45 jaar geleden, Jan Puimège met zijn hit Vrienden Van Het Laatste Glas.

Jan Puimège werd ontdekt in een uitzending van het BRT-programma Ontdek de ster in 1975, in de Koningin Elisabethzaal te Antwerpen, waarbij een vriend hem had ingeschreven.

In 1976 won hij de Grote Prijs Will Ferdy.

Puimèges liedjes hadden een zachte, poëtische inslag en werden met heldere articulatie gezongen.

Soms bevatten ze ook milde maatschappijkritiek.

Na amper zeven jaar carrière overleed hij op 22 mei 1982, op 26-jarige leeftijd, onverwacht aan een hartaanval toen hij in bad zat, vlak voordat zijn derde album op de markt kwam.

Diverse collega’s organiseerden een postume hulde aan Puimège op het album Jan Puimège (1983).

Onder anderen Wim De Craene, Will Ferdy, Zjef Vanuytsel en Ed Kooyman brachten op het album enkele van Puimèges nieuwe liedjes ten gehore die hijzelf nooit meer had kunnen opnemen.

Er is ook een prijs vernoemd naar de zanger: de Prijs Jan Puimège, die door onder meer Mira en De Nihilisten gewonnen is.

In de gemeente Wommelgem bij Antwerpen bracht Jan Puimège een groot deel van zijn jeugd door.

Hier werd als aandenken aan de zanger een culturele kring opgericht onder de naam Kulturele Kring Jan Puimège.

Folkmuzikant en -zanger Dirk Van Esbroeck was een neef van Puimège.

Vandaag 50 jaar geleden, tien jaar Ann Christy op de planken gevierd in Roosdaal

Op 8 oktober 1976 vierde Ann Christy haar tienjarig artiestenjubileum met een groot feest in dancing Roosdaal in Roosdaal.

Tien jaar daarvoor begon ze als verlegen schoenenverkoopster haar muzikale loopbaan, toen ze voor het eerst het podium betrad als zangeres bij het orkest The Adam’s.

In het decennium dat volgde, legde ze een lange en soms moeilijke weg af, waarbij ze zowel in binnen- als buitenland haar grote talent liet zien.

Ze werkte zich stap voor stap naar de top van de Vlaamse muziekwereld.

Ze stond erom bekend heel kieskeurig te zijn bij het kiezen van nieuw repertoire, vaak tot verbazing van haar platenproducenten.

Daarnaast was ze perfectionistisch ingesteld bij elk optreden en zette ze zich altijd met enorme werklust en toewijding in.

Over haar eerste tien jaar in het vak vertelde ze destijds dat de planken een harde leerschool waren geweest, maar tegelijk een geweldige ervaring.

Ze voelde zich gelukkig dat ze haar passie had kunnen blijven uitoefenen.

Vooral de warme steun van het Vlaamse publiek na de teleurstelling op het Eurovisiesongfestival deed haar veel deugd en gaf haar de moed om door te gaan.

Haar tienjarige jubileum vierde ze die avond in het gezelschap van haar bewonderaars en collega-artiesten, want ook John Terra, Dream Express en Connie Neefs waren te gast om het feest mee op te luisteren.

Vandaag 45 jaar geleden overleed liedjesleverancier Jud Strunk: het verhaal achter Conny Vandenbos en ‘Ome Arie’

Conny Vandenbos, geboren in Den Haag als Jacoba Adriana Hollestelle, groeide uit tot een van de meest geliefde en herkenbare stemmen van de Nederlandse lichte muziek en het chanson.

Ze kwam uit een muzikaal gezin en begon al op jonge leeftijd met zingen.

Haar artiestennaam Vandenbos ontleende ze aan haar eerste echtgenoot, Wim van den Bos; hoewel dat huwelijk na enkele jaren strandde, bleef ze die naam haar hele loopbaan trouw, aaneengeschreven als één geheel.

Haar landelijke doorbraak volgde in het begin van de jaren zestig, onder meer door haar deelname aan het Knokke-festival in 1964 en haar optreden namens Nederland op het Eurovisiesongfestival in 1965 met het ingetogen ’t Is genoeg’.

In de jaren zeventig beleefde ze het absolute hoogtepunt van haar populariteit. Met haar warme stemgeluid, feilloze dictie en het talent om een verhaal echt voelbaar te maken, scoorde ze grote klassiekers zoals ‘Ik ben gelukkig zonder jou’, ‘Een roosje, m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’.

Ze wist als geen ander het evenwicht te bewaren tussen luisterliedjes met diepgang en toegankelijke, verhalende popmuziek.

Naast haar zangcarrière was ze bovendien een gewaardeerde radiopresentatrice voor onder meer de KRO en Radio Noordzee Internationaal, waar ze met veel liefde het Nederlandstalige luisterlied en collega-artiesten onder de aandacht bracht.

Midden in die succesvolle jaren zeventig, in 1976, verscheen de single ‘Ome Arie’.

Het lied is een liefdevol en nostalgisch portret van een voormalige kermisatleet, Mister Martokari, ooit de sterkste man ter wereld. Zonder enige kapsones of bombarie woont hij nu in de buurt, waar zijn stoep een toevluchtsoord is voor alle kinderen uit de wijk.

Voor hen vertoont de ouder wordende acrobaat nog altijd zijn spierkracht door staven ijzer met blote handen te buigen, terwijl er limonade en een trommel snoep klaarstaan.

Wanneer een kind in de penarie zit, verdwijnen de zorgen bij hem als sneeuw voor de zon, waardoor de geuzennaam Ome Arie veel meer warmte en respect draagt dan een formeel meneer.

Het nummer roept op een vertederende manier de sfeer op van vroeger, toen zo’n goedhartige buurman het verschil maakte.

Met het kinderkoor van de Plesman-school uit Badhoevedorp op de achtergrond en een zwierig arrangement wist Conny Vandenbos deze vertederende kinderheld perfect tot leven te wekken.

‘Ome Arie’ is een bewerking van een Amerikaans origineel, getiteld ‘Jacob Brown’, geschreven en opgenomen door singer-songwriter Jud Strunk voor diens album Daisy a Day uit 1973.

Strunk was in de Verenigde Staten niet alleen actief als muzikant, maar genoot tevens bekendheid als humorist en verhalenverteller in het populaire televisieprogramma Rowan & Martin’s Laugh-In, waar zijn scherpe en rake karakteriseringen van markante dorpsfiguren een vaste plek kregen.

Het was niet de eerste keer dat Conny Vandenbos succes oogstte met zijn repertoire; ook haar hits ‘Een roosje m’n roosje’ en ‘Sjakie van de hoek’ vonden hun oorsprong in het werk van Strunk.

Het tragische lot van de Amerikaanse singer-songwriter werpt een melancholische schaduw over dit repertoire.

Op 5 oktober 1981 kwam Jud Strunk op 45-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Als fervent skiliefhebber en gediplomeerd piloot steeg hij die bewuste dag met zijn vintage, open-cockpit gevechtsvliegtuigje, een Fairchild PT-19, op vanaf een vliegveld in Carrabassett Valley in de staat Maine.

Vermoedelijk kreeg hij direct na de start een zware hartaanval, waarna het toestel neerstortte in de omliggende bossen; noch Strunk noch zijn passagier overleefde de crash.

De Nederlandse tekst voor ‘Ome Arie’ werd geschreven door Herman Pieter de Boer, terwijl Pieter Natte tekende voor het arrangement en Eric Boom de productie verzorgde.

Op de B-kant van het singletje prijkte het nummer ‘Moeder en Dochter’.

Het nummer opende in 1976 haar succesvolle studioalbum ‘Zo wil ik leven’, dat doordrong tot de top tien van de Nederlandse LP Top 50.

Aan het album werkten tal van gerenommeerde vakmensen mee.

Zo zijn als backing vocals Gerard Stellaard en Titia Dekker te horen, waarbij Stellaard bovendien tekende voor de arrangementen van de nummers ‘Ik Blijf Je Vrouw’ en ‘Toch Dichtbij’.

Ook arrangeur Dick Bakker verleende zijn muzikale medewerking aan het album.

In datzelfde jaar ontving Conny Vandenbos een Gouden Harp voor haar gehele oeuvre en verdiensten voor de Nederlandse muziek, gevolgd door een Edison voor het album ‘Zo wil ik leven’.

Ook als single deed het lied het bijzonder goed in het najaar van 1976. ‘Ome Arie’ kwam op 18 september 1976 binnen in de Nederlandse Top 40, verbleef er zeven weken en bereikte de elfde plaats, terwijl het in de Nationale Hitparade klom naar positie 16.

In Vlaanderen wist de single eveneens de hitlijsten te halen en bereikte het nummer de achtentwintigste plaats in de BRT Top 30.

Op 7 april 2002 overleed Conny Vandenbos op 65-jarige leeftijd in Amsterdam aan de gevolgen van longkanker, kort nadat de ziekte bij haar was vastgesteld.

Haar muzikale nalatenschap bleef echter springlevend, net als de herinnering aan de muzikale familie waaruit ze stamde.

Haar broer Peter Hollestelle bouwde immers eveneens een mooie carrière op in de muziekwereld.

Hij zong in diverse beat- en popformaties, werkte veelvuldig als sessiezanger en vormde eind jaren zeventig samen met Jody Pijper het duo Cashmere.

Met hun single ‘Love’s What You Want’, een bewerking van Leo Sayers’ nummer ‘Easy to Love’, scoorden zij in 1979 een grote hit.

Zo lieten broer en zus ieder op hun eigen manier een blijvende herinnering achter in het collectieve muziekgeheugen.

Thérèse Steinmetz: van Songfestivalpodium tot het schilderspenseel

Thérèse Steinmetz groeide op in een artistiek Amsterdams gezin; haar vader Jan Steinmetz was operazanger en haar moeder Henny Zwanenburgh pianiste.

Ze studeerde aan het Conservatorium van Amsterdam en volgde de toneelschool, wat de basis legde voor haar veelzijdige podiumcarrière.

Haar bekendheid groeide snel, resulterend in een eigen televisieprogramma in 1966 onder de titel Thérèse.

In 1967 vertegenwoordigde ze Nederland op het Eurovisiesongfestival in Wenen met ‘Ring-dinge-ding’, geschreven door Gerrit den Braber en John Woodhouse.

Het nummer eindigde op een gedeelde veertiende plaats met slechts twee punten, maar hetzelfde jaar stond ze wel op de planken in de musical Waterproef.

Bovendien behaalde ze met de single ‘Speel het spel’ een notering in de Nederlandse Top 40.

Haar internationale doorbraak volgde in 1970, toen zij het Gouden Hert won op het Cerbul de Aur-festival, het Intervisie Songfestival in het Roemeense Brașov.

Deze overwinning maakte haar mateloos populair in Oost-Europa en leidde tot een omvangrijke internationale tournee en talrijke televisieoptredens.

Desondanks bleef ze in Nederland actief: in 1971 schitterde ze in de musical ’n Maagd op je dak.

Tussen 1976 en 1982 toerde Steinmetz langs de theaters met haar cabaret- en chansonprogramma’s Opus 1, 2 en 3, producties die later door de NCRV op televisie werden uitgezonden.

Binnen deze omroep werkte ze intensief samen met Ted de Braak.

In 1981 deelde ze het podium met André van den Heuvel in ‘Alleen op maandag’, gevolgd door de theatertournee De Nacht van de Balkan in 1982.

Hierin trad ze op met het Roemeense folkloreorkest van Andreï Serban en dansgroep Nitsanim.

Haar buitenlandse optredens reikten zelfs tot het Caraïbisch gebied, Cuba en Midden-Amerika.

Vanaf de jaren tachtig legde Steinmetz zich met succes toe op het kunstschilderen.

Ze opende een eigen galerie en exposeerde haar figuratieve doeken regelmatig.

Haar muzikale passie doofde echter niet.

In 2015 startte ze een theatertournee met de Franse chansonnier Philippe Elan, met wie ze samen met Nico van der Linden het tweetalige album Amsterdam-Parijs, heen en weer uitbracht.

Begin 2020 bundelden Steinmetz en Elan opnieuw hun krachten voor het theaterprogramma Over Grenzen.

Op persoonlijk vlak kende haar leven zowel passie als ingrijpend verlies.

Steinmetz was getrouwd met tenorzanger Arjan Blanken, maar verliet hem in 1966 voor tekstschrijver en televisieproducent Gerrit den Braber, met wie ze samenbleef tot zijn overlijden in 1997.

Een jaar daarvoor, in 1996, overleed haar enige dochter Ellis op 39-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Na het verlies van haar dochter en haar partner zocht Steinmetz rust aan de Côte d’Azur en vestigde zij zich in Cannes, waar ze bleef schilderen.

Inmiddels woont de 93-jarige Steinmetz in het Rosa Spier Huis in Laren, een befaamde woon- en werkgemeenschap voor kunstenaars en wetenschappers.

Daar richt zij zich vooral op haar schilderwerk en toont ze af en toe haar doeken tijdens exposities.

Van fabrieksarbeider tot wereldster: het bewogen levensverhaal van George Baker

Hans Bouwens kwam ter wereld als enig kind van een Nederlandse moeder en een Italiaanse soldaat in het Duitse bezettingsleger.

Toen zijn vader tegen het einde van de oorlog sneuvelde, ontfermden zijn grootouders zich over hem in Wormerveer, in de Zaanstreek.

Hans moest al vroeg de handen uit de mouwen steken.

Nadat hij op zijn veertiende de schoolbanken vaarwel had gezegd, werkte hij onder meer als kaartjesknipper in de plaatselijke cinema van Krommenie, als leerling-lithograaf, dokwerker in de haven en arbeider in een limonadefabriek.

In 1967 waagde hij zijn kans als zanger bij de Zaanse groep Soul Invention.

De bezetting bestond destijds uit Hans Bouwens zelf op zang en gitaar, George Thé op gitaar, Jan Hop aan de drums, Jacques Greuter op orgel, Henk Kramer op saxofoon en Theo Vermast aan de bas.

Omdat een snelle doorbraak uitbleef, besloten ze amper een jaar later van koers te veranderen en gingen ze voortaan als de George Baker Selection door het leven.

Zowel in interviews als in zijn biografie hield Bouwens altijd vol dat de inspiratie kwam van een goedkope pulproman of stationspocket die hij eind jaren zestig had gelezen.

Het hoofdpersonage heette George Baker. Die naam klonk internationaal, zakelijk en krachtig, wat perfect paste bij de Engelstalige pop en soul die hij wilde maken.

Het bewuste boekje zelf behoorde vermoedelijk tot een van de duizenden anonieme kantoornovelles uit die tijd, waardoor de exacte titel met de noorderzon is verdwenen.

De bezetting van de groep bleef in de jaren daarna evolueren. Rond 1969 werd bassist Theo Vermast vervangen door Jan Visser.

In 1971 maakte Visser op zijn beurt plaats voor Cor Veerman, die in 1974 werd opgevolgd door Martin Schoen.

Datzelfde jaar kreeg de band versterking van zangeres Lida Bond, wiens plaats in 1982 werd ingenomen door de Vlaamse zangeres Nelleke Brzoskowski.

Het nummer Little Green Bag groeide uit tot een van de meest tijdloze en herkenbare klassiekers uit de Nederlandse popgeschiedenis.

Met zijn aanstekelijke baslijn en soulvolle ritme veroverde het nummer bij de release in 1969 meteen de hitlijsten, om decennia later dankzij Hollywood nog eens een iconische status te verwerven.

Hans Bouwens schreef het nummer samen met multi-instrumentalist Jan Visser.

Oorspronkelijk luidde de titel Little Greenback, een rechtstreekse knipoog naar het Amerikaanse dollarbiljet en de fascinatie voor geld.

Bij het drukken van de singlehoes liep het echter mis: de platenfirma noteerde de titel per abuis als Little Green Bag. Baker liet het er niet om liggen en paste de titel officieel aan.

Die administratieve flater gaf het nummer prompt een zweem van mysterie, want generaties luisteraars dachten jarenlang dat de tekst over een groen zakje marihuana ging.

Muzikaal drijft het nummer op een onweerstaanbare basriff van Jan Visser, die vanaf de allereerste tel de toon zet voor een energieke cocktail van rhythm-and-blues, soul en nederpop.

De doorleefde zang van Baker, aangevuld met opzwepende percussie en koperblazers, zorgde voor een internationale sound die ongezien fris klonk voor een debuutsingle uit de Zaanstreek.

Na de release in het najaar van 1969 schoot het nummer pijlsnel omhoog.

In Nederland belandde de single vlot in de top tien, en ook bij ons in Vlaanderen en de rest van Europa werd het een schot in de roos.

De echte verrassing volgde in 1970, toen het nummer zelfs doorbrak in de Verenigde Staten en naar de zestiende plaats klom in de vermaarde Billboard Hot 100, een huzarenstukje voor een debuterende Nederlandse formatie.

Dat succes leverde Bouwens en Visser in 1970 de prestigieuze Zilveren Harp van stichting Conamus op, en op 2 juli van datzelfde jaar mocht de voltallige groep een gouden plaat in ontvangst nemen.

Na de jaren zeventig leek het nummer stilaan een mooie herinnering te worden, tot cineast Quentin Tarantino het in 1992 van onder het stof haalde.

Hij koos Little Green Bag als openingstrack voor zijn regiedebuut Reservoir Dogs.

De openingsscène, waarin een stel gangsters met zwarte maatpakken en zonnebrillen in slow motion over straat kuiert op de tonen van die baslijn, groeide op slag uit tot een van de beroemdste filmscènes ooit.

De film bezorgde het nummer een tweede jeugd. Het werd opnieuw op single uitgebracht, bestormde opnieuw de Europese hitlijsten en werd ontdekt door een hele jonge garde muziekliefhebbers.

Sindsdien bleef het succes nazinderen, waardoor het nummer wereldwijd bleef opduiken in reclamespotjes, televisieseries en verzamelplaten.

In 1975 scoorde hij met Una Paloma Blanca een gigantische hit, waarvan er wereldwijd negen miljoen over de toonbank gingen.

Hoewel hij als een van de weinige Nederlandse artiesten wist door te breken in de Verenigde Staten, kreeg hij vanuit de pers bakken kritiek over zich heen.

Recensenten deden zijn muziek af als prullaria. Hij begreep hun mening wel, maar was vooral tevreden dat het grote publiek er gelukkig heel anders over dacht.

Als bezieler en boegbeeld van de groep die zijn naam droeg, hield hij de touwtjes dan ook strak in handen.

Hij hakte alle knopen door, schreef de nummers en produceerde alle albums.

Hij zwaaide de plak als een volleerde verlichte despoot.

Zolang het succes bleef duren, kraaide daar geen haan naar en legde de rest van de band zich neer bij zijn autoritaire aanpak.

Bovendien vormde hij samen met Jacques Greuter het enige overblijfsel van de oorspronkelijke bezetting.

Over succes en muziek had hij een heel eigen kijk. Hij zag zichzelf destijds allerminst als een virtuoos of muggenzifter, en net dat noemde hij zijn grootste troef.

Van spitstechnologie of notenleer had hij geen kaas gegeten.

Volgens hem was die overdaad aan kennis voor veel muzikanten net een valkuil: ze begonnen te ver te zoeken, maakten vooral muziek voor zichzelf en verloren zo de voeling met het brede publiek.

Wanneer hij de studio instapte, zat het nummer al van a tot z in zijn hoofd.

Er werd doorgewerkt tot het voor hem helemaal goed zat.

Van dat eindeloze gefriemel aan de knoppen moest hij niets weten, omdat een plaat daar maar artificieel van ging klinken.

Ook naar zijn groepsleden toe stelde hij geen onmogelijke eisen.

Het waren geen wonderkinderen of uitzonderlijke talenten, maar dat had hij net liever niet, want zulke genieën vond hij maar riskant binnen een groep.

Zijn muzikanten speelden puur op het gevoel en voelden de sfeer perfect aan.

Ook bij het schrijven van nieuwe muziek bleef hij trouw aan zijn beproefde recept.

Zoiets liet zich niet plannen; ideeën kwamen op de meest onverwachte ogenblikken dan ook naar boven.

Soms liep hij dagenlang rond met een melodie in zijn hoofd zonder ook maar één noot neer te pennen.

Pas als hij het nummer vanbuiten kende, trommelde hij de band op om de studio in te duiken.

Hij vond het achteraf gezien alleen jammer dat er destijds te weinig tijd overbleef om aan de teksten te schaven.

Hij had graag echte verhalen verteld over zijn eigen verleden: de armoede, de miserie en zijn jeugdjaren tussen de fabrieksarbeiders.

In de decennia die volgden, bleef zijn stempel op de muziekwereld bijzonder groot en volgde de erkenning voor zijn volledige oeuvre.

In 1985 stampte hij een nieuwe bezetting van de George Baker Selection uit de grond, die vier jaar later definitief stopte.

Zijn levenswerk werd in 2011 bekroond met de TrosKompas Oeuvre Award.

Alles samen bracht hij achtentwintig albums en negenenvijftig singles uit, behaalde hij vijftig gouden en platina platen, schreef hij zeshonderd nummers en gingen er zowat vijfentwintig miljoen exemplaren over de toonbank.

Zijn laatste album, Seventy, kwam uit in 2014.

Op privévlak stapte hij in 1986 in het huwelijksbootje met Blanche Remeeus.

Uit zijn twee huwelijken kwamen in totaal zeven kinderen voort, en hij zag ook zeven kleinkinderen opgroeien.

Met de jaren doken er wel fysieke kwaaltjes op.

Sinds een coronabesmetting in het voorjaar van 2022 sleepte hij de kwalijke gevolgen van het virus met zich mee.

Vooral zijn gehoor ging er flink op achteruit, wat het zuiver zingen bijzonder lastig maakte.

Door die gehoorproblemen moest hij eind 2023 noodgedwongen zijn theatertournee stopzetten, simpelweg omdat hij de juiste toon niet meer kon aanslaan.

Hij gaf destijds aan dat hij het hooguit een halfuurtje kon uitzingen.

Ondanks die mindere periodes bleef de intussen 81-jarige Baker niet bij de pakken neerzitten; hij bleef verknocht aan de muziekwereld en staat af en toe nog op de planken.

50 jaar geleden, reclame voor het album River Song van George Baker Selection (september – oktober 1976)

In de boot met George Baker (Joepie 19 september 1976)

George Baker, ik word kotsmisselijk van al die vedettenkapriolen (Joepie 26 september 19976)

Het is inmiddels vijfenveertig jaar geleden dat Patricia Paay haar nummer ‘Who Let The Heartache In’ uitbracht.

Ik beken meteen maar eerlijk dat ik altijd al een zwak voor haar heb gehad.

Wel vind ik het vreemd dat er bij dit artikel een foto is geplaatst van haar album ‘The Lady Is A Champ’, dat al uit 1977 stamt.

Het nummer schreef Patricia samen met John van Katwijk. Ook de andere single ‘Saturday Nights’ uit het album ‘Playmate’ schreven ze samen.

Deze veelzijdige Nederlandse zanger, componist, arrangeur, producer en artiestenmanager werd op 8 augustus 1951 geboren in Rotterdam en begon zijn muzikale loopbaan als leadzanger van de band Christie Lane.

Toen het grote succes daarmee uitbleef, verlegde hij zijn koers: hij ging aan de slag als artiestenmanager en begon zelf nummers te schrijven.

Naast zijn werk met Patricia Paay werkte Van Katwijk veelvuldig samen met grote namen zoals René Froger en Anita Meyer, en in recentere jaren ook met Glennis Grace.

Op 16 januari 2025 kwam hij te overlijden.

Wil Hoebee en José Wijdeven gaan naar Amerika

In het najaar van 1981 liep het stel wel degelijk met het idee rond om naar Californië te reizen en daar in alle rust en stilte in het huwelijksbootje te stappen.

De plannen bevonden zich al in een vergevorderd stadium, maar het artikel liet tegelijkertijd al de nodige twijfel zien.

Zowel Wil als José vonden het pijnlijk dat de ouders van beiden de verre reis naar Amerika niet konden maken en daardoor niet aanwezig zouden zijn op hun grote dag.

Een bruiloft zonder hun naaste familie vonden ze uiteindelijk toch wat al te stil.

Mede om die reden zijn de plannen voor een Amerikaans huwelijk afgeblazen en kozen ze ervoor om gewoon in Nederland te trouwen.

Het paar trad uiteindelijk op 12 december 1981 in het huwelijk in het Noord-Brabantse Best, de geboorte- en woonplaats van José, in het bijzijn van hun dierbaren.

Ze bleven getrouwd tot aan het overlijden van Wil Hoebee in 2012

50 jaar geleden floreert tragi-pop

In augustus 1976 floreerde de zogeheten tragi-pop of dooien-pop in de Nederlandse muziekwereld.

Magere Hein maakte toen overuren in de Nederpop, want het was de nieuwste mode van Nederlandse liedjesschrijvers om overleden verloofdes, vrouwen en vrienden in hun teksten te verwerken.

Zo moest het personage Rocky zijn vrouw missen, verloor Roek Williams zijn beste vriend en vernam zangeres Bonny ontsteld van dokter Bernhard dat haar grote liefde zijn laatste adem had uitgeblazen.

Hoewel sommige mensen dat specifieke nummer een giller vonden, nam Bonnie St. Claire haar hit zelf erg serieus.

Wel vond ze het onsmakelijk toen het televisieprogramma Toppop een skelet in de studio wilde zetten, waarna ze samen met haar begeleiders wegliep.

Later werd dit als een misverstand uitgesproken en zong men het lied alsnog, maar uiteraard zonder skelet.

Voor Bonny betekende Dr. Bernhard een opzienbarende comeback na een kleine winterslaap waarin ze zich had afgevraagd wat haar toekomst zou brengen.

Haar ontdekker en producer Peter Koelewijn bracht uitkomst met dit nummer.

Voor Bonny was een droevig repertoire trouwens niet nieuw, want ze vertolkte eerder al zulke nummers in het Engels.

Bij haar optredens werd ze al jarenlang begeleid door de groep Unit Gloria.

Hoewel ze bij de platenmaatschappij een contract voor soloplaten had, bleef ze de groep het liefst overal bij betrekken.

Dat gaf haar een beschermd gevoel en liet haar gemakkelijker bewegen en wennen.

Een belangrijke reden hiervoor was ook haar amoureuze relatie met bandlid Muis.

Ze woonden destijds al drie jaar samen in een schattig verbouwd dijkwerkershuisje op een kilometer afstand van Leerdam.

Getrouwd waren ze nog niet.

Dat zou eigenlijk in het najaar van 1974 gebeuren, maar een fotoreportage in Tunesië gooide roet in het eten.

De trouwerij werd uitgesteld en het stel besloot te wachten tot er kinderen zouden komen.

Bonny was een van de muzikale werktuigen in de gouden handen van Peter Koelewijn, die samen met zijn collega Wil Hoebee ook het geruchtmakende nummer Rocky produceerde.

Met dat nummer zong Don Mercedes zich naar de top van de hitparades.

Koelewijn bezat een fijne neus voor muziekjes waarvoor een groot publiek massaal de knip opentrok.

Voor Don Mercedes, die voorheen enkel Engels repertoire zong, betekende dit een grote overstap.

Hij dacht eerst lang na over het aanbod, maar greep de kans uiteindelijk met beide handen aan.

Wel bestond het gevaar dat hij door de platenmaatschappij werd gebruikt om snel veel geld te verdienen en dat hij daarna snel diep kon vallen.

Toch vertrouwde hij erop dat Koelewijn of Hoebee hun trucendoos binnenkort nog verder zouden openbreken en hem opnieuw zo’n hitsucces gunnen.

Ook zanger Roek Williams was als een kind zo blij met de triomfen die zijn dode vriend in de hitparade vierde.

Zijn vorige singletje, E 35, was ondanks de hulp van vele deejays de mist in gegaan, omdat het te moeilijk was voor de mensen.

Mijn beste vriend was veel toegankelijker voor een groot publiek.

Williams, die het nummer via een popjournalist had gekregen en het meteen te gek vond, zag er geen kwaad in.

Hij vond het niet gemeen, maar juist de herkenbare realiteit van het leven waarin iedereen wel eens vrienden ziet verdwijnen.

Hij was erg blij dat dit repertoire het ging maken, omdat je op deze manier een goede popproductie kon brengen die geschikt was voor een breed publiek.

Het fenomeen van het zogeheten rampenfonds of de dooienpop beleefde zijn eerste grote opleving met Manuela, geschreven door Pierre Kartner en vertolkt door Jacques Herb.

Van die single , waarin Manuela omkwam bij een auto-ongeluk, werden maar liefst 350.000 exemplaren verkocht.

De experts op muziekgebied stonden over het rampenfonds echter lijnrecht tegenover elkaar.

Radiomaker Lex Harding meende dat hij persoonlijk kotsmisselijk werd van dit valse sentiment.

Hij vond dat het niet spontaan was, maar bewust gecreëerd als een zielig lied om mensen te ontroeren, al zag hij de commerciële waarde er wel van in.

Producer Peter Koelewijn had een totaal andere mening en vond niets abnormaals aan het genre.

Zolang er muziek bestond, werd er volgens hem al gezongen over dit soort zaken.

Zowel Rocky als Dr. Bernhard waren bewerkingen van buitenlandse nummers die hem raakten toen hij ze beluisterde.

Koelewijn vergeleek popmuziek met opera’s, films en boeken zoals Love Story, West Side Story of Porgy & Bess.

Daarin kwamen eveneens driehoeksverhoudingen en sterfscènes op muziek voor om mensen te ontroeren en te laten ontspannen, en hij zag niet in waarom dat bij popmuziek niet op dezelfde manier kon werken.

Cashmere: van grote hit en liefde op het eerste gezicht naar een definitief afscheid

In 1979 was er sprake van liefde op het eerste gezicht bij het duo Cashmere.

Vanaf het moment dat Peter Hollestelle, de broer van Conny Vandenbos, een paar jaar eerder ten behoeve van een achtergrondkoortje voor zijn eerste solo-elpee de hulp inriep van Jody Pijper, klikte het al tussen hen beiden.

Ze ontmoetten elkaar destijds tijdens sessies in café Barbaars in Voorburg.

Nadat Jody de achtergrondzang voor zijn elpee had verzorgd en Peter haar opnieuw nodig had voor zijn tweede elpee, was er geen houden meer aan en gingen ze samenwonen om samen een nieuwe carrière op te bouwen en van elkaar te houden.

Dat er sprake was van een nieuwe carrière lag voor de hand, aangezien Peter in 1979 al zo’n vijftien jaar aan de muzikale weg timmerde.

Hij was destijds een jaar of vier de leadzanger van Peter & The Blizzards geweest, een formatie die opviel doordat de leden gekleurde pruiken droegen.

Daarna maakte hij nog een periode deel uit van The Flack en hield hij zich bezig met het theaterbureauwezen.

Na wat muzikale omzwervingen kwam Jody in zijn leven en begon er voor hem een heel nieuw bestaan.

Voor Jody was het traject rond 1972 begonnen, zo’n zeven jaar voor het ontstaan van hun samenwerking.

Na enkele mislukte solistische uitstapjes werd zij geregeld gevraagd om achtergrondkoortjes in te zingen.

Dat verliep dusdanig succesvol dat ze daar destijds vrijwel een dagtaak aan had.

Bij ieder blok STER-spots op de radio en televisie was minstens eenmaal haar stem te horen.

Haar grote voordeel was dat ze over een tiental verschillende stemmen beschikte, waardoor ze destijds veelgevraagd bleef, terwijl ze zich ontspannen als een poes op de schoot van haar partner nestelde.

Uit de samenwerking ontstond aanvankelijk een band van allerlei studiomuzikanten onder de naam The Hacheeband, waaruit uiteindelijk Cashmere werd gevormd.

Via vrienden kwamen ze in contact met Rod Aardse, de toenmalige directeur van platenmaatschappij Fleet Records Benelux.

Hij zag het potentieel van het tweetal direct in, koos voor hen het nummer van Leo Sayer uit en bedacht tevens de groepsnaam Cashmere.

Volgens Peter was het de uitdrukkelijke bedoeling om echt als een groep naar buiten te treden, omdat ze daar de meeste voldoening uit haalden.

Leo Sayer had met dat nummer, getiteld ‘Easy to love’, in 1977 al in een paar landen een hit gescoord.

In 1979 werd dezelfde melodie bij ons bekend onder de titel ‘Love’s what I want’ van Cashmere.

De groep scoorde daarmee één grote hit en bracht daarnaast nog wat minder succesvolle singles uit.

De drummer van de band, Shell Schellekens, tevens producer van Golden Earring, produceerde samen met de groep hun debuutalbum en enig album in 1980.

De band viel kort erna al uit elkaar. Cashmere werd later nog het duo Peter and Jody.

In de zomer van 1981 kwam het definitieve einde, niet alleen op muzikaal vlak, maar ook in de liefde.

Van beatgroep tot Soundmixshow: het muzikale levensverhaal van Frank Ashton

Frank Ashton, die eigenlijk Frans Biezen heet, begon zijn muzikale loopbaan bij de Jumping Tigers voordat hij in 1965 landelijke bekendheid kreeg als medeoprichter van Les Cruches.

Deze formatie gold als de bekendste Tilburgse beatgroep en ontleende haar naam aan Kruikensijkers, de bekende bijnaam van de Tilburgers.

Biezen deelde het podium in die tijd met niet de minsten: ook Henny Vrienten (later Doe Maar), John van der Ven (de latere producer van onder meer André Hazes) en Jos van den Dries (VOF de Kunst) maakten deel uit van de band.

Les Cruches was regelmatig te zien en te horen op tv en radio.

In 1968 besloot hij de groep te verlaten en een heel andere muzikale koers te varen.

Zo sloot hij zich een tijdje aan bij de Rekels, de band die bekend werd door de samenwerking met Hanny (Hennie Doeland-Lonis).

In 1974 vormde hij het duo Frans & Monique, waarmee hij een grote hit scoorde met het nummer ‘Hé Monique’.

Na die periode kreeg Frank de nodige tegenslagen te verwerken.

Zo kreeg hij destijds toestemming om samen met producer Cees Vermeulen een klassieker op te nemen.

Hun oog viel op ‘You’ll Never Walk Alone’, maar de platenmaatschappij zag er geen brood in.

Slechts drie maanden later, in 1976, scoorde Lee Towers er een enorme hit mee.

Vanaf dat moment wist Frank dat hij muzikaal op de juiste weg zat, al duurde het daarna nog enkele jaren voordat hij met Cees Vermeulen aan zijn zijde opnieuw de studio in kon duiken.

Een nieuwe fase brak dan ook aan in 1981, toen hij onder de naam Frank Evans het podium betrad.

Hij bracht toen als eerste single ‘Forget Him’ uit.

Dat nummer was in 1963 geschreven door de Britse componist en producer Tony Hatch en was oorspronkelijk een hit voor Bobby Rydell.

Met zijn versie van deze oude hit van Bobby Rydell haalde hij in Vlaanderen met ‘Forget Him’ in juni 1981 de tiende plaats in de BRT Top 30.

Toch keek hij toen vol vertrouwen vooruit en voorspelde hij dat hij met zijn nieuwe single ‘Lonely Town’ helemaal naar de top zou gaan.

Het was een opvallend optimistische uitspraak van een man die de afgelopen jaren de nodige tegenslagen te verwerken had gekregen.

Doc Pomus (Jerome Solon Felder) en Mort Shuman schreven dit nummer ooit voor Elvis Presley. Elvis weigerde toen echter dit nummer op te nemen, waardoor Gene McDaniels het in 1963 als eerste opnam.

Dit legendarische schrijversduo tekende trouwens al eerder voor wereldhits van Elvis Presley, zoals ‘Surrender’, ‘Viva Las Vegas’ en ‘Kiss Me Quick’, en ook de klassieker ‘Save the Last Dance for Me’ voor The Drifters.

Hoewel het nummer geschreven was in 1963, leek het Frank in augustus 1981 op het lijf geschreven.

Hij had toen net een mislukt huwelijk achter de rug en woonde weer alleen. Frank legde uit dat de stad voor hem veranderd was, omdat hij overal geconfronteerd werd met mooie maar ook pijnlijke herinneringen, waar hij op sombere dagen liever met een boog omheen liep.

Toch accepteerde hij deze tegenslagen in de liefde als een onvermijdelijk onderdeel van zijn keuze voor een zangcarrière.

Veel tijd om bij de pakken neer te zitten had hij trouwens niet, want zijn agenda zat toen overvol.

Met de cover van Lonely Town behaalde hij op 15 augustus 1981 eveneens de tiende plaats in de BRT Top 30.

Hoewel deze twee singles in Vlaanderen succesvol waren, bereikten beide singles in zijn thuisland niet de hitparade.

In 1986 veranderde hij zijn artiestennaam opnieuw en deed hij als Frank Ashton mee aan de Soundmixshow.

Hij won deze talentenjacht met het nummer ‘Reno Town’ (Don’t go down to Reno), een cover van Tony Christie die werd geproduceerd door zijn vriend Jack de Nijs.

Opvallend genoeg had hij dit nummer een jaar eerder al op single uitgebracht onder zijn vorige schuilnaam Frank Evans.

De overwinning in de Soundmixshow zorgde voor zijn definitieve doorbraak.

Met de single ‘Remember The Good Times’ bereikte hij de eenentwintigste plaats in de Top 40, al kwam het nummer in Vlaanderen niet verder dan de tipparade.

Ook dit was een cover, gebaseerd op het Italiaanse nummer ‘Non voglio mica la luna’ uit 1986, dat werd geschreven door Zucchero, Luigi Albertelli en Enzo Malepasso en in Italië een hit werd voor zangeres Marina Fiordaliso.

De daaropvolgende single, getiteld ‘The Roses Ain’t Growing Anymore’ en geschreven door Hans Bouwens, bleef steken in de Tipparade.

Dit nummer werd geschreven door Hans Bouwens, de bekende voorman van de George Baker Selection.

Een nare val van een podium in 1997 leek een abrupt einde te maken aan zijn zangcarrière.

Na een jarenlange revalidatie maakte hij in 2004 echter een knappe comeback met het album Latin Lover.

Veertien jaar later, in 2019, liet hij opnieuw van zich horen door mee te doen aan het programma The Voice Senior, waar hij koos voor het team van coach Frans Bauer.

Hij wist toen uiteindelijk door te dringen tot de tweede ronde, maar de winst van dat seizoen ging naar de countryzanger Ruud Hermans.

De inmiddels 79-jarige zanger treedt tot op de dag van vandaag nog incidenteel op en is nog altijd te boeken.

Oldies-rage bezorgt Frank Evans tweede start

Gisteren nog vandaag

Voor de Vlaamse groep The Strings het langste eind, omdat meisjes toch nog altijd opkijken als je muzikant bent

In augustus 1981, precies 45 jaar geleden, stonden The Strings volop in de belangstelling.

De gitaarrockgroep uit Zaventem werd opgericht door vijf jongens die elkaar al heel lang kenden: gitaristen Jan Van Eyken en Bruno Melon, zanger Luk Meert, bassist Mark Vanbinst en drummer Luk Vrebos.

Ze begonnen aan het avontuur, omdat er in hun woongemeente destijds nauwelijks iets te beleven viel, maar uiteraard droomden ze ook een beetje van roem en vonden ze dat meisjes toch nog altijd opkeken naar muzikanten.

Aanvankelijk dachten de bandleden nauwelijks aan het opnemen van een album, laat staan aan interviews of televisieoptredens.

De groep ontstond uit het eerdere project Belgrave Road na een optreden op een freepodium.

Waar ze in het begin vooral covers speelden van onder meer The Rolling Stones en Frankie Miller, schakelden ze snel over op een volledig eigen repertoire, met uitzondering van het nummer ‘Route 66’.

Hun debuutsingle met de nummers ‘Love me’ en op de B-kant ‘I wanna dance’ namen ze in eigen beheer op.

De productie was in handen van Jean-Marie Aerts, de gitarist van TC Matic, die in die periode de vaste producer was voor heel wat beginnende Belgische bands.

Hoewel de eerste single hen financieel meer kostte dan hij opbracht, doordat ze duizend exemplaren lieten persen en deze zelf verdeelden, bewees de uitgave wel hun ambitie.

Met de opvolger ‘Back to you’ lieten ze zien dat het ook met hun eigen materiaal helemaal goed zat.

In de zomer van 1981 toerde de groep door heel Vlaanderen.

Dat najaar mochten ze bovendien mee op tournee met De Kreuners, waar ze als voorprogramma optraden en de avond afsloten met een gezamenlijke set vol klassiekers uit de vroege jaren zeventig van artiesten als Gary Glitter, T. Rex en The Sweet.

Die gezamenlijke tournee bleek een belangrijke stap, want niet veel later maakte gitarist Jan Van Eyken de overstap naar De Kreuners, de band waar hij sindsdien nog altijd deel van uitmaakt en een bepalend gezicht van is gebleven (Joepie 9 augustus 1981)