Wie herinnert zich nog dit lokaal van de MIVG aan de Zuid in Gent?

De Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Gent, beter bekend als de MIVG, werd opgericht op 15 maart 1961 als opvolger van de Elektriciteitstramwegen Gent.

Vanaf 1 januari 1962 tot en met 31 december 1990 verzorgde dit vervoerbedrijf het openbaar stadsvervoer in Gent en de nabije randgemeenten en deelgemeenten, zoals Melle, Sint-Martens-Latem en Deurle.

Tijdens de actieve periode van de MIVG onderging het Gentse stratenbeeld op het vlak van mobiliteit een aanzienlijke evolutie.

Het bedrijf erfde een uitgebreid tramnet, maar verving in de loop der jaren diverse tramlijnen door autobussen om flexibeler in te spelen op de uitbreiding van de stad.

Een opvallende mijlpaal in de geschiedenis van de MIVG was de herintroductie van de trolleybus in de jaren tachtig.

Ondanks aanvankelijk lokaal verzet werd in 1988 een eerste trolleybuslijn in gebruik genomen, wat een uniek ecologisch en modern accent legde op het stadsnet.

Op het vlak van huisstijl en materieel stond de MIVG eveneens niet stil.

Waar men in de beginperiode nog reed in de geel-blauwe kleuren van de voorganger, verschenen later de iconische blauwe autobussen en trams in het straatbeeld, die tot de verbeelding van vele Gentenaars spreken.

Aan het bestaan van de MIVG kwam een einde door de Vlaamse nethervorming en de oprichting van de Vlaamse Vervoermaatschappij.

Op 1 januari 1991 fuseerde de MIVG samen met de Antwerpse MIVA en het Vlaamse deel van de NMVB tot De Lijn.

Daarmee werd de lokale intercommunale verankering overgedragen aan een breder Vlaams kader, hoewel de erfenis van de MIVG tot op de dag van vandaag voortleeft in de geschiedenis van de Gentse mobiliteit.

De Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent ademt pure geschiedenis en is vanaf het allereerste begin nauw verbonden met de wortels van de stad.

Die ontstaansgeschiedenis begon in de zevende eeuw met de heilige Amandus van Maastricht, een rondtrekkende missionaris en bisschop uit Aquitanië die een doorslaggevende rol speelde bij de kerstening van het noordelijke Merovingische rijk.

Rond het jaar 630 streek hij met steun van de Merovingische koning Dagobert I neer in de streek rond de samenvloeiing van de Schelde en de Leie, in het gebied dat toen bekendstond als Ganda.

Amandus koos bewust voor de Blandijnberg, een zandige heuvelrug die circa 29 meter boven het rivierlandschap uitstak.

Die plek bood bescherming tegen overstromingen en gaf uitzicht over de handels- en waterwegen.

De naam Blandinium verwees naar een Gallo-Romeinse oorsprong, vermoedelijk ontleend aan een vroegere landeigenaar genaamd Blandinus.

Ondanks aanvankelijke weerstand van de plaatselijke bevolking stichtte Amandus hier rond 630 tot 650 een eerste kloostergemeenschap gewijd aan de apostel Petrus, die samen met de nabijgelegen Sint-Baafsabdij de oercel vormde waaruit Gent zou groeien.

Waar vandaag de barokke kerk staat, rees in de eeuwen na Amandus een romaanse abdijkerk op die het hart vormde van een van de machtigste en rijkste kloostergemeenschappen van heel Vlaanderen.

Die middeleeuwse gebouwen kregen het echter zwaar te verduren tijdens de zestiende-eeuwse beeldenstorm en godsdiensttwisten, waardoor een complete heropbouw nodig bleek.

In 1629 legde bisschop Antonius Triest de eerste steen van de huidige barokkerk. Jezuïet en architect Pieter Huyssens tekende de plannen en liet zich voor de monumentale koepel en de grootse proporties inspireren door de wereldberoemde Sint-Pietersbasiliek in Rome.

De eerste bouwfase liep van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.

Tijdens de Franse overheersing raakte de kerk haar religieuze rol even kwijt om als opslagplaats te dienen, tot het gebouw in 1810 opnieuw officieel als kerk in gebruik werd genomen.

Wat deze plek extra bijzonder maakt, is haar verleden als rustplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.

Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen het meest prestigieuze religieuze centrum van het graafschap was, zochten vorsten er maar wat graag een plek voor hun zieleheil en dynastieke uitstraling.

Maar liefst vijf graven vonden er hun laatste rustplaats: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV. Ook familieleden werden erbij gezet, onder wie zeer waarschijnlijk Judith van West-Francië, dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.

De graven rusten er dan ook bewust: de site vormde het spirituele en politieke zenuwcentrum van het vroege Vlaanderen, waar het graf van overleden leiders het gezag van hun opvolgers kracht bijzette.

Aan die eeuwenoude feodale lijn kwam aan het einde van de achttiende eeuw definitief een einde.

De Oostenrijkse keizer Frans II was de allerlaatste die de titel nog in de oorspronkelijke feodale zin droeg.

De Franse Revolutie en de annexatie in 1795 maakten immers een einde aan het graafschap en vervingen het oude systeem door een modern bestuur, zonder verdere opvolgers voor de Habsburgse heerser.

In de negentiende eeuw blies de Belgische monarchie de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven in, maar dat gebeurde puur ceremonieel voor prinsen van het koninklijk huis, zonder enige bestuursmacht.

De laatste die deze eretitel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.

Sindsdien is de titel nooit meer toegekend en doofde ook de symbolische lijn uit.

Vandaag verenigt het gebouw de namen van de verdwenen Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde en de voormalige abdij.

Samen met het uitgestrekte Sint-Pietersplein blijft het een onmiskenbaar en vertrouwd baken aan de Gentse horizon.

Foto van Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent (oktober 1931)

Van kasteelpracht naar cel: het societyschandaal rond de broers Parisis

De zaak Parisis barstte in oktober 1986 in alle hevigheid los, toen het zakenimperium van de zogeheten golden boys definitief instortte en Gent werd opgeschrikt door een groot societyschandaal.

Jarenlang stonden de broers Etienne en Antoine Parisis bekend als de Ewings en de Carringtons van Wondelgem.

De blauwe vlag met de witte letter P boven een wereldbol gold als het ultieme symbool van hun succes.

Dag en nacht, in de winter en in de zomer, spoot de fontein op hun kasteeldomein en gaven zij met open handen geld uit.

Aan die schijnbare weelde kwam abrupt een einde met de aanhouding van beide broers, waarna het hele kaartenhuis in elkaar zakte.

In Gent merkte men destijds al schamper op dat het normaal gezien pas de derde generatie is die een familiebedrijf ten gronde richt, terwijl de clan Parisis dat al in de tweede generatie voor elkaar had gekregen.

Waar de familie ooit een onberispelijke reputatie genoot, was dat aanzien door vader Roger opgebouwd.

Hij was gemeentesecretaris van de oude stempel, eerst in Lovendegem en nadien in Wondelgem.

Als trouwe CVP-er en man van gezag deed hij inwoners graag een gunst, waarbij de begunstigden uit dankbaarheid hun verzekeringen bij hem onderbrachten.

De zaken floreerden dermate dat zijn echtgenote, mevrouw Gabriëls, in Wondelgem een agentschap van het Gemeentekrediet opende.

Klachten over Rogers zakelijke handelen waren er nooit geweest; hij combineerde zijn uiteenlopende functies steeds met een voorbeeldige toewijding.

Hij kampte weliswaar met een wankele gezondheid en moest zware heelkundige ingrepen doorstaan, maar bleef een opvliegende patriarch die onvoorwaardelijk voor zijn twee zonen door het vuur ging en gezinsconflicten angstvallig voor de buitenwereld afschermde.

De twee broers, Etienne geboren in augustus 1945 en Antoine in november 1947, verschilden vanaf hun jeugd als dag en nacht. Etienne gold als de bedachtzame, stille en introverte werker die zich in zijn schoolboeken verdiepte, terwijl moeders oogappel Antoine een extraverte sportieveling was die hield van voetbal en basketbal.

Kennissen beschreven Etienne als een ijzige, berekenende sfinx die men nooit echt kon peilen.

Hoewel hij beweerde leverproblemen te hebben en verschillende ontwenningskuren had gevolgd, hield hij het tijdens zakenlunches op Hof Ten Dries steevast bij rauwe groenten en wortelsap, terwijl zijn gasten zich tegoed deden aan champagne en uitgelezen wijnen.

Antoine daarentegen was een joviale levensgenieter die graag verbleef in toprestaurants en exclusieve clubs, maar evengoed pinten dronk in een volkscafé.

Hij won moeiteloos het vertrouwen van investeerders, maar veranderde na enkele glazen drank in een dominante figuur die graag pronkte met zijn geld, zijn horloge en de kledij van zijn vrouw.

Geen van beiden studeerde na het middelbaar onderwijs in Gent verder.

Hun ouders hadden een toekomst voor hen uitgestippeld waarvoor geen hogere diploma’s nodig waren: voor elke zoon een kantoor van het Gemeentekrediet en een degelijke echtgenote.

Het oorspronkelijke plan was dat zij zouden trouwen met twee zussen die in Zaïre waren geboren, Francine en Arlette.

Toen Arlette haar verloving met Antoine na drie jaar verbrak, werd haar dat nooit vergeven.

Toen Etienne haar later alsnog in de zaak opnam als gevolmachtigde en haar Brusselse vriend, een ervaren verzekeringsman, het beheer van de portefeuille toevertrouwde, greep vader Roger in.

Terwijl Etienne op zakenreis was in Amerika, zette hij Arlette op straat, en haar vriend raakte in opspraak nadat hij onderweg naar Nederland met een geldtransport betrokken raakte bij een verkeersongeval.

Zo herstelde de patriarch de orde binnen de clan.

Antoine trouwde vervolgens met Rose-Marie Brysse, bijgenaamd Roosje, een knappe vrouw uit een streng katholiek gezin en dochter van Albert Brysse, oud-leraar aan het Sint-Barbaracollege en gids bij het Lam Gods.

Zij kregen twee zoontjes, terwijl het huwelijk van Etienne en Francine kinderloos bleef.

In Wondelgem stond Rose-Marie bekend als uitermate afstandelijk en neerkijkend op het gewone volk.

Zij weigerde met een Volkswagen Golf te rijden zoals haar schoonzus en eiste met succes een BMW.

Antoine vestigde zich met zijn gezin in een luxe villa aan de Woestijnegoedlaan, die hij met een knipoog naar de televisieserie Dallas op de deurklopper Southfork had gedoopt.

Etienne en Francine woonden daarentegen sober op de tweede verdieping boven het bankkantoor, terwijl vader en moeder Parisis tot hun verhuizing naar Sint-Amandsberg in januari 1986 op de eerste verdieping bleven wonen.

Francine had het er zwaar onder het voortdurende toezicht van haar schoonmoeder en mocht haar eigen familie nauwelijks ontvangen.

Een poging van haar ouders om in het holst van de nacht te bemiddelen, ontaardde in een handgemeen waarbij haar tachtigjarige vader tegen de stoep werd gewerkt en haar moeder een zenuwinzinking kreeg die haar aan één oog blind maakte.

Het plan om twee aparte agentschappen te openen mislukte eveneens.

Het kantoor dat Antoine aan de Muidebrug runde, ging roemloos ten onder, waarna de broers samen het agentschap in Wondelgem gingen uitbaten.

Dat groeide uit tot een van de succesvolste vestigingen van het Gemeentekrediet in België.

Desondanks zette de instelling hen in 1977 aan de deur wegens een ernstige beroepsfout, omdat Etienne zich niet had beperkt tot veilige spaarboekjes en kasbons, maar zich had gewaagd aan goudhandel en internationale speculaties.

De familie bleef wel boven het kantoor wonen en er ontstond een slepend proces over de afdracht van patronale lasten, waarbij Etienne kort voor zijn arrestatie nog verklaarde dat hem 500.000 euro was geboden om een minnelijke schikking te treffen.

Etienne behaalde aanvankelijk grote winsten door spaarders massaal aan te raden Amerikaanse dollars te kopen, een munt die van 0,69 euro snel het dubbele waard zou worden.

In hun vroegere ouderlijke woonst aan de Evergemsesteenweg startten de broers een discreet zakenkantoor.

Etienne raakte volledig bezeten door de markten, volgde de beursberichten dag en nacht via een financieel persagentschap en nam zelfs een wisselagent van een Luxemburgse bank in dienst.

Ondanks dure adviezen van een gerenommeerd advocatenkantoor verloor hij langzaam de controle.

Tegelijkertijd wierp Antoine zich met verve op de public relations van het kantoor door middel van royale etentjes en banketten in het Casino van Middelkerke, waarbij hij steeds tegen Etienne zei dat hij op die bijeenkomsten nieuwe beleggers wist binnen te halen.

Met het oog op verdere expansie kocht Antoine het domein Hof Ten Dries in de Winkelstraat van verzekeringsbaas Roeland van Veirdeghem.

Het plan om er een restaurant en twee villa’s te bouwen, stuitte op bezwaren van Stedebouw, omdat het om een groenzone ging.

Enkel de hovenierswoning mocht worden gerestaureerd, maar de broers lieten het pand direct slopen en vervingen het door een riante woning in neo-oude stijl voor Etienne.

Het kasteel zelf werd voor 2.500 euro per dag tot in de puntjes gerestaureerd met paleisachtige allure.

Bulldozers vellen het omliggende bos en oude beuken om plaats te maken voor imitatie-Griekse zuilen, dennenbomen, strakgetrokken vijveroevers en graszoden die kant-en-klaar uit Nederland werden aangevoerd.

Zelfs de goudvissen, eenden en zwanen werden uit de vijver gehaald en vervangen door nieuwe exemplaren.

Antoine liet topkoks overkomen voor exclusieve diners, maar het restaurant sloot al na zes maanden wegens een gebrek aan klandizie.

Hof Ten Dries bleef wel het decor voor grandioze ontvangsten met Rolls-Royces, videobewaking, waakhonden en een fontein die zelfs bij vorst met warm water bleef spuiten.

In het seizoen 1981-1982 stapten de broers in de sportwereld.

Antoine werd voorzitter en sponsor van basketbalclub Hellas Gent, waar hij met overdadige champagne-ontvangsten en grootse plannen voor spanningen zorgde met clubmanager Carlos Sierens.

Na twee seizoenen en een investering van ongeveer 50.000 euro vertrok Antoine met slaande deuren toen zich een andere geldschieter aandiende, waarbij de club achterbleef met onbetaalde btw en loonvoorheffingen.

Ook deden geruchten de ronde over zwart geld en vermeende spelerscontracten in het kader van het gerechtelijk optreden van onderzoeksrechter Bellemans.

Antoine toonde later belangstelling voor de voorzittersstoel bij voetbalclub AA Gent, maar verder dan informele contacten en gesprekken over een loge kwam het niet.

Wel organiseerden de broers dure promotie-evenementen met artiesten zoals Will Tura, die ook meereisde op promotionele vluchten naar de Verenigde Staten voor investeerders, en sponsorden zij met wisselend succes de automobielclub Duindistel.

Voor de cliënten zetten de broers grote investeringsprojecten op in de Amerikaanse stad Dallas, waar dankzij een economische groei woningen werden gebouwd.

Dit liep via de in Panama gevestigde vennootschap Dalfo, waarbij vermogens via Zwitserse banken konden worden weggesluisd.

Beleggers kregen contracten voorgelegd waarin hen na negen maanden terugbetaling van het startkapitaal en periodieke winstuitkeringen werden beloofd.

Daarnaast richtte het kantoor een eigen reisbureau en een informatica-adviesbureau op.

Etienne bleef reizen naar de Verenigde Staten en het Verre Oosten maken en bleef geloven in de degelijkheid van de Texaanse operaties, al vermoedde zijn omgeving later dat hij daar zelf was opgelicht.

Antoine koos daarentegen voor luxueuze gezinsvakanties in Frankrijk en de Verenigde Staten.

Ondertussen etaleerde Rose-Marie de weelde van de familie in de modewereld.

Na een matig succesvolle kledingzaak in de Bennesteeg kocht Antoine voor haar het historische hoekpand Delaet in de Henegouwenstraat.

Een grondige verbouwing ter waarde van 7.500.000 euro leidde tot de opening van Parisis International in 1983, gevierd met een reusachtig stadsfeest.

De winkel bood peperdure haute couture en exclusieve juwelen aan die de draagkracht van de Gentse markt ver overstegen, met creaties zoals een blouse met gouden pailletten van 2.900 euro en bontmantels ter waarde van 10.000 euro, terwijl een bezoeker al schertsend opmerkte dat vier muntsnoepjes van de toonbank vast 300 euro zouden kosten.

De exploitatie kostte handenvol geld en kende een maandelijks elektriciteitsverbruik van 11.155 euro.

Toen de broers in 1985 automobielclub Duindistel sponsorden voor 5000 euro en de tweede schijf van 5000 euro in maart 1986 uitbleef, verdween de naam Parisis van de wagens.

Toen leveranciers van de modezaak niet meer betaald werden en er protest werd aangetekend tegen onbetaalde wissels, greep Etienne in en dwong hij haar tot een uitverkoop, waarna het pand medio 1985 aan een ander bedrijf werd verhuurd en de juwelierszaak in juli 1986 definitief sloot.

Vanaf juni 1986 werd duidelijk dat het imperium ten onder ging, mede aangewakkerd door aanhoudingen in andere financiële fraudedossiers elders in Vlaanderen.

Bezorgde beleggers eisten bedragen tot wel 250.000 euro ineens terug en veroorzaakten een stormloop op het kantoor.

Terwijl een gedupeerder vertelde dat hij 12.500 euro aan spaargeld had toevertrouwd tegen negen procent rente, en dat zijn dochter, vrouw en vriendin er elk 5000 euro hadden staan, zocht Etienne wanhopig naar een uitweg en overwoog hij zelfs zelfmoord.

Antoine daarentegen zag de toekomst veel minder somber in.

Pas nadat hij op één dag zowel een zware BMW als een Mercedes in de prak had gereden, vertrok hij overspannen op vakantie naar Oostenrijk.

Bij zijn terugkeer werd hij op de luchthaven van Zaventem gearresteerd, daags nadat Etienne met amper 4 euro op zak op het kasteel was opgepakt.

Onderzoeksrechter Eric Beaucourt ondervroeg Etienne over de verdwenen tegoeden, maar kreeg geen antwoord.

Etienne dacht dat zijn klantenbestand veilig was, omdat hij de namen van zijn klanten in het computersysteem net voor de politie-inval had gewist en vervangen door een anonieme vermelding aan toonder, in de hoop dat de speurders nooit zouden achterhalen wie er achter de rekeningen zat.

Financiële speurders slaagden er echter in de code te kraken, waardoor 1939 namen met een gezamenlijk belegd vermogen van 70 miljoen euro zichtbaar werden, nog zonder de projecten in Texas mee te rekenen.

Geheime bedieningsknoppen onder de bureaus, die bedoeld waren om alarm te slaan of het volledige systeem te wissen, bleken tijdens de inval niet te functioneren.

Hoewel er geruchten gingen over betrokkenheid van vooraanstaande kringen en politici, verklaarde het parket dat er geen politieke mandatarissen op de lijsten stonden.

De uiteindelijke val werd ingeluid door een klacht met burgerlijke partijstelling vanuit een plaatselijke houthandel, waar een schoonzoon 50.000 euro uit de bedrijfskas had gehaald om bij Parisis in te leggen.

Toen de man zijn geld wegens liquiditeitsproblemen niet onmiddellijk kon recupereren, stapte de familie naar het gerecht.

Drie dagen later volgde het faillissement van het zakenkantoor.

In een ultieme overlevingspoging hadden de broers nog geprobeerd een kantoorhouder van het Gemeentekrediet in Ledeberg aan te trekken om een nieuwe vennootschap te openen en verspreidden zij huis-aan-huis een infoblad waarin zij spaarders opriepen tot kalmte en zelfbeheersing.

Het mocht niet meer baten, waarna tientallen gedupeerde spaarders zich met hun bezwarende stukken bij het gerecht meldden.

Tragisch scheikundig experiment op de Coupure in Gent eindigt in een explosie en een dodelijk ongeval

Dit drama speelde zich af eind september 1936 in Gent.

Twee jonge studenten waren op hun mansardekamer op de bovenste verdieping van het pand aan de Coupure bezig met het mengen en testen van chemische stoffen.

Tijdens hun experimenten ging het grondig mis en volgde er een zware ontploffing.

De kracht van de explosie blies de ruiten van het zolderraam eruit en richtte aanzienlijke schade aan in de kamer.

Een van de twee studenten kwam hierbij om het leven, terwijl de ander zwaargewond raakte.

Het voorval haalde destijds de nationale pers en werd onder meer met deze foto verslagen in het weekblad De Stad op 2 oktober 1936.

40 jaar geleden vond de nieuwste stunt van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe plaats.

Frank Liefooghe volgde zijn opleiding aan de Academie van Gent, waar hij zich bekwaamde in grafiek, sierkunst en schilderkunst.

Onder invloed van mentoren als Raoul Servais, Jan Burssens en Pierre Vlerick groeide bij hem een vrijgevochten, non-conformistische mentaliteit die bepalend werd voor zijn artistieke ontwikkeling.

Die houding kwam tot uiting in grootschalige projecten die de gemiddelde toeschouwer verbaasden, zoals zijn plan uit 1969 om het Stedelijk Museum in Amsterdam in te pakken met een gigantisch schilderij.

Hoewel dat herinneringen opriep aan het werk van Christo, kwam het voort uit Liefooghes eigen drang om de ruimte te beheersen en artistieke grenzen te verleggen.

In de vroege jaren zeventig kregen zijn concepten een uitgesprokener maatschappelijke en filosofische lading.

In 1970–1971 experimenteerde hij bijvoorbeeld met een mobiel van hoge ballonnen boven het Amsterdamse IJ, de brede waterweg die noordelijk langs het centrum van Amsterdam loopt en de stad van Amsterdam-Noord scheidt, om de spanning tussen natuur en kunstmatige vergankelijkheid te onderzoeken.

Het project ‘Landschap van de Toekomst’ kwam tot stand in samenwerking met het Stedelijk Museum.

Later richtte hij zijn aandacht meer op thema’s zoals vrede en solidariteit.

Dat leidde onder meer tot een ontwerp voor een monument in Jeruzalem: een blauw ei dat onder invloed van de zon zou openbreken en zo symbolen van verschillende religies zou verenigen.

Het werk uit deze periode weerspiegelt een sterk ideologisch engagement, vaak in opvallende en onconventionele vormen.

Maar Frank Liefooghe was zoveel meer dan de man van grote projecten.

Zo ontwierp hij ook de hoes van het album ‘Tussen Zomer en Winter’ van Rob de Nijs.

De twee leerden elkaar kennen in Gent, via de Gentse muziekproducent en tekstschrijver Walter Ertvelt. Rob de Nijs verbleef toen een korte periode in Gent, waar de voorbereiding van het album plaatsvond.

Na het werk nam Ervelt hem mee naar de Hotsy Totsy. Op een van die avonden ontmoette De Nijs er Frank Liefooghe.

Franks oudste broer, Dirk Liefooghe, was jarenlang leerkracht aan de Gentse academie en een bekende figuur in de Gentse kunstwereld.

Hij werkte mee aan verschillende kunstprojecten en speelde in 1965 in het toneelstuk ‘Maria Stuart’ van Friedrich von Schiller (1759-1805), in een regie van Georges Vitaly, animator van kleine theaters in Parijs.

Regieassistent was Jo Decaluwe.

Het stuk was de eerste productie van het NTG, met Dré Poppe als eerste directeur.

Naast deze conceptuele projecten bleef Liefooghe zich intensief wijden aan de schilderkunst zelf, meestal ver van de gevestigde galeriewereld.

Reizen naar Schotland, Ibiza en Ierland vormden de aanloop naar zijn meest ingrijpende ervaring: een verblijf in West-Afrika in 1982.

De onderdompeling in een andere cultuur en het herontdekken van antieke levenswaarden veranderden zijn artistieke visie fundamenteel. Werken als ‘Regendans van de Lobi’ en ‘Wedergeboorte’ gebruiken weliswaar westerse materialen, maar ademen een geest die losstaat van de Europese traditie.

Zijn schilderstijl wisselt tussen een vrolijk, tachistisch kleurgebruik met veel oranje en groen, en een mystiekere benadering met diepe blauwtinten, bruinen en zwarte accenten.

Die visuele keuzes worden gestuurd door persoonlijke herinneringen aan ontmoetingen met mensen, dieren en de natuur.

Uiteindelijk vormen deze schilderijen een persoonlijke belijdenis, nauw verwant aan de bevlogenheid van zijn eerdere politieke en maatschappelijke projecten.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

125 jaar geleden, van volkse Druifsteeg tot burgerlijke Baudeloostraat in Gent

Rond het jaar 1900 onderging de noordzijde van de Vrijdagmarkt een ingrijpende verandering.

Waar ooit een wirwar van smalle steegjes en arbeiderswoningen lag, kwam een brede doorgang richting de voormalige Baudelo-abdij aan de Ottogracht en de achterliggende Baudelokaai.

Het bekendste straatje dat hiervoor moest wijken, was de oude Druifsteeg, later Struivelstraat genoemd.

In 1900 werd deze steeg definitief afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe, verbrede Baudeloostraat.

De aanleg betekende een heuse kaalslag in de volkswijk.

De socialisten stemden indertijd in met deze sanering en de uitdrijving van de arbeidersbevolking.

Toch liep de heropbouw niet meteen storm; de nieuwe straat raakte maar moeizaam volgebouwd.

De bouwgronden waren simpelweg te duur geworden voor arbeidershuisjes.

In de plaats kwamen zelfstandigen, bedienden en renteniers wonen, al werden heel wat panden ook gekocht als opbrengsteigendom om te verhuren.

Zo veranderde het straatbeeld in een wijk voor de gegoede kleine burgerij.

Pas na de Eerste Wereldoorlog raakte de straat geleidelijk aan volledig volgebouwd.

De meest bepalende bouwmeester van de straat was de Gentse architect Jacob Gustaaf Semey (1864-1935).

Hij ontwierp de hele huizenrij vanaf Vrijdagmarkt 17 tot en met Baudeloostraat 19.

Zijn ontwerpen sloten perfect aan bij de wensen van de toenmalige burgerij, die via hun woning graag pronkte met rijkdom en een intellectuele, artistieke smaak.

Semey hanteerde een gevarieerde eclectische stijl en voorzag zijn gevels van volkse spreuken en sculpturen van Gentse of Vlaamse historische figuren, net zoals hij dat deed aan de Vlaamsekaai.

Het was voor hem meteen een manier om zijn eigen liberale overtuiging en Vlaamse sympathieën te tonen.

Wie vandaag door de straat wandelt, ziet trouwens een boeiende mix aan bouwstijlen.

Naast veertien neoclassicistische gevels zijn in de verderop gelegen panden ook duidelijke invloeden te ontdekken van art nouveau, art deco en de expressieve baksteenarchitectuur van de Amsterdamse School (foto’s met dank aan Claude Faseur)

Het Institut supérieur de brasserie en de wieg van de Gentse brouwerswetenschap

Het Institut supérieur de brasserie in Gent, opgericht aan het einde van de negentiende eeuw, speelde een baanbrekende rol in de professionalisering van de Belgische en internationale brouwerswereld.

Rond 1886–1889 werd in Gent gestart met dit Franstalig brouwersonderwijs.

De school was gevestigd in de rue du Lac in Gent, wat de toenmalige Franstalige benaming was voor de Meersstraat, die vandaag de Bonifantenstraat heet.

In een tijd waarin het brouwproces geleidelijk verschoof van ambachtelijke traditie naar wetenschappelijke precisie, trok de school studenten aan uit heel Europa om de microbiologie en chemie achter het bierbrouwen op academisch niveau te bestuderen.

Studenten kregen er een diepgaande technische opleiding in biochemie, fermentatieprocessen en kwaliteitscontrole, geïnspireerd door de baanbrekende ontdekkingen van wetenschappers zoals Louis Pasteur en Emil Christian Hansen.

De school was nauw verbonden met de bloeiende industriële sector in Vlaanderen en de Gentse brouwersvereniging, en fungeerde als een smeltkroes voor jonge brouwers, ingenieurs en zonen van brouwersfamilies uit binnen- en buitenland.

Door theorie te combineren met praktijkonderwijs in moderne laboratoria en proefbrouwerijen, legde het instituut de basis voor de moderne brouwtechnologie.

De invloed van de Gentse opleiding reikte ver, want oud-studenten van dit instituut stonden in 1925 zelfs aan de wieg van de oprichting van de bekende Brusselse brouwersschool Institut Meurice.

De school veranderde door de decennia heen meermaals van naam en structuur, zoals het Hoger Rijksinstituut voor Chemie en Voedingsindustrieën.

In de loop van de twintigste eeuw werd de opleiding verder geïntegreerd in het bredere hoger onderwijsnetwerk van Gent, waar de traditie van brouw- en fermentatiewetenschappen tot op de dag van vandaag voortleeft binnen universitaire en hogeschoolopleidingen.

Het historische instituut blijft daarmee een fundamentele schakel in de rijke academische en industriële biergeschiedenis van Gent.

Veertig jaar geleden werd Gent opgeschrikt door een gigantisch society-schandaal rond de bekende familie Parisis.

In september 1986 haalden de broers Antoine en Etienne Parisis zelfs de internationale pers met wat destijds gold als de grootste Belgische fraudezaak sinds de Tweede Wereldoorlog.

Het duo werd ervan beschuldigd hun rijke cliënteel te hebben opgelicht voor zo’n 70 miljoen euro via fictieve investeringen in luxueuze Texaanse villa’s.

De gebroeders behoorden tot de absolute Gentse high society en wisten via hun bedrijf Parisimmo en gerelateerde vennootschappen talloze vermogende landgenoten te overtuigen met beloftes van torenhoge rendementen.

Tijdens het proces werden de Amerikaanse bouwprojecten door het gerecht en de curatoren echter afgedaan als pure luchtspiegelingen en oplichting.

De huizen zouden volgens de onderzoekers nooit hebben bestaan, al beweerden de broers tot op het einde dat de gronden en projecten wel degelijk reëel waren en vandaag een slordige 200 miljoen euro waard zouden zijn.

Het schandaal leidde uiteindelijk tot een zware veroordeling.

De beschuldigingen van oplichting, valsheid in geschrifte, bedrieglijke bankbreuk, vervalsing van de boekhouding, verduistering en inbreuken op de wetgeving rond effectenuitgifte werden gegrond verklaard.

De toen 45-jarige Antoine Parisis kreeg vijf jaar gevangenisstraf en een geldboete van ongeveer 5.200 euro.

Zijn 46-jarige broer Etienne, die als het organisatorische brein werd gezien, kreeg tien jaar opsluiting en een boete van ongeveer 8.900 euro.

Dat die strafrechtelijke geldboetes op het eerste gezicht opvallend laag leken in vergelijking met het gigantische fraudebedrag, had te maken met het Belgische strafrecht.

De boetes waren wettelijke straffen die rechtstreeks aan de Staat toekwamen en gebonden waren aan strikte wettelijke maxima per tenlastelegging.

Ze stonden volledig los van de burgerlijke vorderingen die betrekking hadden op de honderden gedupeerden die hun verdwenen miljoenen probeerden terug te eisen.

Doordat het geld grotendeels was weggesluisd of vastzat in onduidelijke structuren, zagen de meeste slachtoffers uiteindelijk amper iets van hun spaargeld terug.

Na het vonnis liepen de levenspaden van beide broers volledig uiteen. Etienne Parisis ontvluchtte het land om aan zijn straf van tien jaar te ontkomen.

Hij dook onder in Zuid-Amerika en wist daar jarenlang uit handen van het gerecht te blijven, waar hij uiteindelijk in ballingschap is overleden.

Antoine Parisis bleef wel in België en zat een vijftiental maanden effectief achter de tralies.

Direct na zijn opsluiting gingen zijn vennootschappen failliet en raakte hij al zijn bezittingen en invloed kwijt.

Antoine bleef de aantijgingen echter zijn hele leven lang betwisten en hield vol dat de Texaanse gronden en projecten rond Dallas wel degelijk bestonden en dat justitie en curatoren zware fouten hadden gemaakt.

Rond 2016 zocht hij naar aanleiding van het Optima-schandaal in Gent opnieuw de openbaarheid op met zijn boek

Het optimale complot, waarin hij verbanden legde met figuren die destijds ook zijn eigen dossier behandelden.

Een opmerkelijk detail aan het dossier is dat de zaak destijds voor een schokgolf zorgde binnen de Gentse bourgeoisie.

Omdat zoveel vooraanstaande families hun zwart geld of spaarcenten toevertrouwden aan de broers, wilden veel slachtoffers zich uit schaamte of uit vrees voor de fiscus aanvankelijk niet eens als benadeelde partij melden.

Zijn er hier nog mensen die de commotie in Gent destijds van dichtbij hebben meegemaakt of verhalen kennen van gedupeerden?

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

De comeback van actrice Blanka Heirman

Vandaag precies vijf jaar geleden beleefde actrice Blanka Heirman een bijzonder moment: na maar liefst 24 jaar afwezigheid maakte ze haar comeback op de planken.

Jarenlang was de Gentse actrice dé leading lady van het NTGent, waar ze veertig jaar lang de pannen van het dak speelde.

Tot in 1997 het voltallige gezelschap zonder pardon aan de deur werd gezet.

Blanka trad daarna nooit meer op, tot het theaterbloed tijdens de coronalockdown plots weer begon te stromen.

Zowel Blanka, toen tachtig jaar en al enige tijd weduwe van acteur en voormalig NTGent-directeur Hugo Vandenberghe, als de 69-jarige Koen Crucke hadden hun vertrouwde Gent intussen ingeruild voor De Haan.

Blanka verbleef er in een serviceflat om de hoek bij Koen.

Ze vonden elkaar in een gedeeld verleden, want ook Koen werd in 1988 op een vergelijkbare manier aan de kant geschoven bij de Gentse opera.

Om de stille lockdownmaanden door te komen, sloegen ze de handen in elkaar.

Vooral Jan Gheysens, de man van Koen en eveneens met een verleden bij het NTGent, schreef aan een nieuw theaterstuk.

Drie keer per week schaafde het drietal aan de teksten tot er na vijf versies een definitief script lag.

Blanka kon haar geluk niet op toen Koen haar vroeg om mee te doen en noemde het weer mogen spelen het mooiste cadeau dat ze ooit had gekregen.

Het resultaat werd De Wens, een rasechte Gentse komedie over broer Eduard en zus Hedwige, die na dertig jaar ruzie plots een jaar moeten samenwonen om de erfenis van hun verongelukte ouders te krijgen.

Na scherpe en eerlijke feedback van theatermaker Luk De Bruyker werd de voorstelling nog flink herschreven en ingekort.

Zonder groot budget, maar met een decor uit de kringloopwinkel en een flinke dosis goesting, trok het duo naar de Gentse Minardschouwburg.

Op de bühne was er een geweldige klik.

Voor Koen was het de ideale kans om te tonen dat hij veel meer in zijn mars heeft dan enkel Alberto uit Samson en Gert, temeer omdat hij zijn zangstem voor deze productie volledig opzijzette.

Blanka genoot met volle teugen van de herwonnen magie op de planken en glunderde van trots.

Op 17 en 19 september 2021 mocht het publiek in de Minard meegenieten van deze hartverwarmende terugkeer, een theaterherinnering die vijf jaar later nog altijd een glimlach op het gezicht tovert (Diverse bronnen, Sabine Van Damme, HLNWS 26/08/2021, Minard en KCM StageMuisic bv)

Gisteren nog vandaag

Oude postkaarten van Gent in kleur.

In september en oktober krijgt u oude postkaarten te zien van Gent in kleur.

Wie een postkaart uit het begin van de twintigste eeuw bekijkt, zoals deze sfeervolle opname van de Vrijdagmarkt uit circa 1910, vraagt zich al snel af hoe men die prachtige kleuren destijds op papier kreeg.

Echte kleurenfotografie stond toen immers nog in de kinderschoenen.

De autochroomtechniek van de gebroeders Lumière bestond wel al, maar die was veel te tijdrovend en veel te duur voor de massaproductie van prentbriefkaarten.

Het geheim achter dit soort beelden begon vrijwel altijd bij een doodgewone, vlijmscherpe zwart-witfoto op een glazen negatief.

Pas in de drukkerij kwam de kleur tot leven via een knap staaltje vakmanschap: chromolithografie of fotochroomdruk.

Vaklieden brachten het fotografische beeld over op grote kalkstenen drukstenen.

Voor iedere afzonderlijke kleur werd met de hand een aparte steen geprepareerd.

De lithograaf bepaalde heel precies waar, en met hoeveel intensiteit, een tint op het papier moest landen.

Om tot het uiteindelijke resultaat te komen, werden vaak zes tot meer dan tien verschillende kleurlagen nauwkeurig over elkaar heen gedrukt.

Veel van die gespecialiseerde drukkerijen stonden destijds in Duitsland of Zwitserland.

Omdat de ambachtslieden de Vrijdagmarkt waarschijnlijk nooit met eigen ogen hadden gezien, kozen ze de kleuren op gevoel, volgens vaste regels en met een flinke dosis verbeeldingskracht.

Dat verklaart meteen die herkenbare, schilderachtige sfeer op dit soort oude kaarten: de zachte roze-blauwe hemel, de warme roodbruine daken en de nostalgische gloed over de historische gevels.

Dit is een blik op de Gentse Vrijdagmarkt in 1981, een periode waarin het plein volop in verandering was.

Een jaar eerder, in 1980, startte de grondige renovatie van het Toreken, die uiteindelijk tot 1983 in beslag zou nemen.

Tegelijkertijd lagen de plannen klaar voor de bouw van de ondergrondse parkeergarage.

De werken daarvoor begonnen halverwege 1981, waarna de parking in het voorjaar van 1982 opende.

Een blik op de verdwenen Korte Ridderstraat en Magasins du Beffroi

Het Gentse belfort staat volledig ingepakt in een indrukwekkend staketsel van houten stellingen voor de grote restauratie en de bouw van de huidige stenen torenspits.

Links op de achtergrond ontdekken we een prachtig stukje verdwenen handelsglorie: de Magasins du Beffroi, bij de Gentenaars ook bekend als de Groote Magazijnen Het Belfort.

De zaak lag aan de Botermarkt 13 en liep door naar de Korte Ridderstraat.

Die voormalige straat lag op de plek die we vandaag kennen als het Emile Braunplein, waar nu de stadshal staat.

De Korte Ridderstraat vormde destijds de verbinding tussen het Goudenleeuwplein en de Mageleinstraat.

De omgeving veranderde door de jaren heen ingrijpend van uitzicht. Al in 1906 werd de zuidwestelijke zijde van de straat en de verdere bebouwing richting de Cataloniëstraat gesloopt.

De definitieve verdwijning volgde in 1960, toen de noordoostelijke kant en de rest van het volledige bouwblok tussen de Korte Ridderstraat, de Poeljemarkt en de Botermarkt tegen de vlakte gingen.

Uitbater van de winkel was de familie Van Gheluwe, wat duidelijk te zien was aan de gevel met de opschriften S. Van Gheluwe en Succ. Gevaert-Van Gheluwe & Fils.

Dat Franse woord ‘successeurs’ betekent letterlijk opvolgers, destijds een vertrouwde manier om aan te duiden dat een volgende generatie of nieuwe vennoten de zaak met dezelfde standing voortzetten.

Het was een gerenommeerde speciaalzaak in kledingstoffen en luxetextiel. In oude advertenties werd aangeprezen dat men er terechtkon voor zijden, wollen damestoffen, kantwerk en pelterijen, waarbij klanten zelfs stalen op aanvraag konden krijgen.

Wie inzoomt op de grote uitstalramen, herkent meteen de rijk gedrapeerde stoffen achter het glas.

Als eerbetoon aan de beroemde overbuur prijkte op de tussenpijler van de eerste verdieping een gedetailleerde miniatuurversie van de belfortspits.

Boven op het dak zorgde de grote lichtinstallatie van Magasins du Beffroi ervoor dat de winkel ook na zonsondergang de blikvanger van de Botermarkt bleef (foto 1 en 2 met dank aan Patrick Van Houteghem)

Gisteren nog vandaag

Precies dertig jaar geleden stond Tina Turner voor de derde en laatste avond op het podium van de Amsterdam ArenA, die tegenwoordig de Johan Cruijff ArenA heet.

Op 6, 7 en 8 september 1996 schreef ze geschiedenis als de allereerste grote internationale artiest die optrad in het destijds gloednieuwe stadion.

De concerten vormden een spectaculair onderdeel van haar groots opgezette Wildest Dreams Tour en trokken in totaal tussen de 150.000 en 155.000 dolenthousiaste bezoekers naar Amsterdam.

In Amsterdam verzorgde de destijds nog relatief onbekende Ierse singer-songwriter Brian Kennedy het voorprogramma.

Recensenten merkten destijds op dat het publiek in de gigantische ArenA nog niet echt warm liep voor zijn intieme liedjes.

Toch brak hij datzelfde jaar wereldwijd door dankzij zijn samenwerkingen met Van Morrison, waarna later ook nog zijn deelname aan het Eurovisiesongfestival volgde.

Brian Kennedy was destijds de vaste support-act voor het overgrote deel van haar Europese concerten tijdens deze Wildest Dreams Tour.

Terwijl Nederland massaal uitrukte naar de Amsterdamse voetbaltempel, pakte haar team het in België helemaal anders aan. In plaats van in een groot stadion te staan, koos men voor een ongekende concertreeks in Flanders Expo in Gent.

Tina Turner kroonde zich destijds tot de absolute koningin van onze stad en trad in 1996 maar liefst elf keer op in de Gentse hallen.

Geen enkele andere artiest had ooit zo’n lange reeks opeenvolgende stadion- of arenaconcerten in België neergezet.

In Gent werd het voorprogramma grotendeels verzorgd door de bekende Belgische R&B- en bluesformatie Blue Blot.

De immens populaire band mocht tijdens acht van haar twaalf Belgische concerten de zaal opwarmen.

Tijdens de overige vier concerten in Gent nam Brian Kennedy het voorprogramma voor zijn rekening.

Hij nam daar de datums over waarop Blue Blot niet kon spelen, waarna hij ook direct met Tina Turner meereisde naar de Amsterdam ArenA.

Ook op televisie bleef het spektakel niet onopgemerkt.

Terwijl betaalzender FilmNet op zondag 8 september het complete slotconcert rechtstreeks vanuit de ArenA in heel Europa uitzond, koos omroep Veronica voor een andere aanpak.

Zij zonden op zaterdagavond 7 september, de dag van het tweede optreden, al een speciale Wildest Dreams-documentaire rondom Tina Turner uit als ultieme opwarmer voor het concertgeweld in de hoofdstad.

De beelden van het Amsterdamse optreden vonden al snel hun weg naar een wereldwijd publiek.

Onder de titel Live in Amsterdam verscheen de registratie later op televisie, VHS en dvd, waarna het een enorm internationaal succes werd.

De release bereikte in talloze landen de gouden en platina status binnen de categorie voor muziek-dvd’s en voerde in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk wekenlang de hitlijsten voor video-releases aan. Over de hele wereld, van Europa en Amerika tot Azië en Australië, zagen minstens 33 verschillende varianten het licht op VHS, Laserdisc, cd en later dvd.

In diverse Europese landen werd de registratie bovendien uitgebracht als een exclusieve, gelimiteerde bonus-cd bij heruitgaven van haar studioalbum Wildest Dreams.

Veronica, week 36 van 1996

90 jaar geleden, te gast in het Kasteel van Laarne

Vlak bij Gent ligt het kasteel van Laarne, een van de best bewaarde waterburchten van ons land en een waar historisch pronkstuk.

De wortels van deze bijzondere plek gaan terug tot het begin van de dertiende eeuw, toen Beatrix van Massemen werd vermeld als vrouwe van Laarne.

Haar zoon, Giselbrecht van Zottegem, was een avontuurlijke ridder die als huurling vocht voor de Engelse koning Jan zonder Land en deelnam aan de vijfde kruistocht in Egypte.

Rond 1228 liet hij vermoedelijk het hof van Laarne aanleggen, de voorloper van de huidige burcht.

De geschiedenis van het kasteel verliep niet zonder slag of stoot.

In 1362 werd het officieel als kasteel vermeld in een overeenkomst waarbij de graaf van Vlaanderen het slot mocht gebruiken in oorlogstijd.

Toen Gent twintig jaar later in opstand kwam, werd het kasteel belegerd en ingenomen.

De brandsporen van die dramatische dag op 22 september 1382 zijn vandaag nog altijd zichtbaar.

Onder de Bourgondische hertogen verloor de burcht uiteindelijk haar militaire functie, omdat de middeleeuwse muren niet bestand waren tegen modern geschut.

Het slot transformeerde daardoor in een vorstelijk buitenverblijf.

De twintigste eeuw bracht nieuwe woelige tijden. Graaf Robert-Jean de Ribaucourt wilde het kasteel restaureren om er te wonen, maar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en het overlijden van zijn zoon doorkruisten die plannen.

Het kasteel raakte in verval en werd tijdelijk een toevluchtsoord voor kunstenaars zoals Jef Crick.

Nadat het in 1943 als monument werd beschermd, schonk de graaf de vervallen burcht in 1953 aan de Koninklijke Vereniging der Historische Woonsteden van België.

Dankzij een grootschalige restauratie onder leiding van ridder Joseph de Ghellinck d’Elseghem kon het slot in 1967 de deuren openen voor het publiek, compleet met een prachtige zeventiende-eeuwse inrichting en een Europees vermaarde zilvercollectie.

Wie het domein bezoekt, wandelt over een vaste brug over de slotgracht en loopt onder de oude toegangspoort door, waar de kettinggaten van de vroegere ophaalbrug nog herkenbaar zijn.

Op het rechthoekige binnenplein, omringd door historische gebouwen en overschaduwd door vier eeuwenoude linden, voel je meteen het verleden tot leven komen.

Blikvangers zijn de robuuste ronde torens en de imposante dertiende-eeuwse slottoren.

Dankzij latere restauraties vanaf 1987 ontving het kasteel in 1996 zelfs de prestigieuze Europa Nostra Prijs.

Tel daar de mysterieuze legende van de Witte Dame bij op, en je hebt een magische plek die het feodale leven van het middeleeuwse Vlaanderen op unieke wijze bewaart.