Vandaag is het ook al 40 jaar geleden dat de Vlaamse organist, componist en muziekpedagoog Flor Peeters is overleden.

Franciscus Florentinus Peeters werd geboren op 4 juli 1903 in Tielen, als jongste in een gezin van elf.

De componist groeide op in een muzikale omgeving en werd al snel geboeid door het artistieke milieu.

Gedurende zijn middelbareschooltijd in Herentals en Turnhout studeerde hij piano, orgel (bij H. Quinen en Jozef Brandt) en viool.

Hij studeerde aan het Lemmensinstituut te Mechelen en behaalde de hoogste onderscheiding, de Prijs Lemmens-Tinel, in 1923.

Hij was de jongste laureaat van deze prijs in de geschiedenis van de school.

In 1923 werd hij meteen tweede organist aan de kathedraal en hulpleraar aan het Lemmensinstituut, beide opdrachten als hulp voor zijn orgelleraar Oscar Depuydt, die met Lodewijk Mortelmans tot zijn belangrijkste leraren kan worden gerekend.

Bij het overlijden van Depuydt in 1925 werd Flor Peeters hoofdorganist aan de kathedraal en hoofdleraar orgel aan het Lemmensinstituut te Mechelen.

In 1931 werd hij orgelleraar aan het Kon. Conservatorium te Gent en in 1935 leraar orgel en improvisatie aan de Rooms – Katholieke Leergangen te Tilburg.

Gisteren nog vandaag

Aan het Lemmensinstituut gaf hij les van 1923 tot 1952; aan het conservatorium te Gent van 1935 tot 1948.

In 1948 werd hij orgelleraar aan het Kon. Vlaams Conservatorium te Antwerpen; van 1952 tot 1968 was hij tevens directeur van deze instelling.

In 1968 op pensioen gesteld, kreeg hij een opdracht van het ministerie van Nederlandse Cultuur om elk jaar te Mechelen, in de kathedraal, een Internationale Meesterklas te doceren.

Hij zou dat doen tot en met 1985.

Flor Peeters was lid van de Kon. Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België en erelid van de Royal Academy of Music te Londen. I

In 1964 werd hij samen met Olivier Messiaen aangesteld als consultor bij het Vaticaans Concilie II, maar zij werden nooit geraadpleegd.

Flor Peeters was eredoctor in de muziek van de Catholic University of Washington (1962) en van de Katholieke Universiteit te Leuven (1971).

In 1971 benoemde de Koning hem tot baron.

Enkele maanden voor zijn dood, ontving hij de Belgische Staatsprijs voor de bekroning van een artistieke carrière.

Hij overleed te Antwerpen op 4 juli 1986.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het ook al dertig jaar geleden dat de Franse componist, organist en pianist Olivier Messiaen is overleden.(27 april 1992)

Zijn moeder was de dichteres Cécile Sauvage.

Zijn vader Pierre Messiaen, docent Engels en was afkomstig uit Zuid-Wervik.

Zijn jongere broer Alain Messiaen werd dichter.

Olivier Messiaen begon jong met componeren en ging op elfjarige leeftijd aan het Conservatoire de Paris studeren bij onder anderen Maurice Emmanuel, Charles-Marie Widor, Marcel Dupré en Paul Dukas.

In 1931 werd hij op 22-jarige leeftijd aangesteld als organist-titularis van de Église de la Sainte-Trinité te Parijs, een post die hij tot aan zijn zou dood bekleden.

Hij had er de beschikking over een drie-klaviersorgel, gebouwd door Aristide Cavaillé-Coll.

In 1936 was hij met onder anderen André Jolivet medeoprichter van de muziekbeweging La Jeune France.

In 1940 werd hij bij Verdun krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers.

In het gevangenkamp te Görlitz schreef hij voor enkele toevallig aanwezige professionele instrumentalisten (een violist, een cellist en een klarinettist, met hemzelf als pianist) het introspectieve Quatuor pour la fin du temps, dat een van zijn meestgespeelde werken werd.

Messiaen was een overtuigde rooms-katholiek van West-Vlaamse afkomst.

Zijn grootste inspiratiebron was de schoonheid van Gods schepping en dan met name het gezang van vogels.

Dit verklaart ook zijn affiniteit met de heilige Franciscus van Assisi, aan wiens persoon hij de omvangrijke opera Saint François d’Assise heeft gewijd.

Messiaen trok regelmatig de natuur in om opnames te maken van vogelzang.

In veel van zijn composities heeft hij die vogelzang verwerkt.

Titels als Abîme des Oiseaux (uit het ‘Quatuor pour la fin du temps’) en Oiseaux exotiques spreken voor zich.

Hij heeft ook de zang van een groot aantal vogels getoonzet voor piano (Catalogue d’oiseaux).

Ook in een van zijn laatste orkestwerken (Éclairs sur L’Au-delà…) zijn geluiden van vooral Australische vogelsoorten verwerkt.

Messiaen ontwikkelde een persoonlijke muzikale taal, die hij uiteenzette in zijn Traité de mon langage musical.

Daarin zijn vooral melodische en ritmische vernieuwingen te onderscheiden.

Melodisch staan de modes à transpositions limitées (beperkt transponeerbare modi) centraal.

Dat zijn toonreeksen die zichzelf overlappen als ze minder dan een octaaf getransponeerd worden.

Op het gebied van het ritme introduceerde hij ingewikkelde structuren uit Griekenland, India en het Verre Oosten, en hanteerde hij diverse eigen innovaties.

Belangrijk zijn de valeur ajoutée (toegevoegde waarde) en de rythmes non-rétrogradables.

Hij kende aan elke letter van het alfabet een toonhoogte en lengte toe. Het geheel noemde hij zijn langage communicable.

Hij had een bijzondere voorkeur voor de ondes-Martenot, een elektronisch muziekinstrument, een vroege vorm van de synthesizer.

Jeanne Loriod, de zuster van Messiaens tweede echtgenote Yvonne Loriod, was een van de bekendste bespelers van dit instrument.

Messiaen heeft vaak gecomponeerd voor groot orkest.

Een van zijn belangrijkste werken is de Turangalîla-symfonie (1947-1949), een meditatie over de vreugde van de liefde.

De naam komt uit het Sanskriet en betekent zoveel als ‘liefdeslied en hymne van vreugde, tijd, beweging, ritme, leven en dood’.

Het van levensvreugde overlopende, tiendelige stuk is geschreven voor een orkest uitgebreid met solopiano en ondes-Martenot (die beide een aantal opvallende cadensen spelen), en vereist 8 à 11 slagwerkers.

Het oratorium La Transfiguration de Notre Seigneur Jésus-Christ (1965-1969) wordt uitgevoerd door een zeer groot gemengd koor, circa 100 zangers, zeven instrumentale solisten en een orkest van meer dan honderd man.

Nog omvangrijker is de enige opera die Messiaen geschreven heeft Saint-François d’Assise (1975-1983), die door negen solisten wordt uitgevoerd, begeleid door een honderdkoppig koor en een zeer groot orkest, met als ongewone elementen drie piccolo’s, een basklarinet, contrabasklarinet en contrabasfagot, contrabastuba, en drie ondes-Martenot.

De rijk van gevarieerde instrumenten voorziene slagwerksectie bestaat uit vijf spelers.

De opera behandelt het leven van Franciscus van Assisi na diens bekering.

In de structuur zijn twee belangrijke elementen te herkennen: het door Richard Wagner geïntroduceerde Leitmotiv en aan de andere kant de vogelzang, altijd prominent bij Messiaen aanwezig.

In 1942 werd Messiaen benoemd tot docent compositie aan het Conservatoire de Paris, waar hij meer dan veertig jaar les gaf.

Hij was een geliefde docent, die in zijn muziekanalyseklas studenten uit vele landen onderwees.

Tot zijn leerlingen behoorden Pierre Boulez, Iannis Xenakis, Karlheinz Stockhausen, Witold Lutosławski, George Benjamin, Kent Nagano, Toru Takemitsu en Ton de Leeuw.

In 1971 werd aan Messiaen de Erasmusprijs uitgereikt.

Hij was commandeur van het Franse Legioen van Eer. (Diverse bronnen, Paris Match 24 maart 1962 en Wikipedia)