Hij was een van de grootste sterren van de stomme film en de vroege geluidsfilm.
Hij werd vooral bekend door zijn rol als Judah Ben-Hur in Ben-Hur: A Tale of the Christ (1925), een van de toen duurste en succesvolste films uit die tijd.
Hij werd ook wel de “Latijnse minnaar” genoemd en was een sekssymbool na de dood van Rudolph Valentino.
Novarro begon zijn carrière in 1917 met kleine rolletjes, maar kreeg al snel hoofdrollen in films als The Prisoner of Zenda (1922), Scaramouche (1923) en The Student Prince in Old Heidelberg (1927).
Hij werkte samen met beroemde actrices als Greta Garbo, Joan Crawford, Myrna Loy en Norma Shearer.
Hij maakte een succesvolle overgang naar de geluidsfilm en speelde onder andere in Mata Hari (1931), The Barbarian (1933) en The Cat and the Fiddle (1934).
Zijn contract bij Metro-Goldwyn-Mayer werd echter niet verlengd in 1935 en zijn populariteit nam af.
Novarro kreeg een ster op de Hollywood Walk of Fame voor zijn bijdrage aan de filmindustrie.
Hij bleef acteren tot 1968, toen hij op tragische wijze werd vermoord door twee broers die dachten dat hij een grote som geld in zijn huis had.
Hij wordt beschouwd als de eerste Latijns-Amerikaanse acteur die succes had in Hollywood (De Post van 31 januari 1954)









