Vandaag 170 jaar geleden, de geboorte van de Gentse dichter Georges Rodenbach.

De Gentse dichter Georges Rodenbach werd 170 jaar geleden, op 16 juli 1855, geboren. Hij stamde uit een Duitse familie; zijn vader, Constantin-Ferdinand Rodenbach, was verificateur van maten en gewichten in Gent en trouwde met de Doornikse Rosalie Gall.

Georges bracht zijn jeugd door in Gent, waar zijn familie kort na zijn geboorte neerstreek. Veel van zijn jonge jaren speelden zich af in hun ouderlijke huis aan de Frère-Orbanlaan 9, vlak bij het Klein Begijnhof.

Hoewel er in 1948 een gedenkplaat werd aangebracht, zijn zowel het huis als de plaat inmiddels verdwenen.

Hij was een briljante leerling aan het Sint-Barbaracollege, waar hij Emile Verhaeren ontmoette en een levenslange vriendschap met hem sloot.

Rodenbach studeerde rechten in Gent en Parijs, waarna hij assistent werd van de bekende strafpleiter Edmond Picard.

Daar kreeg hij de bijnaam ‘L’avocat-cravate’ vanwege zijn opvallende uiterlijk.

Zijn neef, Albrecht Rodenbach, zou later beroemd worden als Vlaams studentenleider.

In 1877 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Le Foyer et les Champs.

De positieve Franse reacties leidden tot zijn eerste bezoek aan Parijs.

Hij kwam in contact met de ‘cercle des Hydropathes’ en sloot er vriendschappen met figuren als Catulle Mendès en Maurice Barrès. Hij besloot zijn advocatencarrière op te geven en zich volledig op de literatuur te richten.

Hij schreef voor La Flandre libérale en het eerste nummer van La Jeune Belgique, en publiceerde La Mer élégante.

In 1886 brak hij door in zowel België als Frankrijk met La Jeunesse blanche, gedichten over Vlaamse begijnhoven en de verlaten, regenachtige straten van stervende provinciestadjes.

Hij probeerde via lezingen ook het pessimisme van Arthur Schopenhauer, dat zijn werk zou beïnvloeden, te promoten.

Vanaf 1888 verhuisde hij definitief naar Parijs en werkte als correspondent voor het Journal de Bruxelles.

Uiteindelijk won de literaire roep het, en Rodenbach koos resoluut voor een schrijversbestaan. In 1888 trok hij definitief naar Parijs, waar hij als eerste Fransschrijvende Vlaming de stad veroverde met zijn symbolistische werken.

Zijn bekendste werk, de roman Bruges-la-morte, verscheen in 1892. Het werd eerst als feuilleton in Le Figaro gepubliceerd en later als boek uitgebracht door Flammarion.

Dit werk, gezien als het hoogtepunt van het symbolisme, was direct een groot succes. Fernand Khnopff illustreerde de voorkant.

Hoewel Rodenbach nooit in Brugge woonde (de geboorteplaats van zijn vader), kon de stad daardoor voor hem gemakkelijk legendarische vormen aannemen.

Zoals Rilke schreef, transformeerde Rodenbach de stad in Bruges-la-morte tot een innerlijk landschap, door voortdurend een analogie te leggen tussen de stad en de overleden vrouw die in het hoofd van de hoofdpersoon voortleeft.

In Parijs was hij een graag geziene gast en werd hij vrienden met onder anderen Alphonse Daudet, Edmond de Goncourt, en symbolisten als Villiers de l’Isle-Adam en Stéphane Mallarmé. Ook Rodin behoorde tot zijn vrienden.

Hij trouwde met Anna-Maria Urbain en in 1894 werd zijn toneelstuk Le Voile als eerste van een Belgische schrijver opgevoerd door de Comédie-Française.

Twee jaar later, in 1896, verscheen Les Vies encloses, een dichtbundel geïnspireerd op het occultisme en de Duitse romantiek.

Ondanks een slepende ziekte verscheen nog een meesterwerk, eveneens gesitueerd in Brugge: Le Carillonneur (1897).

Dit werk beschrijft realistisch de debatten tussen voorstanders van de haven van Zeebrugge en verdedigers van Brugge als kunststad voor de elite.

Een jaar later, op 25 december 1898, stierf Rodenbach op 43-jarige leeftijd aan typhlitis.

Zijn begrafenis vond plaats in Parijs, waar hij werd bijgezet op Père Lachaise.

Het grafmonument toont de dichter die met een roos in de hand uit het graf stapt, met daaronder de inscriptie: “Seigneur, donnez-moi donc cet espoir de revivre / Dans la mélancholique éternité du livre.”

In 1899 kreeg George Minne de opdracht voor een herdenkingsmonument voor Rodenbach.

Het marmeren kunstwerk was niet welkom in zijn geboorteplaats Doornik of in Brugge.

Uiteindelijk vond het een vaste plek op de dries van het oude Sint-Elisabethbegijnhof in Gent, waar het op 19 juli 1903 werd ingehuldigd.

In 1993 werd een ideeënwedstrijd georganiseerd voor een “beeld in de stad”, waarvan het winnende ontwerp van Klaas van de Sompel in 1997 werd onthuld.

In 2020 was het monument opnieuw dringend toe aan restauratie, want de tekst is nauwelijks leesbaar en de platen van de sokkel komen los.

Helaas is deze treurende dame het enige tastbare dat nog naar Georges Rodenbach in Gent verwijst, want zijn straat moest hij afstaan aan Edmond Boonen.

Gelukkig bracht David Bowie in 2013 in “Dancing out in space” nog hulde aan de zwijgende stilte van de Gentse schrijver met de zin “Silent as Georges Rodenbach.”

100 jaar geleden, overzichtstentoonstelling van de Vlaamse kunstschilder Albijn Van den Abeele in de kunstgalarij, Brabantdam in Gent.

Albijn Van den Abeele (1835-1918) was een veelzijdig man die zich zowel als schrijver, politicus en kunstschilder liet gelden.

Hij wordt beschouwd als de stamvader van de Latemse school, een groep kunstenaars die zich in de late 19e en vroege 20e eeuw in Sint-Martens-Latem vestigden en zich lieten inspireren door de natuur en het landleven.

Van den Abeele was zelf geboren en getogen in Sint-Martens-Latem, waar hij ook burgemeester, schepen en gemeentesecretaris was.

Hij schreef verschillende dorpsromans en een geschiedenis van zijn geboorteplaats.

Pas op veertigjarige leeftijd begon hij te schilderen, vooral bosgezichten en landschappen in een fijnzinnig kleurenpalet.

Zijn huis in de Latemstraat was een ontmoetingsplaats voor andere kunstenaars, zoals Xavier de Cock, Emile Claus, George Minne, Valerius de Saedeleer en de broers Gustave en Karel van de Woestyne.

Hij oefende een grote invloed uit op de eerste generatie van de Latemse school, die zich kenmerkte door een realistische en romantische stijl.

Van den Abeele overleed op 16 november 1918 en werd begraven op het kerkhof van Sint-Martens-Latem, waar ook zijn vriend George Minne rust (Ons Land 12 januari 1924).

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden.

Albert Servaes werd in april 1883 geboren in Gent.

Servaes werkte aanvankelijk als handelsreiziger.

Hij volgde in de jaren 1901 en 1902 avondlessen aan de Academie voor Beeldende Kunst (Gent)In 1905 trok hij naar Sint-Martens-Latem waar hij zich in een houten keet vestigde.

In Latem leerde Servaes een aantal kunstenaars kennen zoals Gustave Van de Woestyne en George Minne.

Hun religieussymbolistisch oeuvre inspireerde Servaes, maar tegelijk ging hij op zoek naar een eigen beeldtaal die brak met het werk van deze eerste Latemse kunstenaarsgroep.

Een zeer donker kleurenpalet en een expressieve verftoets werden zijn handelsmerk.

Met zijn werk beïnvloedde Servaes onder meer kunstenaars zoals Constant Permeke en Albert Saverys.

De expressieve stijl die Servaes vanaf 1910 ontwikkelde, kwam tot een hoogtepunt in de reeksen die hij in de periode 1918-1922 maakte rond het Passieverhaal en de Kruisweg van Christus.

Ook al werd dit werk verworpen door de Rooms-Katholieke Kerk, het bevestigde zijn reputatie van moderne kunstenaar die religieuze thema’s herinterpreteert, net als tijdgenoten Emil Nolde in Duitsland en Georges Rouault in Frankrijk.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog, in 1917 gaf hij opdracht aan architect August Desmet om op de plaats van een 18de-eeuws boerderijtje een woonhuis en atelier te bouwen.

In het ontwerp inspireerde architect A. Desmet in samenspraak met Servaes zich op romaanse kloosterarchitectuur en de traditionele hoevebouw.

Het Torenhuis, naam van het pand draagt het jaaranker 1917, maar werd pas na het einde van de oorlog, in 1919, voltooid.

In 1982 verkocht Piet Servaes, zoon van de schilder het pand.

Na de verkoop van het huis werd de atelierwoning omgebouwd tot hotel.

Vanwege sympathieën die hij openlijk koesterde voor de Duitse cultuurpolitiek tijdens het nationaalsocialisme.

Uit angst voor juridische vervolging, verliet hij in 1944 ons land en vestigde zich in 1945 te Lüzern en verwierf hij in 1961 de Zwitserse nationaliteit

In 2005 was hij ook een van de kansmakers op de titel De Grootste Belg, maar haalde de uiteindelijke nominatielijst niet en strandde op nr. 71 van diegenen die net buiten de nominatielijst vielen.

Servaes is de overgrootvader van Valerie De Booser. (Diverse bronnen, Museum Dhondt-Dhaenens, De Post 30 april 1961 en Wikipedia)

Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden
Vandaag is het ook 55 jaar geleden dat de Gentse kunstenaar Albert Servaes is overleden