Vandaag 125 jaar geleden, de geboorte van de Vlaamse kunstschilder Felix De Boeck.

Felix De Boeck werd geboren op 12 januari 1898.

In 1905 werd in Ukkel een college gesticht, waar De Boeck mocht studeren.

Hij eindigde de Grieks-Latijnse humaniora als primus met de hoogste onderscheiding.

De directeur hoopte dat hij priester zou worden, maar zijn besluit stond vast: hij koos geen intellectueel beroep maar zou zijn intellect en filosofie kanaliseren als schilder.

Maar hij wilde zijn kunst niet ondergeschikt maken aan brood verdienen.

Daarom zocht hij naar een bestaanszekerheid en werd boer op het ouderlijk erf.

Hij trouwde in 1924 met zijn nicht Marieke.

Ze kregen vijf kinderen, van wie er vier stierven nog voor zij een jaar oud waren.

Het vijfde kind, Marcelleke, bleef leven, maar was gehandicapt.

Zijn hele leven verliep volgens een vast tijdschema.

Zes dagen werkte hij op het veld en componeerde hij in gedachten allerlei doeken.

Op zondag stapte hij zijn atelier binnen en schilderde.

De romantische voorstelling van Felix De Boeck als boer die schildert, wordt best omgebogen als Felix De Boeck de kunstschilder die de boerenstiel beoefent.

Marieke heeft dat leven in volle overgave van eigen persoon aanvaard en volbracht.

Zonder Marieke zou de Felix De Boeck zoals we die kennen nooit mogelijk geweest zijn.

In 1970 werd Felix De Boeck lid van de Koninklijke Academie van België.

Er werd een Felix De Boeckmuseum geopend op de zolderverdieping van het gemeentehuis van Drogenbos en een Vereniging Zonder Winstoogmerk ter bevordering van zijn werk gesticht.

De Boeck heeft de eerste steen gelegd van het nieuwe Museum FeliXart in 1995 en dat in aanwezigheid van Hugo Weckx (Vlaams minister van Cultuur en Brusselse aangelegenheden) en in aanwezigheid van federaal premier Jean-Luc Dehaene.

Kort daarna op 18 januari 1995 blies hij zijn laatste adem uit.

Hij werd begraven naast zijn geliefde vrouw, die niet lang voordien gestorven was.

Het museum opende in 1996.

Het museum bevindt zich naast de hoeve waar De Boeck woonde en in een oase van 5ha groen. Het domein dat ooit van Felix De Boeck was. (Diverse bronnen, De Post en Wikipedia)

kunstschilder Felix De Boeck

Vandaag 32 jaar geleden, op een veiling bij Sotheby’s in Londen haalt het schilderij van Gentenaar Gustaaf De Smet, De blauwe Canpé de recordprijs van 550000 pond

Gustaaf De Smet werd geboren als zoon van de huisschilder-decorateur en fotograaf Jules De Smet.

Gustave had een 4 jaar jongere broer, de impressionistische Léon De Smet.

Beiden volgden de Gentse Academie.

Terwijl Gustave eerder onregelmatig volgde, was Léon een schitterend student.

De Smet trouwde in 1898 met Gusta Van Hoorebeke en bleef in Gent wonen.

Eerst in 1908 volgde hij zijn broer Léon naar Sint-Martens-Latem.

Daar ging hun aandacht eerder uit naar het impressionistische luminisme van Emile Claus, die in het nabijgelegen Astene verbleef, in zijn villa Zonneschijn.

Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, week Gustave met zijn gezin en zijn vriend Frits Van den Berghe uit naar Nederland.

Van 1914 tot 1922 verbleven zij te Amsterdam, te Hilversum, te Laren en te Blaricum.

In Nederland leerde hij zowel het Duitse als het Hollandse expressionisme kennen, waarbij de Franse schilder Henri Le Fauconnier een voortrekkersrol speelde.

Dit betekende het grote keerpunt in zijn kunst.

Zijn enig kind, Firmin De Smet, overleed in 1918 toen hij twintig was, tijdens een spoorwegongeluk in het Nederlandse Weesp.

In 1922 keerde hij naar België terug, om samen met Frits Van den Berghe bij Permeke in te trekken, te Oostende.

Toen had hij toch al de Sélection-beweging op gang gebracht, met de Brusselse kunstkenners André de Ridder en Paul-Gustave van Hecke.

Na enige maanden trok hij weer naar zijn Leiestreek en in 1923 ging hij in Bachte-Maria-Leerne wonen en daarna in Afsnee, om zich ten slotte in 1927 in Deurle te vestigen.

In 1923 verscheen in de reeks Junge Kunst, een uitgave van Klinkhardt & Biermann in Leipzig, als Band 38 de eerste monografie van Gust De Smet met een dertigtal afbeeldingen.

Desmets expressionisme, met de eigen kubistische inslag, had op dat moment een hoogtepunt bereikt, met zijn circus- en kermistaferelen, zijn accordeonspelers en zijn evocaties van dorp en huis, doordrenkt van zijn specifiek coloriet.

Op dat ogenblik stond zijn expressieve kracht mijlenver van de visie van zijn broer Léon.

De Smet overleed op 66-jarige leeftijd te Deurle aan tuberculose.

In reactie op De Smets dood zei Permeke: “Hij was nooit klein.”

De Smets woonhuis wordt bewaard als lokaal museum, het Museum Gust De Smet, dat een duidelijk beeld geeft van de leefomgeving en het atelier.

Om de tand des tijds een beetje bij te vijlen heeft de gemeente gekozen om het museum te restaureren onder leiding van architect Maarten Dobbelaere.

De restauratie heeft plaatsgevonden in 2015-2016 en het museum is opnieuw geopend op 15 oktober 2016.

Het gebouw heeft opnieuw de uitstraling van weleer.

Je stapt als het ware binnen in het leven van Gust en Gusta De Smet. (diverse bronnen, Wikipedia en Foto 4 en 5 zijn oud huis , nu een museum)