


Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

















Jean-Pierre Talbot was 17 jaar oud toen hij als sportmonitor op het strand van Oostende werd opgemerkt door Jacques Van Melkebeke, een vriend en medewerker van Hergé.
Hij leek erg op Kuifje en troostte op dat moment een kind: ‘iets wat Kuifje ook gedaan zou hebben’.
Hij werd voorgesteld aan Hergé en de twee konden het goed vinden.
Talbot kreeg daarop de titelrol in de film Kuifje en het geheim van het Gulden Vlies (1961).
Drie jaar later trad hij opnieuw op in Kuifje en de blauwe sinaasappels.
Een derde Kuifje-film, gepland voor 1967, werd uiteindelijk niet opgenomen.
Talbot heeft daarna nooit meer in een film gespeeld en ook geen poging daartoe gedaan.
Volgens een Belgische documentaire uit 2007 krijgt hij elke maand nog steeds zo’n veertig brieven van fans voor zijn vertolking van Kuifje.
Datzelfde jaar verscheen zijn autobiografie J’étais Tintin au cinéma.
Talbot was van beroep sportleraar.
Hij bracht het tot directeur van een school in zijn geboortestad en ging in 2000 met pensioen.
Hij woont nog altijd in Spa en deed altijd veel aan sport. In zijn films kwam zijn sportiviteit goed van pas, want hij deed zijn eigen stunts.
In 2011 trad hij voor het eerst sinds het einde van zin filmcarrière opnieuw op als acteur: hij speelde in een videoclip de rol van een astronaut.






Deze film was de eerste Nederlandstalige film over WO II in België.
Want allen hebben gezondigd was een productie van het Gentse Cinébel.
Deze maatschappij was nog erg jong.
In 1958 was de Gentse Belgische Filmonderneming opgericht.
Deze onderneming zorgde ervoor dat Gent zijn eigen productiehuis kreeg, naast de tot 1960 dominante Brusselse en Antwerpse maatschappijen.
De film werd geschreven en geregisseerd door Paul Berkenman.
Deze naam is eigenlijk een pseudoniem voor Roger Thienpondt.
Thienpondt was een Genste dichter, geboren in 1926.
Hij schreef onder andere de succesvolle gedichtenbundel Orfeus achterna in 1949.
Voor dit werk kreeg hij de prijs voor letterkunde van de Stad Gent.
Naast dichter was hij actief in het Vlaamse toneel.
Berkenman had ook een grote passie voor film.
Dit leidde tot enkele filmprojecten, waar Want allen hebben gezondigd een voorbeeld van is.Berkenman werkte voor deze film voor de tweede keer samen met de dramaturg Raymond Cogen.
Hun eerste langspeelfilm was Prelude tot de dageraad, een romantische film die werd uitgebracht in 1959.
Met deze film wouden Berkenman en Cogen de onzin van de oorlog aanklagen.
Hoewel het thema van de Jodenvervolging het uitgangspunt is van het verhaal, zei Cogen dat dit thema slechts de achtergrond is van een klassiek noodlotsverhaal.
Het doel van beide filmmakers was met andere woorden niet een film te maken over de Jodenvervolging in België, maar dit thema was het best geschikt als achtergrond voor wat ze wel wouden vertellen.
De structuur van de film Want allen hebben gezondigd bestaat uit flashbacks van een Joodse vertelster, die tussen de stukken door mijmert over Wereldoorlog II.
Het voornaamste motief in de film is de schuldvraag, die al beantwoord wordt in de titel: Want allen hebben gezondigd. Berkenman en Cogen tonen aan de kijker een meer complexe schuldvraag dan wat ze gewoon zijn uit andere films.
Waar tot dan toe alles zwart- wit werd voorgesteld, een patriottisch volk tegenover een agressieve bezetter, is er in deze film veel meer aandacht voor de grijswaarden.
Zo is de ‘zwarte’ Von Lehndorf helemaal niet zo overtuigend als ‘vijand’, is de notaris ‘schuldig’ omdat hij ver gaat in zijn accommodatie en is de verzetsheld helemaal niet heroïsch wanneer hij totaal overbodig een medemens vermoordt.
De periodisering van de film is moeilijk te bepalen.
Aangezien de jodenvervolging aan bod komt, kunnen we stellen dat het na 1942 is, aangezien dan pas de vervolgingen in België op gang kwamen.
In Want allen hebben gezondigd zien we een heel andere beeldvorming van de Duitsers en het verzet dan in de films van de Franstalige filmmakers die ik tot hiertoe heb besproken.
In de plaats van een verheerlijking van het verzet, zien we een nuancering van hun vermeende heldhaftigheid.
Ook de mythe dat de Duitse bezetters allemaal onmenselijke nazi’s waren, wordt in deze film ontkracht.
Op het eerste zicht is deze film een aanklacht tegen de oorlog en het racisme tegenover de Joden. Maar als we de film plaatsen in de Belgische maatschappelijke context van een gespleten oorlogsherinnering, krijgt de film nog een tweede betekenis.
De film roept namelijk impliciet op om de harde beschuldigingen tegenover collaboratie te herbekijken.
Zo kan Von Lehndorf vergeleken worden met een collaborateur: hij staat weliswaar aan de Duitse kant, maar gaat daarom nog niet akkoord met de nationaal-socialistische theorieën.
De notaris kan op zijn beurt gezien worden als een symbool voor de accommodatiepolitiek van de Belgische elite: ook hen treft schuld.
De moord op Von Lehndorff ten slotte kan gelezen worden als symbool voor de wraakacties van het verzet op collaborateurs of de onrechtvaardige repressie.
Waarom in deze film collaboratie en repressie, thema’s die nochtans nog steeds actueel waren in Vlaanderen, niet expleciet voorkomen, kan verklaard worden door het feit dat er op deze zaken nog steeds een taboe rustte.
De tijd was nog niet rijp voor zo een film. (Ons Land 19 november en scriptie Voor vorst, voor waarheid of voor kijkcijfers? Beeldvorming van Wereldoorlog II in de Belgische film van Maaike Van Melckebeke).

