Bij geen enkele andere schilder komt de ruwe bolster van de Vlaming sterker tot uiting dan bij de man afkomstig uit de onderste krochten van het Gentse arbeidersmilieu.
Was er kunstpaus Jan Hoet niet geweest, en zijn focus op de wilde kunstvormen die rond de jaren tachtig van de vorige eeuw wereldwijd doorbraken, Camille D’Havé zou niet meteen wereldberoemd, maar toch heel wat bekender zijn en internationale erkenning hebben gekregen.
Niet dat Jan Hoet Camille D’Havé niet genegen was, maar hij paste niet in de ‘vriendenkring’, met Panamarenko, Jan Fabre, Berlinde De Bruyckere, Wim Delvoye, Bruce Nauman, Joseph Beuys en Marcel Broodthaers in de binnenste cirkel.
Een prachtig artikel over D’Havé is van de hand van Hugo Claus.
Weinigen weten dat hij als jongeling kritieken geschreven heeft, om den brode, maar vaak ook uit sympathie.
Hugo Claus, vooraan in de twintig, kroont D’Havé al, alvorens hij tot volledige rijpheid komt: ‘Hij (D’Havé, GL) is een gefolterde natuur, die dicht bij het aardse, het primitief-volkse contact heeft.
Zijn wereld is een dramatische vervorming der waarden, die wij dadelijk als een andere waarheid aanvaarden. Eerlijk en persoonlijk beklemtoont hij deze waarheid in een typische, hem eigene vorm (…) met aanknopingspunten bij én Goya én Picasso.
Zijn vorm: een scherpe, uithalende tekening, die de massa’s sculpturaal doet voorkomen, een lichte materie met geraffineerde variaties van de kleur, en een verftechniek, die de Primitieven als voorbeeld heeft.’
Ook Pjeroo Roobjee schreef een mooi gedicht voor hem en dit voor zijn zijn afscheidsgroet op de uitvaart van Camille.
Want in hetzelfde jaar van zijn tentoonstelling stierf deze Gentse schilder in 1980.
Strofe voor Camille
Bij leven het leven vergeten
Door wat hem als droom werd aangewezen:
De hardnekkige wimperwenk van Neithart,
Het lonken van een gebarsten kom in Colmar.
Daardoor ook kakkerlakken gegeten
En meikevers gevreten om te overleven.
Al wat Grünewald hem geven kon,
Was de grijze tooi, de moede pels,
Die exegeten als de ziekte meden.
Bij leven vergeten en het leven vergeten.
Het bestaande heelal volgevloekt en verweten
En toch in niets tekort geschoten.
(Diverse bronnen, Guido Lauwaert en De Post van 1 juni 1980)









