30 jaar geleden, reclame Bénédictine (december 1989)

Het ontstaan van de Bénédictine voert terug tot de Renaissance toen een Venetiaanse monnik van de Abdij van Fécamp, Dom Bernardo Vincelli, een elixer creëerde van 27 verschillende planten en kruiden verzameld uit alle windstreken.

Dit elixer werd gedronken aan het hof van de Franse koning Frans I en de -mede daardoor- populair geworden drank werd tot het eind van de 18e eeuw door de Benedictijner monniken gefabriceerd.

Door de verwarring en chaos tijdens de Franse Revolutie was het recept bijna verloren geraakt.

In 1791 kocht een notabel uit Fécamp een 16e-eeuws manuscript met het recept voor het elixer.

Het manuscript kwam in zijn bibliotheek terecht, waar Alexandre le Grand (een ver familielid) in 1863 het recept bij toeval terugvond.

Het lukte hem om het recept te ontcijferen en de likeur opnieuw te maken. Hij moderniseerde het recept en noemde het Bénédictine.

Zijn likeur werd al snel populair: in 1873 bereikte de productie bijna de 150.000 flessen per jaar.

Door dit succes besloot Alexander le Grand in juni 1876 tot het oprichten van de firma Bénédictine SA met een startkapitaal van 2.200.000 francs.

In 1882 besloot Alexandre le Grand een bijzonder pand te laten bouwen om de distilleerderij in te huisvesten; een museumpaleis.

Op deze bijzondere plaats wordt de alcoholische drank nog steeds gemaakt. Het paleismuseum staat aan de voet van de rotsen in Fécamp en kijkt uit over het Kanaal.

Alexandre le Grand wilde dat het gebouw een gecombineerde functie kreeg, als museum en als distilleerderij.

Als museum herbergt het een grote collectie kunst uit de 14e, 15e en 16e eeuw en regelmatig zijn er tentoonstellingen van moderne kunst.

Het paleis, ontworpen door de architect Camille Albert, werd voor het eerst in gebruik genomen in 1888.

Vier jaar later werd het door brand verwoest en onmiddellijk daarna herbouwd in zijn huidige vorm, een mengsel van gotische- en renaissancekunst. (Diverse bronnen en Wikipedia)

40 jaar geleden, reclame voor auto’s van het merk Wartburg (december 1979)

De merknaam Wartburg, naar het gelijknamige kasteel bij Eisenach (Thüringen), werd in 1899 al gebruikt voor een auto gebouwd door de Eisenacher Automobilfabrik.

Later gebruikte deze fabriek de naam Dixi. Dixi werd overgenomen door BMW.

De BMW-fabriek in Eisenach kwam na de Tweede Wereldoorlog terecht in de Sovjetzone.


De fabriek bleef in gebruik voor de productie van auto’s. Men produceerde onder de merknamen IFA en EMW.


De auto’s van het merk Wartburg werden van 1956 tot 1991 gebouwd door Automobilwerken Eisenach in Eisenach.


Wartburg was samen met de merken Trabant en Barkas een onderdeel van Industrieverband Fahrzeugbau (IFA).


De modellen 311, 312, 313 en 353 werden aangedreven door een driecilinder tweetaktmotor.


Vanaf 1988 werd een door Volkswagen ontwikkelde viercilindermotor gebruikt in het model 1.3.


Wartburg, net als Trabant, probeerde al in een vroeg stadium een alternatief te vinden voor de tweetaktmotoren.


Er werd onder andere geëxperimenteerd met de Comotor wankelmotor en zelfs een V6 tweetaktmotor werd geprobeerd.


Ook motoren van andere fabrikanten als Renault werden geprobeerd, maar kosten en de staat verhinderden de inzet van een van deze varianten.


Maar ook de carrosserie was punt van discussie en ook hier probeerde men vergeefs te moderniseren.


Ook samenwerking met onder andere Škoda liep uiteindelijk op niets uit.


Pas in 1988 kwam een modernere variant met Volkswagen-viertaktmotor, maar dit bleek te laat om op de vrije markt de concurrentie met modernere auto’s aan te kunnen.

Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur en op 14 april 1991 werd de productie van de Wartburg 1.3 stopgezet.


Een deel van de fabriek, het vanaf 1977 opgerichte Betriebsteil Eisenach-West, werd door Opel gekocht en is nog altijd in gebruik voor productie van onder andere de Opel Corsa. (Wikipedia)