Russell was van adellijke afstamming en hij kreeg onderwijs van privéleraren.
Zijn grootvader John Russell was tweemaal premier van het Verenigd Koninkrijk geweest: 1846-1852 en 1865-1866.
Hij maakte naam met ‘Principles of Mathematics’ (1903) en geldt als grondlegger van de analytische filosofie.
Russell gebruikte logica om wiskundige problemen op te lossen en om filosofische problemen te verhelderen.
Hij zag het als zijn taak een logische taal te ontwerpen, zodat wij niet langer worden misleid door de onnauwkeurige weergave van de wereld in de gewone taal.
De flamboyante Engelsman had vooruitstrevende ideeën en stond daar ook voor.
In 1918 zat hij vijf maanden vast wegens zijn pacifistisch protest tegen deelname van de Verenigde Staten als bondgenoot in de strijd tegen Duitsland.
In 1940 werd hij in New York moreel ongeschikt bevonden om les te geven.
Hij streed voor gelijkberechtiging van vrouwen en tegen het christendom.
In 1950 kreeg Russell de Nobelprijs voor de Literatuur, niet voor zijn filosofisch werk, maar voor zijn rol als ‘voorvechter van humaniteit en geestelijke vrijheid van de mensheid’.
Russell keerde zich vanaf het midden van de jaren vijftig ook tegen nucleaire bewapening.
Tijdens de Vietnamoorlog riep hij samen met o.a. Jean-Paul Sartre een Vietnamtribunaal in het leven: een opinietribunaal.
Hij beschuldigde de Verenigde Staten van oorlogsmisdaden.
Drie dagen voor zijn dood publiceerde Russell nog een brief met een veroordeling van Israëls politiek die hij kenmerkte als een “politiek van agressie en gebiedsuitbreiding door geweld”.
De brief, gedateerd op 31 januari 1970 werd op 3 februari, een dag na zijn dood, voorgelezen op een Internationale conferentie van parlementariërs in Caïro.
De brief werd ook als advertentie in The Times gepubliceerd.

