monetaire crisis te bezweren. Die vorige coalitie van katholieken en socialisten was gestruikeld nadat de Belgische frank naar een historisch dieptepunt was gezakt en er een massale kapitaalvlucht op gang was gekomen.

Na het ontslag op 11 mei 1926 werd er snel gezocht naar een brede oplossing.

Hoewel de eerste berichten spraken van een katholiek-liberale as aangevuld met technocraten, waarbij de socialisten in de oppositie zouden belanden, slaagde Jaspar er uiteindelijk in om een brede ploeg samen te stellen waarin alle drie de grote politieke families vertegenwoordigd waren.

Jaspar verdeelde de posten zorgvuldig. Naast de premier zelf werden de katholieken vertegenwoordigd door Charles de Broqueville, Maurice Houtart en Henri Baels. Namens de socialisten traden Emile Vandervelde, Joseph Wauters, Edward Anseele en Camille Huysmans toe tot de regering.

De liberalen vaardigden Paul Hymans af, terwijl Emile Francqui als minister zonder portefeuille werd aangesteld.

Francqui kreeg de specifieke taak om minister van Financiën Houtart te ondersteunen bij het financieel herstelbeleid. In die loodzware opdracht kregen Houtart en Francqui bovendien ruggensteun van een financieel comité onder leiding van voormalig premier Georges Theunis.

Dezelfde dag nog legden de nieuwe ministers de eed af bij de koning.

Op 25 mei 1926 lazen Henri Jaspar in de Kamer en Emile Vandervelde in de Senaat de regeerverklaring voor.

De focus lag nagenoeg volledig op het economische herstel. De regering wilde de geldhoeveelheid verminderen, het belastingstelsel herzien, de begroting in evenwicht brengen en streng snoeien in de uitgaven van de openbare besturen.

Tegelijkertijd beloofde het kabinet om niet te raken aan de sociale zekerheid en de taalwetgeving, en bleef het buitenlands beleid gericht op vrede en internationale samenwerking.

Het parlement toonde zich snel overtuigd, want op 27 mei schonk de Kamer haar vertrouwen aan de regering, waarna de Senaat op 1 juni volgde.

Om de wankelende economie daadwerkelijk te redden, kreeg het kabinet bijzondere volmachten van het parlement.

Hierin speelde Emile Francqui een absolute sleutelrol. Onder zijn impuls werden succesvolle maatregelen doorgevoerd, zoals de oprichting van de Maatschappij voor de Industriële Herfinanciering.

De meest tastbare en blijvende realisatie van deze regering was echter de oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen via de wet van 23 juli 1926.

Om de munt definitief te stabiliseren, werd de Belgische frank in oktober van dat jaar gekoppeld aan de goudstandaard en gedevalueerd, een ingreep die later bekend zou worden als de Frank-Jaspar.

Na een intensief anderhalf jaar viel het doek voor deze ploeg op 22 november 1927, waarna de weg vrij was voor de regering-Jaspar II.

Vandaag, 30 jaar geleden, werd Irma Laplasse voor de tweede keer veroordeeld.

Deze vrouw, voluit Irma Elisa Swertwaeger, kwam op 9 februari 1904 ter wereld in het West-Vlaamse polderdorp Schore.

Over haar vroege jaren is weinig bekend, maar op twintigjarige leeftijd trouwde ze met Henri Laplasse.

Het echtpaar vestigde zich op een boerderij in Oostduinkerke en kreeg twee kinderen.

Vanaf het begin van de jaren dertig raakte Henri Laplasse in de ban van het nationaalsocialisme.

Hij sloot zich aan bij het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en trad in 1941 zelfs toe tot de Vlaamse Wacht, een paramilitaire organisatie die openlijk met de Duitse bezetter samenwerkte.

Hoewel Irma zelf geen politieke ambities had, werd haar hele gezin door de dorpsgemeenschap met de nek aangekeken

Dat werd alleen maar erger toen zoon Frederik bij de Vlaamse Fabriekswacht ging en dochter Angèle een leidende rol op zich nam binnen de Dietsche Meisjesscharen.

De situatie escaleerde in september 1944, toen de bevrijding nabij was.

Terwijl Canadese troepen Diksmuide innamen en het Duitse garnizoen zich terugtrok richting Groenendijk, begon het lokale verzet met het arresteren van collaborateurs.

Ook Frederik Laplasse werd opgepakt en samen met enkele Duitse soldaten opgesloten in de gemeenteschool van Oostduinkerke.

Irma vreesde voor het leven van haar zoon en deed een wanhopig beroep op de Duitse commandant in Groenendijk om de gevangenen te bevrijden.

De daaropvolgende Duitse inval bij de school liep uit op een bloedbad: drie verzetsleden sneuvelden in het vuurgevecht en vier anderen werden direct na hun gevangenname geëxecuteerd.

Kort na deze tragische gebeurtenissen werd Irma Laplasse gearresteerd op beschuldiging van verraad.

Tijdens het proces voor de militaire rechtbank eiste krijgsauditeur Jean Vossen de zwaarste straf.

De rechtbank volgde die eis en op 21 december 1944 werd ze ter dood veroordeeld.

Ondanks een verzoek om gratie en een procedure in beroep, werd ze op 30 mei 1945 geëxecuteerd in de gevangenis van Brugge.

Haar terechtstelling bleef decennialang een bron van bittere discussie, vooral in Vlaamsgezinde kringen, waar men de zaak zag als een symbool van de harde naoorlogse repressie.

Historici zoals de jezuïet Karel van Isacker uitten grote twijfels over de rechtmatigheid van het proces.

Deze aanhoudende druk leidde er uiteindelijk toe dat minister van Justitie Melchior Wathelet in de jaren negentig toestemming gaf voor een herziening.

Op 30 mei 1995, exact vijftig jaar na haar dood, werd het oorspronkelijke vonnis door het Krijgshof in Brussel vernietigd.

Er volgde een nieuw proces, maar de uitkomst bleef nagenoeg gelijk.

Op 14 februari 1996 werd Irma Laplasse opnieuw schuldig bevonden aan de feiten.

Haar straf werd postuum omgezet van de doodstraf naar levenslange hechtenis en een blijvende ontzetting uit haar burgerrechten.

Toen een laatste beroep twee jaar later werd afgewezen, kwam er definitief een einde aan deze slepende juridische geschiedenis.

Frederik Laplasse, de zoon om wie het destijds allemaal begon, overleefde de woelige oorlogsjaren en de daaropvolgende repressie.

Hij overleed in 2013 op 88-jarige leeftijd in zijn vertrouwde Oostduinkerke.

Vandaag is het ook al vijf jaar geleden dat oud-politicus Willy Kuijpers is overleden.

Willy Kuijpers begon zijn engagement bij de Chiro, aanvankelijk zonder banden met het Vlaams-nationalisme, maar hij groeide desondanks snel uit tot een van de grote voortrekkers van de beweging.

Hij verwierf al vroeg een grote naamsbekendheid, onder meer door de uitgave van zijn eigen magazine “Nieuw Vlaanderen”.

Zijn politieke loopbaan was indrukwekkend en spreidde zich uit over alle niveaus.

Lokaal was Kuijpers zeer aanwezig in Herent, waar hij opklom van gemeenteraadslid tot schepen, en uiteindelijk van 1995 tot 2012 burgemeester was.

Hij was Kamerlid van 1971 tot 1984 en zetelde begin jaren 80 in de Vlaamse Raad.

In 1984 volgde een verkiezing als Europees Parlementslid, en tussen 1989 en 1995 zetelde hij in de Senaat. Aansluitend was hij nog twee jaar Vlaams Parlementslid, een mandaat dat hij om gezondheidsredenen neerlegde.

Doorheen zijn carrière streed Kuijpers, gedreven door zijn Vlaamse overtuiging, voor een hele reeks verdrukte bevolkingsgroepen, van Basken over Koerden tot Armeniërs.

Vooral zijn pro-Baskische activisme was opmerkelijk. Ten tijde van de Franco-dictatuur deelde hij pamfletten uit voor een vrij Baskenland bij de kathedraal van Guernica.

Die actie kwam hem duur te staan: hij werd opgepakt, in de cel gegooid en het land uitgezet.

Naast zijn politieke strijd was Kuijpers ook erg begaan met mensen die het moeilijk hadden.

Zo nam hij in zijn eigen gezin verschillende pleegkinderen op en bood hij onderdak aan mensen die nergens anders terechtkonden.

Hij stond tevens bekend als een non-conformist. Ooit werd hem de toegang tot de Kamer geweigerd omdat hij zonder das en pak verscheen.

Hij had ook een Tijl Uilenspiegel-kantje en haalde regelmatig grappen uit. Legendarisch is zijn luide uitroep “Pujol, kust mijn hol!” in Barcelona, na een toespraak van een Catalaanse politicus.

In 1997 stopte hij om gezondheidsredenen definitief als parlementslid.

Een jaar later, in 1998, werd hij in het Vlaams Parlement gehuldigd voor zijn 25-jarig parlementair mandaat.

Sinds 1999 draagt hij de eretitel van ere-Vlaams volksvertegenwoordiger.

Hoewel hij in 2016 officieel afscheid nam van de politiek, duwde hij twee jaar later nog de lokale N-VA-lijst in Herent om zijn partij te steunen.

Willy Kuijpers overleed op 83-jarige leeftijd aan de gevolgen van een coronabesmetting, opgelopen tijdens een ziekenhuisopname.

Vandaag, is het exact 35 jaar geleden dat Lynn Wesenbeek, een van Vlaanderens bekendste mediapersoonlijkheden, in het huwelijksbootje stapte met advocaat en voormalig liberaal politicus Geert Versnick.

Samen kregen ze twee dochters, onder wie actrice Lauren Versnick.

Hoewel het koppel in 2001 uit elkaar ging, hebben ze altijd een vriendschappelijke band behouden.

De carrière van Lynn Wesenbeek, geboren in Brasschaat in 1962, werd gelanceerd toen ze in 1987 tot Miss België werd gekroond.

Haar overwinning was de perfecte springplank naar de televisiewereld.

In 1989, bij het opstarten van VTM, werd ze een van de eerste en meest geliefde omroepsters van de zender.

Gedurende 23 jaar was ze een vast gezicht op het scherm en presenteerde ze succesvolle programma’s als “Miss België”, “Royalty” en “De Exclusieve”.

Na haar vertrek bij VTM in 2012 bleef Wesenbeek niet stilzitten.

Ze begon een nieuwe fase als freelance journaliste en moderator en maakte zelfs een opmerkelijke zijstap naar het bedrijfsleven door in 2015 mede de Belgische Federatie voor Robotica op te richten.

In 2018 keerde ze terug naar haar oude liefde, de televisie, als presentatrice van het interviewprogramma “Z-Talk” op Kanaal Z.

In datzelfde jaar schreef ze samen met Kris Colpaert het boek “50 Tinten Wijs”, waarvoor ze tal van bekende leeftijdsgenoten interviewde over het leven na vijftig.

Een volgende verrassende wending kwam er in 2019, toen ze de politieke arena betrad als lijstduwer voor Open Vld bij de Europese verkiezingen.

Ze zette haar televisiewerk op pauze en behaalde een indrukwekkend aantal van ruim 53.000 voorkeurstemmen, wat net niet voldoende was voor een zetel.

Haar politieke engagement kreeg een vervolg toen ze in 2020 door haar partij werd aangesteld als lid van de raad van bestuur van de VRT.

Recentelijk heeft Lynn Wesenbeek een nieuwe, creatieve passie omarmd.

In 2025 richtte ze Studio Saudade op, een project waarmee ze haar zelfgemaakte keramieken hoofden als designobjecten verkoopt, en zo opnieuw een nieuw hoofdstuk aan haar veelzijdige carrière toevoegt.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 93 jaar geleden, overleed Gentenaar Pierre De Geyter en componist van het strijdlied “De Internationale” te Saint-Denis.

Zijn vader Adrien (Adrianus) werd op 10 april 1818 in Gent geboren en zijn moeder Rosa (Rosalia Julia) Verbauwen was afkomstig uit Menen. Zij werkten in de textielindustrie en hun zoon Pierre werd geboren in de Kanunnikstraat.

De levensomstandigheden van het Gentse arbeidersgezin waren niet bepaald rooskleurig te noemen. Armoede, honger, overbevolking en infectieziekten eisten een zware tol in de Vlaamse arbeidersbuurten van het midden van de 19e eeuw.

Toen dan ook nog eens de Vlaamse textiel- en metaalnijverheid in crisis geraakte door de industrialisering, raakten vele kostwinnaars hun baan kwijt. Hopend op betere economische omstandigheden verhuisde de familie De Geyter in 1855, zoals zovele andere Vlaamse textielarbeiders, naar het Noorden van Frankrijk, dat in die periode ook wel ‘Petit Belgique’ werd genoemd.

Al op jonge leeftijd begon Pierre in Rijsel te werken in de locomotieffabriek Fives.

Ondanks het zwaar werk volgde hij aan de avondschool voor arbeiders lessen in lezen en schrijven. Vanaf zijn zestiende kreeg hij ook tekenlessen in de academie van Rijsel, waardoor hij op de sociale ladder kon stijgen tot modelmaker in hout.

Bronnen over zijn muzikale opleiding zijn schaars, maar waarschijnlijk volgde hij vanaf 1864 muziekles aan de muziekschool van Rijsel, waar hij in 1868 een eerste prijs behaalde voor blaasinstrumenten.

Hij speelde onder meer saxofoon en werd in 1887 dirigent van het pas opgerichte socialistische koor ‘La Lyre des Travailleurs’. Zijn eerste composities situeerden zich vooral in het lichte genre, maar De Geyter stelde zijn muzikaal talent ook ter beschikking van de ontluikende arbeidersbeweging, onder andere bij stakingen.

Gustave Delory, een socialist die ‘La Lyre des Travailleurs’ had opgericht en later burgemeester van Rijsel zou worden, zocht De Geyter aan om een strijdlied te componeren voor de Rijselse afdeling van de jonge ‘Parti Ouvrier’.

De tekst die op muziek moest gezet worden was geschreven door Eugène Pottier tijdens de Commune van Parijs (1871).

In juli 1888 werd De Geyters L’Internationale voor het eerst gezongen en verder verspreid via ‘vliegende blaadjes’ die de lokale partijkas spijsden. Als auteur werd enkel de achternaam Degeyter vermeld.

Dit gebeurde om repressie tegen zijn persoon te vermijden, want zowel patronaat als overheid hielden alle uitingen van opstandig gedrag scherp in de gaten.

Deze tactische overwegingen mochten echter niet baten: De Geyter werd ‘herkend’ als componist en werd ontslagen. Intussen kende de Internationale een steeds groeiende populariteit en in 1896 kwam het startschot voor de wereldwijde verspreiding, toen het ‘XIVe Congrès du Parti Ouvrier Français’ het als lijf- en strijdlied adopteerde.

Door zijn ontslag kreeg De Geyter financiële problemen en in 1901 verhuisde hij met zijn gezin naar Saint-Denis, een voorstad van Parijs. Daarnaast ontstond er ook in zijn familie een conflict over wie nu de auteur was van de Internationale: Pierre, of zijn jongere broer Adolphe.

Uit tactische overwegingen was immers enkel De Geyter als componist vermeld en dit gaf Gustave Delory de gelegenheid om te beweren dat Adolphe – die door zijn geboorteplaats Fransman was en voor de gemeentediensten van Rijsel werkte – de componist was geweest.

Delory beweerde ook dat Adolphe de rechten had overgedragen aan de ‘Imprimerie ouvrière de Lille’, de drukkerij van de socialistische partij. Delory zette Adolphe zo zwaar onder druk dat deze inderdaad zo’n verklaring aflegde.

Pierre kon zich hiertegen niet verdedigen en zei de socialistische partij vaarwel.

In 1904 spande hij dan toch een proces aan tegen zijn broer om zijn rechten als componist af te dwingen. Pas na 10 jaar kwam er een uitspraak, die Adolphe in het gelijk stelde.

De Geyter had zich hierbij neer te leggen, maar door een dramatische ‘plotwending’ kreeg het verhaal toch nog een vervolg.

In 1916 pleegde Adolphe De Geyter immers zelfmoord.

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kreeg Pierre een brief van zijn broer in handen, die dateerde van 1915. Hierin schreef Adolphe klaar en duidelijk dat niet hij, maar Pierre de componist was van de Internationale: “Voilà: je n’ai jamais fait de musique, encore moins l’Internationale.” Adolphe gaf in de brief ook aan dat hij zwaar onder druk was gezet om de Internationale als zijn werk te claimen.

In 1922 bevestigde een rechtbank in Parijs het auteurschap van Pierre De Geyter, die ondertussen lid was geworden van de jonge communistische partij.

Door die politieke keuze viel hij buiten de kring van het respectabel geworden socialisme, en zijn muziek raakte in Frankrijk in de vergetelheid.

De Geyter leefde voort in relatieve anonimiteit en werkte bij de gemeente Saint-Denis als lantaarnopsteker.

Enkele jaren voor De Geyters dood merkte een werknemer van de Parijse ambassade van de Sovjet-Unie op dat de componist van de Internationale nog in leven was (op dat moment was de Internationale de nationale hymne van de Sovjet-Unie).

De Geyter werd in 1927 uitgenodigd om in Moskou als eregast de plechtigheden mee te vieren die plaatsvonden naar aanleiding van 10 jaar Oktoberrevolutie.

De Sovjet-Unie zorgde ervoor dat De Geyter aan het einde van zijn leven toch enkele vruchten plukte van zijn werk: hij kreeg een Russisch staatspensioen en de gemeente Saint-Denis gaf hem de beschikking over een woning.

Naast de Internationale componeerde De Geyter vooral amusementsmuziek en strijdliederen, waarvan een groot deel in de stadsbibliotheek van Rijsel bewaard is gebleven.

Zijn standbeeld staat bij het Industriemuseum te Gent. (Diverse bronnen, Wikipedia, De Post en Annelies Focquaert)

Gisteren nog vandaag