De aanzienlijke schade trof niet alleen het bouwwerk zelf, maar vernietigde ook waardevolle schilderijen en een enorme hoeveelheid historische documenten, waaronder de burgerlijke stand die terugging tot het jaar 1500.
Het gebouw was oorspronkelijk tot stand gekomen na een voorstel van het Gentse gemeenteraadslid Massez in 1835.
Hij was de politieke drijfveer achter het project, omdat de rechtspraak in die tijd nood had aan een centrale en waardige locatie in de stad.
De Gentse stadsarchitect Louis Roelandt ontwierp het paleis op basis van dit initiatief en raamde de kosten op ruim achthonderdduizend frank.
De bouw begon in 1836 op de plek waar voorheen het klooster van de Recoletten had gestaan.
Na een constructieperiode van tien jaar vond de plechtige inhuldiging plaats in het najaar van 1846, hoewel de grote wandelzaal al twee jaar eerder in gebruik was genomen.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden Duitse troepen het pand opgeëist en als kazerne gebruikt, waarbij het interieur zwaar werd verwaarloosd.
Na de brand van 1926 heerste er toen onzekerheid over de herbouw, waardoor de autoriteiten besloten de gerechtelijke diensten tijdelijk onder te brengen in het oude seminarie bij de Sint-Baafskerk.
Dit gebouw bood voldoende ruimte voor de rechtbank van koophandel, het hof van beroep en het assisenhof. Terwijl de brandweer nog probeerde te redden wat er te redden viel aan dossiers, bleef de exacte oorzaak van de ramp onduidelijk; er werd gespeculeerd over kortsluiting, kwaad opzet of een defect aan de verwarmingsinstallatie.

