Vandaag 30 jaar geleden, de productie Vulvania van Jan Decorte en Cie in première.

Decorte heeft zijn drieluik over de Existentiële Prins herhaaldelijk de Aidstrilogie genoemd.

Onderbroekenlol, flauwekul, absoluut amateurisme, allemaal omschrijvingen die op Jan Decortes Naar Vulvania perfekt toepasbaar zijn.

Ware het niet dat Jan en de zijnen (Sigrid en Chantal in dit geval) niet onnozel of amateuristisch zijn.

Ze zetten je, en je zit er dan nog mee te lachen ook, voortdurend op het verkeerde been.Het cliché van de.stand-up comedian, het cliché van de amateur theatermaker in een lokaal gezelschap, het cliché van de schlemiel die verstrikt raakt in zijn eigen onhandigheden, het cliché ten slotte van de psychedelische trend (door Decorte zelf uit de Brusselse lucht geplukt en tot persoonlijk waarmerk verheven), het wordt allemaal tot een absoluut toppunt gedreven.

Het zou best mogelijk zijn om aan dit stuk een volledige theorie op te hangen over de stand van zaken in de kunst volgens Decorte.

Maar zo’n interpretatie glijdt van het stuk af als water. Ze houdt nooit echt steek, je kunt Decorte nergens op vastpinnen, zelfs niet op het feit dat hij niet kan spelen.

Als hij op het einde, op bevel van Sigrid Vinks, doodvalt op muziek van Lenny Kravitz’ “Let love rule” heeft dat een ondoorgrondelijke ironie: je weet echt niet of hij dat nu leuk en psychedelisch vindt, of evengoed gewoon flauwekul zoals zijn eigen stuk.

En Decorte zal wel de laatste zijn om hierover enige opheldering te verschaffen. En dat in hoofdzaak, omdat hij misschien wel beide tegelijk denkt.Anders gezegd, de “boodschap” van het stuk is kort en bondig: stop met denken.

Denken hier te begrijpen als het voortdurend opwerpen van intellectuele (ideologische) raamwerken tegen wat je ziet, het voortdurend zoeken naar een “diepere” waarheid, van welke aard ze ook mogen wezen.

Het bevrijdende gelach dat daarvan uitgaat, zit gewoon ingebakken in Naar Vulvania, het wordt nergens gezegd, uitgelegd, opgedrongen.

Dat we allemaal bezig zijn met seks, het is geen aanleiding tot handenwringend gepsychologiseer, het is aanleiding voor een ijzersterke schlager: “Ik ben de man die het niet kan, Zwabidim, Zwabidoem”.

Het enige wat je je zou kunnen afvragen is of dit zottekesspel nu per se over drie afleveringen uitgesmeerd moest worden. Gewoon omwille van de lol? (Diverse bronnen, De Standaard en De Post van 15 december 1989)