Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Aan de academie in Gent studeerde hij samen met Roger Raveel, Pierre Vlerick, Antoon de Clercq en Camille D’havé.
Hij kreeg er les van Jos Verdegem.
Het allereenvoudigste voorwerp wordt uit de banaliteit geheven en tot kunstwerk gepromoveerd.
Het spreekt vanzelf dat alleen een echte kunstenaar daarin slaagt.
En Maurice de Clercq behoorde daar ongetwijfeld toe, ook al heeft hij in zijn geboortestad Gent steeds weinig erkenning gekregen.
Zoals voor vele anderen moest die erkenning ook weer uit het buitenland komen.
De voorwerpen die Maurice de Clercq schilderde, zijn op zijn minst op de werkelijke grootte weergegeven.
Soms vergrootte hij ze zelfs om het banale indrukwekkender te maken.
Hij wilde er een blikvanger van maken. Meteen viel ook het perspectief weg, want alles kwam immers op de voorgrond te staan.
Er bestond gewoon geen achtergrond meer. Toch wilde Maurice de Clercq de al te nuchtere werkelijkheid vermijden.
Hij heeft het realisme dan ook steeds een vleugje lyriek geschonken.
Net zoals destijds de Vlaamse expressionisten een heel eigen schilderkunst hebben gevonden, die geënt was op het Duitse expressionisme, heeft ook Maurice de Clercq een Vlaams hyperrealisme gevonden, dat geënt was op het Amerikaanse.
Zo bleef deze Vlaamse hyperrealist in zijn werk steeds nauw betrokken bij de mens, zelfs al werd de mens er niet in uitgebeeld.
Want aan de schijnbaar objectieve uitbeelding van een paar strandstoelen of een gordijn voor een raam gaat steeds een subjectieve keuze van een detail uit een hoeveelheid waargenomen objecten vooraf.
Dit detail is nooit willekeurig gekozen, maar beantwoordt aan de persoonlijke gevoelswereld van de kunstenaar.
Het typisch Vlaamse karakter van Maurice de Clercqs hyperrealisme verklaart ongetwijfeld zijn succes in het buitenland.
De werkelijkheid was voor hem spannender geworden dan de rijkste fantasie.
Een boeiend avontuur werd door de dood plotseling afgebroken.(Diverse bronnen, Willem M. Roggeman en foto’s De Post 6 juli 1980)
Tijdens de bouw van studentenwoningen in de Sint-Pietersnieuwstraat, ontdekte een kraanman in 1998 plots een enorm gat onder een vloerplaat.
Hij keek erdoor en tot zijn stomme verbazing zag hij een holte waar zijn kraan met gemak in zou kunnen verdwijnen.
De geschiedenis van de industriële site van de Hoveniersberg vangt aan in 1855 met de aankoop van het Emmaüskasteeltje met lusttuin, pakhuis en verschillende percelen aan de Hoveniersberg en Sint-Pietersnieuwstraat door François Donny, eminent wetenschapper gespecialiseerd in scheikunde en voedingsleer, later hoogleraar aan de Gentse universiteit en bedrijfsleider.
Zijn kennis van scheikunde en voedingsleer bracht hij ook in de praktijk met de oprichting van een “Mineraalwater fabriek” zogenaamd “Blandin” in 1856 en de ontleding van de minerale eigenschappen van het water.
Het mineraalwater werd door boringen via een “abyssinische put” uit belangrijke waterlagen in de Blandijnberg opgehaald.
De geologische opbouw van deze getuigenheuvel met een afwisseling van zand- en leemlagen vormt ook een natuurlijke filter van ongeveer 20 meter.
Langs de Hoveniersberg werd een laboratorium annex fabriek van scheikundige producten opgericht waar Donny zijn uitvindingen ontwierp en uittestte.
In de jaren 1870 breidde hij zijn bedrijf uit met een stoombrouwerij met magazijnen, tunnel met hijstoren en ijskelders.
Voor de bouw van deze ijskelders werd, volgens de studie van G. Donny de geologische structuur van de bodem goed bestudeerd.
De plannen van de “Brasserie et usines du petit château d’Emaüs”, nu bewaard in het Museum voor Industriële Archeologie en Textiel te Gent, tonen duidelijk de inplanting, plattegrond en doorsneden van de toen opgerichte gebouwen, onder meer van de al beschermde tunnel en hijstoren in de flank van de Blandijnberg.
Opmerkelijk op deze doorsnede is de aanduiding van twee ondergrondse ruimten in de vorm van een “dame jeanne”, de eigenlijke ijskelders.
Het oorspronkelijk logo van de brouwerij was een voorstelling van het Emmaüskasteeltje met de brouwerijgebouwen en toren op de achtergrond en met het opschrift: “Brasserie & Glacière du Petit Château d’Emaüs”.
Het was het belangrijkste bedrijf in deze branche te Gent in het laatste kwart van de 19de en het eerste kwart van de 20ste eeuw.”
Vandaag zijn het de grootste van Europa.
De ijskelders kan je het beste vergelijken met twee reusachtige thermosflessen die in baksteen in de grond gebouwd werden.
De grootste kelder heeft een diameter van 15 meter op het breedste punt en een inhoud van ongeveer 2.200 kubieke meter, de tweede heeft een diameter van 10 meter.
“Het ijs voor brouwerij Blandinberg werd per schip aangevoerd vanuit Scandinavië.Op de Muinkkaai werd het op karren geladen en via een (nog bestaande) onderaardse gang naar de ijskelders gevoerd.
De brouwerij lag lager op de helling dan de ijskelders.
Voorlopig kun je de ijskelders alleen bezoeken als onderdeel van een gidsbeurt door Gent.(Geert Houck, Erfgoed Vlaanderen en Foto 1 ijsblokken werden per schip vervoerd en met een tang opgehesen, Foto 2 de bolle bovenkant van de grootste ijskelder met op de achtergrond het Emmaüskasteeltje, Foto 3 etiket van het spuitwater dat op de Blandijnberg werd gebotteld)
De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.De grootste ijskelders van Europa bevinden zich in de Sint-Pietersnieuwstraat in Gent.
Op 16 november 1949 verschansen 138 studenten (onder wie één meisje) zich in het Gentse Gravensteen en dit als protest tegen de stijging van de bierprijs van 3 naar 4 frank.
In alle auditoria van de unief gingen die dag briefjes rond om de studenten op te roepen om in de namiddag en masse naar het kasteel te komen.
136 studenten betraden het Gravensteen met een stootkar vol overrijp fruit en dito groenten en ze barricadeerden de poorten.
Al vlug verschenen er op de kantelen bordjes met leuzen als Uylenspiegel is nog niet dood en Bier aan drie frank de pot.
In het begin bleef het vrij rustig, tot twee agenten voorbij fietsten en een stuk fruit tegen hun hoofd kregen.
Er werden massaal veel rijkswachters, agenten en brandweerlui opgetrommeld om het protest in de kiem te smoren.
Maar de eerste twee uur werden ze bedolven onder een regen van fruit en graszoden.
Na een paar uur vonden de ordehandhavers dan toch een zwakke plek, de toren boven de poort die niet bezet was.
Via een brandweerladder bereikten ze de toren, waar ze met hun wapenstokken een einde maakten aan het studentenfeestje.
Omdat het publiek de grap wel kon smaken, werden de studenten niet vervolgd.
Elk jaar herdenken de Gentse studenten de moedige bezetting van hun voorgangers.
Niet met rot fruit, maar wel met trompetten, vlaggen en liters Rodenbach.
In 2012 kreeg de herdenking een extra toets doordat aan de ingang van het Gravensteen een bord onthuld werd om de Slag om het Gravensteen te herdenken. (diverse bronnen, Elienne Langendries en Anne-Marie Simon-Vanderm)
Vandaag 71 jaar geleden, Slag om het GravensteenVandaag 71 jaar geleden, Slag om het GravensteenVandaag 71 jaar geleden, Slag om het GravensteenVandaag 71 jaar geleden, Slag om het Gravensteen
De Grand Bazar ontstond uit de Maison Universelle.
Dit pand en drie aangrenzende winkels met mooie oude gevels werden in 1920 gesloopt voor de bouw van de nieuwe Grand Bazar.
Het monumentale pand was georganiseerd rond een centrale vide.
In 1942 kreeg het pand zijn eerste herinrichting door de Brusselse binnenhuisarchitect Georges De Jonckheere.
In 1985 heropende het pand als een filiaal van de Innovation. (diverse bronnen, Hendrik Defoort, Wout De Vuyst )
100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.100 jaar geleden, bouwwerken gestart voor de nieuwe Grand Bazar in de Veldstraat in Gent.
De komst van de koning en de koningin was al een dag eerder aangekondigd en Gent was in feeststemming.
Na Brugge is dit de tweede provinciestad waar Albert en Elisabeth, vergezeld van kroonprins Leopold, hun plechtige intrede doen.
Om 11 uur vertrok de optocht in de Gebroeders De Smetstraat, door het stadscentrum, om te eindigen op de Kouter.
Op de Kouter wachtte een zeer grote menigte het koningspaar en de kroonprins op.
Het volk zit er in de bomen en op de daken, balkons en lantaarnpalen.Als de stoet op de Kouter aankomt is er eerst “een ogenblik diepe stilte en dan breekt een gejubel los.
Een indrukwekkende, onbeschrijflijke ovatie.
Men wuift met zakdoeken, hoeden, petten, vlaggen, men weent en juicht, het regent bloemen uit de ramen”, aldus nog de correspondent van NRC
.Ook de Belgische troepen die op de Kouter defileerden, werden toegejuicht.
Een muziekkapel speelt “De Vlaamse leeuw” en de menigte zingt mee.
Daarna is het koninklijk gezelschap ontvangen op het stadhuis. Daar werden ze verwelkomd door waarnemend burgemeester Edward Anseele, de koning antwoordde in het Nederlands en feliciteerde de Gentenaars. “Liever dood dan Duits, dat was de stem van de Vlaamse bevolking.
In naam van het land, in naam van het leger, bedank ik u allen voor uw moed en vaderlandsliefde”, zei de vorst. (Diverse bronnen, Wikipedia en VRTNWS)
Vandaag 102 jaar geleden, koning Albert en koningin Elisabeth en prins Leopold doen hun plechtige intrede in het pas bevrijde Gent.
Na de Belgische Revolutie in 1830 nam het Frans de plaats in, van het Latijn als voertaal van de Gentse universiteit.
Het Frans was toen de voertaal van de Belgische administratie.
Tegen het einde van de negentiende eeuw begon de Vlaamse Beweging, onder impuls van Lodewijk de Raet, pogingen te ondernemen om de Gentse universiteit te vernederlandsen.
In de Eerste Wereldoorlog richtte Moritz von Bissing in 1916 de Vlaamsche Hoogeschool of Von Bissinguniversiteit op, wat deel uitmaakte van zijn verdeel en heerstactiek, de Flamenpolitik.
Het overgrote deel van de Vlaamse beweging, de zgn. ‘passivisten’ zoals Frans Van Cauwelaert, Camille Huysmans en Louis Franck (welke steeds gestreefd hadden voor hoger onderwijs in ’t Nederlands), kantte zich vanaf het begin tegen deze Duitse inmenging in Belgische binnenlandse aangelegenheden en boycotte de Vlaamsche Hoogeschool.
Ook het overgrote deel van de Vlaamse bevolking was ertegen gekant.
De Vlaamsche Hoogeschool was een mislukking en werd gesteund door slechts een kleine minderheid flaminganten.
Deze Vlaamsche Hoogeschool werd ongedaan gemaakt na de oorlog en als activisme of collaboratie met de Duitse bezetter beschouwd.
De vernederlandsing van de Gentse universiteit bleef de gemoederen beroeren en het kwam dikwijls tot hardhandige conflicten.
Onder de tegenstanders bevond zich onder andere de Franstalige Gentse bourgeoisie.
Op 27 juli 1923 werd een wetsontwerp tot gedeeltelijke vernederlandsing, ingediend door de toenmalige minister van Kunsten en Wetenschappen Pierre Nolf, door beide Kamers aangenomen.
De in feite tweetalige universiteit zou voortaan zowel een Nederlandstalige als een Franstalige afdeling kennen.
Wie aan een Nederlandse afdeling was ingeschreven zou één derde van de lessen in het Frans krijgen, de overige twee derde in het Nederlands.
En vice versa voor de Franstalige afdeling.
Deze omslachtige regeling leverde de RUG al snel de schertsende bijnaam Nolfbarak op.
In 1930 werd, op initiatief van de Waalse eerste minister Henri Jaspar, de universiteit, als eerste van België, definitief vernederlandst.
De eerste rector van de eentalig Nederlandse Universiteit was August Vermeylen (tot 1933)
Vandaag 90 jaar geleden, de Gentse universiteit als eerste van België, definitief vernederlandst.
Op 12 oktober 1914 arriveren Duitse troepen in Gent.Als hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een stukje Henegouwen omvat, staat de stad onder direct militair bestuur, wat betekent dat de bezetting er nog harder is dan in de rest van het land.
Ieder contact met de rest van België is nagenoeg onmogelijk.
Pers en post worden streng gecensureerd, politieke berichtgeving is verboden.
Het dagelijks leven wordt beheerst door voortdurende opeisingen. In het stadscentrum nemen de Duitsers een toenemend aantal gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.
De Kouter fungeert als de centrale uitvalsbasis met o.a. de Kommandantur en de Pass-Zentrale.Wapens worden bewaard en hersteld in het Gravensteen, bier en wijn gestockeerd in het Groot Vleeshuis en groenten in het Pand.
Soldaten revalideren in hotels, scholen en in het Casino aan de Coupure.
Het Belfort doet dienst als uitkijkpost voor piloten.
Het wagenpark van het leger wordt ondergebracht in loodsen in de haven.
Met ca. 12.000 militairen is het leger zeer zichtbaar aanwezig.Duitse vlaggen wapperen aan gevels, aan muren en bomen hangt Duitse bewegwijzering en cafés krijgen Duitse namen.
Het station Gent Sint-Pieters is het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.
De Duitse militaire overheid voert de identiteitskaart met foto in.
Belgen zijn verplicht de kaart bij zich te dragen.
In eerste instantie is een identiteitsbewijs enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, vanaf 1916 wordt iedereen verplicht er een te laten maken.
Vier jaar lang komt de Belg dus niet verder meer dan zijn eigen gemeentegrens, tenzij hij of zij de nodige documenten kan voorleggen.
Voor al deze foto’s is een aanzienlijke hoeveelheid fotopapier nodig, maar de voorraad voor beroepsfotografen is beperkt.
Ze nemen daarom vaak een groepsfoto, waaruit de gezichten gesneden worden om op de identiteitskaart te kleven.
Van in het begin van de oorlog is de voedselbevoorrading het grootste probleem.
De binnenlandse productie is ontoereikend, de Britse maritieme blokkade belet de invoer van levensmiddelen en dan zijn er nog de vele Duitse opeisingen.
De Stad Gent richt al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op, dat gratis soep en brood uitdeelt. In het najaar wordt de voedselsituatie evenwel kritiek.
Op 23 oktober 1914 wordt in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht, dat uitgroeit tot de motor achter de nationale hulpverlening.
Het voedsel wordt in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.
De distributie in België zelf is, via een netwerk van provinciale en lokale comités, in handen van het Nationaal Comité.
Het voedsel wordt gerantsoeneerd verkocht in ‘Amerikaanse’ winkels.
In 1916 zijn meer dan 60.000 inwoners van Gent afhankelijk van deze voedselhulp.
In de loop van de oorlog neemt het Comité steeds meer taken op zich, zoals de organisatie van soepkeukens, melkuitdelingen en schoolmaaltijden, het uitdelen van kledingstukken, werklozensteun, pakjes voor krijgsgevangen en geïnterneerde soldaten.
Naast het Nationaal Comité zijn er nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief in Gent.Maar de verschillende initiatieven voor hulp tonen slechts een kant van de medaille.
Schaarste betekent in veel gevallen ook hamsteren, zwarte markt en woekerprijzen.
Nieuwe rijken’ worden smalend ‘baron Zeep’ genoemd: door het tekort aan zeep wordt het maken van ersatz zeep bijzonder winstgevend.(Diverse bronnen, Geert Vandamme en Stam)
Vandaag 106 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.
De feestelijke openingsplechtigheid van de universiteit vindt plaats op 9 oktober 1817 in de troonzaal van het Gentse stadhuis.
In het bijzijn van kroonprins Willem van de Verenigde Nederlanden ‘installeert’ Ocker Repelaer van Driel, commissaris-generaal van onderwijs, kunsten en wetenschappen, de nieuwe rijksuniversiteit.
Koning Willem I zelf is niet aanwezig; zijn troon blijft leeg.
Samen met het kersverse professorenkorps en de curatoren van de universiteit, luistert de verzamelde Gentse elite naar de toespraak van burgemeester de Lens en de Latijnse ‘oratio’ van rector Jean-Charles van Rotterdam.
Buiten wapperen de vlaggen en luiden de klokken van het Belfort’s Avonds wordt aan de plechtigheid een vervolg gebreid met een banket voor 78 personen waarbij 189 flessen wijn worden ontkurkt.
Een maand later, op 3 november 1817, starten de eerste colleges.
In het eerste jaar telde de universiteit 190 studenten, dertien personeelsleden en zestien professoren, waarvan er negen uit het buitenland kwamen, voornamelijk uit Noord-Nederland en Duitsland.
Zij waren verdeeld over vier faculteiten: Letteren, Rechten, Geneeskunde en Wetenschappen.
De voertaal was het Latijn.
In 1830 was de studentenpopulatie aangegroeid tot 414, maar dat aantal daalde snel na de Belgische Revolutie, die de afschaffing van de faculteiten Letteren en Wetenschappen met zich meebracht.
Vanaf dan nam het Frans de plaats in van het Latijn als voertaal van de Gentse universiteit.
Het Frans was toen de voertaal van de Belgische administratie.
Pas vijf jaar later, met de wet op het hoger onderwijs van 1835, gaf de Belgische staat de twee faculteiten terug aan de Universiteit Gent, en kreeg ze daarbovenop de Technische Scholen toegewezen, die aan de faculteit Wetenschappen werden toegevoegd.
Het zou nog 35 jaar duren voor het studentenaantal van 1830 terug werd bereikt.
In de universitaire wedstrijden behaalde de Gentse universiteit in deze periode wel het grootste aantal prijzen. (Geert Vandamme, De Clerck Karel, Wikipedia en Fb groep Gisteren nog vandaag)
Vandaag 203 jaar geleden, werd de Gentse Universiteit plechtig geopend in de Troonzaal van het Stadhuis.
Op 9 oktober 1965 ging het NTG van start met een merkwaardige opvoering van Maria Stuart van Friedrich von Schiller (1759-1805) in een regie van Georges Vitaly (animator van kleine theaters in Parijs) en de regie-assistent was Jo Decaluwe.
Met Joanna Geldof in de titelrol en Suzanne Juchtmans als Elisabeth.
Maakten ook nog deel uit van deze eerste cast: Gaby Bouüaert, Roger Bolders, Jef Demedts, Daniël Decock, Eric Raes, Werner Kopers, Edgar De Pont, Jo Delvaux, Jaak Vissenaken, Jo De Meyere, Paul-Emile Van Royen, Eddy Asselbergs, Roger De Wilde, Greta Verniers, Anton Cogen, Blanka Heirman, Lieve Moorthamer, Maria Verheyden, Veerle Wyffels, Ivo Baeyens, Jan Gheysens, Dirk Liefooghe, Dirk De Vilder en Gilbert Braeckman.
Er werden van Maria Stuart drieëntwintig voorstellingen gespeeld, waarmee 13.429 toeschouwers werden bereik.
De laatste voorstelling was op 27 oktober 1965
De eerste NTG-directeur Dré Poppe, kon er maar twee seizoenen blijven.
Wegens een onenigheid met zijn Raad van Bestuur met als voorzitter Bert Willems, over participatie in de opbrengst van het toenemende aantal bezoekers, vroeg Poppe op het einde van het seizoen 1966-1967 van zijn verplichtingen als directeur ontheven te worden.
Hij werd opgevolgd door Albert Hanssens, die al als administrateur aan het NTG verbonden was.
Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.Vanavond 55 jaar geleden, eerste toneelstuk stuk van het Nederlands Toneel Gent.
Het verhaal van de befaamde ‘Hotsy Totsy Club’ start in 1973, het jaar waarin zijn jongste broer Johan Claus (1938-2009) het pand – gelegen op de hoek van de Hoogstraat met de Oude Houtlei – inricht en decoreert met voor ogen de gelijknamige ‘Hotsy Totsy Club’ van Al Capone uit het Chicago van de jaren dertig.
In datzelfde jaar nog laat hij de exploitatie over aan broer Guido die er zijn levenswerk van maakt.
Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van Guido en levensgezellin Motte geven het artiestencafé een renommé tot ver buiten de grenzen.
Ook broer Hugo Claus, Jan Hoet, en vele anderen, zijn er een graag geziene gasten, die regelmatig een kaartje legt met zijn broer en zijn literaire vrienden.
Van Hugo Claus hangt buiten aan de zijmuur van de Oude Houtlei trouwens een lofgedicht op Guido Claus en op de ‘Hotsy Totsy’, genaamd ‘Achter deze gevel hier’.
De ‘Hotsy Totsy’ is als authentiek Gentse artiestencafé ruim 45 jaar een begrip in Gent en is nog steeds een pleisterplaats voor iedereen die geïnteresseerd is in kunst en cultuur.
Op 17 maart 1983, stelde Hugo Claus in de club zijn lang verbeide magnum opus Het verdriet van België voor aan pers en publiek.
De publicatie zorgde in de Belgische pers voor een nooit geziene hype.
Van 1986 tot 1991 vormde Guido Claus met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’, speelde hij in de toneelbewerking van Lijmen & Het been (naar Willem Elsschot) in het NTG (september 1986), en vertolkte tevens een tiental rolletjes in films, onder meer in: ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).
In november 1991 overlijdt Guido Claus plots en koopt de Groep Druwel de zaak en het nabijgelegen pand.
Na de restauratie van het gebouw, verkoopt de Groep Druwel de zaak aan Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf en waar Motte Claus deel uitmaakt van zijn team.
Al enkele jaren is de uitbating van de Hotsy Totsy in goede handen van Lara.
Vernissage Motte Claus in galerie Pim De Rudder Assenede. Van 4 tot 25 oktober 2020 elke zondag van 15 u tot 18 uur. Stichting Pim De Ridder Hoogstraat 4-6 Assenede.
Ongeveer 20 jaar geleden, leerde ik hem kennen dankzij Coenraed de Waele en ik nodigde hem dan ook uit om zijn gedichten bundel Gekke gedachten, stille gepeinzen voor te stellen in de Hotsy Totsy.
Hij werd geboren in het ouderlijk huis te Gent, in de Roggestraat.
Zijn vader, August, was dokwerker, zijn moeder, Cordula D’haese, naaister.Vader De Smet overleed in 1928.
Vanaf dat jaar, 9 jaar oud, tot oktober 1932, verbleef Prosper in het Stedelijk Weeshuis voor Jongens (“Kuldershuis” genoemd) op de Martelaarslaan te Gent.
Toen zijn moeder hertrouwde kon hij, vanaf november 1932, opnieuw bij haar en zijn stiefvader wonen, in de Roggestraat.
Na de Lagere Hoofdschool aan de Van Monckhovenstraat, volgde De Smet de beroepsschool aan de Martelaarslaan te Gent.
Tot de leeftijd van 17 jaar volgde hij daar een opleiding “letterzetter”. Hij ging naar de avondschool om zich te bekwamen in het Frans, Engels en Duits.Rond zijn veertiende jaar ontdekte hij het werk van Felix Timmermans, James Oliver Curwood en vooral Multatuli.
Na het verlaten van de school, in 1936, werkte hij in de drukkerij Heuvelmans aan de Lindelei. Kort daarop, 18 jaar oud, werd hij als soldaat gelegerd te Brussel.
Na 17 maanden dienst werd hij gemobiliseerd te velde.Het gezin verhuisde in januari 1940 naar de Hoppestraat (nu Poperingestraat).
In het ouderlijk gezin werd, met uitzondering van de krant Vooruit, niet gelezen. Prosper had vrij vroeg belangstelling voor de dagelijkse rubriek Boekuil (van Raymond Herreman) en voor de wekelijkse bladzijde Geestesleven.
In april 1946, na zijn huwelijk, verhuisde hij naar de Rooigemlaan.
In 1951 trok het gezin naar de Grensstraat en juli 1960 vestigden zij zich in de Bosuilstraat te Wondelgem, waar hij woonde tot aan zijn dood.
Vanaf 1945 werkte hij als drukker-letterzetter, eerst bij de Gentse firma Collier in de Jutestraat en vanaf 1948 bij het dagblad Vooruit, in de Sint-Pietersnieuwstraat.
Na een paar jaar verzorgde hij ook de lay-out van de krant. Na het stopzetten van Vooruit (1978) was hij nog enkele jaren verbonden aan de krant De Morgen.
In 1980 ging hij met pensioen.Van 1952 tot 1965 schreef hij – nog steeds letterzetter en lay out-man in de drukkerij – onder pseudoniem PDS boekbesprekingen voor de rubriek Geestesleven van Vooruit.
Van 1953 tot 1975 leverde hij (nu onder pseudoniem Polke Pluim) humoristische bijdragen voor de sportbladzijden.
In 1961 voegde hij daaraan nog een dagelijks cursiefje toe (ondertekend met P. Pluim).Dertig jaar lang zou hij dit volhouden, ook nadat Vooruit opging in De Morgen. In laatstgenoemde krant vertraagde het ritme iets: vanaf 1991 verschenen er wekelijks nog drie cursiefjes, dan twee en ten slotte nog één.
In september 2001 stopte hij definitief met zijn bijdragen.
De Smet schreef dus bijna 50 jaar voor de krant.In 1988 werd een bundel cursiefjes uitgegeven onder de titel In de Krabbel.
Zijn meestal optimistische stukjes hebben soms een vleugje weemoed.
Ze gaan vooral over het dagelijkse leven van de gewone man. Ze zijn vaak een milde, maar tezelfdertijd rake commentaar op de samenleving.
Tussen 1963 en 1965 publiceerde De Smet, onder zijn eigennaam, een tiental novellen in Elseviers weekblad.Novellen werden ook opgenomen o.m.in het Nieuw Vlaams tijdschrift, in Dietsche Warande & Belfort en in De Vlaamse gids.Tussen 1955 en 1990 werden ook een achttal romans, een toneelstuk, een verhalenbundel en enkele dichtbundels gepubliceerd.
In 1999 gaf hij, in eigen beheer, nog een dichtbundel uit: Gekke gedachten, stille gepeinzen.In 1957 werd de eerste roman van De Smet, De ontploffing, uitgegeven.
Hij werd ervoor onderscheiden met de publieksprijs, het zgn. Referendum van Vlaamse letterkundigen.
De Groene Amsterdammer riep dit werk uit tot boek van de maand.
Een jaar later verscheen het verhalend gedicht Aan de voet van ‘t Gravensteen; nog in hetzelfde jaar kende de stad Gent er hem haar Letterkundige prijs voor toe.
Zijn toneelstuk De ondernemingsraad werd in 1968 onderscheiden met de Visser Neerlandiaprijs; het werd nog in 1968 opgevoerd door de Gentse Multatulikring
In 1969 kreeg hij een tweede maal de Letterkundige prijs van zijn geboortestad, dit keer voor zijn verhalenbundel Prinses en coverboy.
Het geweer zonder kogels (1985) is een roman over zijn soldatentijd tijdens de Tweede Wereldoorlog.
Met zijn romans en zijn novellen bevestigt De Smet dat hij een rasecht verteller is.
Zijn werk getuigt van rechtvaardigheidsgevoel en van een sterke sociale betrokkenheid.
Scherpzinnigheid en humor, naast wijsheid en mededogen, laten hem toe de kleinmenselijke kantjes liefdevol te relativeren.
Prosper De Smet stierf in 2005 op zesentachtigjarige leeftijd (diverse bronnen, Helena de Vetter en Wikipedia)
Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.Vandaag 180 jaar geleden, plechtige opening van Le Grand Théâtre in Gent.
190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I190 jaar geleden, Gent trouw aan Oranje, liever koning Willem I dan Leopold I