
60 jaar geleden, reclame voor klei Jumbo O Plast van Jumbo (november 1959)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Quasimodo had toen net de de Nobelprijs voor Literatuur gewonnen.
In de Vlaamse media zoals in de Post van 8 november 1959 weinig te lezen over zijn gedichten.
Wel over het feit dat hij communist is geweest, al was dat maar voor een korte periode.
De pers schreef er toen het volgende over : Hij zegde zijn lidkaart van de communistische partij op, omdat hij vrij wou zijn. Dit is bij westerse kunstenaars met communistische sympathieën veel voorkomend verschijnsel : zij juichen het communisme op zich zichzelf toe, doch eisen tegelijkertijd voor zichzelf de vrijheid op, die alleen het democratische Westen erkend .
Ook zou hij de Nobelprijs gewonnen hebben, omdat een jaar eerder Boris Pasternak deze prijs had gewonnen en volgens de Sovjet-Unie was dit toen niet meer dan een politieke daad tegen de Sovjet-Unie.
Trouwens voor Boris Pasternak was het ook geen cadeau.
Onder druk van moederland de Sovjet-Unie moest hij zelfs deze prijs weigeren en Ondermijnd door de lastercampagne van zijn land, stierf hij in 1960 aan longkanker.
Zodoende om de Sovjet-Unie te vriend houden, zou men daarom een jaar later in 1959 de prijs laten winnen door een communist zoals Salvatore Quasimodo.
De koude oorlog was duidelijk overal aanwezig, zelfs bij de Nobelprijs voor Literatuur.
In 1987 kreeg Pasternak uiteindelijk postuum volledig eerherstel in zijn eigen land, onder het glasnost en perestrojka-beleid van Michail Gorbatsjov (destijds secretaris-generaal van de CPSU).
Pasternaks zoon Jevgeni nam in 1989 namens zijn vader alsnog de Nobelprijs voor Dokter Zhivago in ontvangst. (Diverse bronnen, De Post 8 november 1959 en Wikipedia)







We kunnen het ons moeilijk voorstellen, maar 60 jaar geleden was er nog een wet uit de zeventiende eeuw in Frankrijk die nog steeds geldig was.
Die namelijk vrouwen verbood om aan boord te komen van vissers-, handels- en oorlogsschepen.
Jean-Baptiste Colbert die in de zeventiende eeuw politicus was ten tijde van Lodewijk de veertiende en de opdracht kreeg om niet allen te zorgen voor de koninklijke financiën, maar ook beheerder was van vrijwel alle andere regeringsdepartementen, zoals handel, marine, koloniën en kunst.
Hij was het dan ook, die deze wet uitvaardigde om vrouwen te verbieden aan boord te komen van deze boten.
Sonia de Borodesky daagde de Franse staat uit, door zich in te schrijven als leerling in de Nationale School van de Koopvaardij.
Zij was toen de eerste vrouwelijke leerling van deze school.
Na haar studies die ze met succes beëindigde, confronteerde ze de staat verder met deze discriminatie.
Dankzij haar strijd, besliste het parlement om deze wet Colbert te ontbinden op 28 januari 1963.
Buiten haar job als visser, schreef ze romans, essays en gedichten.
In 1959 was haar autobiografisch boek La Houle een bestseller in Frankrijk en dankzij vertalingen ook in de rest van de wereld.
Ze kreeg ook de Maryse Bastié prijs.
Twintig jaar geleden, stierf deze moedige vrouw (1926-1999) (Diverse bronnen, Wikipedia, Foto’s november 1959)








Sinds het einde van de negentiende eeuw begraaft New York zijn arme en anonieme doden op Hart Island.
Het is een morzel grond van 50 hectare – zo’n 80 voetbalvelden groot – tussen The Bronx en Long Island.
Het is de finale rustplaats voor wel één miljoen zielen: slachtoffers van de gele koorts, aidsdoden uit de jaren 80 van de vorige eeuw, drugverslaafden uit de jaren 60, zwervers, illegalen, armen en doodgeboren baby’s.
Het is letterlijk een soort onderwereld, een godverlaten plek die alleen met een onregelmatig varende ferry bereikbaar is.
Al die verzamelde lichamen in de grond, er komen er altijd maar nieuwe bij. Verdriet dat zich al anderhalve eeuw opstapel.
De doden op het eiland worden begraven door ongevaarlijke gedetineerden van Rikers Island.
50 dollarcent per uur krijgen ze betaald en ze graven verschillende grote putten voor zo’n 1.500 lijken per jaar.
De dennenhouten kisten worden in massagraven gedumpt.
Eén grafkruis voor 150 lijken: rijen van twee kisten breed, telkens drie kisten op mekaar gestapeld, zo’n drie tot vier meter diep in de grond.
Vier keer per week komen de gevangenen de verse lijken uit verschillende mortuaria ter aarde bestellen.
Het lijkt een grimmig tafereel uit een Victoriaanse roman van Charles Dickens.Tot voor kort mocht amper iemand het eiland bezoeken.
New York schermt het gebied af en heeft het beheer ervan in handen gegeven van het gevangeniswezen.
Het is een Potter’s Field, een armenbegraafplaats.Op de zijkant van elke kist staat een nummer en de naam (als die al bekend is).
Soms zijn er enkel lichaamsdelen.
Doodgeboren of te vroeg geboren baby’s worden begraven in een put met duizend kistjes.
Soms duurt het meer dan een jaar voor die put helemaal tot de rand is gevuld en kan worden afgedekt.
De doden op het eiland worden begraven door ongevaarlijke gedetineerden van Rikers Island.
50 dollarcent per uur krijgen ze betaald en ze graven verschillende grote putten voor zo’n 1.500 lijken per jaar.
De dennenhouten kisten worden in massagraven gedumpt.Eén grafkruis voor 150 lijken: rijen van twee kisten breed, telkens drie kisten op mekaar gestapeld, zo’n drie tot vier meter diep in de grond.
Vier keer per week komen de gevangenen de verse lijken uit verschillende mortuaria ter aarde bestellen.
Het lijkt een grimmig tafereel uit een Victoriaanse roman van Charles Dickens.Tot voor kort mocht amper iemand het eiland bezoeken.
New York schermt het gebied af en heeft het beheer ervan in handen gegeven van het gevangeniswezen.
Het is een Potter’s Field, een armenbegraafplaats.
Op de zijkant van elke kist staat een nummer en de naam (als die al bekend is). Soms zijn er enkel lichaamsdelen.
Doodgeboren of te vroeg geboren baby’s worden begraven in een put met duizend kistjes.
Soms duurt het meer dan een jaar voor die put helemaal tot de rand is gevuld en kan worden afgedekt.
Het is een vreemd gevoel om zomaar rond te kuieren op Hart Island.
De meesten van ons slagen er vrij makkelijk in om zwervers en armen te negeren als ze nog leven.Als ze dood zijn, is dat nog makkelijker.
Nee, New York gaat niet zo respectvol om met mensen die het niet hebben gemaakt in deze stad waar je verzuipt als je het niet maakt.
Zonder succes en triomf eindig je in de hoofdstad van de wereld onherroepelijk op Hart Island.
De lichamen worden niet gecremeerd zoals in vele andere Amerikaanse steden. Je weet nooit dat ze lichamelijke resten moeten opgraven voor één of ander gerechtelijk onderzoek.
Soms laat een godsdienst het verassen van een lijk ook niet toe.
Hart Island heeft een lange geschiedenis. Er was ooit een gevangenis gevestigd, een ziekenhuis voor tbc-lijders, een gekkenhuis, een armentehuis, en een ontwenningscentrum voor drugverslaafden.
Ik zag er tijdens mijn bezoek zelfs verlaten raketsilo’s uit de Koude Oorlog. Allemaal ruïnes uit een verdampte tijd.
Soms spoelen er schedels aan op de oever, of stukken sleutelbeen, of dijbeenderen. Door weer, wind en erosie vermolmen de goedkope houten kisten in de zompige grond van de massagraven en spoelen ze het eiland af, om vervolgens weer aan te spoelen.
Een beetje luguber noemen ze het strand van Hart Island wel een keer Bones Beach.Hart Island is geen ordelijk kerkhof, met mooi geplaveide paadjes, sierlijke zerken of getrimde gazonnetjes.
Slechts hier en daar zie je een paar bleekgekleurde, melancholische scheve kruisen in het moerassige gras.(Diverse bronnen, Björn Soenens, Wikipedia en Foto’s november 1959)







