Aan boord van zijn privéjacht Granma, genoemd naar de kotter, waarmee hij in 1957 naar Cuba terug kwam om er de revolutie te ontketenen.
Alleen maar zijn fidele secretaressen en zijn gezellin Celia Sanchez, weet dan waar hij heenvaart.
Uit angst dat Cubaanse ballingen hem zouden ontvoeren.
Als Fidel dan met zijn harpoengeweer de nodige grote vis heeft geschoten, hijst hij zich weer aan boord en zet het jacht koers naar de kust, waar zijn Russische Jeep of zijn nieuwe Franse Citroën Méhari op hem wacht. (De Post 5 maart 1970)



