50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse dichter en schrijver Bert Peleman (De Post oktober 1972)

Bert Peleman, zoon van een kruidenier, volbracht zijn humaniora in het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar zijn leraars Ast Fonteyne en Remi Lens bij hem de belangstelling voor toneel en kunst opwekten.

Hij vervolgde met anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen in Leuven, maar onderbrak die studie tijdens het tweede jaar.

Hij had zich vooral onledig gehouden met het oprichten van een studentencabaret, waarmee hij optrad, onder meer voor de radio.

In die tijd raakte hij, onder de invloed van Jef Van Bilsen, in de ban van Joris Van Severen en werd lid van het Verdinaso.

Beroepshalve werd hij redacteur voor de cultuurbladzijde van De Courant en in 1939 werd hij medewerker bij het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR).

In 1939 werd hij gemobiliseerd als luitenant in het Belgisch leger.

Hij publiceerde een boekje, Wij, soldaten, met fervente lofbetuigingen aan het adres van het koningshuis.

Krijgsgevangen na de Achttiendaagse Veldtocht werd hij tot in juli 1940 in Beieren opgesloten.

Na zijn terugkeer werd hij lid van de Eenheidsbeweging-VNV.

Hij werd hoofdreferent voor kunst en cultuur bij de door de bezetter gecontroleerde Radio Brussel en werd ondervoorzitter van de Duitsgezinde Brabantse kunstfederatie.

In 1942 verliet hij de radio om de leiding te nemen van het departement Stijl en Vorming van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade.

Als gevolg hiervan liep hij vaak in het uniform van de Zwarte Brigade rond en reisde hij naar het Oostfront, waar zijn broer soldaat was.

Hij schreef ook de Mars van het Vlaams Legioen, getoonzet door Karel De Brabander, met onder meer het volgende vers:

Wij volgen het vaandel der leeuwen

door sikkel en hamer onteerd

Ons horen de komende eeuwen

Te wapen voor outer en heerd.

Wegens meningsverschillen verliet hij einde 1943 de Zwarte Brigade en werd tot aan het einde van de bezetting hoofdredacteur van het geïllustreerd weekblad De illustratie, een zusterblad van het collaborerende Volk en Staat.

Na de bevrijding werd Peleman gearresteerd op beschuldiging van collaboratie met de vijand en in 1946 werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad en tevens van medeplichtigheid aan de plundering van de woning van de burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik.

Na zijn verblijf in het Hechteniskamp Lokeren, werd in maart 1947 de straf in beroep bevestigd, maar in april 1948 omgezet tot levenslange hechtenis.

Einde 1950 kwam hij vervroegd vrij, onder meer dankzij de inspanningen van verschillende letterkundigen, in de eerste plaats de Leuvense professoren Albert Westerlinck en Willy Peremans.

Hij hield zich voortaan afzijdig van actieve politiek en legde zich toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen, meer bepaald in de Brabantse Scheldestreek.

Hij stichtte hiervoor verenigingen, zoals Mercatoria (1955) en Scaldiana (1957). In 1969 was hij de initiatiefnemer voor het Schelde-eiland in Rupelmonde.

Hij werd de eerste directeur van de uitgeverij Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij de uitgeverij Buschmann (1966-1978).

Hij leidde er de reeks publicaties onder de naam Flandria Illustrata.

Hij werd ook lid en voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegelgezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (vanaf 1977).

In 1986 kwam hij nog in het nieuws omdat de hem toegekende benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II werd ingetrokken, na protest van verzetsstrijders en Waalse socialisten.

In 1937 kreeg Peleman de poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor zijn dichtbundel Variante voor harp.

Hierin wordt het volkse leven van de boeren verheerlijkt. Het leven van de boeren en vissers in de Scheldestreek zijn vaak een thema in zijn werk.

De Schelde was een heel belangrijke inspiratiebron voor Peleman.

Zo zei hij in een interview: Voor mij is de Schelde eerder een bovenaardse dan geografische stroom geworden. Ze is voor mij uitgegroeid tot een slagader, een symbool van ebbe en vloed.

Vanaf 1938 schreef hij ook verzen voor Dietsche Warande en Belfort en publiceerde ook in het meer personalistische tijdschrift Vormen.

Zijn latere werk werd door zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog soberder en somberder.

Hij haalde veel inspiratie bij de figuren van Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als uitdrukkingen van de Vlaamse vrijheidsgeest.(Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 8 oktober 1972)

50 jaar geleden, de Vlaamse dichter Wies Moens wacht in Nederland geduldig op zijn eerherstel (De Post 18 juli 1971)

Wies Moens, geboren op 28 januari 1898 te Sint-Gillis-Dendermonde, volgt Latijn-Griekse humaniora aan het Heilig Maagdcollege te Dendermonde.

Hij wordt er op 13-jarige leeftijd lid van de studenten-bond Jong maar moedig, gesticht door Lodewijk Dosfel en aangesloten bij het Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond (AKVS).

Omdat zijn geestelijke mentor Lodewijk Dosfel aanvaard heeft om professor te worden aan de door de Duitsers vernederlandste universiteit van Gent, zet Wies Moens de stap om er zich in te schrijven in de faculteit Wijsbegeerte en letteren, Germaanse filologie.

Tegelijk zet hij zich in voor de culturele en politieke ontplooiing van zijn volk.

Dit wordt hem na de oorlog zwaar aangerekend

Hij wordt aangehouden op 13 december 1918 en op 8 december 1920 veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf en een zware geldboete.

De Vereniging van Vlaamse letterkundigen verzocht om zijn vrijlating, en Vlaamse intellectuelen stuurden een petitie rond.

Op 5 maart 1921 wordt hij in voorwaarde-lijke vrijheid gesteld en vijf dagen later begint hij te Leopoldsburg zijn legerdienst.

Hij huwt in 1922 met Margaretha Tas.

Datzelfde jaar wordt hij secretaris van het Vlaamse Volkstoneel, een functie die hij drie jaar blijft uitoefenen.

Lang genoeg om ervoor te zorgen dat het toneel in Vlaanderen een modern Europees peil bereikt.

Zijn expressionistische gedichten verschenen in het tijdschrift Ruimte, waarin ook Paul van Ostaijen publiceerde.

In zijn vroege werken koesterde Moens de verwachting van een betere samenleving, die zou steunen op internationale solidariteit, pacifisme, religieuze waarden en sociale gelijkheid.

Opvallend is dat zijn lyriek hier nooit bitterheid toont. Zo is het hoofdthema van De Boodschap (1920) zijn liefdevol vertrouwen in God en de mensen.

Met Van Ostaijen had hij kennisgemaakt dankzij de tijdschriften Aula en De Goedendag.

In 1931 sticht Wies Moens samen met Joris Van Severen en Emiel Thiers het Verbond van Dietse Nationaal Solidaristen (Verdinaso).

Hij heeft een belangrijk aandeel in de redactie van het politiek programma van de beweging.

Maar als Van Severen in 1934 de strikt Nederlandse gedachte verlaat en de Walen en Luxemburgers de kans wil geven binnen de Dietse staat te leven, neemt Moens ontslag.

Van dan af blijft zijn politieke activiteit beperkt tot schrijven en redevoeringen houden.

Via zijn tijdschrift Dietbrand (1933 – 1939) werpt hij zich op als een belangrijk theoreticus van het nationalisme in de Nederlanden en vriend en tegenstander erkennen in hem een schitterend redenaar.

Vanaf april 1941 leidt hij de gesproken uitzendingen van de Vlaamse Omroep en vanaf januari 1942 wordt hij directeur van Zender Brussel.

Hij neemt ontslag in 1944 omdat de druk van de Duitsers te groot is : hij weigert immers propaganda te maken voor de Hitlerjugend Flandern en verzet zich eveneens tegen de anti-joodse excessen.

Het mag niet baten, want op 17 mei 1947 wordt hij bij verstek ter dood veroordeeld.

Hij leeft dan ondergedoken en slaagt erin, met hulp van vrienden, naar Nederland te vluchten.

Hij wordt er medewerker van een uitgeverij, leraar aan het college van de karmelieten te Geleen (Nederlands-Limburg) en stichter-directeur van de Volksuniversiteit Carmel.

Bijna heel die tijd woont hij met zijn vrouw Grietje in Neerbeek.

In 1968 overlijdt zijn vrouw en van dan af leeft hij in toenemende eenzaamheid.

Hij bleef tot zeer hoge leeftijd poëzie schrijven.

Hij sterft op 5 februari 1982 te Neerbeek.

Hij ligt begraven op het kerkhof van Neerbeek onder een grafsteen, geïnspireerd op het Heldenhuldezerkje ontworpen door Joe English, die moet herinneren aan de Eerste Wereldoorlog.

Zijn twee bekende peetkinderen zijn Vlaams Belangpolitica Marijke Dillen en de Dendermondse Margareta Vander Cruyssen (familie en genoemd naar zijn echtgenote).

Sinds 27 juli 1983 bestaat het Vormingsinstituut Wies Moens, gericht op studie en vorming in het algemeen, en op het bevorderen van de studie van Moens en zijn werken in het bijzonder.(Diverse bronnen, Vormingsinstituut Wies Moens en Wikipedia)

50 jaar geleden, de Vlaamse dichter Wies Moens wacht in Nederland geduldig op zijn eerherstel (De Post 18 juli 1971)
50 jaar geleden, de Vlaamse dichter Wies Moens wacht in Nederland geduldig op zijn eerherstel (De Post 18 juli 1971)
50 jaar geleden, de Vlaamse dichter Wies Moens wacht in Nederland geduldig op zijn eerherstel (De Post 18 juli 1971)
50 jaar geleden, de Vlaamse dichter Wies Moens wacht in Nederland geduldig op zijn eerherstel (De Post 18 juli 1971)