In memoriam Federico García Lorca: de onstuitbare stem van de ‘Generación del 27’, negentig jaar na zijn overlijden

Federico García Lorca werd in 1898 geboren in het Spaanse dorpje Fuente Vaqueros, dicht bij Granada.

Al op jonge leeftijd bleek zijn grote creativiteit, die zich aanvankelijk vooral uitte in zijn passie voor muziek en piano.

Toen hij in 1919 naar Madrid verhuisde om te gaan wonen in de beroemde studentenresidentie, kwam hij terecht in het bruisende hart van de Spaanse avant-garde.

Daar sloot hij hechte vriendschappen met kunstenaars als de schilder Salvador Dalí en de filmmaker Luis Buñuel. Buñuel, die later uitgroeide tot een van de meest baanbrekende en spraakmakende surrealistische regisseurs uit de filmgeschiedenis, deelde in die tijd een intense artistieke en intellectuele band met Lorca.

Hoewel hun artistieke visies later soms schuurden, beïnvloedden de ideeën van Buñuel over droomsymboliek en de scherpe maatschappijkritiek Lorca’s eigen zoektocht naar vernieuwing binnen de literaire wereld.

Deze inspirerende omgeving vormde de basis voor zijn doorbraak als een van de belangrijkste stemmen van de ‘Generación del 27’.

Deze Generación del 27 was een invloedrijke groep Spaanse dichters en kunstenaars die rond 1927 opkwam, het jaar waarin zij de driehonderdste sterfdag van de barokdichter Luis de Góngora eerden.

De beweging kenmerkte zich door een vernieuwende zoektocht naar een balans tussen de traditionele Spaanse volkspoëzie en de avant-gardistische stromingen van die tijd, zoals het surrealisme en het symbolisme.

In zijn literaire werk bracht Lorca de aloude volkstradities en folklore van zijn geliefde Andalusië samen met vernieuwende, moderne vormen.

Zijn dichtbundel ‘Romancero gitano’ uit 1928 maakte hem op slag beroemd.

Daarin vlocht hij hartstocht, verlangen, de maan en het noodlot naadloos aan elkaar. Een reis naar de Verenigde Staten inspireerde hem later tot het schrijven van ‘Poeta en Nueva York’, een veel duisterder werk waarin hij de kille mechanisering en het kapitalisme van de grote stad aan de kaak stelde.

Lorca was echter niet alleen dichter, maar ook een gedreven vernieuwer van het Spaanse theater.

Met zijn reizende toneelgezelschap ‘La Barraca’ trok hij langs dorpen op het platteland om klassieke Spaanse stukken toegankelijk te maken voor het gewone volk.

Later schreef hij zelf beroemde toneelstukken zoals ‘Bloedbruiloft’, ‘Yerma’ en ‘Het huis van Bernarda Alba’.

In deze drama’s stonden thema’s als maatschappelijke onderdrukking, onbeantwoorde liefde en de beklemmende rol van de vrouw centraal.

Het leven van Lorca eindigde tragisch op veel te jonge leeftijd.

Aan het begin van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 werd hij in Granada gearresteerd door aanhangers van generaal Franco.

Vanwege zijn maatschappijkritische geest, zijn progressieve sympathieën en zijn openlijke homoseksualiteit werd hij als een gevaar voor het regime gezien.

Op achtendertigjarige leeftijd werd hij neergeschoten bij Víznar. Veel historici en biografen gaan uit van de nacht van 17 op 18 augustus of de vroege ochtend van 18 augustus 1936.

In andere bronnen en officiële documenten wordt vaak 19 augustus genoemd als de datum waarop zijn dood werd aangenomen.

Hoewel zijn werk tijdens de daaropvolgende dictatuur lang werd verboden, leeft zijn stem voort als een universeel symbool voor artistieke vrijheid.

Ter gelegenheid van de negentigjarige herdenking van zijn overlijden in 2026 worden in Spanje, en met name in Granada, diverse grootschalige culturele herdenkingen georganiseerd.

Een van de hoogtepunten is het stadsbrede artistieke project ‘Réquiem por Lorca’, waarin poëzie, muziek en voorstellingen samenkomen op historische locaties zoals de kathedraal van Granada en het Alhambra.

Daarnaast bewaart Spanje talloze fysieke sporen van de dichter.

In Granada zijn zijn geboortehuis ‘Museo Casa Natal’ in Fuente Vaqueros en zijn zomerhuis ‘Huerta de San Vicente’ ingericht als museum met originele meubels en manuscripten.

Het ‘Centro Federico García Lorca’ in het stadscentrum fungeert als modern archief en expositieruimte.

Ook in het straatbeeld is hij aanwezig, onder meer met een bronzen standbeeld op de Plaza de Santa Ana in Madrid en een ontspannen zitbeeld in Granada, terwijl het stiltepark tussen Víznar en Alfacar de plek markeert nabij waar hij in 1936 het leven liet.

40 jaar geleden, te gast op de filmset van de Vlaamse film Het gezin van Paemel.

Het scenario, geschreven door Hugo Claus, is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk uit 1903 van Cyriel Buysse. De regie was in handen van Paul Cammermans.

Gisteren nog vandaag

De film speelt zich af aan het einde van de negentiende eeuw.

Vader Van Paemel is boer op de hoeve van baron De Wilde.

Tijdens een mondaine jachtpartij op het landgoed van de baron raakt de zachtaardige Désiré Van Paemel zo zwaar verwond dat hij voor de rest van zijn leven invalide blijft.

Eduard, de oudste zoon, neemt actief deel aan stakingen in de stad en sluit zich aan bij de socialistische arbeidersbeweging.

Tegen de zin van boer Van Paemel heeft de oudste dochter,

Cordule heeft een verhouding met de stroper Masco, terwijl de jongste dochter, Romanie, gedwongen wordt om als dienstmeid op het kasteel te werken.

Daar wordt ze verleid door Maurice, de zoon van de baron.

Wanneer Kamiel de hoeve verlaat, omdat hij onder de wapens wordt geroepen, verslechtert de situatie op de boerderij door een gebrek aan werkkrachten.

Het gezin van Paemel kwam in het voorjaar van 1987 in de zalen.

De filmmuziek werd gecomponeerd door de Belgische muzikant en componist Daniel Schell.

De film bracht een sterke cast samen, met onder meer Senne Rouffaer als boer Van Paemel, Chris Boni als boerin Van Paemel, Jan Decleir als stroper Masco, Frank Aendenboom als Eduard, Marc Peeters als Kamiel, Marc Van Eeghem als Celis, Marijke Pinoy als Romanie, Viviane De Muynck als Cordule, Camilia Blereau als Danielle en Thom Hoffman als Maurice.

De film kende een groot succes en lokte destijds bijna een kwart miljoen bezoekers naar de bioscoop.

Daarmee geldt de prent nog altijd als een klassieker uit de Vlaamse filmgeschiedenis.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies tien jaar geleden dat de Antwerpse schrijfster Françoise Mallet-Joris overleed..

Françoise Mallet-Joris, geboren als Françoise Lilar op 6 juli 1930 in Antwerpen, groeide op in een prominent advocatengezin.

Haar vader, Albert Lilar, diende jarenlang als Belgisch minister van Justitie.

Haar moeder, Suzanne, was niet alleen een van de allereerste vrouwelijke advocaten in België, maar ook een verdienstelijk schrijfster.

Zij schreef onder andere het schitterende Journal de l’Analogiste in 1954 en Le Malentendu du Deuxième Sexe in 1969, een werk waarin ze het bekende essay van Simone de Beauvoir met verve weerlegde.

De literatuur stroomde Françoise duidelijk door het bloed, want toen ze amper eenentwintig was, debuteerde ze met de roman Le Rempart des Béguines.

Het boek verscheen in 1951 bij René Julliard, liefst drie jaar voordat deze uitgever Françoise Sagan zou ontdekken.

Het verhaal, dat zich afspeelt in een kille en mistige Vlaamse stad, volgt een jonge vrouw die de minnares is van een oudere man en tegelijk een intieme relatie heeft met diens dochter.

Deze verhaallijn zorgde in die tijd voor flink wat opschudding, maar het boek werd meteen opgemerkt en betekende de vliegende start van een indrukwekkende literaire carrière.

Onder het pseudoniem Mallet-Joris bouwde ze een veelzijdig oeuvre op van een dertigtal titels, uitgegeven bij de meest prestigieuze huizen zoals Julliard, Grasset, Gallimard en Flammarion.

Haar grote talent werd bekroond met een hele reeks onderscheidingen.

Zo ontving ze in 1956 de Librairesprijs voor Les mensonges en in 1958 de Feminaprijs voor L’Empire céleste.

Daarna volgden de René-Julliardprijs in 1963 voor Lettre à moi-même en de Monacoprijs in 1964 voor haar historische biografie Marie Mancini, le premier amour de Louis XIV.

Naast haar werk als schrijfster van romans en biografieën had Françoise een grote passie voor het Franse chanson.

Ze schreef vele teksten voor de zangeres Marie-Paule Belle. Een interessant weetje is dat hun band verder ging dan enkel een professionele samenwerking; de twee vrouwen deelden lange tijd een romantische relatie.

Françoise was in haar leven ook drie keer getrouwd en voedde vier kinderen op.

Die boeiende en soms chaotische gezinssituatie beschreef ze op een bijzonder geestige manier in haar autobiografische succesroman La Maison de papier uit 1970, een boek dat in Frankrijk een regelrechte bestseller werd.

Haar aanzien in de literaire wereld was bijzonder groot.

Ze bracht het grootste deel van haar leven door in Parijs, waar ze van 1969 tot 1971 in het comité van de Feminaprijs zetelde.

In november 1971 werd ze unaniem verkozen tot lid van de illustere Académie Goncourt.

Ze bleef een zeer gewaardeerd lid van deze jury tot 2011, het jaar waarin ze om gezondheidsredenen besloot een stap terug te zetten.

Als extra erkenning voor haar werk uit haar geboorteland werd ze in 1993 overigens ook opgenomen in de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique.

Na een rijkgevuld leven vol literatuur en cultuur publiceerde ze in 2007 haar allerlaatste roman, Ni vous sans moi, ni moi sans vous, die opnieuw bij Grasset verscheen.

Françoise Mallet-Joris overleed uiteindelijk op 13 augustus 2016 op zesentachtigjarige leeftijd in de Franse gemeente Bry-sur-Marne, waar ze haar laatste levensjaren in rust doorbracht

Vandaag is het dertig jaar geleden dat de Gentse acteur Carlos Van Lanckere is overleden.

Na het afronden van een klassieke opleiding aan de Koninklijke Toneelschool van Gent verwierf hij al snel bekendheid binnen de amateurverenigingen, en in het bijzonder bij de Gentse Rederijkerskamer Jhesus met der Balsemblomme.

Daar ontmoette hij de toenmalige Prince Souverein Herman Van Overbeke.

Deze ontmoeting vormde het startschot van een zeer vruchtbare samenwerking, die de aanzet gaf tot het structureren en uitbreiden van talloze rederijkerskamers en amateurgezelschappen in Vlaanderen.

Vanuit die gedrevenheid stichtte Van Lanckere in 1932 het Algemeen Kristelijk Vlaams Toneel (A.K.V.T.), een verbond dat voornamelijk Oost-Vlaamse gezelschappen verenigde.

Slechts vier jaar later volgde de oprichting van het Nationaal Vlaams Kristelijk Toneelverbond (N.V.K.T.), een overkoepelende organisatie voor alle landelijke Vlaams-christelijke amateurgezelschappen.

Hij zette zich hier met hart en ziel voor in als bezielend secretaris-generaal, tot hij in 1986 wegens ziekte de fakkel moest doorgeven.

Zijn ambities in het theater reikten echter nog verder.

In 1950 richtte hij de Keurgroep op, een initiatief waarmee hij getalenteerde acteurs wilde samenbrengen.

De kwaliteiten van deze groep bleven niet onopgemerkt, want al snel werden ze gevraagd om toe te treden tot de International Amateur Theatre Association (I.A.T.A.).

Dit opende de deuren naar een indrukwekkende internationale tournee.

De Keurgroep trad op doorheen heel Europa, met voorstellingen in Nederland, Frankrijk, Duitsland, Joegoslavië, Tsjechoslowakije, Italië, Denemarken, Finland, Oostenrijk, Roemenië, Ierland en Schotland. Ook buiten de Europese grenzen wisten ze het publiek te boeien, met opvoeringen in Amerika, Japan, Mexico en India.

Naast zijn levenswerk in het theater bouwde Carlos Van Lanckere eveneens een mooie carrière op in de film- en televisiewereld.

Hij was erbij toen de allereerste opnamen van het toenmalige N.I.R., de nationale televisieomroep van België, werden gemaakt en groeide al snel uit tot een vertrouwd gezicht in tal van Vlaamse televisiereeksen.

Zo schitterde hij als Naten in De Filosoof van Haeghem, waar hij speelde aan de zijde van Romain Deconinck en Jenny Tanghe.

In de reeks Dirk Van Haveskerke, een bewerking van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen, nam hij de rol van Jan Breydel voor zijn rekening, geflankeerd door Luc Philips in de rol van Pieter De Coninck.

Daarnaast vertolkte hij de opmerkelijke rol van Gust Verhelle in de televisieklassieker De Paradijsvogels.

Ook op het witte doek liet hij zijn sporen na.

Tijdens de eerste internationale doorbraak van de Vlaamse film in 1971 speelde hij deken Broeke in Mira, een film met Jan Decleir en Willeke van Ammelrooy die toen een officiële selectie wist te verzilveren op het prestigieuze filmfestival van Cannes.

Gedurende de laatste tien jaar van zijn leven bleef hij met onverminderde interesse alles wat met het amateurtheater te maken had op de voet volgen, een passie die hij koesterde tot aan zijn overlijden op 23 juli 1996.

De Nederlands-Surinaamse actrice Alida Neslo.

De Nederlands-Surinaamse actrice en theatermaakster Alida Neslo groeide op in Suriname in een intellectueel gezin en is de zus van de bekende surinamiste Ellen Neslo.

Al op jonge leeftijd kwam ze in aanraking met de kunsten dankzij balletlessen van haar oom, de balletpedagoog Percy Muntslag.

Na het afronden van het Atheneum A koos ze aanvankelijk voor een talenstudie.

Ze vertrok naar Vlaanderen en behaalde aan het Hoger Instituut voor Vertalers en Tolken in Antwerpen haar bachelor in Spaans en Engels.

Toch ontdekte ze dat haar ware passie ergens anders lag.

Ze besloot haar talenstudie niet te vervolgen en schreef zich in aan de befaamde theateropleiding Studio Herman Teirlinck in dezelfde stad.

Haar studententijd was niet alleen leerzaam, maar ook avontuurlijk.

Om haar opleiding te bekostigen, trok ze als danseres door Vlaanderen met een drive-inshow, waarbij ze het podium deelde met bekende artiesten als Vader Abraham, Jacques Herb, De Kermisklanten en Mieke.

In 1980 studeerde ze succesvol af.

Haar carrière nam al snel een vlucht toen ze zich aansloot bij Tiedrie, het Theater van de derde wereld onder leiding van Tone Brulin.

Hier schitterde ze in stukken als Kapai-Kapai, Charkawa, Gilgamesj en het door Edgar Cairo geschreven Ba Anansi.

Daarnaast deed ze ruime podiumervaring op bij Mudra Afrique, waar ze werkte met de gerenommeerde choreografen Maurice Béjart en Germaine Acogny, en stond ze op de planken bij de Zwarte Komedie, met teksten van onder meer Tom Lanoye en Bert Verhoye, en bij het Nederlands Toneel Gent.

Voor het grote publiek in Vlaanderen werd Alida in 1983 een bekend en geliefd gezicht dankzij haar rol als panellid in het televisieprogramma TV-Touché.

Nog generatie-overstijgender was haar verschijning als Alida in het educatieve kinderprogramma

De Boomhut op de VRT, het huidige Ketnet. Dit programma was een groot succes en werd in 1998 zelfs bekroond met de Prijs voor het beste jeugdprogramma van de Vlaamse Gemeenschap.

Haar televisiewerk omvatte verder de presentatie van Het einde van de wereld en de creatie van diverse documentaires, wat haar brede inzetbaarheid als mediamaker onderstreept.

Haar onberispelijke taalgevoel kwam in 2003 prachtig tot uiting toen ze deelnam aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal.

Halverwege de jaren negentig verlegde ze haar werkterrein naar Nederland.

In 1995 werd ze artistiek leider bij De Nieuw Amsterdam, een theatergroep en toneelopleiding die oorspronkelijk was opgezet door Rufus Collins.

Vijf jaar later, in 2000, volgde ze Ritsaert ten Cate op als directeur van de theateropleiding DasArts, een door hem opgezette tweede fase-opleiding voor reeds afgestudeerde theaterstudenten.

Ondanks haar successen in Europa bleef Suriname trekken.

In 2006 besloot ze terug te keren naar haar geboorteland met een duidelijke missie: het opzetten van een hoogwaardige toneelopleiding, vergelijkbaar met de Studio Herman Teirlinck waar zij zelf haar vak had geleerd.

Naast deze feiten over haar rijkgevulde loopbaan zijn er nog enkele bijzondere weetjes over Alida Neslo.

Met haar rol in TV-Touché was ze een van de eerste opvallende vrouwen van kleur op de Vlaamse televisie die structureel in een intellectueel en satirisch panel plaatsnam, wat destijds een ware doorbraak was in de media.

Bij haar terugkeer in Suriname beperkte ze zich bovendien niet tot het reguliere kunstonderwijs.

Ze startte bijzondere theaterprojecten met gedetineerden, onder andere in de gevangenis van Santo Boma, om hen via creatieve expressie te helpen bij hun rehabilitatie en terugkeer in de maatschappij.

Daarnaast groeide ze al snel uit tot een onmisbare stem in de Surinaamse cultuursector, waar ze onder meer optrad als adviseur voor het Directoraat Cultuur.

Vandaag is het ook al 40 jaar geleden dat actrice Elisabeth Bergner overleed

Elisabeth Bergner was een uiterst persoonlijke en instinctieve actrice met een vleugje genialiteit, die haar roeping als een kwetsbare maar gepassioneerde vrouw ten volle beleefde.

Hoewel ze in het dagelijks leven misschien niet over de meest klassieke of fotogenieke schoonheid beschikte en nogal klein van stuk was, bloeide ze op wonderbaarlijke wijze op zodra ze in de schijnwerpers stond.

Ze had een diepe afkeer van alles wat niet met de essentie van haar kunst te maken had.

Op het toneel leek ze welhaast fysiek te groeien en werkte ze met groot succes in dienst van meesterlijke toneelschrijvers zoals Shakespeare, Ibsen, Strindberg, Shaw en Giraudoux.

Omdat ze in haar jonge jaren de uiterlijke kenmerken van een kindvrouw had, nam men haar aanvankelijk niet altijd serieus.

Dit leidde in het begin tot bittere teleurstellingen, maar dankzij haar ijzeren wil en vasthoudendheid bereikte ze uiteindelijk een glorieuze status.

Ze werd op 22 augustus 1897 geboren als Ella of Ettel Bergner in het Galicische Drohobytsj, een stad in het toenmalige Oostenrijk-Hongarije en het huidige Oekraïne, en dus niet in Wenen, zoals later weleens ten onrechte werd beweerd.

Ze groeide op in een seculier Joods gezin, kende een jeugd in een burgerlijk milieu zonder verdere opvallende bijzonderheden en ontdekte al vroeg haar onweerstaanbare liefde voor het theater.

Na thuisonderwijs van een privéleraar en studies aan de universiteit van Wenen, stond ze op veertienjarige leeftijd voor het eerst op de planken.

Niet veel later toerde ze met een Shakespeare-gezelschap door de Oostenrijkse en Duitse provincies, waarmee ze de basis legde voor haar latere toneelcarrière.

In haar jonge jaren werkte ze bovendien als model voor de expressionistische beeldhouwer Wilhelm Lehmbruck, die hopeloos verliefd op haar werd en diverse kunstwerken op haar baseerde.

Haar tijd aan het Conservatorium viel haar echter behoorlijk tegen en ze slaagde slechts met grote moeite voor haar toelatingsexamen.

Toen ze op achttienjarige leeftijd naar werk zocht, leverden haar verlegenheid en kleine gestalte haar keer op keer afwijzingen op. Toch verloor ze haar zelfvertrouwen nooit.

Na veel tegenslag bemachtigde ze haar eerste bescheiden contract van vier maanden in Innsbruck.

Hoewel de rollen die ze daar kreeg ondankbaar waren, beschouwde ze dit als een belangrijke springplank.

Ze schreef vervolgens onvermoeibaar tientallen theaterdirecteuren aan.

Dit wierp zijn vruchten af toen de directeur van een theater in Zürich haar uitnodigde, geraakt door haar aandoenlijke volharding.

Ze overtuigde hem volkomen met een reeks fragmenten uit Faust en werd direct aangenomen.

Na een jarenlange verbintenis in Zürich beproefde ze haar geluk in München en Berlijn, alsook in Wenen, waar ze onder leiding van de bekende regisseur Barnowsky werkte.

Haar aanzien groeide snel na deze veelgeprezen optredens en het werd al gauw duidelijk dat ze een zeldzaam theatraal talent bezat.

Telkens als ze op het podium verscheen, verdween elke vorm van kwetsbaarheid en elektriseerde ze de zaal.

Ze had een onfeilbaar instinct voor de perfecte timing en groeide uit tot een van de meest gevierde en succesvolle actrices van de Weimarrepubliek.

Daarnaast werd algemeen aangenomen dat zij de inspiratie vormde voor het personage Dora Martin in de beroemde roman Mephisto van Klaus Mann.

In 1923 maakte ze haar filmdebuut in Der Evangelimann.

De politieke ontwikkelingen in nazi-Duitsland dwongen haar echter om van koers te veranderen.

Toen de nazi’s in 1933 de macht grepen, zag ze als Joodse vrouw het enorme gevaar en werd het voor haar onmogelijk om in Duitsland te blijven werken.

Ze vluchtte datzelfde jaar naar Londen in het gezelschap van regisseur en filmmaker Paul Czinner, met wie ze toen ook in het huwelijk trad.

Tijdens haar verblijf in Londen in de jaren dertig zette ze bovendien haar eigen financiële middelen in om andere acteurs en kunstenaars te helpen veilig uit nazi-Duitsland te ontsnappen.

Hoewel ze eerder een verschrikkelijke ervaring had overgehouden aan een filmopname met hem en een grote aversie had tegen de camera, wist hij haar te overtuigen van de onbegrensde mogelijkheden van het witte doek.

Dit betekende het begin van een uiterst vruchtbare artistieke samenwerking.

Gisteren nog vandaag

In Groot-Brittannië wist ze haar succes moeiteloos voort te zetten.

Ze werd warm onthaald in Londen en scoorde een ongekende hit met het speciaal voor haar geschreven stuk ‘Escape Me Never’.

Toen ze tijdens de looptijd van het stuk ziek werd, sloot het theater tijdelijk de deuren, omdat men simpelweg weigerde haar te vervangen.

De voorstelling verhuisde later met veel succes naar Broadway en werd uiteindelijk met haar in de hoofdrol verfilmd.

Voor haar rol in deze film, die in 1935 verscheen, ontving ze een Oscarnominatie voor Beste Actrice.

In 1936 speelde ze eveneens de rol van Rosalind in de film As You Like It, met Laurence Olivier tegenover zich als Orlando.

Dit was niet zomaar een film, maar de allereerste geluidsfilm van een Shakespeare-toneelstuk die in Engeland werd geproduceerd.

Haar talent kreeg zo internationale erkenning en in 1938 werd ze officieel tot Brits staatsburger genaturaliseerd.

Het enige echte dieptepunt in haar verdere Britse theatercarrière was de tegenvaller van The Boy David in 1936.

De beroemde auteur J.M. Barrie, wereldwijd bekend als de geestelijk vader van Peter Pan, schreef dit allerlaatste toneelstuk van zijn hand speciaal met haar in gedachten voor de hoofdrol.

Tijdens de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog week het echtpaar uit naar de Verenigde Staten.

Haar resolute weigering om tijdens de zware bombardementen naar Londen terug te keren voor studio-opnames kostte haar haar rol in de film The 49th Parallel.

In Amerika bleef ze decennialang actief in films en op het toneel, met rollen in Amerikaanse filmproducties zoals Paris Calling in 1941 en diverse toneelstukken op Broadway.

Een groot succes op de bühne was The Two Mrs. Carrolls, waarmee ze onverminderd hoogtij vierde.

Tijdens haar optreden in dit stuk in de Verenigde Staten kreeg ze medelijden met een jonge vrouw die dagenlang in de kou buiten het theater op haar wachtte.

Bergner nam haar in dienst als secretaresse, waarna de jonge vrouw langzaam maar zeker probeerde het leven en de carrière van de actrice over te nemen.

Bergner vertelde deze opmerkelijke anekdote aan de schrijfster Mary Orr, die er het verhaal ‘The Wisdom of Eve’ van maakte, wat vervolgens de directe inspiratiebron was voor de waargebeurde en met Oscars overladen film ‘All About Eve’ uit 1950.

Na de oorlog keerde ze nog sporadisch terug naar Duitsland en Oostenrijk voor acteerwerk.

Ze zette zich over haar aanvankelijke weerzin heen om opnieuw op de Duitse planken te staan.

Het publiek was haar allerminst vergeten en sloot haar met luid applaus weer in de armen.

In 1962, na vijftien jaar afwezigheid uit de filmwereld, bewees ze in Die glücklichen Jahre der Thorwalds dat haar talent op het scherm nog steeds onaangetast was.

Ook in latere films zoals Michel Strogoff uit 1970 drukte ze haar stempel.

Ondanks deze uitstapjes naar film, bleef het theater haar ware en grootste liefde die haar de meeste voldoening schonk.

Ze bleef acteren tot in de jaren tachtig. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1972 keek ze terug op een prachtig en rijkgevuld bestaan.

Tot op hoge leeftijd behield de actrice haar innemende ogen en kenmerkende, fijne gelaatstrekken.

Elisabeth Bergner stierf deze maand exact veertig jaar geleden, op 12 mei 1986, in Londen op 88-jarige leeftijd.

Het Ei (3 en 4 april 2026)

Christus leeft sinds een jaar (anoniem) onder het gewone volk te Gent.

Hij is elke dag te vinden in “’t Huis”: een plaats waar elke kansarmere of eenzame medemens welkom is voor een babbel en warme maaltijd.

Hij is er gekend als de joviale Chris en is er samen met z’n kameraad Kris actief als vaste vrijwilliger en animator. Chris’ optimistische gemoed slaat echter om wanneer hij verplicht afscheid moet nemen.

Elk jaar na Pasen wordt hij immers door zijn Vader naar een nieuwe missiepost gezonden.

Hij is het wereldwijde rondreizen moe, temeer daar hij z’n hart verloren blijkt te hebben in Gent. Maar hoe vertel je zoiets aan je almachtige Vader?

“Het Ei” is een komische Gentse familievoorstelling met een warm en muzikaal hart. Over jezelf willen en kunnen zijn, wie je ook bent.

Wie vandaag na de kerstmarkt in Gent de minder commerciële plekken wil bezoeken, moet zeker even binnenstappen in de Sint-Baafskathedraal.

Want buiten de religieuze rust en het wereldberoemde Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, kunt u er genieten van hedendaagse kunst.

Dit is te danken aan een bijzonder werk van de Gentse kunstenares Annie Gansbeke: een ode aan Pieter Paul Rubens.

Ik had de eer om deze kunstenares persoonlijk te leren kennen tijdens mijn bezoek, waarbij haar indrukwekkende traject en passie voor de kunst meteen duidelijk werden.

Haar aanwezigheid in de kathedraal is het resultaat van een bijzonder succes.

In 2022 schreef het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSKA) een wedstrijd uit met als thema de aanbidding van de koningen

Na enkele overpeinzingen besloot Annie deel te nemen. Uit een enorm deelnemersveld van maar liefst 2600 kunstenaars wist zij een eervolle 30ste plaats te verzilveren.

De beloning was evenredig aan de prestatie: haar werk werd in december 2022 geëxposeerd in het KMSKA.

Het creatieve proces achter dit winnende werk getuigt van haar technische diepgang.

Het boeide haar om de schets op te zetten in glacis en deze vervolgens nauwgezet uit te werken volgens de principes van de gulden snede.

Hoewel dit project buiten haar comfortzone lag, ging ze de uitdaging met volle overgave aan.

Ze behield het grootste respect voor het originele werk van Rubens, maar gaf er een geheel eigen, bewegende bewerking aan in haar karakteristieke kleuren.

Dit schilderij is nog tot en met 20 maart 2026 te bezichtigen in de kathedraal.

Annie Gansbeke is een artieste die het broze evenwicht tussen verleiding en gevoeligheid feilloos weet te bewaren.

Haar oeuvre kent duidelijke ontwikkelingslijnen, waarbij de natuur een centrale rol speelt.

Ze vervormt die natuur in vloeibare, warme kleurpaletten die haar werken een organisch karakter geven.

Hoewel ze vaak met verstilde nuances werkt, is kleur niet weg te denken uit haar ontdekkingswereld; met voornamelijk rode schakeringen geeft ze een sprankelende en jonge kracht aan haar composities.

Alles krijgt bij haar een eigen leven en graaft zijn eigen weg.

Haar veelzijdigheid uit zich in haar gedurfde materiaalgebruik.

Met verf, metaal, glas, textiel, potlood en inkt slaagt ze erin om in al die verschillende technieken een passie en harmonie aan te brengen.

Deze creaties wekken tegelijkertijd een gevoel van rust en onrust op, wat haar werk zo boeiend en intrigerend maakt.

Annies wijde horizonten kun je herleiden tot haar penseelvegen, met hier en daar een ruw accent of een teder streepje.

Het zijn precies deze accenten die zij zo mooi weet om te toveren: alles komt weer naar het centrum, naar zijn rustpunt.

Vandaag de dag blijft ze zeer actief en deelt ze haar passie graag met anderen.

In haar huidige woning in Heusden stelt ze haar huis regelmatig open voor het brede publiek. Zo ook op 2 en 3 mei 2026.

Daarnaast viel ze dit jaar op door haar aanwezigheid op diverse locaties.

Zo nam ze deel aan de tentoonstelling EXPORUIMTE CM14 in Vilvoorde.

Op uitnodiging van kunstenaar-decorateur en curator Filip Leemans stelde zij haar werken tentoon in de lobby en de voormalige bankkluis aan de Grote Markt 14.

Ook op de Tuindagen van Beervelde was haar werk dit jaar te bewonderen.

Het succes bij het KMSKA en haar huidige expositie in de Sint-Baafskathedraal tonen aan hoe haar werk de dialoog aangaat met de grote meesters, terwijl het toch een heel eigen, hedendaagse harmonie blijft uitstralen die de kijker uitnodigt tot introspectie.

Oude postkaart van de Franse actrice en zangeres Martha Lagoutte.

Hoewel de naam Martha Lagoutte vandaag de dag misschien niet meer bij iedereen een belletje doet rinkelen, was ze rond 1900 een van de vele ‘artistes lyriques’ die de Parijse theaters kleur gaven.

Deze dames waren de influencers van hun tijd: hun beeltenis werd op grote schaal verspreid en gretig verzameld door bewonderaars.

Wat deze postkaart zo bijzonder maakt, is dat Martha hier niet poseert als de chique ‘Parisienne’ in een avondjurk, maar in haar podiumkostuum.

Ze draagt een fantasievolle outfit die het midden houdt tussen een page-pakje en een pierrot-kostuum, met die wijde broek en het rijk versierde jasje.

In die tijd waren zogeheten ‘travesti-rollen’ (waarbij vrouwen een jongensrol speelden) mateloos populair in operettes en revues.

Het meest in het oog springende detail is echter die enorme Japanse parasol.

Dit plaatst de kaart direct in de context van het ‘Japonisme’, een enorme rage die Frankrijk aan het eind van de 19e eeuw in zijn greep hield.

Alles wat uit het Oosten kwam was hip. Theaters speelden hierop in met operettes die zich afspeelden in exotische oorden, zoals de destijds immens populaire stukken The Geisha of Madame Chrysanthème.

Het is zeer waarschijnlijk dat Martha op deze foto schittert in een rol voor zo’n productie, waarin de Westerse fantasie over het Oosten centraal stond.

De kaart zelf is overigens ook een stukje vakwerk. Links onderin zie je de tekst ‘Héliotypie’, wat verwijst naar een destijds zeer geavanceerde druktechniek.

Hiermee konden foto’s met een ongekende scherpte en zonder korrel worden afgedrukt, waardoor we meer dan honderd jaar later nog steeds de lovertjes op haar jasje kunnen tellen.

40 jaar geleden, Ann Petersen, Vlaanderens veelzijdige actrice over zichzelf en haar carrière.

Ann Petersen werd op 22 juni 1927 geboren in Wuustwezel. Hoewel ze als kind al gebeten was door het theater, koos ze pas op latere leeftijd voor een leven als actrice. Vanaf dat moment bouwde ze wel een indrukwekkende carrière uit, zowel op televisie, in de film als in het theater.

Bij het grote publiek brak ze in 1964 door met haar rol als Emma in de legendarische BRT-jeugdserie Kapitein Zeppos.

Het was de start van een lange reeks televisierollen.

Zo speelde ze in de tv-bewerking van Wij, heren van Zichem (1969), de historische reeks De vorstinnen van Brugge (1972) en de komische serie Slisse en Cesar (1977). Ook later bleef ze een vertrouwd gezicht in reeksen als de Paradijsvogels (1980) en Het verdriet van België (1994). Voor een latere generatie werd ze vooral bekend als Florke, een rol die ze acht jaar lang vertolkte in de populaire soap Thuis.

Daarnaast schreef ze een aantal belangrijke films op haar palmares. De bekendste daarvan zijn klassiekers als Mira (1971) en Hector (1987), maar ook latere films zoals Manneken Pis (1995) en Pauline en Paulette (2002). Voor die laatste rol ontving ze, samen met collega Dora Van der Groen, nog een Fonske, een Vlaamse filmprijs.

Gisteren nog vandaag

Ook op de planken was Petersen erg actief. Ze was 30 jaar lang verbonden aan de Koninklijke Vlaamse Schouwburg en speelde gastrollen bij diverse theatergezelschappen. Een van haar meest opvallende theaterprestaties was de monoloog Het massagesalon (1986), die later ook op televisie werd vertoond.

Ondanks haar 76 jaar en gezondheidsproblemen – ze leed aan diabetes, artrose en had hartproblemen – bleef Ann Petersen erg actief. Ze deed dit deels omdat ze het acteren graag deed, maar ook omdat ze maar een klein pensioen had.

Gisteren nog vandaag

Haar huwelijk eindigde in 1960 in een echtscheiding. Zelf vertelde ze dat ze haar man verliet omdat hij graag kinderen had gewild, iets wat ze na een operatie met complicaties niet meer kon krijgen.

Ann Petersen overleed op 11 december 2003 in haar woning in Opwijk.

Gisteren nog vandaag

De Franse actrice, dichter en theaterdirecteur Cora Laparcerie

Cora Laparcerie was een opmerkelijke en veelzijdige vrouw in het Parijse culturele leven van de late negentiende en vroege twintigste eeuw.

Geboren in 1875 als Marie-Caroline Laparcerie, maakte ze naam als een gevierd actrice, een gevoelig dichteres en, misschien wel het meest indrukwekkend, als een van de eerste vrouwelijke theaterdirecteuren van haar tijd.

Haar podiumcarrière begon in 1896 in het prestigieuze Théâtre de l’Odéon, waar ze al snel opviel.

Ze had een krachtige aanwezigheid en speelde met evenveel gemak in de grote klassieke tragedies als in de moderne stukken van haar tijd, waaronder producties als “Quo vadis?”.

Haar ambitie reikte echter verder dan alleen acteren.

Ze nam de leiding over verschillende belangrijke theaters in Parijs, waaronder het Théâtre des Bouffes-Parisiens en het Théâtre de la Renaissance.

Dit was een buitengewone prestatie voor een vrouw in die periode.

Als directeur had ze een scherp oog voor succes.

Een van haar grootste triomfen was de productie van de revue “Mepisto” in 1920.

Een nummer uit die show, “Mon homme” – met muziek van Maurice Yvain (die later succes had op Broadway) en tekst van Albert Willemetz én de regisseur Jacques Mardochée Charles – zou later in oktober 1920, gezongen door Mistinguett, uitgroeien tot een wereldberoemde klassieker.

Naast haar drukke theaterleven vond ze ook de tijd om zich te uiten als dichteres, en ze publiceerde meerdere bundels, zoals “J’aime”.

In 1926 ontving ze het Legioen van Eer.

Haar vernieuwende geest bleek ook later in haar carrière, toen ze in 1935 het concept van radiotheater omarmde.

Privé was ze getrouwd met de dichter en toneelschrijver Jacques Richepin, met wie ze twee kinderen kreeg.

Cora Laparcerie overleed in Parijs op 28 augustus 1951 op 75-jarige leeftijd.

40 jaar geleden, Julien Schoenaerts, het theater heeft goden nodig

Julien Schoenaerts wordt door publiek, pers en vakgenoten unaniem beschouwd als een van de grootste naoorlogse acteurs in Vlaanderen en Nederland.

Zijn filmdebuut maakte hij in 1955, met de hoofdrol in ‘Meeuwen sterven in de haven’ van Roland Verhavert, Ivo Michiels en Rik Kuypers.

Later in zijn carrière speelde hij nog vele memorabele rollen, waaronder Pieter de Coninck in ‘De Leeuw van Vlaanderen’ (1983) in de regie van Hugo Claus.

In 1992 vertolkte hij de rol van monseigneur Stillemans in de filmklassieker ‘Daens’, geregisseerd door Stijn Coninx.

In zijn privéleven trouwde Schoenaerts met kunstschilderes Bérénice Devos (1922-1993). Samen kregen ze drie kinderen: Bruno (°1953), die advocaat werd, Sara (1958-2013) en Helga (1961-1982).

Het leven van Julien werd echter zwaar beïnvloed door een bipolaire stoornis.

Tijdens de periodes waarin de ziekte het hem ondraaglijk maakte, trad zijn zoon Bruno op als zijn wettelijke voogd.

Het huwelijk met Bérénice Devos liep uiteindelijk uit op een echtscheiding.

Later kreeg Julien een relatie met zijn vriendin Dominique Wiche.

Met haar kreeg hij een zoon, de nu bekende filmacteur Matthias Schoenaerts.

Opmerkelijk is dat de film ‘Daens’ niet alleen een belangrijke rol was voor Julien, maar ook het debuut van zijn toen vijftienjarige zoon Matthias, die de rol van Wannes Scholliers speelde.

Julien Schoenaerts overleed op 81-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Het gedicht ’11 november’ van de Vlaamse dichter en prozaschrijver Fritz Francken.

Na zijn studies aan de normaalschool in Lier begon Fritz Francken in 1913 als onderwijzer.

Zijn loopbaan werd echter al snel onderbroken door de Eerste Wereldoorlog. Aan het IJzerfront klom hij als soldaat op in de rangen van korporaal en sergeant tot adjudant.

Tijdens de oorlogsjaren was Francken tegelijkertijd zeer actief in het literaire leven achter de frontlinie.

Hij was een regelmatige bezoeker van ‘Swiss Cottage’, de kunstenaarsvilla van Marie-Elisabeth Belpaire, en werd redactielid van haar tijdschrift Dietsche Warande en Belfort.

Uit zijn briefwisseling met Belpaire blijkt hun gedeelde, strenge veroordeling van de collaboratie met de Duitsers.

Hoewel Francken een voorstander was van Vlaams zelfbestuur, wees hij samenwerking met de bezetter resoluut af als middel om dat doel te bereiken.

Dit standpunt verwoordde hij scherp in een brief aan Lode Baekelmans in 1919: ‘In princiep keuren we de meeste veranderingen door de activisten tijdens de oorlog uitgevoerd goed.

Maar wat we veroordelen: ze hadden de bescherming van de vijand niet mogen inroepen om hun programma op te dringen.’ Ondanks deze duidelijke afwijzing van het activisme, groeide na de oorlog zijn sympathie voor Vlaams zelfbestuur.

Francken engageerde zich voor het Vlaams-nationalistische tijdschrift De Schelde en het radicaal flamingantische uitgeversfonds De Regenboog.

Deze geleidelijke radicalisering kwam hem in liberale kringen op het verwijt te staan een ‘politieke springer’ te zijn.

Zijn bekendste literaire werk ontstond aan het front. Net voor de oorlog was hij gedebuteerd met de dichtbundel ‘Festijnen uit een Bruidsgetij’.

In 1918 verscheen zijn tweede bundel, ‘Het heilige schrijn’, gevolgd door ‘De vijf glorierijke wonden’ en ‘De blijde kruisvaart’ in 1919.

Kenmerkend voor zijn frontgedichten is de opvallend lichte en opgewekte toon die door de sombere oorlogsthematiek heen schemert.

Na de oorlog verschoof zijn focus van poëzie naar het korte verhaal, al bleef de oorlog een belangrijk thema in werken als ‘De Antwerpsche volksjongen op het oorlogspad’ (1937) en de roman ‘De Bonnefoy’s trouwen uit’ (1939).

Zelfs in 1959 blikte hij terug met ‘Met de Ransel op de Rug’, een verzameling gedichten uit de loopgraven.

Na de demobilisatie keerde Francken niet terug naar het onderwijs. Hij vond werk in de Stedelijke Volksbibliotheek in Antwerpen, schreef een monografie over Pol de Mont en werkte mee aan dagbladen als De Schelde en De Volksgazet.

Onder zijn echte naam, Frederik Edward Clijmans, publiceerde hij diverse gidsen over Antwerpen, wat in 1934 leidde tot zijn aanstelling als hoofd van de Dienst voor propaganda en toerisme.

Fritz Francken overleed op 15 augustus 1969 en werd begraven op de begraafplaats Schoonselhof in Antwerpen.