Vandaag is het precies 90 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Jules Persyn is overleden (10 oktober 1933)

Jules Persyn werd geboren op 20 april 1878, te Wachtebeke.

Hij studeerde achtereenvolgens aan het College te Lokeren en te Eeklo en ging dan naar Rome, waar hij twee jaar wijsbegeerte studeerde, maar deze studies niet afmaakte.

Aan de Leuvense universiteit promoveerde hij in 1902 in de Germaanse filologie.

Hij werd dan in 1905 docent aan de katholieke Hogeschool voor Vrouwen en in 1909 aan het Hoger Handelsinstituut te Antwerpen.Was achtereenvolgens ambtenaar aan het Ministerie van Binnenlandse Zaken, in 1905 docent aan de katholieke Hogeschool voor Vrouwen, leraar aan het Hoger Handelsinstituut te Antwerpen en daarna hoogleraar te Gent.

Hij nam de leiding op zich van “Dietsche Warande en Belfort” en werd hoogleraar aan de Gentse universiteit.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog vestigde hij zich eerst in Engeland, daarna in Nederland.

In 1918 werd hij als hoogleraar ontslagen.

Na eerherstel werd hij hoogleraar in de letteren en wijsbegeerte.

Hij schreef vooral romans, verhalen en essays over de Vlaamse cultuur, geschiedenis en identiteit.

Persyn werd in de eerste plaats bekend om zijn schitterende essays en biografische schetsen (of beter gezegd “standaardwerken”),

o.a. over O.K. De Laey (1910) en A. Snieders (1925-26).

Hij was ook een actief lid van de Vlaamse Beweging, die streefde naar meer autonomie en erkenning voor de Nederlandstalige gemeenschap in België.

Persyn was een voorstander van de vernederlandsing van het onderwijs, de rechtspraak en het bestuur in Vlaanderen.

Hij was ook een criticus van de Franstalige elite, die hij beschuldigde van onderdrukking en verfransing.

Persyn was een invloedrijke figuur in de literaire wereld, die veel waardering kreeg voor zijn stijl, humor en originaliteit.

Hij won verschillende prijzen voor zijn werk, waaronder de Staatsprijs voor Letterkunde in 1928.

Werkverslaafd als hij was, kwam hij in een zware depressie terecht.

Jules Persyn kwam op ongelukkige wijze om het leven te Broechem op 10 oktober 1933.

Zijn lichaam werd gevonden in de regenput aan zijn woning.

Jules Persyn werd met grote rede en onder massale belangstelling op het kerkhof van Broechem begraven.

Zijn collega’s Herman Teirlinck, Jozef Muls en August van Cauwelaert spraken een grafrede uit, waarin ze hem prijsden als een auteur van wereldklasse.

Een paar jaar later kreeg hij een gedenksteen op zijn graf, en aan zijn geboortehuis in Wachtebeke hangt er een plaquette.

Door Broechem slingert er een wandelpad dat zijn naam draagt.

Er is een Jules Persynstraat, maar vele mensen weten vandaag niet meer wie Persyn was.

Zijn werk verdween als het ware uit de geschiedenis.

Niet zo verbazingwekkend want de man stierf al op 55-jarige leeftijd.

Hij werd beschouwd als de literaire leermeester van de katholieke intellectuelen.

Zoon Jan Persyn, emirentius, schreef een biografie van zijn vader: “Jules Persyn 1878-1933: Een slachtoffer van arbeidsdrift en politieke onwil; tevens bescheiden gezinskroniek”.

Jan Persyn kon de publicatie niet meemaken, daar hij spijtig genoeg overleed in 2001.

Het werk verscheen later in 2001 bij de stichting Maria-Elisabeth Belpaire vzw.

In 2004 werd er ter nagedachtenis van de literair criticus Jules Persyn een schitterend koperen borstbeeld gemaakt dat een ereplaats kreeg aan het gemeentehuis van Broechem.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse dichter en schrijver Bert Peleman (De Post oktober 1972)

Bert Peleman, zoon van een kruidenier, volbracht zijn humaniora in het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar zijn leraars Ast Fonteyne en Remi Lens bij hem de belangstelling voor toneel en kunst opwekten.

Hij vervolgde met anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen in Leuven, maar onderbrak die studie tijdens het tweede jaar.

Hij had zich vooral onledig gehouden met het oprichten van een studentencabaret, waarmee hij optrad, onder meer voor de radio.

In die tijd raakte hij, onder de invloed van Jef Van Bilsen, in de ban van Joris Van Severen en werd lid van het Verdinaso.

Beroepshalve werd hij redacteur voor de cultuurbladzijde van De Courant en in 1939 werd hij medewerker bij het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR).

In 1939 werd hij gemobiliseerd als luitenant in het Belgisch leger.

Hij publiceerde een boekje, Wij, soldaten, met fervente lofbetuigingen aan het adres van het koningshuis.

Krijgsgevangen na de Achttiendaagse Veldtocht werd hij tot in juli 1940 in Beieren opgesloten.

Na zijn terugkeer werd hij lid van de Eenheidsbeweging-VNV.

Hij werd hoofdreferent voor kunst en cultuur bij de door de bezetter gecontroleerde Radio Brussel en werd ondervoorzitter van de Duitsgezinde Brabantse kunstfederatie.

In 1942 verliet hij de radio om de leiding te nemen van het departement Stijl en Vorming van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade.

Als gevolg hiervan liep hij vaak in het uniform van de Zwarte Brigade rond en reisde hij naar het Oostfront, waar zijn broer soldaat was.

Hij schreef ook de Mars van het Vlaams Legioen, getoonzet door Karel De Brabander, met onder meer het volgende vers:

Wij volgen het vaandel der leeuwen

door sikkel en hamer onteerd

Ons horen de komende eeuwen

Te wapen voor outer en heerd.

Wegens meningsverschillen verliet hij einde 1943 de Zwarte Brigade en werd tot aan het einde van de bezetting hoofdredacteur van het geïllustreerd weekblad De illustratie, een zusterblad van het collaborerende Volk en Staat.

Na de bevrijding werd Peleman gearresteerd op beschuldiging van collaboratie met de vijand en in 1946 werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad en tevens van medeplichtigheid aan de plundering van de woning van de burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik.

Na zijn verblijf in het Hechteniskamp Lokeren, werd in maart 1947 de straf in beroep bevestigd, maar in april 1948 omgezet tot levenslange hechtenis.

Einde 1950 kwam hij vervroegd vrij, onder meer dankzij de inspanningen van verschillende letterkundigen, in de eerste plaats de Leuvense professoren Albert Westerlinck en Willy Peremans.

Hij hield zich voortaan afzijdig van actieve politiek en legde zich toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen, meer bepaald in de Brabantse Scheldestreek.

Hij stichtte hiervoor verenigingen, zoals Mercatoria (1955) en Scaldiana (1957). In 1969 was hij de initiatiefnemer voor het Schelde-eiland in Rupelmonde.

Hij werd de eerste directeur van de uitgeverij Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij de uitgeverij Buschmann (1966-1978).

Hij leidde er de reeks publicaties onder de naam Flandria Illustrata.

Hij werd ook lid en voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegelgezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (vanaf 1977).

In 1986 kwam hij nog in het nieuws omdat de hem toegekende benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II werd ingetrokken, na protest van verzetsstrijders en Waalse socialisten.

In 1937 kreeg Peleman de poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor zijn dichtbundel Variante voor harp.

Hierin wordt het volkse leven van de boeren verheerlijkt. Het leven van de boeren en vissers in de Scheldestreek zijn vaak een thema in zijn werk.

De Schelde was een heel belangrijke inspiratiebron voor Peleman.

Zo zei hij in een interview: Voor mij is de Schelde eerder een bovenaardse dan geografische stroom geworden. Ze is voor mij uitgegroeid tot een slagader, een symbool van ebbe en vloed.

Vanaf 1938 schreef hij ook verzen voor Dietsche Warande en Belfort en publiceerde ook in het meer personalistische tijdschrift Vormen.

Zijn latere werk werd door zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog soberder en somberder.

Hij haalde veel inspiratie bij de figuren van Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als uitdrukkingen van de Vlaamse vrijheidsgeest.(Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 8 oktober 1972)