Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De Nationale Bank van België in Antwerpen is een monument dat een centrale rol speelt in de architecturale en financiële geschiedenis van de stad.
Het gebouw bevindt zich aan de Frankrijklei, op de plek waar vroeger de zestiende-eeuwse stadswallen lagen.
Nadat deze vestingswerken halverwege de negentiende eeuw werden gesloopt, ontstond er ruimte voor monumentale architectuur die de groeiende economische macht van Antwerpen moest weerspiegelen.
De bank werd opgericht om de monetaire stabiliteit te waarborgen en de handel in de wereldhaven te ondersteunen.
Het ontwerp is van de hand van architect Beyaert, die tussen 1875 en 1879 een indrukwekkend complex neerzette in een rijke eclectische stijl.
Hij combineerde elementen uit de Franse neorenaissance met barokke invloeden, wat resulteerde in een paleisachtige uitstraling die autoriteit en veiligheid uitstraalt.
De gevel is versierd met gedetailleerd beeldhouwwerk en beschikt over een kenmerkende koepel en paviljoens op de hoeken.
Beyaert slaagde erin om functionaliteit te koppelen aan esthetiek, waarbij de zware muren en het gesloten karakter van de benedenverdieping de noodzakelijke beveiliging voor de goudreserves en bankbiljetten boden.
Tegenwoordig heeft het gebouw zijn oorspronkelijke functie als operationeel bankkantoor verloren, nadat de Nationale Bank haar diensten in Brussel centraliseerde.
Het pand ondergaat momenteel een grootschalige renovatie via een meerfasig project onder leiding van Group L en de Participatiemaatschappij Vlaanderen.
De herwaardering van de benedenverdieping en een groot deel van de kantoorruimtes is reeds voltooid, wat in 2021 leidde tot de opening van interieurzaak Donum na jaren van leegstand.
Op 12 mei 2024 vond er een grote opening plaats waarbij het publiek een kijkje kon nemen in het vernieuwde interieur.
Op dit moment ligt de focus van de werkzaamheden op de dakverdiepingen, die verder worden aangepakt om het historische gebouw weer volledig functioneel te maken voor de toekomst.
Het Steen, het oudste bewaarde gebouw van Antwerpen, kent een rijke geschiedenis die start tussen 1200 en 1225.
Oorspronkelijk diende het als poortgebouw van de imposante Antwerpse burcht. Wat we vandaag zien, is echter maar een fractie—minder dan 5%—van dat oorspronkelijke complex.
De burcht werd in de jaren 1880 grotendeels afgebroken om de Schelde te verbreden en de kades recht te trekken.
Enkel de cluster gebouwen rond het poortgebouw bleef bewaard en kreeg toen de naam “Het Steen”.
Vrijwel direct na die afbraak, tussen 1887 en 1890, werd er een nieuwe vleugel in neogotische en neotraditionele stijl aan toegevoegd en werden ook andere delen verbouwd.
Het gebouw is ook doordrenkt van Antwerpse folklore.
Volgens de verhalen woonden de reuzen Druon Antigoon en Lange Wapper er.
Van die laatste staat sinds 1963 een standbeeld van Albert Poels bij de ingang.
Nog opvallender is het wijdbeense beeldje in een nis boven de ingangsboog dat de vruchtbaarheidsgod Semini voorstelt.
Dit beeld had oorspronkelijk een lange fallus, die door velen werd vereerd bij vruchtbaarheidsproblemen.
In de 17e eeuw werd dit lichaamsdeel echter door jezuïeten afgehakt.
Deze gebeurtenis leefde voort in volksliedjes, en Semini’s naam is, mogelijk als restant van een voorchristelijke cultus, nog steeds te horen in typisch Antwerpse krachttermen als ‘Godsjumenas!’ en ‘Seminis kinderen!’.
Het Steen is niet alleen een historisch, maar ook een cultureel baken.
Het duikt veelvuldig op in de verhalen van Suske en Wiske, zoals in ‘De zwarte madam’ (1947) en ‘De 7 schaken’ (1995).
Ook in de muziek wordt ernaar verwezen: Bobbejaan Schoepen zong erover in zijn lied ‘k Zie zo gere m’n duivenkot (1949).
Zelfs de opera ‘Lohengrin’ van Wagner speelt zich af in en rond Het Steen.
Vandaag de dag heeft het gerenoveerde Steen een nieuwe, centrale rol in de stad.
Het fungeert als het toeristische onthaalcentrum, het Antwerp Visitor Center. Bezoekers kunnen er ‘The Antwerp Story’ ontdekken, een multimediaparcours door elf kamers dat de geschiedenis en identiteit van de stad belicht.
Deze geslaagde transformatie werd in oktober 2022 bekroond met de Onroerenderfgoedprijs.
In 1970 was het Japanse Osaka de gastheer van de dertigste Wereldtentoonstelling, ook bekend als Expo ’70.
Het was een historische gebeurtenis, want het was de allereerste keer dat dit evenement in Azië plaatsvond.
De tentoonstelling, die van 15 maart tot 13 september duurde, werd gehouden in de voorstad Suita en trok een verbazingwekkend aantal van ruim 64 miljoen bezoekers.
Daarmee was het een van de grootste en drukstbezochte beurzen ooit.
Het immense terrein van 330 hectare was ontworpen door de gerenommeerde Japanse architect Kenzo Tange, en had als thema “Vooruitgang en harmonie voor de mensheid”.
Het meest bekende bouwwerk was de ‘Toren van de Zon’, ontworpen door de Japanse kunstenaar Taro Okamoto.
Ook België en Nederland waren vertegenwoordigd op de Expo.
Het Belgische paviljoen werd ontworpen door architecten Jules Wabbes en Jacques Wirtz. Voor Wirtz betekende het ontwerp van de paviljoentuin zijn grote doorbraak.
Daarnaast werden er drie bronzen beelden tentoongesteld van de Belgische kunstenaar Hubert Minnebo.
Het Nederlandse paviljoen was het werk van de architecten Carel Weeber en Jaap Bakema, met een interieurontwerp van Total Design, onder leiding van Wim Crouwel. Verder leverden Peter Struycken en cineast Jan Vrijman bijdragen aan het paviljoen.
Aan het einde van de negentiende eeuw kampte Brussel met zijn gemeentelijk slachthuis.
De verouderde installaties veroorzaakten ernstige hygiënische problemen en de lozing van afval in de Zenne vervuilde de rivier.
Daarom werd in 1887 besloten om het gebouw te vervangen.
De oplossing kwam een jaar later, in 1888, toen de gemeente Anderlecht een concessie verleende voor de bouw en uitbating van een nieuw slachthuis met een veemarkt. Hiervoor werd de vennootschap “Abattoirs et Marchés d’Anderlecht-Cureghem” opgericht, waarin naast banken ook industriëlen en handelaars investeerden.
Architect Emile Thiron kreeg de opdracht en liet zich voor zijn ontwerp inspireren door de beroemde “Grande Halle de la Villette” in Parijs.
Op een drassig terrein van zo’n twintig hectare, dat eerst opgehoogd moest worden, verrees een indrukwekkende overdekte markthal van 100 bij 100 meter.
De constructie is een parel van industriële architectuur, met een gebogen staalstructuur die rust op gietijzeren pilaren.
Zelfs vandaag nog wordt de hal overeind gehouden door 218 ton gietijzer en 640 ton ijzer.
De monumentale hoofdingang, ontworpen door architect Henri Rieck, werd in 1901-1902 toegevoegd en wordt gesierd door twee iconische bronzen stieren van de hand van Isidore Bonheur.
In 1920 nam de gemeente Anderlecht de leiding over.
Na een periode van economische moeilijkheden werd het domein in 1980 verkocht aan een coöperatieve vereniging van handelaars en slachters die de renovatie op zich namen.
Hieruit ontstond in 1983 de vennootschap die we vandaag kennen als Abattoir.
Vandaag is de site veel meer dan enkel een slachthuis. De historische hal is een levendige overdekte markt voor voeding en een populaire rommelmarkt.
Op het terrein bevinden zich ook de Kelders van Kuregem, die sinds een renovatie in 1992 dienstdoen als evenementenlocatie voor beurzen en tentoonstellingen.
Daarnaast herbergt het domein ook een ijskelder en een paddenstoelenkwekerij.
De oorspronkelijke functie van de site loopt echter op zijn einde.
De slachtlijn, die vandaag vooral voor rituele slachtingen wordt gebruikt, zal na het aflopen van de milieuvergunning in 2028 definitief sluiten.
Hiermee komt een einde aan een belangrijk tijdperk voor het slachthuis van Anderlecht.
Gelegen aan de Vorstlaan in Watermaal-Bosvoorde, Brussel, was dit kruisvormige gebouw een ontwerp van René Stapels en Pierre Dufau.
Met een hoogte van 50,80 meter en een indrukwekkende totale vloeroppervlakte van 54.000 vierkante meter, viel het gebouw meteen op.
De buitenzijde was bekleed met cortenstaal en bronskleurig gefumeerde ramen, wat het een kenmerkende uitstraling gaf.
Dankzij de landschapsarchitecten Jean Delogne en Claude Rebold werd het gebouw naadloos geïntegreerd in een weelderige omgeving van vijvers en groen, wat bijdroeg aan de harmonieuze uitstraling.
Na de fusie van Royale Belge met het Franse AXA in 1999, werd het complex verkocht aan Cofinimmo, dat het tot 2018 terug verhuurde.
In 2017 verplaatste AXA haar Belgische hoofdzetel naar het Troonplein, naar het voormalige hoofdkantoor van Electrobel
Een opmerkelijke episode in de geschiedenis van het gebouw deed zich voor toen de Verenigde Staten interesse toonden om het aan te kopen en er de Amerikaanse ambassade in onder te brengen.
Echter, de structuur bleek ongeschikt om zwaar kogelvrij glas te dragen. Om ingrijpende verbouwingen te voorkomen, plaatste de Brusselse regering het gebouw op de bewaarlijst, waarna de Amerikanen van het project afzagen.
Op 23 mei 2019 werd het gebouw officieel ingeschreven op de bewaarlijst van beschermde gebouwen in Brussel.
In 2021 kreeg de nieuwe eigenaar, Souverain 25, een vergunning voor een omvangrijke verbouwing.
Het Britse architectenbureau Caruso St John en het Antwerpse kantoor Bovenbouw Architectuur wonnen de ontwerpwedstrijd die de bouwheer in samenwerking met de Brusselse bouwmeester had uitgeschreven.
Sinds 2023 heeft het voormalige Royale Belge-hoofdkantoor een indrukwekkende transformatie ondergaan en functioneert het nu als een gemengd complex met kantoren, een viersterren hotel met de naam Mix, een foodmarket, een fitness- en een wellnesscentrum, inclusief een openluchtzwembad (De Post van 28 juni 1970)
Negentig jaar geleden, nam het Vlaamse tijdschrift ABC zijn lezers mee op een wandeling door het Begijnhof van Kortrijk.
Dit prachtig bewaard middeleeuws stadsdeel, gesticht in 1238 door Johanna van Constantinopel, beslaat 0,7 hectare en combineert de unieke structuren van een plein- en straatbegijnhof.
Strategisch gelegen tussen het grafelijk kasteel, de stadswallen en het Sint-Maartenkerkhof, en dicht bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de Sint-Maartenskerk, heeft het Begijnhof door de eeuwen heen diverse verwoestingen ondergaan, met name door Franse troepen in 1302 (tijdens de Guldensporenslag), in 1382 (na de Slag bij Westrozebeke) en in 1684.
De 41 huisjes die het hof sieren, dateren uit de 17e eeuw. Een opvallend gebouw is het huis van de grootjuffrouw, herkenbaar aan zijn dubbele trapgevel uit 1649.
De merkwaardige traptoren is een overblijfsel van de voormalige Sint-Annazaal, gebouwd in 1682.
De oorspronkelijke gotische kapel, opgericht in 1464, werd in de 18e eeuw verbouwd.
In de 19e eeuw leidde Clementia Hiers meer dan vijftig jaar lang het Begijnhof. Tijdens haar periode werd het standbeeld van Johanna van Constantinopel, vervaardigd door Valère Dupont, geplaatst.
Het huis van de grootjuffrouw diende tot de zomer van 2008 als Begijnhofmuseum. In juli 2014 opende een belevingscentrum zijn deuren in de gerestaureerde Sint-Annazaal, en in 2015 werd een authentiek kijkwoning ingericht op nummer 41, naast de hoofdingang.
Het Begijnhof van Kortrijk was ook de thuisbasis van Marcella Pattyn (1920-2013), het laatste begijntje ter wereld.
Zij kwam in januari 1941 binnen in het begijnhof van Sint-Amandsberg, en verhuisde eind oktober 1960 naar het hof van Kortrijk.
De laatste jaren van haar leven verbleef ze in een Kortrijks verzorgingstehuis, waar ze op 14 april 2013 overleed.
Een jaar voor haar dood werd ze geëerd met een standbeeld in het Begijnhof.
Sinds 2 december 1998 behoort het Begijnhof van Kortrijk tot het cultureel en natuurlijk werelderfgoed van UNESCO, als deel van de groepsinschrijving van Vlaamse begijnhoven.
De bouw van dit ondergrondse tramnetwerk, dat oorspronkelijk bedoeld was als een volwaardige metro, begon op 5 januari 1970.
Op 25 maart 1975 werd het eerste 1,3 kilometer lange tunnelgedeelte in gebruik genomen, met de stations Opera, Meir en Groenplaats. Trams van de lijnen 2 (uit Hoboken) en 15 (uit Mortsel) reden vanaf de De Keyserlei de tunnel in en keerden op de ondergrondse keerlus onder de Groenplaats.
De tunnel werd aangelegd met de zogenaamde ‘cut-and-cover’-methode, wat leidde tot aanzienlijke hinder bovengronds.
Ook werden delen van de Antwerpse ruien afgebroken en vervangen door betonnen buizen.
Door financiële problemen werd de ombouw naar een volledige metro geschrapt en werden slechts 19 stations gebouwd, waarvan er 7 lange tijd ongebruikt bleven.
In 1973 begon de uitbreiding van de lijn vanaf station Opera richting de Belgiëlei.
Op 10 maart 1980 werden de stations Diamant (bij het Centraal Station) en Plantin geopend.
Tussen 1977 en 1986 werden nog drie andere premetrotunnels gegraven vanaf het Centraal Station naar het noorden en het oosten: onder de Turnhoutsebaan richting Deurne, onder de Kerkstraat-Pothoekstraat richting Sportpaleis en onder de Sint-Elisabethstraat-Handelsstraat-Onderwijsstraat richting Sportpaleis.
Deze uitbreidingen werden voornamelijk als boortunnels uitgevoerd om de hinder bovengronds te beperken.
Het oorspronkelijke plan voorzag ook in een tweede as van de zuidwestelijke voorsteden via Opera en Astrid naar het oostelijke stadsdeel Deurne, inclusief een metrotunnel onder de Turnhoutsebaan in Borgerhout en enkele kortere tunnels.
Nadat in 1988 de gewesten verantwoordelijk werden voor de openbare werken, werd in 1989 de bouw van deze tunnels stilgelegd.
De ruwbouw was afgewerkt, maar bovenleiding, sporen, signalisatie en de afwerking van de stations ontbraken nog.
In 1983 werd begonnen met de bouw van de Brabotunnel, een premetrotunnel met twee geboorde kokers onder de Schelde, tussen de Groenplaats en Linkeroever.
Op 21 september 1990 werd de tunnel geopend.
In 1996 werd een noordoostelijke tak geopend, met de stations Sport, Schijnpoort, Handel, Elisabeth en Astrid, en een aansluiting op de bestaande lijn tussen Opera en Diamant.
In 2014 kondigde de Vlaamse regering aan de ingebruikname van de tunnel onder de Kerkstraat en Pothoekstraat, met de stations Stuivenberg en Sint-Willibrordus, te onderzoeken.
Het stedelijk bestuursakkoord van 2019-2024 streefde naar de ingebruikname van deze tunnel en de stations Drink en Collegelaan.
In juli 2022 gaf de Vlaamse regering toestemming voor de aanbesteding voor de afwerking tegen 2026, maar dit is uitgesteld tot minstens 2027.
Dit uitstel is te wijten aan het wachten op de levering van nieuwe trams, de renovatie van de bestaande premetro en de evaluatie van de overstaphaltes.
In september 2017 werd een tweede ingang geopend vanaf de Deurne Turnhoutsebaan richting de Reuzenpijp-tunnel onder Borgerhout.
Er waren ook plannen voor een volledig nieuwe as die in noord-zuidrichting van het Klapdorp langs de Melkmarkt en het station Groenplaats onder de Nationalestraat in de richting van het Museum voor Schone Kunsten zou lopen.
De premetro zou dan de haltes Klapdorp, Melkmarkt, Groenplaats (als kruisstation), Sint-Andries en Tropisch Instituut aandoen.
Deze plannen zijn echter nooit verder gekomen dan de ontwerpfase.
In het kader van het Routeplan 2030 wordt een vergelijkbare premetroverbinding opnieuw bestudeerd (De Post 16 maart 2025)
In de 16e eeuw ontstonden in Italië de zogenaamde “Bergen van Barmhartigheid”. Deze liefdadigheidsinstellingen boden een oplossing voor de woekerrentes die arme mensen moesten betalen aan pandjeshuizen. Het idee was simpel: mensen konden tegen een lage rente geld lenen, met een waardevol voorwerp als onderpand.
Ook Gent kreeg in 1618 zijn eigen Berg van Barmhartigheid, enkele jaren vóór die in Kortrijk. Al in de 14e eeuw bestond er in Gent een vergelijkbare instelling, het “Dondersteen”, een soort pandjeshuis. Wenceslas Cobergher, een sleutelfiguur in de oprichting van dergelijke instellingen, kocht het Dondersteen in 1620 en liet het slopen.
Op de locatie in de Abrahamstraat, voorheen bekend als de Ser Symoenstraate, verrees een nieuw gebouw in de stijl van een Italiaans palazzo. De straat, vernoemd naar een verdwenen gevelbeeld van de aartsvader Abraham, is een oud tracé dat parallel loopt met de Burgstraat, van het Prinsenhof naar de Bonifantenstraat. Het nieuwe complex bestond uit drie delen: een conciërgewoning, het huis van de intendant, en het pandhuis zelf. De gevel domineert tot op de dag van vandaag het straatbeeld. In 1930 sloot de Gentse Berg van Barmhartigheid de deuren.
In Kortrijk werd de Berg van Barmhartigheid in 1627 opgericht door Wenceslas Cobergher, die ook de Berg in Brussel ontwierp. De bouw, in een conservatieve, gotische stijl, startte in 1629 en de instelling opende officieel in 1630.
Als openbare kredietinstelling bood de Berg de mogelijkheid om anoniem geld te lenen tegen een lage rente. Lenen gebeurde op basis van onderpand, zoals juwelen, boeken, kunstvoorwerpen of zilverwerk.
Pagadoren, of indragers, fungeerden als tussenpersonen tussen de Berg en de beleners. Ze brachten de eigendommen naar de Berg en haalden ze later weer op, waardoor de identiteit van de belener anoniem bleef.
Voor deze dienst betaalden de beleners een extra vergoeding. Oorspronkelijk werden pagadoren door de stad aangesteld, maar door misbruik kwam hier in de 18e eeuw verandering in. Voortaan werden ze beëdigd en aangesteld door de Bergen zelf. Het merendeel van de pagadoren was vrouwelijk, zo ook in Kortrijk.
De vier draaitrommels van de Kortrijkse Berg staan bij velen bekend als “vondelingenschuiven”, maar dit is een hardnekkige stadslegende.
Twee van de trommels hebben een uitsparing, maar deze dienden om discreet een pand te deponeren, niet om baby’s achter te laten. De trommels waren in feite draaideuren die toegang gaven tot het bureau waar men geld kon lenen.
De Berg van Barmhartigheid in Kortrijk sloot in 1922 door een gebrek aan kapitaal.
De Brusselse vestiging is de enige die vandaag de dag nog steeds bestaat in België.
Na de sluiting deed het gebouw in Kortrijk dienst als Rijksarchief.
Tijdens een bombardement op 21 juli 1944 werd het gebouw zwaar beschadigd, maar de kelders bleven gespaard. In 1960 werd het herbouwd en in 1964 nam het Rijksarchief er opnieuw zijn intrek.
Sinds 2009 is het als Rijksarchief en huis archivaris met stedelijke diensten aangeduid als vastgesteld bouwkundig erfgoed.
In 2018 werd het complex verkocht aan Konvert Service.
Samen met aanpalende panden in de Onze-Lieve-Vrouwestraat en de Handboogstraat werd het omgebouwd tot het luxehotel “Cobergher Hotel”, een eerbetoon aan de bouwmeester.
Het Rijksarchief blijft wel aanwezig, met een huurcontract tot 2031.
(De Stad 25 januari 1934, diverse bronnen, Inventaris Vlaanderen erfgoed, Gent Geprent en Wikipedia)
Het ontwerp is van de lichtontwerper Douglas Leigh.
Deze lichtreclame op Times Square had een hoogte van 22 meter en was 32 meter breed. (De Post van 8 januari 1950, foto 5 automatische schakelaars die voor het uit- en aangaan van de lichten zorgde en foto 7 met dit toestel kon men nagaan of één van de duizenden gloeilampen defect is)
De aanleiding voor de bouw van deze immense dam was de jaarlijkse, zomerse overstroming van de Nijl.
Deze overstromingen waren een tweesnijdend zwaard.
Enerzijds lieten ze vruchtbaar slib achter op de oevers, wat de Nijlvallei tot een van de vruchtbaarste landbouwgebieden ter wereld maakte.
Anderzijds waren ze onvoorspelbaar en richtten ze vaak grote schade aan aan gewassen, dorpen en infrastructuur.
Om de Nijl te temmen en de watertoevoer te reguleren, werd de bouw van een dam noodzakelijk geacht.
De Hoge Aswandam, zoals hij officieel heet, is een kolossaal bouwwerk: 3600 meter lang en 980 meter breed aan de basis.
Per seconde kan er maximaal 11.000 m³ water door de dam worden gesluisd.
Op 21 juli 1970 was de dam voltooid.
Het stuwmeer, dat de naam Nassermeer kreeg, naar de toenmalige Egyptische president Gamal Abdel Nasser, bereikte zijn volledige capaciteit in 1976.
De voordelen van de dam waren in eerste instantie aanzienlijk.
Rond de meren ontstond een bloeiende visindustrie en de dam genereerde in 1998 zo’n 15% van de totale elektriciteitsproductie van Egypte, waardoor veel dorpen voor het eerst toegang kregen tot elektriciteit.
Bovendien behoren de verwoestende overstromingen, maar ook periodes van extreme droogte, tot het verleden.
De landbouw kon hierdoor het hele jaar door plaatsvinden, wat leidde tot hogere opbrengsten.
De aanleg van de dam en het ontstaan van het Nassermeer hadden echter ook een keerzijde.
Duizenden mensen moesten gedwongen verhuizen om plaats te maken voor het stijgende water.
Bovendien moesten waardevolle archeologische vindplaatsen, waaronder de wereldberoemde tempels van Aboe Simbel, met veel moeite en kosten naar hoger gelegen gebieden worden verplaatst.
Het Nassermeer is overigens zo uitgestrekt dat 17% ervan in het buurland Soedan ligt, en men spreekt daar van het Nubiameer.
Op de lange termijn bracht de dam ook ecologische en landbouwkundige problemen met zich mee.
Het Nassermeer is langzaam aan het dichtslibben en geschat wordt dat het binnen vijfhonderd jaar volledig zal zijn veranderd in een uitgestrekte slibvlakte.
Omdat de aanvoer van nieuw sediment wordt geblokkeerd door de dam, erodeert de Nijldelta in rap tempo.
Het noordelijke deel van de Nijl verzilt, waardoor het gebied ongeschikt wordt voor landbouw.
De delta zelf heeft al een groot deel van zijn vruchtbaarheid verloren.
De productie van bakstenen, die traditioneel werd gemaakt van Nijlmodder, is hierdoor sterk afgenomen.
Ook langs de oostelijke Middellandse Zeekust versnelt de erosie, waardoor het land is er 30 km landinwaarts getrokken.
Om de vruchtbaarheid van de landbouwgrond op peil te houden, worden nu enorme hoeveelheden kunstmest gebruikt, wat leidt tot ernstige bodemvervuiling.
Verkeerde irrigatietechnieken verergeren de verzilting van de bodem, een probleem dat nog wordt versterkt door de toenemende verzilting van het Nijlwater zelf.
Het delicate ecosysteem van de Nijl is door de dam dan ook ernstig verstoord en is aan het uiteenvallen.
Ten slotte heeft de constructie van de Aswandam ook tot politieke spanningen geleid.
Omdat het overgrote deel van de Egyptische bevolking in de Nijlvallei woont en afhankelijk is van het Nijlwater, is de controle over de dam van strategisch belang.
Het uitgestrekte Nassermeer vormt een potentiële kwetsbaarheid bij conflicten.
De relaties met buurlanden Soedan en Ethiopië zijn hierdoor complex.
Zeker met deze laatste was er veel onenigheid over de bouw van de nieuwe, immense Grote Renaissancedam in de Blauwe Nijl.
De Grote Renaissancedam ligt in de Blauwe Nijl en is 1,8 kilometer breed en 145 meter hoog en ligt in het noordwesten van Ethiopië.
Met de bouw werd in 2011 een begin gemaakt, en op 1 juli 2020 begon het vullen van het waterreservoir.
De kostprijs voor dit project 4,8 miljard euro.
Om het megaproject te financieren kreeg elke ambtenaar de vraag om een maandloon af te staan.
Op 20 februari 2022 produceerde de eerste turbine commerciële stroom.
Op termijn moet de totale stroomcapaciteit van de stuwdam 6500 megawatt bedragen en de huidige stroomcapaciteit van het land verdubbelen.
Vandaag heeft de dam nog maar een capaciteit van 750 megawatt
(Diverse bronnen, VRTNWS, Wikipedia en foto’s uit De Post van 24 januari 1960)
Het Albertkanaal is een kunstmatige waterweg die Luik met Antwerpen verbindt en de Maas met de Schelde.
Het kanaal werd genoemd naar koning Albert I, die het project steunde als een manier om de economische ontwikkeling van België te bevorderen en de verdediging tegen een mogelijke Duitse invasie te versterken.
Het kanaal werd aangelegd tussen 1930 en 1939, maar werd pas na de Tweede Wereldoorlog officieel in gebruik genomen.
Een van de hoogtepunten van de bouw van het Albertkanaal was het koninklijk bezoek aan de werken in oktober 1933.
Koning Albert I en koningin Elisabeth bezochten toen de werf in Lanaken, waar een van de zes sluizen werd gebouwd om het hoogteverschil van 55 meter tussen Luik en Antwerpen te overbruggen.
Ze werden verwelkomd door een grote menigte van arbeiders, ingenieurs en lokale autoriteiten.
Ze kregen een rondleiding over de werf en woonden een demonstratie bij van het uitgraven van de bodem met behulp van een baggermachine.
Ze toonden veel belangstelling voor de technische aspecten van het project en spraken hun waardering uit voor de inspanningen van alle betrokkenen.
Het Albertkanaal heeft sindsdien een belangrijke rol gespeeld in de binnenvaart en de industrie in België.
Het kanaal vervoert jaarlijks bijna 40 miljoen ton goederen, vooral containers. Het kanaal wordt ook gebruikt voor de drinkwaterproductie, aangezien het water uit de Maas wordt gezuiverd in verschillende installaties langs het kanaal.
Het kanaal heeft ook een culturele en recreatieve waarde, aangezien het landschappen, monumenten en sportactiviteiten met elkaar verbindt.
Het Albertkanaal is echter niet onveranderlijk gebleven.
Het kanaal heeft verschillende moderniseringswerken ondergaan om het aan te passen aan de evolutie van de scheepvaart en de milieueisen.
Zo werden de sluizen vergroot, de bruggen verhoogd, de bochten rechtgetrokken en de oevers verstevigd.
Vandaag zijn er werken bezig voor het oosterweelde project, namelijk het graven van een bouwput in het kanaal om de Kanaaltunnels aan te leggen.
Deze tunnels zullen het Oosterweelknooppunt, dat zich op de rechteroever van Antwerpen bij het Noordkasteel bevindt, verbinden met de Ring.
De vier tunnelkokers beginnen bij het Amerikadok en gaan onder het Albertkanaal door.
Bij de Noorderlaan splitsen ze zich in een noordelijke en een zuidelijke verbinding met de Ring.
Dit mag gerust gezien worden als een technisch hoogstandje (De Stad 28 december 1934)